terug  begin  verder

[p. 149]

14

Tien dagen gingen voorbij. Het werd 1 april. Niemand wist een goeie grap. Twee april. Drie april. De geruchten over de oprukkende legers van de geallieerde strijdkrachten werden steeds optimistischer. Wanneer zou Hitler zich overgeven? De oorlog liep op zijn eind, dat was zeker.

Voor Michiel en Erica was dat een reden te proberen Jack uit zijn hoofd te praten, dat hij terug moest naar zijn squadron. Jack werd ongedurig. Hij voelde zich weer gezond. Het voorjaar prikte in zijn bloed. 't Is ook geen kleinigheid, een hele winter in zo'n hol onder de grond.

‘Ik moet weer gaan deelnemen aan de oorlog,’ zei hij. ‘Ik wil wedden dat ze 't zonder mij nooit klaren.’

‘Waarom zou je het risico nemen? De oorlog is bijna afgelopen - dat zegt iedereen,’ wierp Michiel tegen.

‘Blijf jij maar gezellig bij ons,’ zei Erica. ‘We moeten straks toch samen het bevrijdingsfeest vieren? Ik wil je trouwens ook aan mijn moeder voorstellen.’

Maar Jack wilde weg. Hij werd humeurig. Hij werd ook onvoorzichtig. Op een dag lag hij Michiel op te wachten onder een struik, buiten het sparrenveld. Michiel kreeg bijna een hartverlamming van schrik toen hij hoorde sissen: ‘Handen omhoog’ en vanuit de struiken een pistool op zich zag gericht.

‘Ha, ha,’ lachte Jack.

Michiel was woedend.

‘Dat zijn geen grappen,’ zei hij. ‘We zitten hier geen padvindertje te spelen op een militair oefenterrein in Engeland. Gisteren zijn er weer twaalf mensen gefusilleerd in Harderwijk. De oorlog is nog niet voorbij. Integendeel, de moffen schijnen hoe langer hoe

[p. 150]

meer pret te krijgen in het doodschieten van gijzelaars en politieke gevangenen.’

‘Sorry,’ zei Jack schuldbewust.

Michiel leerde uit het voorval dat het toch beter was als Jack vertrok. Hij sprak er met Erica over. Eerst wilde ze er niets van weten, maar toen hij aandrong en zei dat Jack wel eens dwaze dingen kon gaan doen, omdat hij het in het hol niet meer uithield, veranderde ze van gedachten.

‘Maar hoe?’ vroeg ze. ‘Hoe krijgen we hem veilig over de rivieren? Hoe krijgen we hem veilig bij de rivieren, in de eerste plaats?’

‘Oom Ben,’ zei Michiel.

‘Oom Ben?’

‘Hij zit in het verzet. Hij heeft me eens verteld dat hij zich vooral bezighoudt met vluchtroutes voor Engelse piloten. En Amerikaanse en Canadese natuurlijk. Vroeger deed hij het in elk geval, toen het nog via Spanje moest, of met een bootje over de Noordzee. Ik neem aan dat hij dan zéker een methode weet om Jack in Noord-Brabant te krijgen.’

‘Heb je hem wel eens iets over Jack verteld?’

‘Nee, tot nu toe was dat niet nodig. Nu is dat veranderd. Ik zal het doen zo gauw hij komt.’

‘Het moet dan maar,’ zei Erica berustend. ‘Ik had het fijn gevonden als Jack tot de bevrijding was gebleven, maar ja.’

Toen oom Ben een week later kwam opdagen, vroeg Michiel het hem meteen. Oom Ben fronste zijn wenkbrauwen.

‘Jonge vriend, beweer jij dat je een Engelse piloot verborgen houdt?’

‘Dat beweer ik.’

‘Hoe lang al?’

‘Ruim een half jaar.’

‘Hoe kom je aan hem?’

‘Het lijkt me niet nodig om dat te vertellen,’ zei Michiel.

[p. 151]

Oom Bens frons werd dieper.

‘Beste jongen, weet je wel wat je zegt? Je wilt mijn hulp voor het smokkelen van een piloot. Als ze me pakken, ga ik zonder pardon tegen de muur. Dat geeft me toch wel het recht om eerst uit te zoeken of die man wel echt een piloot is en niet bijvoorbeeld een vermomde Duitser, vind je niet? Het geeft me het recht te weten, waar hij vandaan komt, waar hij is neergestort, hoe hij tot nu toe is verzorgd, wie hij kent, enzovoorts.’

‘Ja,’ zei Michiel aarzelend.

Zijn lang geoefende gewoonte om te zwijgen, om niets te vertellen als het niet strikt nodig was, verzette zich ertegen, maar hij begreep dat oom Bens verlangen redelijk was. Met tegenzin vertelde hij het verhaal van Jack en Dirk; dat Dirk de Duitser had gedood met een kapmes verzweeg hij. Hij vertelde hoe Dirk de piloot ergens had verborgen en verzorgd, hij vertelde van de brief en van Dirks arrestatie. Daarna zijn eigen rol in de gebeurtenissen en die van Erica.

Oom Ben legde een hand op zijn schouder.

‘Mannenwerk,’ zei hij. ‘Ik ben trots op je.’

Michiel kleurde. Tot nu toe had hij voornamelijk nagedacht over de fouten die hij maakte. Dat hij ook lof verdiende, was nooit bij hem opgekomen.

‘Waar is die schuilplaats?’ vroeg oom Ben.

‘Lijkt het u niet beter als ik dat pas vertel op het laatste moment, als u zijn vlucht hebt georganiseerd? U zou opgepakt kunnen worden. Hoe minder u dan weet hoe beter.’

Oom Ben glimlachte waarderend.

‘Je bent opmerkelijk rijp voor je leeftijd, jongen,’ zei hij. ‘De meeste mensen zijn kletsmajoors. Ze moeten met alle geweld hun doen en laten aan iedereen vertellen. Een soort geldingsdrang, denk ik. Zelfverzekerde mensen, sterke karakters, hebben dat niet nodig. Die hebben genoeg aan zichzelf. Het applaus of de afkeu-

[p. 152]

ring van anderen kunnen ze missen. Ik zal er meteen werk van maken. Jij moet me daarbij helpen. Hoe is die piloot van je gekleed?’

‘In de resten van zijn uniform en een zeer oud jasje. Vodden.’

‘Hij moet een onopvallend pak aan hebben. Kun jij hem dat bezorgen? Haal maar iets uit de klerenkast van je vader.’

Michiel knikte.

‘Ik heb in mijn koffer een fototoestel,’ vervolgde oom Ben. ‘Kun je fotograferen? Ik zal het je uitleggen. Ik moet namelijk een pasfoto van hem hebben voor zijn valse persoonsbewijs.’

Oom Ben haalde het toestel en legde Michiel zorgvuldig uit hoe hij de foto moest maken. Hij liet het een keer of twee, drie, nazeggen, tot hij ervan overtuigd was, dat zijn pseudo-neef geen fouten zou maken.

‘Kun je ervoor zorgen dat ik het toestel uiterlijk morgenmiddag terug heb?’

‘Dat denk ik wel.’

‘Mooi. Ik hoef zeker niet te zeggen, dat je piloot burgerkleren aan moet hebben als je de foto maakt?’

‘H'm,’ zei Michiel. ‘Misschien toch goed dat u het even hebt genoemd.’

‘Woensdag foto,’ mompelde oom Ben, ‘donderdag ontwikkeld, valse persoonsbewijs kan dan in het weekend, vluchtroute organiseren, 's kijken, dan kan ik hem waarschijnlijk maandag meenemen naar een contactadres, van waaruit hij verder zal worden gebracht.’

‘Maandag al,’ zei Michiel met een kleine pijnscheut in zijn hart.

‘Ik denk het.’

Michiel ging direct aan het werk. De kleren van zijn vader waren veel te groot voor Jack, die tenger was. Maar goed, met een sportjasje dat wat smaller leek dan de andere jasjes en een broek die met een riem samengesnoerd kon worden, moest het kunnen

[p. 153]

lukken. Ten slotte waren er zoveel mensen magerder geworden in de oorlog, dat het doodgewoon was, wanneer je kleren om je lijf slobberden. Terwijl hij de spullen uit de kast haalde, werd hij betrapt door zijn moeder. Ze bleef staan in de deuropening. Ze zag de kleren uitgespreid op het bed. Ze begon een zin: ‘Wat ben jij...’, bedacht zich dan, draaide zich om en ging de kamer uit. Zachtjes sloot ze de deur. Ineens begreep Michiel dat hij op zijn moeder leek. Ook zij kon zwijgen. Maar het zwijgen van zijn moeder was een niet-vragen en dat was moeilijker dan niet vertellen.

 

Het maken van de foto verliep zonder problemen. Jack was opgewonden door het nieuws dat hij maandag het hol zou verlaten. Ook het komende gevaar deed zijn bloed sneller stromen. Dirk was een beetje jaloers. Hij was behoorlijk aangesterkt en zou ook graag weer tot actie komen. Helaas, hij liep erg slecht. Als hij zich bij de ondergrondse meldde, zou hij eerder een last dan een gemak voor hen zijn.

‘Die oom van jou,’ vroeg hij aan Michiel, ‘verstaat die zijn werk? Heeft hij het vaker bij de hand gehad?’

‘Hij doet al jaren niet anders,’ zei Michiel. ‘Als iemand het er veilig af kan brengen, is hij het.’

 

Die maandag. Michiel had besloten dat Erica hun oom naar de schuilplaats zou brengen. De banden van zijn zusje met Jack waren van een andere aard dan de zijne. Het had hem wel moeite gekost het zo te regelen, maar het bedroefde gezicht van Erica toen ze hoorde van Jacks vertrek, had de doorslag gegeven.

's Zondags was hij zelf afscheid gaan nemen.

‘Direct na de bevrijding ik kom bij jullie,’ had Jack gezegd. ‘En, Michiel, bedankt voor het redden van mijn leven.’

‘Kom, kom.’

‘Jazeker. Zonder Dirk en jij en Erica had ik nooit overleefd deze

[p. 154]

oorlog. Da's een aardige gedachte voor jullie. Later, als ik eerste minister van Engeland ben, jullie kunnen zeggen: zonder ons werd Engeland nu niet zo goed geregeerd.’

‘Tabé, Jack. Doe precies wat mijn oom zegt.’

Hun handen even in elkaar. De blauwe blik van Michiel, de grijze van Jack. Vaarwel.

Nu was het maandag. Zo-even waren oom Ben en Erica vertrokken. Lopend. Ze zouden naar het sparrenbosje wandelen en daar Jack oppikken. Erica hoefde alleen de weg te wijzen. Daarna zou ze afscheid nemen en een andere kant opgaan. Oom Ben en Jack zouden lopend door het dorp gaan, te midden van de trekkers, expres midden op de dag, om niet op te vallen. Als ze werden aangehouden, zou Jack z'n valse persoonsbewijs laten zien en verder vreselijk stotteren. Oom Ben zou uitleggen dat hij een spraakgebrek had. Het moest goed gaan.

Michiel ging houtjes hakken, achter de schuur. Van tijd tot tijd keek hij op de kerkklok. De minuten kropen. Nu moesten oom Ben en Erica wel bij het sparrenveldje zijn, zo langzamerhand. Nou nee, nog niet eigenlijk. De aprilzon scheen warm in zijn nek. Hij legde de bijl op de grond en ging op het hakblok zitten, zijn rug geleund tegen de schuur. De vermoeidheid van een winter vol spanning en hard werken kroop omhoog in zijn lichaam. De verantwoordelijkheid voor Jack was hij nu kwijt. Een geruststellende gedachte. Een gemis toch ook.

Hij sloot zijn ogen en keerde zijn gezicht naar de zon. Heerlijk, die warmte. Doezelde hij even weg? Hij schrok ineens op toen hij het stemmetje van Jochem hoorde. Vlakbij was die stem, alsof er in zijn oor getoeterd werd. Het duurde even voor hij zich realiseerde, waar het geluid vandaan kwam. Uit de schuur. De plank waartegen hij zijn hoofd leunde, week een beetje. Daardoor was er een spleet tussen deze plank en die eronder.. Op het eerste gezicht zag je die spleet niet, omdat de planken elkaar een beetje

[p. 155]

overlapten. Blijkbaar sprak Jochem tegen moeder - hij kon het woordelijk volgen.

‘Ik héb hier al gezocht,’ zeurde Jochem. ‘Hij is hier niet.’

‘Heb je hier wel gespeeld?’ vroeg zijn moeder.

‘Jawel. Wel een poosje.’

‘Ben je ook bij Joost geweest?’ (Joost was z'n vriendje, die in het huis naast hen woonde.)

‘Dat weet ik niet meer. Gisteren wel, geloof ik.’

‘Nou, dan is je jas daar misschien. Laten we maar eens gaan vragen.’

De stemmen stierven weg. Michiel was nog wat suf door zijn hazenslaapje, maar ineens verstrakte hij alsof hij door een beroerte werd getroffen. Alleen zijn ogen sperden zich wijder en wijder open. Dat geluid... Die stemmen in de schuur... De waarheid drong tot hem door, zó duidelijk, zó zeker, dat er geen spoor van twijfel in hem achterbleef.

Hij beet op de binnenkant van zijn wang om de verlamming die hem had overvallen, te doorbreken. Toen sprong hij op en holde naar zijn fiets. Met één zwaai slingerde hij zich op het zadel en fietste, fietste zoals hij nog nooit had gefietst. Als hij maar op tijd was. Als hij alsjeblieft maar op tijd was. Op zijn rammelende banden racete hij over de straatweg, miste op een haar na een oude dame die een poppenwagen voortduwde, ontweek de mestwagen van Coenen en stoof de Damakkerweg op. Geen tijd nu voor voorzichtigheid, voor opletten dat niemand hem zag. Dáár was het Dagdaler Bos. Waren ze er nog? Zijn verstand werkte snel; helder alsof hij het al eens in een film had gezien bedacht hij, wat hij moest doen. Met volle vaart nam hij de bocht naar links, het bospad in. En daar botste hij bijna tegen oom Ben en Jack op.

‘Michiel, wat is er,’ riep oom Ben verschrikt.

Michiel sprong van de fiets en greep Jack bij een arm.

‘Jack, heb je het pistool bij je?’

[p. 156]

‘Jawel, wat is daarmee?’

‘Geef het eens gauw.’

Verbaasd trok Jack het pistool te voorschijn van onder zijn jas. Michiel rukte het hem haast uit de handen. Hij haalde de veiligheidspal over, wat hij in het hol van Jack had geleerd, en richtte het wapen op oom Ben.

‘Handen omhoog,’ riep hij schel.

‘Wat zullen we nou hebben,’ zei oom Ben en ook Jack maakte verbaasde geluidjes door zijn neus.

‘Deze man is de verrader,’ hijgde Michiel. ‘Hij heeft Dirk verraden en de barones en Bertus Hardhorend en hij zou nu met jou, Jack, regelrecht naar de Duitse kazerne zijn gewandeld.’

‘Je bent gek,’ zei oom Ben.

‘Ik wás gek,’ zei Michiel, ‘maar nu ben ik het niet meer.’

‘Als we eens teruggingen naar het hol?’ stelde Jack voor. ‘Het lijkt me hier niet zo veilig. Geef mij dat pistool maar, ik was in de opleiding kampioen pistoolschieten van de compagnie.’

‘Als je belooft dat je hem goed onder schot houdt.’

‘Nou en of.’

Jack gaf oom Ben een duw en beduidde met een hoofdknik dat hij moest gaan lopen in de richting waar ze vandaan waren gekomen. Gelukkig was er behalve hen niemand in het bos te bekennen.

‘Ik protesteer,’ zei oom Ben. ‘Ik wens niet zo behandeld te worden. Michiel praat wartaal. Ik heb vier jaar in het verzet gezeten.’

‘Dat zal best,’ hoonde Michiel. ‘Vier jaar zo'n judas in je eigen gelederen. Wat zal dat een slachtoffers hebben gekost.’

‘Geloof hem niet,’ zei oom Ben tegen Jack, die de verdachte met het pistool tot grotere spoed maande.

‘Als ik één persoon op deze wereld vertrouw, dan het is Michiel,’ zei Jack. ‘Hupsa, doorlopen.’

Oom Ben verdubbelde zijn protesten, toen hij op zijn buik tus-

[p. 157]

sen de stammetjes door moest, maar het hielp hem niet. De verbazing van Dirk, toen ze het hol bereikten, was groot.

‘Het schijnt dat we hebben hier je verrader,’ zei Jack. ‘Alsjeblieft, voor jou, helemaal compleet.’

Hij overhandigde Dirk het pistool.

‘Ik heb die man nog nooit gezien,’ zei oom Ben.

‘Dat klopt,’ aarzelde Dirk.

‘Hij heeft je toch verraden,’ gromde Michiel.

‘Nonsens,’ zei oom Ben.

‘Waarom doorzoeken wij zijn zakken niet?’ stelde Michiel voor.

‘Goed idee.’

Oom Ben protesteerde heftig, maar daar trokken de drie jongemannen zich weinig van aan. En toen kwamen ze te voorschijn, de bewijzen. Een kaart die de houder recht gaf op Duitse militaire voertuigen mee te rijden. Een lijstje telefoonnummers van Duitse autoriteiten. Een brief van een Duitse vriendin in Hannover. En als klapstuk een brief van de SS, waarin de geachte heer Van Hierden werd uitgenodigd om de Engelse piloot af te leveren in de kazerne van de Vlank.

‘Heet 'ie Van Hierden?’ vroeg Jack belangstellend.

‘Ben van Hierden. Mijn zogenaamde oom. Al sinds jaar en dag een dikke vriend van mijn ouders. Ik zal hem mijn leven lang niet meer met oom aanspreken.’

‘'t Is natuurlijk de vraag,’ fluisterde Dirk dreigend, ‘of zijn leven nog erg lang zal zijn.’

De heer Ben van Hierden veegde met de achterkant van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd.

‘Jullie kunnen toch niets bewijzen,’ stamelde hij.

‘O nee?’ zei Dirk. ‘Is dit hier niet genoeg bewijs? Vertel eens, Michiel, hoe heb je het ontdekt?’

Michiel had moeite om samenhangend te praten. De wilde fietsrit, de opwinding, maar vooral zijn woede over het verraad van

[p. 158]

zijn zogenaamde oom en zijn ergernis over de manier, waarop hij zich had laten bedotten, hadden het bloed naar zijn hoofd gejaagd.

‘De wanhoopshoutjes...,’ begon hij.

Hij probeerde zijn gedachten te ordenen.

‘Ik dacht dat ik kende een aardig woordje Nederlands,’ zei Jack, ‘maar met wanhoopshoutjes heb ik nog niet kennis gemaakt.’

‘Vanmorgen hakte ik houtjes achter de schuur,’ vertelde Michiel. ‘Daar staat het hakblok en daar liggen de houtblokken opgestapeld. We hakken daar altijd. Ineens hoorde ik stemmen, heel duidelijk, zonder dat ik iemand zag. Het bleken mijn moeder en Jochem te zijn, die in de schuur aan het zoeken waren naar Jochems jas of zoiets. Ik kon het zo duidelijk horen, omdat er een spleet tussen de planken zit. Ineens herinnerde ik me de morgen dat Dirk me de brief gaf. Dat was in de schuur. Diezelfde ochtend, een beetje vroeger, had hij daar (hij wees op Van Hierden) alle dunne, droge houtjes opgestookt die voor geval van nood voor mijn moeder in de kist bij de kachel liggen. De zogenaamde wanhoopshoutjes. Ik had hem gezegd dat hij nieuwe moest hakken. Ik weet nog dat ik hem met de bijl zag lopen. Hij moet op het hakblok zijn gaan zitten om uit te rusten, net als ik vanmorgen. Zo heeft hij kunnen horen wat Dirk tegen me zei.

Laten we eens nagaan wát Dirk precies heeft gezegd. Ten eerste: hij heeft verteld van de overval op het distributiekantoor in Lagezande, die met drie man zou gebeuren. Dirk en zijn vrienden vielen in een hinderlaag en de moffen wisten dat er een derde man moest zijn. Ten tweede: Dirk heeft de naam van Bertus Hardhorend genoemd. Ik zou Bertus de brief moeten geven als er iets misging. Van Hierden heeft die naam gehoord. Maar hij wilde ook de brief hebben. Hij wist niet dat ik de brief in de schuur had verstopt. Of liever gezegd: in het kippenhok.’

Onwillekeurig klikte Ben van Hierden met zijn vingers.

‘Daar had u niet aan gedacht, hè?’ zei Michiel smalend en hij

[p. 159]

vervolgde: ‘'s Avonds heeft hij mijn kamertje doorzocht. Ik betrapte hem. Hij zei heel ad rem dat hij iets wilde opzoeken in mijn Engelse woordenboek. Het Engelse woord voor dynamiet. Hij had beter kunnen opzoeken hoe je verrader in het Engels zegt.’

‘Traitor,’ zei Jack behulpzaam.

‘Goh,’ zei Dirk, ‘wat ken jij goed Engels.’

‘Zal ik verder gaan?’ vroeg Michiel.

‘Ik wou dat u niet zo met dat pistool zat te spelen,’ zei Ben van Hierden. ‘Pistolen gaan soms af, weet je.’

‘Dat zou geen gekke oplossing zijn,’ zei Dirk somber. ‘Maar ik wil mijn handen wel vrij hebben, eigenlijk. Laten we hem maar vastbinden.’

Vijf minuten later waren Van Hierdens handen vastgebonden op zijn rug en ook om zijn enkels en knieën was een touw geknoopt. Daarna ging Michiel verder met zijn verhaal.

‘Toen hij het briefje niet kon vinden, heeft hij, neem ik aan, als volgt geredeneerd: we wachten tot het eind van de volgende dag voor we Bertus Hardhorend overvallen. Dan vinden we het briefje wel bij hem. Hij mocht aannemen, dat ik het dadelijk weg zou brengen. En nu wilt u zeker graag weten, waarom ik dat niet heb gedaan.’

Ben van Hierden gaf geen antwoord.

‘Ik had die dag allerlei pech,’ ging Michiel verder. ‘Jullie weten dat Schafter met me mee is gefietst naar wethouder Kleiweg en dat hij me later nog eens heeft gezien. Maar daardoor kon hij toch de naam van Bertus niet kennen? Dat was dus toch toeval, Dirk, daar had jij gelijk aan.’

‘Maar hij heeft ook de Duitse overvalwagen het Driekusmanswegje gewezen,’ weifelde Dirk.

‘Misschien hebben ze hem gevraagd waar het Driekusmanswegje is. Dat is geen geheim. Dat mocht hij hun gerust vertellen. Trouwens, het kan best zijn dat hij een vriend van de Duitsers is.

[p. 160]

Iedereen zegt het. Maar Bertus Hardhorend kan hij niet verraden hebben. Hij wist het niet. Alleen hij daar wist het.

En dan die kwestie met het Koppelse Veer. De avond van de dag, dat ik die Rotterdammers had overgezet, kwam hij toevallig. Hij wist toen nog niet dat mijn vader dood was. Hij leek er zo overstuur van dat ik, om hem op te vrolijken...’

‘Ik wás er overstuur van,’ zei Ben van Hierden. ‘Ik heb je vader altijd graag gemogen.’

‘Dan had u er beter aan gedaan dat aan de moffen te laten weten. Dat zou beslist hebben geholpen.’

‘Dat was 't hem nu juist,’ mompelde Ben van Hierden. ‘Daar was ik overstuur van. Ik had verzuimd de kazernecommandant te zeggen dat hij met zijn vingers van de burgemeester moest afblijven.’

‘En de gemeentesecretaris en de dominee en die anderen, dat gaf niet, hè?’ zei Michiel fel. ‘Die mochten wel dood. De vrouw van de gemeentesecretaris zit nu in een psychiatrische inrichting, weet u dat? Ze komt er nooit meer overheen.’

Ben van Hierden zweeg.

‘Nou goed, om hem op te vrolijken liet ik mijn voorzichtigheid varen en vertelde hem van de manier, waarop de moffen voor de gek werden gehouden door de barones. Jullie weten wat er is gebeurd. De volgende morgen werd de hele zaak opgerold. En ik, onnozele, verdacht Schafter ervan.’

Een tijdje was iedereen verzonken in zijn eigen gedachten. Jack overwoog dat er van zijn vlucht naar het zuiden nu wel niets terecht zou komen. Ben van Hierden zocht verwoed naar een mogelijkheid om uit deze lastige situatie te komen. Dirk overlegde met zichzelf wat ze met de verrader moesten doen. En Michiel piekerde erover hóe deze man, tegen wie hij zijn hele leven oom had gezegd, die hij altijd aardig had gevonden, ertoe was gekomen om zulke lage streken uit te halen.

[p. 161]

‘Ik heb ervoor gezorgd dat jij overal buiten bleef,’ zei Ben van Hierden.

‘Dat had ook een vingerwijzing voor me moeten zijn,’ zei Michiel. ‘Een paar maal was ik er zeker van, dat ze me zouden komen halen. Waarom hebt u eigenlijk mijn naam niet genoemd?’

‘Omdat ik je altijd zo graag heb gemogen.’

‘Kijk uit, Michiel,’ zei Dirk. ‘Nou gaat 'ie op je gemoed werken.’

‘Waarom hebt u het gedaan?’ vroeg Michiel. ‘Kreeg u geld van de Duitsers?’

‘Nee,’ antwoordde Ben van Hierden, en er kwam een fanatieke gloed in zijn ogen. ‘Ik heb het gedaan, omdat Hitler een groot man is. Hij begrijpt dat sommige rassen zijn geschapen, om te heersen en sommige om te dienen. De Slavische volkeren heten niet voor niets slaven. En ook de Fransen en de Italianen en de Spanjaarden zijn slappelingen. De joden zijn zo minderwaardig, dat je ze beter kunt uitroeien.’

Michiel dacht aan het fijne, intelligente gezicht van Jitzchak Kleerkoper.

‘De Engelsen zouden iets waard kunnen zijn als ze niet zo decadent waren,’ vervolgde Van Hierden.

‘Bedankt,’ zei Jack met een grijns.

‘Maar het grootste volk, het herenvolk, dat zijn de Duitsers. Zij zijn lang en blond, zij hebben de beste technici en wetenschapsmensen, zij hebben de grootste componisten voortgebracht. En het zijn militairen. Geen leger is zó gedisciplineerd, zó...’

‘Zwijg!’ zei Dirk ineens. ‘Ik kan deze godslasterlijke taal niet langer aanhoren.’

Hij wreef langs het litteken dat liep van zijn linkeroor tot aan zijn neus.

‘Wat gaan we met hem doen?’ vroeg Jack ineens.

‘Daar zit ik voortdurend over te denken,’ zei Dirk.

[p. 162]

‘Er is eigenlijk maar één mogelijkheid,’ zei Jack achteloos.

Dirk knikte.

‘Michiel, dat kun je niet toelaten,’ hijgde Ben van Hierden.

‘Wat kan ik niet toelaten?’

‘Dat ze me...’

‘Willen jullie hem doodschieten?’ vroeg Michiel zacht.

Dirk haalde zijn schouders op.

‘Weet jij iets beters?’

Weer viel er een zwijgen in het hol.

‘Jij mag het doen,’ zei Jack na een tijdje. ‘Jij hebt het meest door hem geleden.’

‘Mág het doen? Doe jij het alsjeblieft. Jij bent een militair.’

‘Nee,’ zei Jack luchtig, ‘dat was geen onderdeel van de opleiding.’

‘Kunnen we hem niet overdragen aan de ondergrondse?’ stelde Michiel voor. ‘Laat meneer Postma beslissen wat er moet gebeuren.’ Daar moest Dirk even over nadenken.

‘Hoe spelen we hem in handen van de ondergrondse? Hoe overtuigen we hen ervan dat hij een verrader is? Lopen we niet een onnodig risico door er anderen in te mengen?’

Ze kwamen er niet uit. Jack vond, dat ook Erica's mening gevraagd moest worden. Ten slotte besloten ze er een nachtje over te slapen. Van Hierden kon wel geboeid in het hol blijven, al werd de ruimte voor drie man wel klein.

‘Och,’ zei Jack, ‘in een cockpit is het ook zo ruim niet. En waar zou ik nu zijn als Michiel minder hard had kunnen fietsen?’

‘Tot morgen,’ zei Michiel. ‘Ik zal Erica inlichten.’

Hij kroop door het sparrenbos, vond zijn fiets en reed naar huis. Bij alle bitterheid voelde hij zich opgelucht, omdat de onzekerheid, de raadsels, waren opgelost. Hij begreep nu ook hoe Ben van Hierden zo snel een brief van Jacks moeder had kunnen organiseren. Hij had de Duitsers natuurlijk gezegd dat het Rode Kruis geen

[p. 163]

strobreed in de weg mocht worden gelegd, zodat Michiel onder de indruk zou komen van zijn relaties. Goh, en juist door die snelle briefwisseling met Jacks moeder had hij zo'n groot vertrouwen in oom Ben gekregen.

Nog één vraag dreinde door in zijn hoofd. Die ging over het gebouwtje van het Groene Kruis. Hoe had Schafter geweten dat Michiel het briefje had geschreven? Hij schudde zijn hoofd. Hoe hij ook nadacht, dat begreep hij niet.

terug  begin  verder