terug  begin  verder

[p. 164]

15

De volgende dag zijn ze weer bij elkaar in de schuilplaats. Ook Erica is er. Zij was diep geschokt toen zij hoorde dat oom Ben een verrader is. Ze kán het haast niet geloven. Nu ze in het hol is, vermijdt ze hem aan te kijken.

Dirk heeft ernstig nagedacht. Hij deelt zijn conclusies mee aan de anderen.

‘We moeten hem inderdaad maar onder de hoede stellen van meneer Postma,’ zegt hij. ‘Het is namelijk best mogelijk dat hij dingen weet die belangrijk zijn voor de ondergrondse. Die moet meneer Postma maar uit hem zien te krijgen. Hopelijk is de oorlog binnenkort afgelopen. Dan kunnen ze hem overdragen aan de autoriteiten. De rechter kan dan beslissen welke straf hij moet hebben. Ik zal met genoegen tegen hem komen getuigen.’

Misschien is deze oplossing door Dirk bedacht, omdat hij zélf het vonnis niet ten uitvoer kan brengen. Jack waarschijnlijk ook niet. Erica en Michiel laat hij helemaal buiten beschouwing.

‘Oké?’ vraagt Dirk.

Hij kijkt de kring rond. Iedereen knikt.

‘Hoe krijgen we hem hier weg?’ vraagt Michiel.

‘Ik stel voor dat jij met een briefje van mij naar meneer Postma gaat,’ zegt Dirk. ‘Hopelijk weet Postma een plaats waar hij Van Hierden kan verbergen. Je moet hem vragen of hij bereid is naar de rand van het Dagdaler Bos te komen om de gevangene over te nemen. Ik breng hem dan, met behulp van het pistool, van hier naar de rand van het bos.’

‘Niet mogelijk,’ zegt Jack. ‘Je handen trillen nog teveel om het pistool vast te houden. Ik zal het doen.’

Daar heeft Dirk op zijn beurt bezwaar tegen.

[p. 165]

‘Het is nergens goed voor dat meneer Postma jou ontmoet. Toch moet één van ons het doen. Ik wil liever ook niet dat meneer Postma precies weet waar onze schuilplaats is. Ik vertrouw hem wel, maar hoe minder mensen het weten hoe beter.’

‘Ik kan het toch doen,’ zegt Michiel.

‘Durf je dat?’

‘Natuurlijk durf ik dat! Wat is daaraan te durven?’

‘Goed, dat is dan afgesproken.’

‘Als de Duitsers me aanhouden en het briefje vinden, zijn we erbij,’ zegt Michiel. ‘Is het niet beter dat ik zonder briefje naar meneer Postma ga?’

‘Hij zou je misschien niet geloven. Ik zal proberen het briefje zo te schrijven dat iemand die mij niet kent er niks wijzer van wordt.’

Ze stemmen allemaal in met het voorstel. In het briefje schrijft Dirk alleen: M.v.B. is volkomen te vertrouwen, volgens de witte leghorn.

Dat betekent natuurlijk: Michiel van Beusekom is volkomen te vertrouwen, volgens Dirk Knopper.

Michiel trof meester Postma thuis. Toen die het briefje had gelezen, keek hij Michiel vorsend aan.

‘Weet jij wie witte leghorn is?’

Michiel knikte.

‘Is hij in gevangenschap?’

‘Hij is ontsnapt.’

‘Goddank,’ zei meneer Postma. ‘Waar is hij nu?’

Michiel keek zijn oude meester recht in de ogen zonder iets te zeggen.

‘Goed. Wat kan ik voor je doen?’

De jonge verzetsstrijder vertelde van het verraad en van de verrader.

‘We willen hem graag aan u overleveren,’ besloot hij zijn verhaal. Na enig nadenken stemde meneer Postma erin toe de gevan-

[p. 166]

gene de volgende avond om half acht aan de rand van het Dagdaler Bos te komen halen.

‘Hoe, lopend?’ vroeg Michiel.

‘Ja.’

‘Bent u niet bang dat hij ontsnapt tussen de mensen?’

‘Om half acht schemert het al. Er zullen weinig mensen op straat zijn. Bovendien hoef ik niet over de straatweg. De drukste straat die we moeten passeren is de oude Stationsweg. Veel mensen zullen daar niet zijn. Toch is er enig risico. Durf jij mee te gaan, zodat we hem tussen ons in kunnen laten lopen?’

‘Jawel.’

‘Goed, tot morgenavond dan.’

 

Ben van Hierden rook zijn kans om te ontsnappen. Dat kleine stukje van het Sparrenveld tot aan de rand van het bos, dan zou hij alleen zijn met Michiel. Dan moest het kunnen.

Jack kroop mee tot aan het bospad. Daar overhandigde hij Michiel het pistool.

‘Als hij er vandoor gaat, niet aarzelen om te schieten,’ zei hij.

Michiel knikte, zo rustig mogelijk. Zou hij dat inderdaad durven, schieten op de man die hij zo lang aardig had gevonden?

Hij liet Ben van Hierden een paar meter voor zich uit lopen en hield het pistool onder zijn jekker. Amper waren ze uit het gezicht van Jack verdwenen of Van Hierden keerde zich om.

‘Moeten we nu zó door het bos, wij die zo dikwijls samen een wandeling hebben gemaakt?’ vroeg hij verwijtend.

‘Doorlopen,’ gromde Michiel.

Maar Ben van Hierden liep niet door. Hij ging zitten op een omgevallen boom. Michiel haalde het pistool te voorschijn en richtte het op het hoofd van de man.

‘Ik schiet,’ zei hij, maar erg zeker klonk zijn stem niet.

‘Dat geloof ik niet,’ zei Van Hierden. ‘Jij kunt niet op me schie-

[p. 167]

ten. Daarvoor zijn we te lang goede vrienden geweest. Kom nu eens even naast me zitten en laten we eens praten.’

‘Sta op en loop door, zeg ik je.’ Michiels stem sloeg vervaarlijk over.

‘Luister eens, Michiel, probeer me te begrijpen. Ik geloof dat het nationaal-socialistische systeem van de Duitsers het beste is voor de wereld en voor ons land. Dat kán toch. Je hoeft het niet met me eens te zijn, maar iemand kan die mening toch eerlijk zijn toegedaan. Zo is dat nu eenmaal met mij. Welnu, is het dan niet mijn plicht alles te doen wat ik kan om de Duitsers te helpen hun systeem over de wereld te verspreiden? Ben ik dat niet verplicht naar eer en geweten?’

‘Nee,’ zei Michiel, ‘niemand kan naar eer en geweten verplicht zijn zijn land en volk te verraden, Willem Stomp te laten doodschieten en de tenen van Dirk Knopper in elkaar te laten slaan.’

Een gevoel van triomf schoot door Van Hierdens hoofd. Hij had de jongen aan het praten gekregen, aan het discussiëren. Nu zou hij zéker niet meer durven schieten. Hij was weer menselijk geworden in de ogen van Michiel.

‘In alle oorlogen gebeuren vreselijke dingen,’ zei hij overredend. ‘Dat wil ik ook niet, maar ze gebeuren. Dacht je dat de Russen en de Amerikanen zulke lieverdjes waren?’

‘Zij vechten voor een rechtvaardige zaak,’ zei Michiel. ‘Maar ik wil niet met u praten. Sta op en loop door.’

‘Wat denk je dat die lui van de ondergrondse met me zullen doen? Precies hetzelfde als met Dirk is gebeurd. Ze zullen me net zo lang martelen tot ze denken dat ik alles heb verteld wat hun de moeite van het weten waard is. Daarna schieten ze me dood.’

‘U hebt niet beter verdiend,’ zei Michiel, maar hij aarzelde al. Zou meester Postma tot zo iets in staat zijn? Hij kon het zich niet voorstellen... Anderzijds, had hij zich kunnen voorstellen dat oom Ben een verrader was?

[p. 168]

‘Ik loop nu dit zijpaadje in,’ zei Ben van Hierden rustig, ‘en jij schiet niet. Je zegt maar dat ik ontsnapt ben, omdat er een Duitse patrouille door het bos kwam of iets dergelijks. Ik beloof je dat je me nooit weer zult zien.’

Hij was opgestaan en liep langzaam achteruit het paadje in, terwijl hij zijn ogen in die van Michiel bleef boren. Michiel stond daar met het pistool in zijn handen en bewoog niet. Kon hij op dat vertrouwde gezicht schieten? Hij dacht aan zijn vader, aan de barones, aan Dirk, aan Jannechien. Wat schoten deze mensen ermee op als Ben van Hierden stierf? En Jack... Jack zou natuurlijk gepakt worden. Van Hierden kende nu het hol. En Erica en hij - zij zouden ook gepakt worden en doodgeschoten. Nog altijd bewoog hij niet.

En zijn moeder... zijn moeder zou weer een brief krijgen, twéé brieven in één enveloppe misschien wel, waarin beleefd werd medegedeeld dat haar dochter en haar zoon... Ze zou op haar tanden bijten en Jochem in het verzet sturen. De krankzinnigheid van deze gedachte, een jongetje van zes jaar in het verzet, doorbrak de ban. Toen hij de droge ogen van zijn moeder voor zich zag, leek de vriendelijke glimlach van Ben een valse grijns te worden. Hij sprong naar voren en haalde de trekker over. De kogel belandde nergens, maar het schot klonk onwaarschijnlijk hard in de avondlijke stilte. Werktuiglijk stak Van Hierden zijn handen omhoog.

‘En nu lopen,’ siste Michiel, ‘anders schiet ik je voorzeker dood.’

Mooi woord, voorzeker, vond hij zelf. Had 'ie waarschijnlijk in de kerk opgepikt.

De verrader begreep dat zijn plan was mislukt. Gehoorzaam liep hij in de door Michiel aangeduide richting. Korte tijd later kwamen ze meneer Postma tegen die, geschrokken van het schot, hun tegemoet was gegaan.

‘Hij probeerde te ontsnappen,’ legde Michiel uit.

Meneer Postma had een regenjas aan met wijde zakken. In de

[p. 169]

rechterzak hield zijn hand een pistool omklemd. Hij ging vlak naast Van Hierden lopen en duwde de loop van het pistool door de stof van zijn jas heen in de lendenen van de man.

‘Ik schiet eerst en waarschuw dan,’ zei hij.

Michiel liep aan de andere kant van zijn ex-oom. Geen van drieën sprak een woord. Tweemaal ontmoetten ze een bekende, die ze zo gewoon mogelijk groetten. Na een tijdje kwamen ze op de Stationsweg. Direct zagen ze dat er iets bijzonders was. De Stationsweg zag er anders uit dan anders. Wat was het?

‘Munitiewagens,’ fluisterde meneer Postma.

Onder de bomen, zo goed mogelijk gecamoufleerd, stonden, op een onderlinge afstand van zo'n meter of honderd, vijf munitiewagens. Ze waren aan alle kanten gesloten, maar het opschrift liet er geen twijfel over bestaan.

‘Zijn ze gevaarlijk?’ vroeg Michiel.

‘Zeer gevaarlijk. Een brandende sigaret kan een ramp ten gevolge hebben.’

Even later hoorde Michiel in de verte een zacht gebrom.

‘Ik geloof dat we bezoek krijgen van Rinus de Raat,’ zei hij.

Meneer Postma bleef staan.

‘Je hebt gelijk. Een Spitfire. Dat is gevaarlijk.’

Michiel vond het een beetje overdreven. Hoe dikwijls had hij al een Engelse jager in actie gezien? Het geluid kwam snel naderbij. ‘We moeten in dekking,’ zei meneer Postma. En toen Michiel nauwelijks reageerde, vervolgde hij driftig: ‘Snap je het dan niet? Als dat vliegtuig één kogel in zo'n munitieauto schiet, gaat het halve dorp de lucht in.’

Hij duwde Ben van Hierden in een eenmansgat.

‘Hou je gedeisd,’ bromde hij. ‘Ik houd je onder schot.’

Zelf sprong hij in het volgende gat en Michiel kroop in het daaropvolgende.

Meneer Postma loerde over de rand van het gat naar Van Hier-

[p. 170]

den. Even later daverde het vliegtuig over hun hoofden. Ze doken in elkaar, maar geen schot weerklonk. Het toestel verdween. Michiel wilde uit zijn eenmansgat klimmen, maar meneer Postma beduidde hem te blijven zitten.

‘Hij kan terugkomen,’ riep hij.

En inderdaad, de piloot moest iets verdachts hebben gezien. Hij draaide met een scherpe bocht over het dorp en kwam opnieuw aanvliegen in de lengterichting van de Stationsweg, lager dan eerst nu. Toen het angstige, aanzwellende geluid vlakbij was, doken Michiel en meneer Postma weer in elkaar. Maar Ben van Hierden greep zijn kans. Hij sprong uit het gat en vóórdat Michiel of meneer Postma het zagen, was hij al een meter of twintig zigzaggend over de weg gehold. Meneer Postma wilde schieten, maar angst om een munitiewagen te raken weerhield hem. Hij had het gerust kunnen doen. De Spitfire gaf een straal vuur en raakte één van de wagens. Een oorverdovend lawaai. De aarde leek open te scheuren. Michiel en meneer Postma lagen als egels op de bodem van hun eenmansgaten. Het is ongelooflijk hoe klein je je kunt maken als het nodig is. Twee wagens vlogen de lucht in, gelukkig de twee die het verst van Michiel en meneer Postma af waren. Grote gaten in de grond gaven de plaats aan waar ze hadden gestaan. Een boom lag half over de weg. Drie huizen waren veranderd in puinhopen. De ravage was vreselijk.

Toen het geluid van de ontploffingen was uitgestorven, kwamen Michiel en meneer Postma bleek omhoog uit hun schuilplaatsen. Ben van Hierden was weggevaagd van de aardbodem, zó grondig opgeruimd dat het moeilijk zou zijn nog iets van hem te vinden om te begraven. Van alle kanten kwamen de mensen aanlopen. Ze drongen de rokende puinhopen binnen om te kijken of er overlevenden waren. Michiel wilde zich bij hen voegen, maar meneer Postma zei: ‘We moeten maken dat we wegkomen. Er is hulp genoeg.’

[p. 171]

‘Waarom? Van Hierden is toch dood?’

‘Om onze wapens. Als ze ons aanhouden en fouilleren zijn we er geweest.’

‘O ja.’

Ze gingen ieder huns weegs. Meneer Postma naar huis, Michiel naar het hol om Jack en Dirk het pistool terug te brengen en verslag te doen van wat er was gebeurd. Ondanks de schrik door de ontploffing voelde hij zich opgelucht. Ben van Hierden zou geen kwaad meer kunnen doen. Maar hij was wel moe. Moe van het gevaar en de spanning, van de angst en de verantwoordelijkheid. Wanneer, wanneer was die vreselijke oorlog nu eens voorbij?

terug  begin  verder