Vijf vooruitgeschoven Engelse tanks trokken het dorp binnen. De familie Van Beusekom zat juist aan de lunch. Moeder zag de ongewone voertuigen het eerst. Minder log waren ze dan de Duitse tanks, beweeglijker, eleganter. Uit iedere koepel stak het bovenlichaam van een man met een lichtgekleurd jack aan en een baret vrolijk schuin op één oor. Ze sprong overeind en harder dan de kinderen ooit van haar hadden gehoord, gilde ze: ‘De bevrijders!’
Uit alle huizen stroomden de mensen de straat op. Ze tooiden zich met oranje sjerpen en met rood-wit-blauwe vlaggen. Ze beklommen de tanks en omhelsden de soldaten. De schuilplaatsen gingen open en naar buiten kwamen de joden en de ontvluchte gevangenen en de verborgen gehouden piloten. Wie kon zingen zong, wie kon dansen danste, wie kon jubelen jubelde. Het bleek dat er in het hele dorp geen Duitser meer was te vinden. De kazerne was verlaten. De nacht tevoren was alles wat Duitser was weggetrokken over de IJssel.
De mannen van het ondergrondse verzet kwamen boven de grond. Ze droegen oranje banden om hun arm met de letters BS erop: Binnenlandse Strijdkrachten. Degenen die lang in het verzet hadden gezeten, die het gevaar jarenlang hadden geproefd, waren moe en bescheiden. Ze deden nu wat nodig was en daarmee uit. Degenen die zich pas de laatste weken bij de ondergrondse hadden aangesloten, toen de oorlog kennelijk op z'n eind liep, hadden een hoop praatjes en paradeerden zoveel mogelijk op straat. Ze vermaakten zich ermee iedereen op te halen die ervan werd verdacht met de Duitsers op goede voet te zijn geweest. Van de meisjes die zich met Duitse soldaten hadden ingelaten, werd het hoofd kaal geschoren. Mannen werden op het stuur van motorfietsen gezet en zo, met hun handen omhoog, door het dorp gereden en
ten slotte gevangengezet in de school. Sommigen verdienden niet beter, sommigen hadden alleen uit angst vriendelijk gedaan tegen de bezetters, maar nooit iemand verraden. Ook Schafter werd een tocht op de motor niet bespaard. Het was een ernstige vergissing. In zijn huis bleken drie joden verborgen te zitten. Hij werd snel, met excuses, weer vrijgelaten. Michiel zocht hem thuis op om zijn verontschuldigingen aan te bieden.
‘Jij dacht natuurlijk dat ik die zaak met het Koppelse Veer aan de moffen had verraden, hè?’ zei Schafter. ‘Ten slotte hadden wij dezelfde ochtend nog over dat veer gesproken.’
‘Neem me niet kwalijk,’ zei Michiel verlegen. ‘U vroeg me van alles. En iedereen zei dat u het hield met de Duitsers en, en... daar leek het toch ook wel op.’
Schafter knikte.
‘Ik had die mensen in huis, al vanaf 1942. Op een gegeven ogenblik merkte ik, dat de Duitsers me begonnen te verdenken. Uit veiligheidsoverwegingen ben ik me toen als een vriend van hen gaan voordoen. Ik heb hun kleine diensten bewezen, onbelangrijke diensten natuurlijk. Vanzelfsprekend heb ik nooit iemand verraden.’
‘Hebt u ze het huis van Bertus Hardhorend gewezen?’
‘Hè? Nee.’
‘Jannechien heeft horen zeggen dat ze u, die dag dat haar man werd opgepakt, met de Duitsers heeft zien smoezen.’
‘O, bedoel je dat. Omdat ze me kenden, vroegen ze me de weg. Dat wil zeggen, ze vroegen of ik wist waar het Driekusmanswegje was. Natuurlijk heb ik hun dat gewezen. Ze hadden het op de eerste de beste plattegrond kunnen vinden.’
‘En hoe wist u in vredesnaam dat ik dat briefje bij u in de bus heb gegooid?’ vroeg Michiel.
‘M'n onderduikers. Voor geval van nood hadden we een kijkgaatje bij de voordeur gemaakt. M'n onderduikers hoorden het grind kraken en hebben gekeken wie er aankwam. Uit hun
beschrijving op te maken moest jij het wel zijn. Ik begreep dat je me hevig wantrouwde vanwege dat Koppelse Veer.’
‘Ik snap het,’ zei Michiel. ‘Het spijt me dat ik u ten onrechte heb verdacht. Maar u was ook wel erg nieuwsgierig.’
‘Dat ligt in m'n aard,’ grijnsde Schafter.
‘Vond u het niet erg dat u werd opgepakt?’
‘Och,’ zei Schafter, ‘ik was bang dat ik van de motorfiets zou vallen, dat is alles. Ik wist wel dat het verder goed zou aflopen. Weet je wie me heeft gehaald?’
‘Jawel. Ik heb u voorbij zien komen. Het was Dries Grotendorst, hè?’
‘Precies. Bij Grotendorst hebben ze een paar jaar lang een motorfiets verstopt gehad onder de hooiberg. Verder hebben ze een hoop geld verdiend aan de zwarte handel. Ze vroegen twaalf vooroorlogse, nieuwe lakens voor een pondje boter, heb ik horen zeggen.’
‘Dat is anders niet veel voorgekomen in deze buurt,’ meende Michiel.
‘Nee, de boeren hier waren in het algemeen eerlijk en menselijk,’ gaf Schafter toe. ‘Maar de Grotendorsten niet. Dries is precies tweeëntwintig dagen bij de ondergrondse geweest. Zó kort dat hij niet eens wist dat ik er drie en een half jaar in heb gezeten. Nou ja... Hij kan aardig motorrijden.’
‘En ik heb nog wel altijd vermoed, dat Dries een hele kei was in het verzet. Wat kun je je vergissen. Gelukkig is het allemaal voorbij,’ zei Michiel.
‘Zeg dat wel,’ knikte Schafter. ‘Maar toch... hoeveel mensen kunnen echt blij zijn? De onderduikers die bij mij in huis hebben gezeten, lopen voor het eerst sinds drie jaar weer vrij over straat. Zijn ze blij? Eensdeels wel, natuurlijk, maar anderzijds... Zij zijn de enigen van hun families die nog leven. Een droevig uitgangspunt om opnieuw te beginnen.’
Michiel dacht aan zijn vader.
‘Jullie weten er ook van mee te praten,’ zei Schafter.
‘Ja, vooral voor moeder is het hard. Herinnert u zich de twee boerinnen die ik over het Koppelse Veer moest brengen? Dat waren een zekere meneer Kleerkoper en zijn zoon. Zij hebben de oorlog overleefd. Vanmorgen kwam er iemand uit Den Hulst langs met een berichtje. Maar ook zij...’
Hij maakte zijn zin niet af.
‘Men schat dat er van de honderdvijfentwintigduizend Nederlandse joden honderdtienduizend zijn omgekomen,’ zei Schafter.
‘Vreselijk.’
Michiel ging naar huis. Ondanks de sombere woorden van Schafter, ondanks de droevige ogen van zijn moeder, groeide er toch een gevoel van blijdschap in hem. Het was dan toch maar voorbij. Hitler was verslagen. Er was een eind gekomen aan het schieten en moorden en martelen. Dirk was bij zijn ouders, veilig en wel. Jack was terug bij zijn squadron en schreef lange, verliefde brieven vol taalfouten aan Erica. Veerman Van Dijk was omgekomen in een concentratiekamp in Duitsland, maar Bertus Hardhorend was terug bij zijn Jannechien. De honger was voorbij. Je kon heerlijke dingen eten als corned beef, wat dat dan ook mocht wezen. De geallieerde soldaten baadden in weelde. Ze hadden gemakkelijke, sportieve uniformen aan, een verademing om naar te kijken na de gehate, stijve pakken van de Duitsers. Ze maakten grappen tegen de meisjes, ze smeten met sigaretten en blikken eten en ze reden met een noodgang in kleine open auto's, die ze jeeps noemden.
Het leven had weer kleur. Je hoorde van veel doden, maar je hoorde toch ook van mensen die de oorlog op wonderbaarlijke manier hadden overleefd. In de steden waren er van honger omgekomen, maar er waren er ook, die hun ongezonde dikte waren kwijtgeraakt of door het weinige eten genezen waren van een
maagzweer of ingewandsziekte. Er verschenen weer kranten en je mocht ze lezen ook - midden op straat als je wou. Heel wat anders dan de illegale blaadjes, waarvan het bezit levensgevaarlijk was geweest. En er waren feesten. De mensen konden er niet genoeg van krijgen te dansen en te zingen, te hossen en te schreeuwen. Ze moesten de schade van vijf jaar inhalen. Er was vreugde om de vrede, de vrede na een oorlog zoals nooit, nooit meer mocht terugkomen.
Het is enkele maanden later. Ook de oorlog met Japan is nu ten einde. Amerika heeft kans gezien twee vreselijke, allesverwoestende bommen te maken. Atoombommen. Men heeft het nodig geoordeeld ze op de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki te gooien. De steden, met al hun mannen, vrouwen en kinderen, zijn weggevaagd en Japan heeft zich overgegeven. De gehavende wereld kan nu zijn wonden gaan likken.
Op een avond maken Michiel en Dirk een wandelingetje door het dorp. Het gaat langzaam. Dirks rechtervoet zit in het gips. In het ziekenhuis zijn z'n tenen opnieuw gebroken en rechtgezet, deze keer onder narcose. Als het resultaat goed is, zullen ze daarna de linker doen. Er is goede hoop dat hij over een jaar weer normaal zal kunnen lopen. Nu gaat het nog voetje voor voetje, met een stok.
In de verte zien ze Gert Verkoren aankomen, een sportieve vent van een jaar of vijfentwintig.
‘Zie je Gert Verkoren daar?’ vraagt Dirk.
‘Jazeker. Wat is er met hem?’
‘Hij was de derde man bij de overval op het distributiekantoor in Lagezande.’
‘De man die jij niet hebt verraden?’ vraagt Michiel eerbiedig.
Dirk knikt.
Intussen is Gert dichterbij gekomen.
‘Dag Gert.’
‘Ha, Dirk. Ha, Michiel.’
Hij blijft staan voor een praatje.
‘Hoe gaat het met je voet, Dirk?’
‘Best hoor. Volgend jaar doe ik weer mee aan de ronde van de Vlank.’
‘Als ik er niet was geweest, liep je hem dit jaar,’ zegt Gert, ‘en je zou 'm nog winnen ook. Je weet niet hoe dankbaar ik je ben, Dirk.’
‘Da's wel goed,’ zegt Dirk. ‘Ik heb pech gehad en jij geluk, dat is alles.’
Bescheiden als hij is verandert hij het onderwerp van gesprek. ‘Zeg, Gert, wat heb je daar een mooie bloes aan.’
‘Mooi hè? Heeft m'n meisje gemaakt van parachutezij. Ik heb een keer een dooie mof gevonden die in een Engelse parachute was gewikkeld. Aan die mof had ik geen behoefte, dat snap je, maar aan de parachute wel.’
Michiel spert zijn mond open, maar er komt geen geluid uit. Dirk legt een hand op zijn arm alsof hij wil zeggen: ‘Laat mij het woord maar doen.’
Beheerst vraagt hij: ‘Wanneer was dat?’
‘Kort voor onze overval. Direct na de overval ben ik naar de Noordoostpolder gevlucht. Pas na de bevrijding ben ik in de Vlank teruggekomen. Toen lag die parachute nog keurig op me te wachten in de schuur, onder het kippenvoer.’
‘Weet jij dat...,’ begint Dirk, maar hij breekt zijn zin af.
‘Weet ik wat?’
‘Och, niks eigenlijk. Kom, we gaan weer 's verder. G'n-avond, Gert.’
‘Moi.’
Als ze verder slenteren, zegt Dirk verontschuldigend tegen Michiel: ‘Het heeft immers geen zin erover te praten.’
‘Nee,’ zegt Michiel, ‘het heeft geen zin. Eén ding heeft maar zin.’
‘Wat dan?’
‘Nooit meer in een oorlog vechten, alleen nog tegen oorlog.’
‘Zo is het,’ zegt Dirk.