terug  begin  verder
[p. 77]

VII.

De schoonmaak-vacantie, dàt was een fijne tijd! Dan had alleen je eigen school vacantie, en alle jongens in je buurt moesten wèl naar hún school.

Dan hadden Ay, Ko en Henk vrij, en de arme Klaas niet!

Het begon Vrijdagmiddags al. Alles in school moest opgeborgen worden; een paar meisjes haalden de kappen van de lampen af, en maakten ze schoon met een veer. Ay en Ko liepen bijna den heelen middag met den bovenmeester mee, en haalden in alle lokalen de platen van de muren. Af en toe kwamen ze in Henk's klas ook. ‘Meester, heeft u nog wat op te bergen dat niet in uw eigen kast kan?’

Henk zat dan met jaloersche blikken te kijken, en zag, hoe ze dan heerlijk allerlei rommel mochten wegsjouwen.

Dan vond de bovenmeester veel dingen, die wég konden. Gevonden tollen en afgenomen knikkers, ouwe leesboekjes, geel geworden wit papier; en alles mochten de jongens deelen. Hun zakken puilden uit; hun blouses

[p. 78]

vertoonden zonderlinge bulten en bochels, van al de schatten, die er in gestopt waren.

En als ze dan eindelijk in de klas terugkwamen, dan zag het er zoo vreemd uit, met de kale muren en de afgetakelde lampen. En als dan alles, àlles was weggeborgen, de leien ook, waar je zoogenaamd nog een som op had gemaakt, dan ging de meester vertellen. Dan kon je zoo heerlijk zitten luisteren en onderhand vast de schatten deelen.

Véél te vroeg ging de bel, en om half vier stond je al op straat. Daar stonden dan al karren met kalk, voor het witten van de plafonds; er gingen werklui het school in. Als je nog éven bleef wachten, zag je de gordijnen voor de ramen weg halen; en dàn zag het school er toch zoo raar uit!

En dan was de schoonmaakvacantie begonnen.

terug  begin  verder