Over éénen was het al, en nog waren Ko en Henk er niet. Ay ging de trap af; op de stoep bleef hij zitten in het zonnetje. Lam, dat ze nou zoo laat kwamen, dacht-ie. De middag was tòch al kort genoeg, en éér dat je goed en wel aan de Handelskade wàs...
Hij gilde maar eens, ‘Riet-pe-tioe!’ Als ze er in de verte aankwamen, zouden ze wel antwoorden. Hij luisterde; het was net tijd dat alle jongens naar school gingen; en natuurlijk deden er een paar hem na. Jawel, of dat zóómaar ging!
En om de jongens eens te laten hooren, hoe 't moest, kraaide Ay 't nog eens, dat het schalde over de gracht:
‘Riet-pe-ti-oe!’
Ay's vader kwam met z'n hoofd de werkplaats uit. ‘Zeg er is, wil je je keel soms uit elkaar schreeuwen?’
‘Nee pa,’ zei Ay tam.
‘Jij lijkt wel een locomotief, die 't op z'n zenuwen heeft!’ Mopperend ging de vader weer naar binnen, aan 't schilderen.

Blz. 92. ‘Zoo,’ sprak de zwemmeester... ‘als ik drie zeg, los laten en duiken.
Ay bleef stil op de stoep zitten. De stoep was warm van het zonnetje. Overal zag je jongens en meisjes loopen, die naar school gingen. Ze liepen te spelen. ‘Wacht maar!’ dacht Ay vergenoegd, ‘straks, dan is het haast-je rep-je om nog binnen te komen. En wij loopen straks heerlijk waar we willen...’
Wat hadden ze éénig gezwommen vanmorgen! Zou d'r nou één jongen het willen gelooven? Dat ze zóó maar geholpen waren door een zwemmeester, en een agent. Gewoonweg les in het duiken gehad! Vader en moeder zelfs hadden 't niet dadelijk geloofd. Cor, dien kon-je niet rekenen, die had altijd wat...
Daar kwam Bennie voorbij; hij keek erg bang naar Ay. Natuurlijk maakte Ay dadelijk een gebaar van gà je weg! En Bennie zette het op een loopen, den kant uit, waar Henk en Ko vandaan moesten komen.
‘Weet je wat,’ dacht Ay opeens, ‘ik ga ze tegemoet, en doe net, of ik hèm wil hebben.’ Onmiddellijk holde hij Bernard achterna; die keek net om, en rende vol schrik door. Ay volgde op een matig drafje, want als hij hem inhaalde, was de aardigheid er af.
Hijgend stormde Ben de brug af, en toen rechtdoor de gracht op.
Maar dat was Ay's weg niet; en met een vreeselijk ‘Riet-pe-ti-oe’, dat Ben nòg harder deed loopen, sloeg hij rechts af. Omdat-ie nou eenmaal een gangetje had, bleef Ay doorrennen tot aan het houten bruggetje.
Daar bleef hij even rusten, en ging toen een paar toeren doen aan den ‘rekstok’.
Een werkjongen bleef er naar staan kijken; zoolang die keek, had Ay aardigheid in de toeren. Maar toen de werkjongen doorwandelde, en minachtend zei: ‘Apie op 'n stokkie!’ toen hield Ay maar op, en liep door naar 't huis van Ko en Henk.
‘Riet-pe-ti-oe,’ gilde hij maar weer eens.
Maar tot z'n groote verwondering kwam er niemand naar buiten gesprongen.
Hij bleef op stoep staan en keek den winkel in. Niemand te zien. Hij stapte naar binnen, en bleef voor de toonbank staan. Hij wachtte even. Toen riep hij: ‘Volk!’
De kamerdeur ging open, en Ko kwam naar voren. Hij zag er zóó ontdaan uit, dat Ay schrok.
‘Wat, wat, wat....’ stotterde hij.
‘Moe is gevallen,’ zei Ko zenuwachtig, ‘van de keldertrap af. Arm gebroken, denk ik.’ Eer hij 't wist, stond-ie te huilen.
Ay keek hem suf aan, en wist niets te zeggen. Ko bedaarde weer.
‘Moe ligt nou in bed. Klaas van boven z'n moeder is achter. Henk is den dokter halen,’ praatte hij verder.
Ay zuchtte eens, maar zei niets.
Er kwam een juffrouw den winkel in. Ay ging in een hoekje staan, en keek toe, hoe Ko als een volleerd
winkelier hielp. Hoe hij suiker afwoog en 't zakje dicht maakte, en 't geld in de la streek. En toen de juffrouw wegging, en Ko heel netjes: ‘Dàg juffrouw’ zei, liet Ay even netjes hooren: ‘Dag juffrouw.’
Daar kwam Henk binnen met den dokter; ze liepen meteen door naar achteren; Ko ging mee.
Ay bleef stil staan, en dacht: ‘Wat zal ik doen?’ Hij besloot te wachten, tot de dokter weer wegging, en onderhand maar op den winkel te passen. En als er een klant kwam, zou hij wel helpen. 't Zou wel leuk zijn....
Uit de kamer klonk gegil van Ko's moeder. Ay kreeg er tranen van in z'n oogen; hij hoorde de kleine Miep huilen; geen wonder!
Het gillen hield op. ‘Gelukkig!’ dacht Ay. Zenuwachtig liep hij heen en weer door den winkel. Daar kwam een kind binnengestapt. Een héél klein kind; het kwam niet eens boven de toonbank uit.
Ay ging gewichtig achter-toonbank staan. ‘Wel?’ vroeg hij met een echt winkeliersgezicht.
‘Net gepast,’ antwoordde de kleine. Zij rekte zich uit, en lei een dubbeltje op de toonbank.
‘A; jawel,’ zei Ay; hij streek het dubbeltje maar vast in de la. ‘En wàt wou je hebben, hè?’
‘Pakkie thee!’ sprak het kleine meisje.
Ay keek den winkel eens rond. Op een der planken zag hij een stapel pakjes. Jawel, thee. De prijzen stonden
er buitenop gedrukt: 8 ct., 10 ct., 14 ct. Het was nogal gemakkelijk!
‘Asjeblieft,’ zei Ay, en hij reikte een pakje van 10 ct. over.
‘Plaatje toe,’ sprak het kind.
Ay begreep het: ze wou een reclame-plaatje toe hebben. Weer keek hij den winkel rond, maar hij zag niets van reclameplaatjes.
‘Plaatjes zijn op,’ besliste hij toen maar.
Het kind keek hem eens aan. ‘Plaatje toe!’ herhaalde het.
‘Allemaal op!’ verzekerde Ay.
Het meisje begon half te huilen. ‘Nietes!’ zeurde ze, en ze wees met haar vingertje schuin omhoog, naast de stapel thee-pakjes.
En daar zag Ay een heel pakje plaatjes.
‘Warempel!’
Hij gaf een plaatje aan het kind, en dat stapte toen tevreden weg.
Zeer voldaan keek Ay haar na. Hij bleef maar achter de toonbank staan nu; den koning te rijk. Wie weet of er niet nòg een klant kwam....
In de kamer bleef het stil. Ay ging maar wat met de weegschaal spelen; probeerde, of de gewichten uitkwamen.
De kamerdeur ging open, en de dokter kwam den winkel doorgeloopen.
Ay schrok, en liet een gewicht vallen.
Ko kwam er bij. ‘Of je naar huis wil gaan,’ zei hij, niet erg beleefd.
Maar Ay was in 't geheel niet beleedigd. ‘'k Heb een pakje thee verkocht, van tien cent, en den heelen tijd op den winkel gelet, zeg. Wat zei de dokter?’
‘Niet gebroken, gelukkig. Maar het deed erg pijn. Hij heeft een recept geschreven voor de zenuwen, want de schrik was het ergste.’
Henk kwam den winkel doorgevlogen met het recept. Hij zag Ay niet eens, en holde weg.
‘Je moe zal wel gauw weer beter zijn, hè?’ vroeg Ay goedig.
Ko haalde z'n schouder op; z'n lippen bewogen zenuwachtig, maar hij hield zich goed en huilde niet.
‘Zal ik nou maar naar huis gaan?’ vroeg Ay.
Ko knikte.
‘Nou, aju dan,’ besloot Ay, en ging weg. Ko liep mee tot op stoep.
‘Een lamme vacantie, zóó,’ sprak Ay.
Ko zei zachtjes: ‘Dàt hindert niet.’
Toen wist Ay niets meer te zeggen; hij zei nog eens: ‘Nou ajù,’ en liep heen.
Onderweg naar huis liep hij te denken, of hij er nou niets aan doen kon. En het beste zou wel zijn, zoo dacht-ie, dat zijn moe maar eens soep kookte voor Ko z'n moe....