terug  begin  verder
[p. 131]

XIII.

Het was Donderdagochtend, over negenen, en het regende. Henk en Ko stonden met bedrukte gezichten naar den regen te kijken. Tante Riek was alweer weg; Moeder was heelemaal beter.

‘Met dat weer maar thuis blijven,’ had Moe gezegd.

Ay kwam óók niet. Werd natuurlijk gevangen gehouden, net zooals zij tweeën.

Om 'n haverklap ging Ko de lucht inspecteeren; telkens verzekerde hij, dat het weer opknappen zou. Maar het bleef regenen.

‘Hè moe,’ zeurde Henk, ‘met regen is het juist warm water om te zwemmen.’

Maar moeder bleef onverbiddelijk: ze zouden drijfnat zijn éér ze er waren, en als 't niet hoefde, dan was dat onzin.

En ze konden toch niet met 'n paraplu op naar 't zwembad gaan?

 

De jongens gingen maar wat knikkeren met Miep, en speelden ontzettend valsch, om haar aldoor te laten

[p. 132]

winnen. Miep had erg veel plezier, maar Henk en Ko gaapten ervan na een half uur.

Ze gingen maar een beetje op hun handen tegen den muur staan. Maar Miep wou dat nadoen, en viel op haar neus, en huilde zóó hard, dat Moeder erbij kwam, en de malle kunsten verbood.

Toen gingen ze aan 't malen met den grooten koffiemolen in den winkel; maar al spoedig kwam Moe zeggen, dat er niet al te veel gemalen koffie mocht zijn, omdat dan de geur ervan af ging.

Ze gingen een beetje gewichten tillen met één vinger, maar na een kwartier was daar óók al de aardigheid af.

Ze lokten een grooten hond den winkel binnen, maar hij was te modderig, en zette overal vuile pooten, en moeder joeg hem de straat op.

Ze zochten een tol op, maar konden nergens een fatsoenlijk koord vinden.

Henk sloop als een moordenaar met een mes naar de drooglijnen, maar die hingen vol met waschgoed, en het tollen mislukte bij gebrek aan touw.

Ze verveelden zich leelijk.

Eindelijk, eindelijk, tegen twaalven, daar brak het zonnetje door. Moe sneed maar gauw brood; de jongens aten gehaast hun twaalfuurtje op, en renden toen weg, naar Ay's huis.

 

Ze wipten de werkplaats in. Ay was boven, zei de

[p. 133]

baas. Ze schelden aan. ‘Loop maar door naar zolder,’ riep Ay's moeder.

Henk en Ko stormden de trappen op, naar den zolder. Nog vóór ze er waren, schreeuwden ze: ‘Ga je mee, Ay? Het weer is goed.’

Ay lag languit op den grond, met z'n ellebogen onder het hoofd, en las een groote aflevering van een tijdschrift. Hij had héél oud goed aan - z'n huispakje. Aan één kant lag een dikke stapel afleveringen, die hij nog hebben moest; aan de andere zijde een dunnere stapel, de afleveringen die hij al gelezen had.

Ay zei niets en bleef verder lezen.

‘Of je meegaat!’ riep Ko bijna aan z'n oor.

‘Dadelijk,’ sprak Ay kortaf, ‘als ik dit stapeltje uit heb,’ en hij wees naar den dikken stapel naast hem.

‘Ben je gek?’ vroeg Ko lachend; en Henk zei, een beetje kwaad: ‘We zouën sigaren gaan brengen aan den zwemmeester.’

‘Och, jòng, schei uit en laat me lezen,’ zei Ay zuchtend. ‘Het is nòu zoo mooi... Ik ben net, dat-ie opgehangen is en dat ze nou met gloeiende bouten vlak bij z'n voeten zitten om 'em te pijnigen...’

‘Wie?’ vroeg Ko gretig.

‘De Parijsche straatjongen. - Hier, daar heb je aflevering één - pas op, ze liggen in volgorde.’

Ko viel dadelijk aan, en begon aflevering één te lezen, staande bij het raam.

[p. 134]

Maar hij had nog geen bladzijde gelezen of hij lei de aflevering op den grond, en ging er bij liggen, en gaf geen kik meer.

Henk begon op te spelen, en had het over het mooie weer, en over het lekkere water.

Ay en Ko lazen door, en antwoordden niet.

‘Dan ga ik alléén zwemmen!’ dreigde Henk.

Zwijgend reikte Ko hem het dubbeltje voor de sigaren over.

Woedend pakte Henk het aan, en liep weg. Bij de deur bleef hij nog staan roepen en zeuren.

De twee bleven lezen, en trokken zich nergens iets van aan.

Ko had de eerste aflevering uit, en greep naar de tweede.

‘Nou?’ vroeg Ay eventjes.

‘Prachtig,’ zuchtte Ko.

Henk, nieuwsgierig, kwam weer nader bij, en greep aflevering één, en begon óók te lezen, staande bij het raam. En het ging hem net als Ko: hij lei de aflevering óók op den grond, en ging liggen lezen.

Het werd doodstil. Ze lagen alle drie verdiept in het verhaal. Soms, als er een 'n aflevering uit had, en een volgende greep, zei hij even: ‘Prachtig’; dan verzekerde een ander: ‘Verderop wordt het nog mooier.’ Dan liet de derde een tevreden gebrom hooren, en het werd weer doodstil.

[p. 135]

Zoo bleef het drietal den heelen middag lezen; het weer werd prachtig, ze merkten het niet. De scholen gingen uit, op straat hoorde je de kinderen leven maken - ze merkten het niet.

Eindelijk, daar kwam Ay's moeder eens kijken. Ze

illustratie

sloeg haar handen ineen van verbazing en riep: ‘Die is goed!’

De jongens schrokken op. Zuchtend keken ze elkaar aan, en kwamen overeind.

Ay's moeder stond te lachen. ‘Weet jelui wel, hoe laat het al is? Over vijven! We gaan eten.’

‘O, dan moeten wij óók naar huis,’ zei Ko, heelemaal nog in de war.

‘Ik ben aan aflevering twee-en-twintig,’ zei Ay.

[p. 136]

‘Ik aan vijftien,’ sprak Ko. ‘Ik dertien,’ deelde Henk mee; en hij zuchtte nóg eens.

‘Nou, nou,’ lachte Ay's moe, ‘dan wordt het tijd, er eens mee op te houden. Kom Ay, pak alles eens bij elkaar.’

‘In volgorde, zeg,’ waarschuwde Ay, en met z'n drieën scharrelden ze en zochten ze de afleveringen uit, en legden die op één stapel neer.

Toen liepen ze naar beneden.

‘Ik ga straks meteen verder,’ zei Ay.

‘Daar komt niets van in, hoor,’ sprak zijn moeder, ‘je hebt vandaag genoeg gelezen.’

‘Hè moe!’

‘Neen, geen denken aan. Na 't eten kom je niet meer op zolder.’

Ay zweeg.

‘Nou, dag juffrouw,’ zei Ko, ‘dan gaan wij maar naar huis.’ En de twee broers liepen door, de trappen af.

‘Ik kom straks bij jelui,’ riep Ay nog.

‘Goed,’ riep Ko terug.

Ze trokken de trapdeur open en stonden op straat.

Het zonnelicht deed hun pijn aan de oogen, maar dat was gauw over.

Ze stapten naar huis, druk redeneerend over het mooie verhaal.

‘Zal ik je vast het vervolg vertellen?’ bood Ko aan.

Maar Henk zei, 't liever zelf te willen lezen.

[p. 137]

Toen ze thuiskwamen, en vertelden niet gezwommen te hebben, werden ze uitgelachen door hun moeder.

 

Ze aten gauw, en liepen vlug de klanten; toen kwam Ay, en Klaas kwam van boven. Ze gingen niet spelen, maar bleven rustig zitten, en vertelden aan Klaas zóóveel moois van het verhaal, dat Klaas dien avond naar bed ging met geen andere gedachte dan: ‘Dat moet ik óók te lezen zien te krijgen.’

Met z'n vieren gingen ze ook de sigaren koopen. Eerst kijken voor een stuk of wat winkels; toen eindelijk gingen Ay en Ko naar binnen, en kochten voor het dubbeltje vijf sigaren; zwarte sigaren, die er zóó zwaar uitzagen, dat Ko rilde bij de gedachte, dat iemand zóó iets maar gewoon rookte! Ay zou de sigaren bewaren; wel driemaal zeiden Henk en Ko: ‘Pas op, dat ze niet breken,’ en elken keer keek Ay minachtend z'n vrienden aan, en sprak: ‘Ja, 'k zal daar sigàren breken.’

Met z'n drieën maakten Ay en de broers nog wat ruzie tegen Klaas, die nog niet alles van 't zwembad gelooven wou, en na de afspraak gemaakt te hebben, morgenochtend om negen uur te gaan zwemmen, gingen ze naar huis.

terug  begin  verder