terug  begin  verder
[p. 151]

XV.

Maandag; de school begon weer. Eerst was er een beetje herrie met uitdeelen en alles op orde brengen, maar om tien uur zaten de jongens weer aan hun sommen, of er geen vacantie geweest was. Toen de bel ging, moesten Ay en Ko zitten blijven. ‘Ik moet jelui even spreken,’ zei de meester.

Ze waren alle twee razend nieuwsgierig. ‘Heb jìj wat gedaan?’ vroeg Ko stilletjes aan Ay. Ay schudde van neen. Daar was de meester weer terug. Hij ging boven op een bank zitten, en keek de jongens aan. ‘Wat zou er toch zijn?’ dachten die.

‘Het is gauw examen voor loffelijk ontslag,’ begon de meester.

De jongens keken maar vast ernstig - al begrepen ze nog niet, waar 't heen moest.

‘En dan kunnen jelui van school af,’ ging de meester door.

De jongens knikten.

‘Heb jelui er al eens over gedacht, wat jelui worden moet?’

[p. 152]

Verlegen staarden ze den meester aan. ‘Worden?’ vroeg Ay suf.

De meester lachte, en de jongens kregen een kleur.

‘Ik... ik... ik,’ stotterde Ko.

‘Nu, wat dan?’ moedigde de meester hem aan.

‘Ik wil graag verder leeren!’ zei Ko gauw, en meteen flapte Ay er uit: ‘Ik ook!’

‘Moe had het er laatst al over,’ ging Ko met een kleur door. En Ay kwam weer: ‘Ik ook!’

De meester schoot in een lach: ‘Zoo, zoo; had jij het er laatst óók over?’

‘Nee, mijn vader en moeder.’

De meester werd weer ernstig:

‘Juist. Ik had ook graag dat jelui verder leerden; het kan bèst. Luister. Vraag of jullie ouders van middag om vier uur eens komen praten; zeg maar vast dat de bovenmeester en ik er al over gesproken hebben met elkaar, en we willen jelui graag helpen. Begrepen?’

‘Ja Meester,’ zeiden ze.

‘Omme - vier uur?’ vroeg Ko, om maar wat te zeggen.

‘Vraag dat maar, ja,’ antwoordde de meester. Hij gaf ze allebei een hand, en ze stoven het lokaal uit. Bij de deur kwamen ze den bovenmeester tegen.

‘Zoo, geleerden,’ sprak die. Ze kregen een kleur, en grinnikten.

[p. 153]

Buiten stond Henk te wachten. ‘Wat is er?’ vroeg-ie onder 't meeloopen.

‘Geheim,’ zei Ay met 'n stalen gezicht.

‘Wat voor 'n geheim?’ vroeg Henk.

Ko dacht aan de geschiedenisles, 'n mop van Maurits:

‘Henk,’ zei hij plechtig, ‘kun je een geheim bewaren?’

‘Kom nou!’

‘Geef antwoord: kun jij een geheim bewaren?’

‘Natuurlijk.’

‘Nou, ik óók, en daarom vertel ik je niets.’

En of Henk al zanikte en aan 't gissen ging, Ay en Ko vertelden niets, en lachten elkaar geheimzinnig toe.

Henk kreeg eindelijk 't land, en ging een eind van ze af loopen. Dat was juist wat de twee wilden; nu konden ze er over praten... ‘Fijn, hè,’ begon Ko. Maar vóór nog Ay iets had kunnen antwoorden, kwam Henk er weer aangevlogen, en Ay zweeg als een mof.

‘Hè, wat 'n jongens,’ zei Henk. Maar hij bleef naast ze loopen.

Zoo kwamen ze voor den winkel. Henk en Ko wipten naar binnen, en Ay liep naar z'n eigen huis.

 

Ko vertelde ‘'t geheim’ aan Moes; en Henk hoorde 't toen metéén ook. ‘Dan moet je om vier uur maar dadelijk thuis komen,’ zei Moe, ‘want ik kan den winkel niet alleen laten.’ Toen gaf ze Ko onverwachts een

[p. 154]

zoen, en Henk en Miep ook. Zeker voor de gelijkheid.

 

Vóór vieren mocht Ko 't school al uit, en hij holde naar huis. Moes stond al aangekleed te wachten en ging dadelijk de deur uit.

 

Ko bleef alleen met Miep. Het kind praatte druk in d'r rare taaltje, maar Ko luisterde niet. Hij was te veel in gedachten.

Leeren, verder leeren. Dat kostte geld. Met Ay, dat zou wel gaan; die had een vader, en een grooten broer. Maar hij, Ko; enkel een moeder, en het was toch eigenlijk een erg klein winkeltje, hun winkel. Klaas boven, diè z'n vader verdiende veel...

Wat voor nieuws zou Moe brengen?

 

Daar kwam Henk binnengestormd. Die had natuurlijk op Moes gewacht bij 't school. En daar was Moes ook...

 

Moes kwam binnen. Ze had een kleur. Ze deed hoed en mantel af. Miep redeneerde druk. Moes luisterde er niet naar.

Ko keek z'n moe aan. ‘Wat... wat zei de meester, Moe?’

Moe lachte tegen hem; ze streek hem over z'n haar. Toen werden haar oogen vochtig; ze probeerde nog te blijven lachen, maar dat kon ze niet. Ze huilde zachtjes. Ze drukte Ko tegen zich aan, en fluisterde: ‘Je mag

[p. 155]

verder leeren, Kook, gelijk op met Ay. Vind je 't heerlijk?’

‘Nou,’ zei Ko alleen.

Toen sprak Moes weer in eens gewoon: ‘Nou gauw voor 't eten zorgen,’ en ze liep naar de keuken. Miep liep mee.

Henk en Ko bleven achter. Henk keek z'n broer met 'n beetje eerbied aan.

‘Wat word-je nou?’

En Ko antwoordde, na even geslikt te hebben: ‘Wàt? Alles!’

terug  begin  verder