|
|
|
| |
| | | |
Nawoord
Toch is er een kabinet gekomen. Geen kabinet van luiaards, ijdeltuiten en non-valeurs, zoals sommigen misschien gehoopt hadden, maar gewoon een kabinet-Van Agt/Wiegel. Een kabinet waarin CDA en VVD samenwerken op basis van gelijkwaardigheid. Tien-zes dus.
De besprekingen tussen Van Agt en Wiegel zijn bijzonder vlot verlopen en in een uitstekende sfeer. ‘Dries is een ander mens geworden,’ werd ons door zijn intimi toevertrouwd, maar ook voor buitenstaanders was dat overduidelijk. Dries had nu haast gekregen. In een goede week had hij samen met zijn gesprekspartner een nieuw regeerakkoord gesloten dat qua omvang niet onderdeed voor het regeerakkoord met PvdA en D'66. Een storm van kritiek barstte los. Op tal van punten ging het lijnrecht in tegen wat kort daarvoor met ons overeen was gekomen. Vanuit zijn eigen fractie werd Dries teruggestuurd met een karrevracht aan amendementen. Geen nood, in enkele uren waren de heren door de papierberg heen. De zetelverdeling was toen nog maar een kwestie van minuten. Waar een wil is, is een weg. Een snelweg.
Dries was nu ook wars van elke vorm van openbaarheid. Na al die maanden van beeldbuisgeweld werd het muisstil rondom de onderhandelaar van het CDA. Afgelopen was het met de ijscomannen, de bergetappes en de glazen deuren. Het was nu menes. Dries broedt en kan in zijn broederschap niet worden gestoord. ‘Kamertjeszonden,’ schreef Trouw, maar na de zonde kwam geen berouw. Nu telde nog slechts het resultaat.
Want de nieuwe Dries toonde nu ook leiderschap. Hij wendde zijn steven naar de VVD en duldde geen kapiteins meer naast zich. Wim Aantjes, maandenlang zijn roerganger, stond nu als stuurman aan wal. Het schip was niet meer tot stilstand te brengen. Een handjevol muiters? Geen man overboord. Eenmaal op volle zee is de monsterrol niet zo gemakkelijk meer te wijzigen en die telt 49 koppen.
Ja, Dries is een ander mens geworden. Ik vind hem nu ook minder aardig. Sterker nog: ik ben geschokt. Een man een man, een woord een woord, dacht ik na het conclaaf van 24 oktober. Op twee mannen
| | | |
en geen woord had ik niet gerekend. Voor mij is de elfde van de elfde als een verrassing gekomen. En zeker de wijze waarop de breuk zich heeft voltrokken.
De volgende ochtend vernam ik pas dat Dries, kort na het scheiden van de markt, op een persconferentie verklaard heeft nog niet aan het eind van zijn Latijn te zijn geweest. Hij had nog een ruil tussen Volkshuisvesting en CRM in zijn mouw. Hij had daar niet mee willen leuren. ‘De heer Van Thijn is intelligent genoeg om zelf op die gedachte te komen.’ Uit het feit dat ik zijn mouw onberoerd had gelaten, leidde hij af dat ik het verder wel voor gezien hield.
‘Van Agt heeft mijn intelligentie overschat en ik zijn fatsoen,’ was mijn bittere commentaar. Ik vond het ongehoord. Precies het tegendeel had zich afgespeeld. Als bezetenen hadden Jan en ik aan Dries zitten schudden. ‘Geen millimeter ruimte,’ was het antwoord dat wij telkenmale te horen kregen met de regelmaat van het ‘Papier Hier’ uit de kelen van de Koalabeertjes op de Efteling. De suggestie dat ik na al die maanden willens en wetens een mogelijkheid onbenut zou hebben gelaten om alsnog een kabinet-Den Uyl tot stand te brengen, maakt mij razend. Op die manier mag, zelfs in formatietijd, de politiek niet bedreven worden. Het feit dat iemand een aversie heeft tegen het politieke bedrijf geeft hem nog niet het recht de politiek te bedrijven op een wijze die deze aversie nog zou kunnen rechtvaardigen ook. Dat een keerpunt in de formatie, een politieke breuk, een partnerruil gemaskeerd moet worden achter een ‘bedrijfsongeval’ en dat de verantwoordelijkheid daarvoor gelegd moet worden bij de ander die zo stom was niet uit zijn doppen te kijken, dat waren we al gewend. Maar dat ‘geen millimeter’ aan de onderhandelingstafel een uur later bij de pers is uitgegroeid tot een neuslengte, acht ik ontoelaatbaar.
Maar ook in dit opzicht was de steven gewend. Maandag 14 november viel mij de eer te beurt nog één keer professor mr. W.C.L. van der Grinten te ontmoeten. De man die bij zijn afscheid zou mededelen dat zijn besluit om Volkshuisvesting uit het voorstel-Terlouw te lichten een verzoeknummer van Van Agt was geweest, terwijl deze zelf over een surprise had gesproken. Die ochtend stond echter in het teken van het tweede bedrijf: een PvdA/D'66/VVD-kabinet. Ondanks mijn mondelinge mededeling op vrijdagavond, vond hij het toch noodzakelijk mij uit te nodigen om mijn visie nu officieel te vernemen. Een uiterst systematisch man deze informateur. Het gespreksthema was in twee minuten afgehandeld. ‘De PvdA kan onmogelijk kiezersbedrog plegen,’ herhaalde ik. Van der Grinten toonde daarvoor alle begrip. Aangezien mijn sigaar nog niet was opgerookt gebruikte ik de stilte na het gesprek om mijn verontwaardiging uit te spreken over de perscon- | | | | ferentie van Van Agt. Van der Grinten was daarover ook erg verbaasd. ‘Ik kan onmogelijk ingaan op persberichten,’ zei hij, niet ten onrechte, ‘Als mij mocht blijken dat één van de fractievoorzitters een nader onderzoek op prijs stelt, ben ik daartoe bereid,’ zei hij. Ik verklaarde dat dit afhankelijk is van de vraag of het voorstel dat Van Agt tegenover de pers heeft onthuld ook werkelijk bestaat. We namen afscheid. Later op de dag zou hij Van Agt ontvangen in het kader van het derde bedrijf: een CDA/VVD-kabinet. Van de heer Van der Grinten heb ik die dag niets meer gehoord.
Wel van Van Agt. 's Avonds in het NOS-journaal werd hem gevraagd of hij nog iets zou doen met de uitspraak van de Anti-Revolutionaire Partijraad dat er nog een uiterste poging zou moeten worden gedaan om de coalitie met de PvdA te redden. Tot mijn stomme verbazing was het antwoord daarop dat die poging was gedaan. En wel vandaag. ‘In de loop van vandaag heeft de informateur aan die beide nee-zeggers (Van Agts omschrijving van zijn voormalige gesprekspartners) de vraag voorgelegd: ziet u nog mogelijkheden om het gesprek te heropenen of stelt u dat op prijs? En daarop hebben ze allebei gezegd, dat ze dat niet op prijs stelden. Nou, wat zou ik dan nog beginnen ...’ Diezelfde avond nog heb ik een perscommuniqué uitgegeven waarin ik mijn verbazing uitsprak over deze voorstelling van zaken. ‘De mededeling is volstrekt onjuist. Mij is een dergelijke vraag niet voorgelegd. Integendeel.’ Het communiqué bereikte noch het late NOS-journaal, noch de vroege ochtendbladen. Een uitspraak is nieuws, onjuist of niet. Het tegenspreken van een aperte onjuistheid was geen nieuws meer. De pers was murw. Vijf-en-halve maand nietes-welles was meer dan mooi geweest. Zelfs een officiële brief van Jan Terlouw aan de informateur van vergelijkbare inhoud trok nauwelijks aandacht. En het feit dat de heer Van der Grinten notabene de lezing van Jan en mij officieel bevestigde, verdween geheel in het niet. In dichte mist mocht schipper Dries overvaren. ‘Moet ik dan een cent betalen?’ gaat het liedje verder. ‘Nee,’ zegt de CDA-fractie de volgende dag. De partnerruil was een feit. De wil baande de weg, al was het zicht slecht. Ik heb nog getracht enig licht te werpen op de gang van zaken. Nu ons persbericht de ochtendbladen niet had gehaald, hebben wij het staan uitventen bij de fractiekamer van het CDA als ware het De Rode Tribune of De Wachttoren. Blijkens de notulen van die vergadering, later in De Volkskrant onthuld, hebben diverse sprekers daarin aanleiding gezien om opheldering te vragen. ‘De voorzitter antwoordt dat hij de versie van de informateur weergeeft. Spreker was niet aanwezig bij het gesprek van de informateur met de heer Van Thijn dat op maandagmorgen 14 november plaatsvond. Spreker vindt het een absurde ge- | | | | dachte, dat hij, nadat hij namens de fractie had ingestemd met het voorstel van de informateur van 11 november, eigener beweging met nadere voorstellen had moeten komen.’ De vergadering wordt geschorst. Het is half één. Om kwart over vier wordt hij hervat. Inmiddels zijn de besprekingen met Wiegel begonnen.
De vraagtekens blijken echter nog niet verdwenen te zijn. Diverse leden zijn niet tevreden met de verschafte opheldering. Men vraagt om een laatste poging. De voorzitter vindt dat dit thans niet kan. ‘Hij is nu een gesprek begonnen met de fractievoorzitter van de VVD ... Hij kan thans niet tot zijn nieuwe onderhandelingspartner zeggen dat de begonnen gesprekken moeten worden geschorst ten einde nog de overweging van een nieuwe variant met PvdA en D'66 te kunnen doorvoeren. Thans is de variant CDA/VVD in onderzoek en die weg dient onze fractie met opgeheven hoofd te bewandelen.’
En zo wendt het Christen-Democratisch Appèl met opgeheven hoofd de steven. Toevallig kwam ik Dries na afloop tegen op de gang, vergezeld door Wim Aantjes. Wim schoot op mij af: ‘Denk je eraan dat je Jan Terlouw even belt? Hij is jarig vandaag.’ Ik bedankte hem. Ik wist het niet. Dries was intussen doorgelopen, weggeglipt. Het leek alsof hij mijn blik vermeed. In elk geval is het mij niet opgevallen dat hij een ‘opgeheven hoofd’ had. Ik belde Jan om hem geluk te wensen. Nadien volgden de ontwikkelingen elkaar in een razend tempo op. Van Agt en Wiegel leken niet meer te stuiten. Aller ogen richtten zich nu op de andersdenkenden binnen het CDA. Hoeveel zouden dat er zijn? Zouden ze het lef hebben de onderhandelingsresulaten af te wijzen? Ook als Van Agt er zijn lot aan verbindt?
In eigen kring ontstond grote nervositeit. We moeten garanties geven dat het CDA niet met hangende pootjes hoeft terug te komen als de weg naar de VVD wordt afgesneden. Hoe? Door informele kontakten via informele personen? Door informele kontakten via formele personen? Of door formele kontakten via formele personen? Het werd van alles een beetje. En er kon plotseling een heleboel. Joop, Ien en ik kregen een blanco volmacht van fractie en Partijbestuur om alles te doen wat wij in 's lands belang noodzakelijk achtten. Wij konden ons verheugen in een blindelings vertrouwen, maar voor sommigen was deze bewegingsvrijheid nog niet genoeg. Ook het particulier initiatief in onze partij bewees een eigen taak te hebben. Twee haviken legden een duivenei. André van der Louw, optredend als oud-partijvoorzitter, en Marie-José Grotenhuis, kerngroeplid van de Rooie Vrouwen, boden via De Volkskrant een kabinet aan dat Joop en ik maanden daarvoor op een achternamiddag in elkaar hadden kunnen draaien. ‘Van Agt op Justitie? Wij zouden het zelf niet bedacht hebben. Maar de eman- | | | | cipatie van de vrouw en het feminisme is niet afhankelijk van één man. En Van Agt op Justitie is minder erg dan Van Agt minister-president, als een soort superbaas van Justitie,’ schreven zij. Hun brief bleef niet onopgemerkt. Uit alle geledingen van de partij kwamen woedende reacties. Nu is het wel mooi geweest, vond men. Liever met ere in de oppositie dan door het stof de terugweg inslaan. ‘We moeten de rug rechten’, vond de fractie en startte een serie vergaderingen over de organisatie van de oppositie.
Toch kwam er nog een moment waar de rechtste ruggen nog van zouden kraken. In de nacht van 28 op 29 november stemde een zestal (later zeven) leden van het CDA tegen het regeerakkoord met de VVD. ‘Dissidenten,’ zou men zeggen. ‘Loyalisten,’ zei Van Agt. Zélf zeiden ze geen parlementaire binding te kunnen aangaan met een kabinet dat op grond van dit akkoord zou worden gevormd.
Maar hoe dan ook: 77 min 6 = 71. Een parlementair meerderheidskabinet was van de baan. Van der Grinten is er ook niet in geslaagd zijn derde bedrijf tot een goed einde te brengen. Een vierde bedrijf was in de maak. De nodige decorwisselingen werden al in gereedheid gebracht. Ik herinnerde mij welk een systematisch man de informateur is en met welk een precisie hij in de voorgaande stadia te werk was gegaan. Ik schreef hem een brief waarin ik hem attendeerde op het feit dat hij in deze nieuwe fase niet om de PvdA heen kan. Die nieuwe fase zou immers betrekking hebben op een extra-parlementair kabinet, nu alle meerderheidsvarianten waren afgestreept. Een systematisch man zou dan onvermijdelijk het eerst bij de grootste minderheid in de kamer te rade gaan. ‘Door de loop der gebeurtenissen doet zich thans de unieke situatie voor dat er door het CDA twee regeerakkoorden zijn gesloten. Eén met de PvdA en D'66, een tweede met de VVD. Het is aan geen twijfel onderhevig dat het eerste akkoord op een bredere steun in parlement en samenleving kan rekenen dan het tweede. Bovendien staat het eerste akkoord in het teken van een voortzetting van het beleid van het kabinet-Den Uyl en past dus beter op de verkiezingsuitslag van 25 mei jl.’
Ik ging nog iets verder. ‘Nu de formatie in een nieuw stadium is gekomen en u voor keuzevraagstukken staat die voor de regeerbaarheid van dit land van het allergrootste belang zijn, meen ik dat heropening van de parlementaire meerderheidsfase thans geboden is. De PvdA is bereid hieraan van harte mee te werken.’ Ik beriep mij op de sfeer van ‘misverstanden’ waarin op 11 november aan die fase een abrupt einde was gekomen. Een zinsnede, die door velen is opgevat als een knieval, maar die ik noodzakelijk achtte, loyalist als ik wou zijn ten opzichte van de dissidenten.
| | | |
Maar inmiddels waren de dissidenten al weggecijferd. Mijn brief kwam als mosterd na de zoveelste sfeervolle maaltijd tussen Van Agt en Wiegel. En ik had nog wel voor een telefonisch voorgerecht gezorgd. Om tien voor twee, direct na afloop van de fractievergadering heb ik Van der Grinten van de komst van de brief, gelet op het nieuwe stadium, op de hoogte gesteld. Maar nog voor de brief kon arriveren lag het volgende communiqué al op tafel: ‘De fractievoorzitters hebben de informateur medegedeeld dat hun fracties instemmen met dit regeerakkoord. De fractievoorzitter van het CDA heeft hieraan toegevoegd dat enkele leden van zijn fractie hebben gesteld dat zij de totstandkoming van een kabinet op basis van dit akkoord niet willen bevorderen maar ook niet willen beletten en dat zij het kabinet na zijn totstandkoming in loyaliteit zullen beoordelen op zijn daden. De informateur heeft vervolgens in overeenstemming met de fractievoorzitters geconstateerd dat het herziene regeerakkoord tussen de fracties van het CDA en de VVD is tot stand gekomen. Op basis van dit akkoord kan een parlementair meerderheidskabinet worden gevormd, immers een kabinet dat steunt op de fracties van het CDA en de VVD.’ De besprekingen duren voort.
Niets nieuw stadium. We gaan door met de soep. Maar de soep was toch iets te heet gegeten. De haastige drie aten iets te snel en verslikten zich. De dissidenten werden meegeteld, maar hun opvattingen niet. De neuzen werden geteld, niet de harten. De haastige drie lichtten de hand met het staatsrecht. ‘Ach,’ zou Van Agt later zeggen. ‘Het staatsrecht is vaak nevelig. Ik ben zelf geen staatrechtdeskundige, de informateur trouwens ook niet ... Hier is het: de blinde leidt de lamme.’
De lamme gooit het over een andere boeg. ‘Vele staatsrechtgeleerden zullen mij dankbaar zijn, dat ik het staatsrecht vernieuwd heb.’
Maar zo gemakkelijk kwamen de vernieuwers er toch niet af. Op 3 december zag Van der Grinten zich genoodzaakt om alle niet-betrokken fractievoorzitters een brief te schrijven waarin hij hen uitnodigde hun opvattingen over een CDA/VVD-kabinet bekend te maken. Deze brede benadering moest camoufleren dat de informateur met de hoed in de hand te biecht moest bij ‘klein rechts’. In de Rooie Haan sprak ik van de vorming van een kabinet Van Agt/Wiegel/Koekoek. Maar zelfs deze weg liep dood. SGP en GPV wensen zich niet zonder meer te binden. De heer Van der Grinten mislukte.
Nadat hij eindrapport had uitgebracht en geadviseerd had Van Agt de opdracht te geven een parlementair meerderheidskabinet te vormen, laste het staatshoofd een nieuwe consultatieronde in. De nieuwe fase was nu tóch een feit.
Voor de laatste maal begaf ik mij naar het Paleis Lange Voorhout en
| | | |
adviseerde het staatshoofd nu Den Uyl te belasten zo spoedig mogelijk, met inachtneming van het akkoord tussen PvdA, D'66 en CDA, een kabinet te vormen. Nu wij de extra-parlementaire fase zijn binnengetreden dient de grootste groepering in de volksvertegenwoordiging in de gelegenheid te worden gesteld regeringsverantwoordelijkheid te blijven dragen. Om de volgende redenen:
‘1. Wanneer het gaat om een keuze tussen een extra-parlementair kabinet met de PvdA of een extra-parlementair kabinet met de VVD dient opnieuw te worden geconstateerd, dat de eerste variant beter aansluit op de verkiezingsuitslag.
2. Wanneer het gaat om de vraag op basis van welk van de beide tot stand gekomen regeerakkoorden nu een kabinet moet worden gevormd, behoort in aanmerking te worden genomen, dat het PvdA/CDA/D'66-akkoord op een bredere steun in parlement en samenleving kan rekenen dan het CDA/VVD-akkoord.’
Ik herhaalde onze bereidheid om alsnog na te gaan of een parlementair meerderheidskabinet kan worden gevormd.
‘Wanneer er niettemin andere wegen moeten worden ingeslagen, berust dat op de vrije keuze van het CDA, die dan blijkbaar met alle geweld een andere richting wenst te gaan dan de verkiezingsuitslag heeft aangegeven.’
Het kabinet-Van Agt/Wiegel moest er inderdaad met alle geweld komen. Twee fracties die niet in staat waren gebleken een parlementair meerderheidskabinet te vormen waren wel in staat een parlementair meerderheidsadvies uit te brengen. Van Agt werd formateur en vervolgens minister-president. ‘Het maakt een serieuze kans,’ zegt hij in het NOS-journaal, ‘om gewoon de vier jaren uit te dienen. Ik denk dat het zo zal kunnen zijn: een rubbervlot op de woelende baren, op en neer geslingerd op de golven, maar het blijft drijven.’ Heen en weer geslingerd, dat zeker. Zo is het de hele formatie gegaan tot op de laatste dag. Toen trad Van Agt op in een uitzending voor de Westduitse televisie, gewijd aan ‘Den Haags Wende nach Rechts.’ ‘Is de totstandkoming van uw kabinet een keerpunt voor Nederland?’ werd hem gevraagd.
Van Agt: ‘Ja, in zoverre dat de socialisten zeker hebben gedacht dat ze gedurende een lange reeks van jaren in de regering wilden blijven en dat ze hun plannen ter hervorming van de maatschappij zouden kunnen doorvoeren. In zoverre is het werkelijk zeer belangrijk dat er nu een einde is gekomen aan de regeringsmacht van deze sociaal-democraten.’ Daags daarna verklaart Van Agt haastig dat dit een uitspraak was ‘op een verloren moment, in een vreemde taal’ voor één of andere Duitse televisie-uitzending. ‘Daarin heb ik dingen gezegd die niet
| | | |
deugen. Die ook anders zijn dan ik vind en verder altijd gezegd heb.’ Ook dat is ongetwijfeld waar. De ene dag is de andere niet. Maar een ‘Wende’ blijft het. Er is een nieuwe stijl van politiek bedrijven aan de macht gekomen. Het is niet de stijl die de kiezers, die zo massaal naar de stembus zijn gekomen op 25 mei, verdiend hebben.
Amsterdam, 24 december 1977
|
|
|