Handschrift 339 van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden is een perkamenten codex van 167 bladen, geschreven in duidelijk, regelmatig schrift4). Elke bladzijde is in twee kolommen beschreven. De hoofdletters aan het begin van de capita zijn blauw gekleurd, een enkele maal uitgewerkt in blauwe en groene randornamentiek. Het handschrift is, afgezien van de gehavende rug van de oude band, in gave toestand bewaard. Het aantal afschrijffouten is betrekkelijk gering. M.J. Pohl dateert het: ‘non ante annum 1430’5); De Vreese neemt als tijd van ontstaan ‘c. 1430’ aan6), G.I. Lieftinck in zijn beschrijving ‘XV1’, d.w.z. de eerste helft van de vijftiende eeuw. Het is dus het veiligst, wanneer we op gezag van de palaeografen c. 1440 als tijd van ontstaan aannemen7).
Het handschrift bevat, behalve de vier boeken van de Imitatio en een paar kleinere gebeden, als boek V tot en met VIII de verdietsingen van een viertal andere Latijnse tractaten. De drie laatste zijn in elk geval afkomstig van Thomas a Kempis, nl. Van vuerighe toetroestinghe totten doechden naar het Libellus spiritualis exercitii, Van bekennisse der eyghenre crancheit naar het Libellus de recognitione propriae fragilitatis en een tractaat zonder opschrift naar de Hortulus rosarum1). In het Brusselse hs. II 2271 komt een andere vertaling van de Hortulus voor.
Onmiddellijk op de Imitatio volgt ‘Dat vijfte boeck van quisequitur’, een verhandeling in 14 korte hoofdstukken, die hier naar het opschrift boven het eerste hoofdstuk de naam draagt Van enen doechdeliken ende ynnighen leven, en als volgt begint: ‘Aldus spreket die heylighe propheet David inden souter: Wat sel ic den Here geven van al dat hi mi gegheven heeft...:’. Het tractaat komt ook in andere handschriften voor, steeds in gezelschap van gedeeltelijke Imitatio-vertalingen, nl. in Brussel 3041, Haarlem 99 en in een zoek geraakt ms. van de Sint-Lebuinuskerk te Deventer. Er bestaan twee uitgaven van, kort na elkaar verschenen2). Het enige wat men overigens van dit tractaat met stelligheid zeggen kan, is dat het de geest der Moderne Devotie ademt. Spitzen vermoedt dat Thomas van Kempen ook wel ‘de auteur (zou) kunnen zijn van “Dat vijfte boeck”, al bracht Sommalius het niet op zijn lijst, misschien omdat de Latijnsche tekst ervan niet bekend is. Het gelijkt tenminste geheel en al Thomas' trant’3). Kruitwagen zegt in zijn beschrijving van de handschriften van het Bisschoppelijk Museum te Haarlem dat het ‘in echt-Windesheimschen trant vervat is’. Van Ginneken4) en zijn leerlinge Louise Veldhuis5) noemen het ‘een tractaatje van Florens Radewijns’, zonder dit echter te bewijzen.
Het Leidse manuscript heeft reeds lange tijd de belangstelling van onderzoekers gehad. Fragmenten zijn uitgegeven door Van Vloten, Wolfsgruber, De Vooys, Van Ginneken en De Bruin6); voorts hebben Wolfsgruber en Louise Veldhuis er varianten aan ontleend voor hun tekstuitgaven. Het handschrift is door Busken Huet ter sprake gebracht in een Gidsartikel over de Thomas-kwestie, en door Hirsche en Spitzen geraadpleegd voor hun onderzoekingen7).
Het bevat geen enkele uit de Middeleeuwen dagtekenende notitie welke de lezer explicite inlicht omtrent de plaats waar het is afgeschreven of gebruikt. Dat het een
afschrift is, bewijzen sommige verschrijvingen. De taal wijst duidelijk op Hollandse afkomst1). Men lette op de spelling van: voir, voirsienich, voirtmeer, dancbairlic, wairdicheit, wairom; het suffix in purgieren, studieren, ordinieren, regiere, vysitier en de ie voor ee in twyedracht; werkwoordvormen als du selste (naast selte), du hebste, du suychste, du besieste; ft in craft, versaften, after, afterlaten, efter; het ontbreken van het praefix ge- in tuuch, tugen, erfnaem; vormen als verwrecken voor verwecken, dreppel voor drempel; het gebruik van woorden als sceme, hent, thent, oecken, hoeneer, rechtevoert, ophoeren, vulnisse2).
In geen van de vier boeken is een spoor te bekennen van Zuidelijke taaleigenaardigheden; ware de bewerker een Brabander of Vlaming geweest, dan zouden in de woordvoorraad daarvan nog de bewijzen moeten zijn. Een Oostnederlands model verraadt zich in Hollandse afschriften vaak, doordat -ol- niet consequent door -ou- wordt vervangen; ook daarvan is geen spoor aanwezig. Hieruit is op te maken, dat de overzetting in Holland of het Nedersticht tot stand gekomen is3).
De vertaler blijkt goed thuis geweest te zijn in de terminologie van de Moderne Devotie. Geen wonder, want alleen een geestverwant zal zich met zulk een arbeid bezig houden. Uit het Glossarium citeer ik: aenhanghinge der dingen, eygenscap, eyghensoekelicheit, heilgever, ingetoghen, opghetoghenheit, selvessoekelicheit. Men lette op kloostertermen als novicij en het eveneens niet vertaalde silencium4) (I 22 35).
Maar is deze volledige Imitatio-verdietsing wel het werk van één vertaler, of moeten we aannemen dat meer dan een overzetter er de hand in gehad heeft? Alvorens deze vraag te beantwoorden, acht ik het nodig even na te gaan, hoe zulk een bundel tot stand gekomen kan zijn. Het behoeft namelijk volstrekt niet zo te wezen, dat de vier boeken van deze vertaling verbonden zijn door eenheid van oorsprong, dus het werk zouden zijn van één auteur. Gezien de wijze van ontstaan van Thomas a Kempis' boekje De Imitatione Christi, dat wel van één hand is, maar in de loop der jaren ontstaan is uit de samenvoeging van vier tractaten, geschreven in verschillende tijden en onder uiteenlopende omstandigheden, is het zeer goed denkbaar, dat van de aanvankelijk afzonderlijk in omloop zijnde Latijnse tractaten zelfstandige vertalingen gemaakt zijn, en dat deze later door een auteur die het werk voortzette, zijn verenigd tot een volledige bundel. In dit vermoeden worden wij nog
gesterkt, wanneer wij de andere handschriften, waarin delen van deze bundel voorkomen, in het onderzoek betrekken. Dan blijkt, dat de vertaling van I en IV in geen enkele andere codex bewaard is, die van II in 4 andere en van III in 5 andere1). Al is het misschien een toeval dat van een bundel als Leiden 339 geen ander exemplaar meer bestaat, toch is het opmerkelijk, dat twee van de vier boeken elders voorkomen in gezelschap van andere gedeeltelijke Imitatio-vertalingen dan Leiden 339 bevat. Dit verschijnsel is alleen hieruit te verklaren, dat oorspronkelijk afzonderlijke vertalingen van enkele der vier boeken bestaan hebben, en dat men pas later, naar liet voorbeeld van de verzameling De Imitatione Christi, op de gedachte gekomen is daarvan een sluitend geheel te maken.
Speculaties als deze brengen ons echter weinig verder; ze versterken slechts het verlangen naar vaste grond onder de voeten. Het gemis van uitwendige gegevens dwingt ons de weg van het inwendig onderzoek op te gaan. Het moet mogelijk zijn, door vergelijking van de vertaaltechniek in elk der vier boeken met min of meer zekerheid uit te maken, of deze bundel al dan niet het werk van één overzetter is. Bij het onderzoek van de Middelnederlandse bijbelvertalingen was het inderdaad mogelijk een bepaalde auteur aan zijn stijl te herkennen. Men bedenke echter, dat het Hieronymiaanse Latijn van de Vulgata door zijn rijke stijlverscheidenheid en omvangrijke copia verborum hiertoe bij uitstek de gelegenheid biedt. De Imitatio daarentegen kenmerkt zich door een grote beperktheid in de woordvoorraad; de stijl, ofschoon soms dermate berekend op effect dat men van kunstproza mag spreken, vertoont weinig afwisseling. De schrijver was er immers niet op uit met veelheid van woorden of door ongewone stilistische wendingen te pronken. Voorzover hij gebruik maakte van stijlmiddelen als herhaling, tegenstelling e.d., hadden deze alleen versterking van de devotie bij de lezer ten doel. Bij een schrijver die zijn taak aldus opvat, moet zulk een stijlonderzoek tot een negatief resultaat leiden. Zo ging het Mak, toen hij de vraag moest beantwoorden, of de verdietsing van Gerlach Peters' Soliloquium het werk van Johannes Schutken was2).
Een volledig uitgewerkte behandeling van de vertaaltechniek past niet in het kader van deze studie. Daarom volge hier een beknopt overzicht van enkele in het oog lopende verschijnselen, dat gelegenheid biedt tot het maken van een gevolgtrekking. Allereerst dan de vertaalmanier van een aantal losse woorden3).
| beatus IV 3 19 heilige, 9 15 heiligh, 10 27 salich, 11 10 die heiligen, 17 8 heilige, 18 5 heylich. In I II III steeds vertaald door salich. |
| consideratio I 22 T [= Titulus] aenmerkinge, III 22 2 merkinge, IV 2 27 aendacht. |
| diabolus I 13 3 viant, 24 47 des duvels, II 9 36 duvel, 12 40 duvel, III 6 11 des duvels, 26 5 duvel, IV 10 1 des bosen gheests, 18 II des bosen. |
| eventus III 39 4 aenvalle (var.) 33 4 verwandelinghe, 38 7, 47 1 in omni eventu in allen dat di op comen mach. |
| exsultatio II 12 52 vroechde, III 5 5 hoghe vroechde, 21 4 vrolicheit, 40 16 blijscap, 40 18 hoge vroechde. |
| familiaris I 8 5 vry, 8 6 vriendelic, 18 18 dienstachtige, 20 28 bequaem, II 8 T vriedelicheit. |
| familiaritas I 8 T vrientscap, 8 7 grote vryheit, III 24 8 vrienscap, 37 11 vriendelicheit. |
| frequenter in I II III steeds vertaald door stadelic, dicwijl, veel, ghemeenlic, alleen in IV 1 45 door menichwarf. |
| gratis II 11 15 om niet, III 8 8 sonder mijn verdiente, 22 10 sonder waer om, 54 25 te vergheefs. |
| heu I 18 2 leyder, 25 39 leyder, III 18 11 leider, 20 13 och armen, 47 11 Och my, IV 1 26 Och leider, 1 52 och, 10 18 och. |
| impius II 1 3 misdadighen, 6 7 sondaer, IV 13 7 bosen. |
| negotium I 3 20 meninghe, 23 46 onlede, III 39 T becommernisse. |
| opinio I 3 3 vermoeden, 3 7 vermoedinge, 14 9 meninge, III 43 12 suspicien. |
| phantasia in I II III steeds vertaald door fantasien, alleen in IV 10 5 inblasinge. |
| profecto I 2 2 niet vert., 11 11 volcomelic (las vert. perfecte?), 15 14 seker, III 47 14 voerwaer. |
| provocare I 18 21 noden, III 32 7 verwect worden, IV 1 6 vermaent. |
| salutaris I 20 21 niet vert.; IV 4 2 heilgever, 4 25 heilgever, 11 29 der salicheden, 12 12 godliker. |
| salvator IV 2 1 ghesontmaker, 4 21 behouder, 4 23 behouder. |
| suspicio II 3 5 vermoedinge, IV 9 22 quaet vermoeden. |
| totaliter, alleen in II 11 22, 12 18 vertaald door mit allen; overal elders: altemael, al, te mael, gheheel, al heel. |
| utique, I 13 28 ymmer, 25 41 ymmer, II 7 14 wel, 12 60 sonder twivel, IV 29 9, 30 32, 46 8, 56 22 ymmer. |
| viriliter I 21 9 overal manlic, manliken, behalve in III tweemaal 47 8, 56 29 vryliken. |
| zelus I 7 13 toorne, 11 T minne, 18 8 minne, II 3 8 minne, 5 5 minne, III 58 9 naersticheit. |
Deze lijst leidt tot de voorlopige conclusie dat IV in de woordkeuze duidelijk afwijkt van I II III. In dit drietal boeken is weinig verschil op te merken, al schijnt III in de vertaalwijze van afzonderlijke woorden soms anders te werk te gaan dan I II.
Een ander herkenningsmiddel staat ter beschikking in de dubbelvertalingen of doubletten. Deze ontstaan dan, wanneer een vertaler in zijn streven de voor hem liggende tekst zo getrouw mogelijk te vertolken, zijn toevlucht neemt tot de weergave van het vreemde woord door middel van een paar synoniemen. ‘C'est le procédé classique des traducteurs trop consciencieux’, zegt Huijben1). De volgende heb ik genoteerd:
I 1 7 si careas ist dattu derveste of niet en hebste; 3 28 praebendas proven ende heerscappie; 5 5 auctoritas hoecheit of grootheit; 19 2 revereri eren ende ontsien; 25 36 iubilare loven ende jubileren.
II 1 17 munda suver ende reyn; 6 1 gloria vroechde ende glorie; 10 5 turpes vuyl ende onreyn; 10 6 affectu ghenoechten of begheerten; 10 17 gloriosiores glorioser ende groter; 10 24 gratum danckbaerlic ende duerbaer; 11 2 tribulationis druc ende liden; 11 15 servire minnen ende dienen; 12 1 durus hert ende bitter; 12 1 abnega lochen ende versaec; 12 18 ex tribulatione vander tribulatien ende van liden; 12 31 crescit wasset ende meerret; 12 50 ostendam tonen ende bewisen.
III 3 1 scientiam conste ende wetenheit; 3 9 longa via langhe ende veel weghes; 3 26 vacua ydel of ledich; 4 10 dissolveris wertstu ... bedroeft ende neder gheworpen; 6 14 ineptias fantasien ende ontamelicheden; 6 22 confusus confuus ende bescaemt; 7 11 discretorum wiser ende besceidenre lude; 7 16 discrete wijslic of besceydelic; 8 T en 3 aestimatione vermoedinghe of achtinghe; 13 8 en 10 pulvis stof ende ghemul; 13 12 exardesce werde naerstich ende toornich; 14 4 pulvis stof ende vuylnis; 18 4 dignum recht ende waerdich; 18 8 quantas hoe groot ende hoe veel; 18 12 tepescimus sijn wi traech ende laeuwe; 19 11 inferiori van enen die onder hem is of die lagher is; 21 21 vacua ydel ende ledich; 23 9 parvus cleyn ende luttel; 23 21 quiesce laet of ende ruste; 27 T privatus heymelike verburghen; 29 3 passione passien des lidens; 31 8 rapiat op heff ende neme; 40 5 dissolutus wilt ende ongestadich; 42 12 modicum luttel of cleyn; 45 26 callidam behendige scalcke; 46 10 contra te tegen di of van di; 48 12 firma vast ende starc; 48 39 puram vuerich ende puer; 49 2 amplissimas grote ende brede; 49 23 utile nuttes of oerberlics; 49 37 adimplere te vervolgen ende te vervollen; 50 18 confusio scaemte ende confuse; 50 36 laudet loeft ende priset; 51 T humilibus oetmoedige cleyne; 52 T verberibus pinen ende slaghen; 52 16 humiliet veroetmoedige ende vernedere; 54 37 scientia consten of wetenheden; 55 6 approbat loeft ende prijst; 58 1 affligitur ghepijnt of ghegheselt wert.
IV 1 15 reverentur eren ende dienen; 1 19 una hora in een ure of in ene corte tijt; 1 20 magnus grote ende trouwe; 1 22 magnificum costelike grote; 1 38 ampla costelike ende hoghe; 1 38 gestis werken ende mirakelen; 10 6 contemnendus bespot ende bescaemt; 10 15 turbatione storinghe ende zwaerheit; 12 5 solitarius alleen enich; 15 9 intentionem meninge ende wille; 15 9 levaverit opboert ende stuert; 16 3 interiora ynreste ende heymelicheden.
Het resultaat van deze opsomming schijnt pover. Er is de grootst mogelijke verscheidenheid tussen de vier boeken waar te nemen, hetgeen achteraf wel te verklaren is uit de omstandigheid dat dubbelvertalingen meestal incidenteel ontstaan. Toch bemerkt men binnen de grenzen van III overeenkomsten als ydel ende ledich, conste ende wetenheit, stof ende vuylnis, resp. ghemul. Het is om deze reden dat ik zulke
reeksen toch opneem; zij kunnen goede diensten bewijzen bij de opsporing van andere vertalingen van dezelfde hand.
Speciale aandacht verdienen nog omschrijvende vertalingen1) als:
I 16 9 licentia vryen oerlof; III 5 5 exsultatio hoge vroechde; 21 4 famam scone sprake; 26 2 voluptate sondiger wellust; 34 10 sapientia smakeliker wijsheit; 40 18 exsultatio hoghe vroechde; 45 33 militia ridderlike strijt; 47 11 incolatus ellendige wanderinge; 48 38 licentia vryen oerlof; 50 24 tortuositatem eenwillighe stivicheit; 55 15 insigniti edeliken geteykent; IV 1 54 celebrari feestelike vieren; 9 22 suspicio quaet vermoeden.
Zij spruiten eveneens voort uit de behoefte het Latijnse begrip zo volledig mogelijk te verdietsen.
Het derde hulpmiddel houdt nauw verband met het vorige. In hoeverre waagt de vertaler het zijn eigen weg te volgen? Sluit hij zich angstvallig getrouw aan bij de voor hem liggende tekst of heeft hij de moed ‘meer de zin dan de letter’ te volgen?2) Het is voor ons doel niet nodig een gedetailleerde ontleding te geven van de wijze waarop hij de Latijnse constructies weergeeft. Aandachtige vergelijking van het Diets met de grondtekst is voldoende om tot een slotsom te komen. De resultaten zijn voor een goed deel te vinden in de Aantekeningen bij de tekstuitgave. Ik wil echter niet nalaten een aantal typerende passages aan te halen ten einde de lezer een indruk te geven van de vertaalmethode. In de eerste plaats dan een reeks vrije vertalingen.
| I 3 4 | Grandis insipientia quod neglectis utilibus et necessariis: ultro intendimus curiosis et damnosis. | Het is grote onwijsheit dat wi curiose ende scadelike dinghen al willens aen dencken ende oerberliken ende nooturftighe dinghen versumen. |
| 3 20 | Et hoc deberet esse negotium nostrum, vincere videlicet se ipsum; et cotidie se ipso fortiorem fieri: atque in melius aliquid proficere. | Ende dat soude altoes onse meninghe wesen: ons selven te verwinnen ende dagelix sterker te worden ende in doechden wat te vorderen. |
| 4 2 | Pro dolor saepe malum facilius quam bonum de alio creditur et dicitur: ita infirmi sumus. | Och leyder, wi sijn also cranc, dat wi dicwijl van enen anderen lichteliker dat quade dan dat guede gheloven. |
| I 11 8 | Si essemus nobis ipsis perfecte mortui, et interius implicati; tunc possemus etiam divina sapere: et de caelesti contemplatione aliquid experiri. | Ende waert dat wi ons selven volcomelic gestorven waren ende van binnen met aertschen dingen niet becommert, so mochten wi oec godlike dinghen smaken ende van hemelschen dingen wat vernemen. |
| 11 14 | Sed ad radicem securim ponamus: ut purgati a passionibus pacificam mentem possideamus. | Mer laet ons die bijl an die wortel setten, op dat wi ghereynicht worden van passien, soe moghen wi een vreedsamich herte besitten. |
| 20 18 | Saepe meliores in aestimatione hominum: gravius periclitati sunt propter suam nimiam confidentiam. | Dicwijl so sijn si alre swaerlicste ghevreset, die best gherekent worden inden wanen der menschen, ende dat om haer alte grote betrouwen. |
| 21 13 | Si non habes favorem hominum noli ex hoc tristari. | En wil niet droeven om dattu niet en hebste gunste van menschen. |
| II 1 12b | neque tristitia multa ex hoc capienda: si interdum adversetur et contradicat. | ende oec so en selmen niet al te seer droevich wesen dat ons die menschen contrarie sijn ende weder spreken. |
| 1 13b | et e converso saepe ut aura vertuntur. | ende des ghelijcs weder omme, want also dicke als dat weder verwandelt, so verwandelen die menschen. |
| 4 12 | hoc melius novit mala conscientia. | die (l. dat?) weet best een mensch van quader consciencien. |
| 9 8 | Unde quidam praesente iam gratia dicebat. | Want een propheet die voelde die gracie Gods in hem comen ende seide aldus. |
| 9 32 | Solet enim sequentis consolationis: temptatio praecedens esse signum. | Een voertganc der temptacien dat is een teyken des toecomenden troests. |
| 10 9b | quia ingrati sumus auctori: nec totum refundimus fontali origine. | want wi sijn ontdancbaer den ghenen die ons gracie verleent noch alle danc en gheven wi niet den beghin ende den oerspronc der gracien. |
| 12 36b | ut quod naturaliter semper abhorret et fugit: hoc fervore spiritus aggrediatur et diligat. | dat die mensche altoes van natueren vreest ende vliet, dat neemt hi aen mit wille uut rechter minnen ende vuericheit des gheestes. |
| III 6 5 | Sicut ei in prosperis placeo: ita nec in adversis displiceo. | Want alsoe ic hem behaghe in voerspoede, also behaghe ic hem in wederspoet. |
| 10 15 | Et hoc parum est: quin etiam angelos in ministerium hominis ordinasti. | Ende dat en was di niet ghenoech; du woudste oec die engelen inden dienst der menschen ordineren. |
| III 17 14 | Dummodo in aeternum me non proicias, nec deleas de libro vitae: non mihi nocebit quidquid venerit tribulationis super me. | My en sel niet scaden so wat tribulacien dat op mi coemt, also veer alstu mi inder ewicheit niet en verwerpste noch en delighes uut den boec des levens. |
| 28 8 | Ex inordinato amore et vano timore: oritur omnis inquietudo cordis et distractio sensuum. | Want alle onrusticheit des herten ende verstroeyinge der sinnen coemt van ongeordineerder minnen ende van onnutter vresen. |
| 30 23 | Et hoc sine dubio magis expedit tibi et ceteris servis meis ut exercitemini adversis: quam si cuncta ad libitum haberetis. | Ende dat gi gheoeffent wert in teghenheden, dat vordert di sonder twivel meer ende alle mine andere dienaren dan of ghi alle dinghen tot uwen wille hadt. |
| 32 12b | pro pretiosis et altis in rebus humanis. | voer costelike ende hoghe dingen die duerbaer sijn inder menschen ogen. |
| 49 24b | et magnum si silens portaveris. | ende ist dattu dat swighende draghes, so seltu grote ghewin ghevoelen. |
| 55 15b | qua insigniti digni habentur vita aeterna. | mit welken si edeliken geteykent sijn, die waerdich werden ghehadt des ewichs levens. |
| 55 20b | sufficit enim mihi gratia tua: ceteris non obtentis quae desiderat natura. | want dijn gracie is mi ghenoech voir alle ander dinghen die mijn natuer begeert. |
| 57 20 | Dummodo tandem ad portum salutis perveniam: quid curae est quae et quanta passus fuero? | Wat leit daer an, wat ende hoe veel dat ic lide, als ic ten lesten comen mach totter haven der salicheit? |
| 59 21 | comitante gratia tua. | overmids dijn gracie. |
| IV 1 5 | Excitant me verba tantae pietatis. | Mi verwecken dese woorden die daer sijn van also groter guedertierenheit. |
| 1 40 | Saepe in talibus videndis curiositas est hominum et novitas invisorum; et modicus reportatur emendationis fructus: maxime ubi est tam levis sine vera contritione discursus. | Dicke gheboertet dattet is curiosicheit des menschen, die dese dinghen begheren te sien overmids nyeheit der dingen die si te voren niet ghesien en hadden, ende datter luttel vruchts wert ghehaelt van beteringhe, ende sonderlinge, daermen so lichtelic lopet sonder warachtich berou. |
| 2 23 | Conserva cor meum et corpus immaculatum; ut laeta et pura conscientia saepius | Wil doch mijn hert ende mijn lichaem houden onbevlect, op dat ic mit blide ende pure consciencie dicwile sel mo- |
| IV | tua valeam celebrare mysteria et ad meam perpetuam accipere salutem. | gen gaen tot dijn hoge godlike verburghenheit ende di daer waerdelic ontfanghe tot mijnre ewigher salicheit. |
| 3 12 | Necessarium quidem mihi est qui tam saepe labor et pecco, tam cito torpesco et deficio; ut per frequentes orationes et confessiones ac sacram corporis tui perceptionem me renovem mundam et accendam: ne forte diutius abstinendo a sancto proposito defluam. | Het is mi seer noot, die so menichwerf valle ende sondige, also rasch ende beghin te traghen ende te gebreken, dat ic mi weder vernyewe ende reyn make ende weder vuerich worde overmids ghebeden ende biechten ende overmids dijn heilighe lichaem tontfanghen, op dat ic niet bi aventueren en valle van minen gueden opset overmids langhe onttreckinghe vanden voernoemden verdienteliken werken. |
| 3 14 | Retrahit ergo sancta communio a malo: et confortat in bono. | Dat heilige sacrament dat wi ontfangen, dat trecket ons van sonden ende stercket ons in doechden. |
| 4 4a | tua sacra institutio: non hominis adinventio. | het is dijn heilige insettinge, niet ghevonden van enyghen mensche. |
| 4 9 | Unde tuam precor clementiam, et specialem ad hoc imploro mihi donari gratiam; ut totus in te liquefiam et amore pereffluam: atque de nulla aliena consolatione amplius me intromittam. | So biddic dijn guedertierenheit, dat ghi mi daer toe wilt gheven sonderlinge gracie, dat ic al heel moet vloeyen in di inder lieften ende dat ic voertmeer van niement en begeer vertroest te worden dan van di. |
| 5 9a | Ecce sacerdos factus es: et ad celebrandum consecratus. | Sich du biste ghemaect een priester ende ghewiet om dat wairdige sacrament vanden ghebode ende insettinghe Gods te consacreren. |
| 17 13 | Haec tibi reddo et reddere desidero per singulos dies et momenta temporum: atque ad reddendum mecum tibi gratias et laudes, omnes caelestes spiritus et cunctos fideles tuos precibus et affectibus invito et exoro. | Dese begheerte offer ic di, ende begheer di te offeren tot allen dagen ende tot allen stonden der tyden, ende ic bidde ende aenroepe mit bedinge ende mit begheerten alle hemelsche gheesten ende alle ghelovighe mit mi dy te dancken ende te loven. |
Letterlijke vertalingen.
| I 2 13 | Noli altum sapere. | En wil niet hoghe smaken. |
| 3 12 | Omnis perfectio in hac vita, | Alle volmaectheit in desen leven heeft |
| I | quandam imperfectionem sibi habet annexam. | eenrehande aengheknofte onvolmaectheit. |
| 6 7 | Resistendo igitur passionibus inventur pax vera cordis: non autem eis serviendo. | Daer om wort die warachtighe vrede des herten ghevonden wederstande, niet dienende den passien. |
| 10 11 | incustodia. | onbewaringhe. |
| 11 10 | Quando etiam modicum adversitatis occurrit, nimis cito deicimur. | Wanneer oec enighe cleyne wederheit ons toe coemt, so worden wi alte rasch of gheworpen. |
| 12 8 | Tunc taedet eum diutius vivere; et mortem optat venire: ut possit dissolvi et cum Christo esse. | So verdriet hem langher te leven ende begeert die doot te comen, op dat hi mach worden ontbonden ende mit Christo te wesen. |
| 13 7 | Et qui temptationes sustinere nequiverunt: reprobi facti sunt et defecerunt. | Ende die die becoringhe niet wel en conden liden, die sijn weder proeft ende sijn ontbroken. |
| 13 28 | qui utique secundum dictum Pauli, talem faciet cum temptatione proventum: ut possimus sustinere. | die ymmer nae sinte Pouwels woort alsulken behulp doet mitter becoringe, dat wijt liden mogen. |
| 13 32 | Quidam a magnis temptationibus custodiuntur, et in parvis cotidianis saepe vincuntur; ut humiliati, nunquam de se ipsis in magnis confidant: qui in tam modicis infirmantur. | Sommighe menschen worden behoet van groter becoringhe ende worden dicwile in cleynen daghelixen verwonnen, op dat die vernederinghe nymmermeer in groten van hem selven en betrouwen, die also cranc sijn in cleynen dinghen. |
| 19 7 | Variis tamen modis contingit desertio propositi nostri: et levis omissio exercitiorum vix sine aliquo dispendio transit. | Nochtan gheschiet in (m)eniger manieren afterblivinge ons opsets, ende lichte of laten der oeffeninghe gaet selden voerbi sonder enich verlies. |
| 19 9 | nec est in homine via eius. | noch het en is inden mensche niet sijn wech. |
| II 5 18 | Amans Deum anima: sub Deo despicit universa. | Een God minnende siel onder God versmaet alle dinc. |
| 7 5 | Nec patietur in fine perire. | noch hi en sal dat niet liden di verloren te wesen int eynde. |
| 9 21 | Denique orationis suae fructum reportat: et se exauditum testatur. | Hier na brenget hi weder die vruchten sijns ghebeeds ende tughet hem ghehoort te wesen. |
| 9 27 | quando desertus sum a gratia. | als ic woest ben van gracien. |
| II 10 22 | Sit tibi minimum etiam pro maximo: et magis contemptibile pro speciali dono. | Laet dat minste voir dat alre meeste wesen ende die meeste versmadinge is voir een sonderlinghe gave. |
| 12 62 | Omnibus ergo perlectis et scrutatis. | Alle dinc dan wel over ghelesen ende te rechte ondersocht. |
| III 22 12 | apud quem singulorum definita sunt merita. | by wien alre menschen verdiente gheset sijn. |
| 45 32 | Quam multis nocuit virtus scita ac praeponere laudata. | O hoe veel heeft den menighen ghescadet die bekende doghet ende die te vroech gepriset. |
| 46 T | quando insurgunt verborum jacula. | wanneer dat ghescutte der woerden op staen. |
| 48 39 | omnibus terrenis foris et intus exclusis. | alle aertsche dingen van buten ende van binnen uutgesloten. |
| 49 26 | Vix est aliquid tale in quo tantundem mori indiges sicut videre et pati quae voluntati tuae adversa sunt: maxime autem cum disconvenientia et quae minus utilia tibi apparent fieri iubentur. | Het en is nauwe yets waert alsodanich daer du alleen in behoefste te sterven als te sien ende te liden dingen die tegen dinen wille sijn, mer alre meest als sommige dingen ghevonden werden die di onbehoerliken ende mi oerberliken duncken wesen. |
Vergelijking van de vertaling met de Latijnse tekst leidt tot de conclusie dat er een climax valt waar te nemen in de vrijheid, welke de vertalers zich veroorloven. Boek I vertoont het grootste aantal letterlijke, ja slaafse weergaven; in II en III is de onafhankelijkheid van de grondtekst groter, terwijl men bij de lezing van IV in het geheel niet de indruk krijgt, dat er een Latijnse tekst achter staat. Het laatste boek is dan ook het leesbaarste van de vier; door naar believen, waar de zin dat eist, hulpwerkwoorden van tijd en modaliteit te gebruiken, door soms gehele zinsneden te verwaarlozen en elders de voor hem liggende tekst uit te breiden, weet de overzetter een wel niet getrouwe, maar toch begrijpelijke vertolking te geven die in vele opzichten gunstig afsteekt bij die van het voorafgaande gedeelte en bij een verdietsing als we vinden in de door Wolfsgruber uitgegeven tekst. Mocht soms bij iemand twijfel opkomen, of dit vierde boek wel een vertaling is, dan is kennisneming van de titel van cap. 6 en vs. 8 van cap. 11 reeds voldoende om elk gevoel van onzekerheid weg te nemen1). Trouwens, wanneer één ding duidelijk geworden is, dan is dat wel het feit dat I-IV berusten op een Latijnse grondtekst2). Elke bladzijde van de Aantekeningen bij de tekst legt hiervan getuigenis af.
De vertaalmethode komt dus het reeds uitgesproken vermoeden dat IV van een andere vertaler is dan I-III, bevestigen. Niet zeker is, of we in I-III de hand van één of van meer auteurs hebben te herkennen. Wanneer we rekening houden met de omstandigheid, dat boek I, het minst geslaagde van de drie, in deze redactie slechts in het hier uitgegeven handschrift voorkomt, zou er reden zijn ook voor dit gedeelte een afzonderlijke bewerker aan te nemen, maar een overtuigend bewijs valt niet te leveren.
Een gaaf geheel is deze volledige vertaling van de Imitatio dus niet. Naast goed uitgevallen gedeelten komen, vooral in de eerste boeken, te veel passages voor, die de lezers moeilijkheden moeten hebben opgeleverd. Laten vele hiervan toe te schrijven zijn aan een gebrekkige overlevering van de Latijnse tekst die aan deze bewerking ten grondslag gelegen heeft, en aan vergissingen die bij het maken van het afschrift begaan zijn, er blijven nog genoeg plaatsen over, waarvan de betekenis niet is te vatten zonder dat men de Latijnse Imitatio er naast legt. Toen in 1548 bij de drukker Henrick Peetersen van Middelborch te Antwerpen een nieuwe vertaling van de Imitatio verscheen, schreef de uitgever - of stelde de vertaler Nicolaus van Winghe deze proloog op? - in zijn opdracht aan Theodoricus van Hese: ‘(Qui sequitur me) ... het welcke om zijn seer goede leeringhen in voortijden overgestelt is gheweest in verscheyden talen, als in Italiaensche, Spaensche, Walsche ende Duytsche, maer nergens en waert (na u goetduncken) qualijcker overghestelt dan in duytschen.’ Dit harde oordeel, begrijpelijk omdat het komt uit de mond van een man die de oude vertaling wilde vervangen door een nieuwe, heeft ook betrekking op boek III van ons handschrift, dat immers in de postincunabeluitgave was opgenomen. Al is er geen reden deze uitspraak ten volle te onderschrijven, toch gebiedt de eerlijkheid te erkennen, dat deze Middeleeuwse vertaling voor verbetering vatbaar was. Het werk van Nicolaus van Winghe1) betekende dan ook een aanzienlijke vooruitgang.