[p. 5]
Een Versje vooraf aan 't Jonge Volkje.
Lachende Knapen en blozende Meisjes,
'k Bied aan U allen, aan groot en aan klein,
Jeugdige versjes en vreugdige wijsjes;
Mogen ze U, Kindren, recht wellekom zijn!
'k Houd van het zonneken, 'k houd van de bloemen;
'k Houd van den bengel, die lacht en die springt;
'k Houd van uw spelen, te véél om te noemen;
'k Houd van den vogel, die juicht en die zingt;
'k Houd van mijn Meester, bij wien ik mocht leeren;
'k Houd van 't vertelsel uit Moedertjes mond;
'k Tracht nog naar alles, wat Kindren begeeren,
Vriendschap en vreugde, zoo rein en gezond...
'k Houd van geen wolkjes, geen nare verdrietjes,
'k Houd maar van 't Kindje, dat leeft en geniet;
'k Zeg 't in mijn
Versjes
en 'k zing 't in mijn
Liedjes
,
Die ik U allen recht hartelijk bied!