[p. 6]
EDM. VAN OFFEL.
Grootvader.
Als ik een kleine kleuter was
Van zoo een jaar of vier,
Ging ik naar Grootvaâr elken dag
En 'k had dan zoo'n pleizier!
Dan klopte ik op zijn deurken zacht,
Kwam binnen vlug getript,
En vóór ik 't wist had Grootpapa
Mij op zijn knie gewipt.
En als een paardje ging het dan,
Recht aardig en gezwind;
Ik knikkebolde en 'k schaterde,
Gelukkig als géén kind...
[p. 7]
Maar plotsling hield hij telkens stil;
Ik keek hem schalks toen aan,
En 'k merkte in Grootvaâr's glinstrend oog
Zijn eeuw'gen, hellen traan.
Ik klouterde op zijn knieën recht,
Sloeg de armpjes om zijn hals,
En 'k zoend' hem op zijn roode wang
Recht hartlijk, warm en malsch.
En toen was Grootvaâr in zijn schik;
Ik vlijde stil mij neer,
En bij den damp der Gouda-pijp
Klonk 't oud vertelsel weer:
Het ging van zusjes in een bosch,
Die dwaalden daarin rond,
En van een peperkoekenhuis,
Zoo lekker voor hun mond;
En van een kwade tooverheks,
Die had een neus zóó lang;
Zij nam toen Hans en Gretel mee,
Die schreeuwden toch zóó bang.
En Hans kreeg grove klompen aan
En zwoegde hard en zwaar;
En was de taak van Griet niet af,
Dan sloeg dat wijf zóó naar.
[p. 8]
Ik schrikte zeer,... maar 'k sprong blij op,
Als 't dan weer plotsling hiet
Van slimmen Hans, die de oude heks
In d'heeten oven stiet...
En dan,... ja, dan was 't liedjen uit;
'k Zag Grootvaâr schalks weer aan,
En 'k las toen in zijn glinstrend oog:
‘Wel, zijt ge nu voldaan?’
Ja, inderdaad, 'k was heerlijk blij,
En Grootvaâr merkte 't wel;...
En als ik toen weer heen moest gaan,
Dan zoende ik hem zoo fel.
En minzaam, met zijn traan in 't oog,
Keek Grootvaâr op mij neer:
‘Tot morgen!’ sprak hij vriendlijk me aan,
‘En dan... vertel ik weer!’
En nu is de oude man reeds dood,
Zijn stem hoor 'k langer niet;
Maar 'k denk nog soms eens dankbaar weer
Aan Grootvaâr, Hans en Griet.