[p. 10]
Grootmoeders Bloemen,
Ik heb een brave Grootemoe,
Die woont nu gansch alleen;
Maar 'k ga er nog van tijd tot tijd
Eens op een wipje heen.
Dan leidt ze me in heur kleinen tuin,
Met bonte bloemen vol;
Dan wijst ze hier, dan wijst ze daar
En raast mijn zinnen dol.
‘Zoo'n zonnebloem, wat zegt ge ervan?
En kijk zoo'n lelies aan!
En hebt ge al ooit zoo'n dubbel roos
In éénen tuin zien staan?...
Ik keur ze ook eiken morgen, vriend,
'k Begiet ze, iedren dag;
En dorre blaadjes, rups en web,
't Verdween zoo gauw ik 't zag.
Maar als de zon schijnt...’ - ‘Grootmoe, ja,
Dan krijgt de plant geen nat;
Dat weet ik al! ‘zoo zeg ik gauw
En 'k denk: wat scheelt me dat?
Van achter heuren stalen bril
Lacht Grootje mij dan toe:
't Is werklijk waar, zoo'n frissche bloem
Is 'n schat voor Grootemoe.
[p. 11]
Dat is een heel historie, man;...
Ik denk dan aan dien tijd...’
- ‘Toen ge ook nog frisch en jong waart, he?..
Dat hebt ge me al gezeid!’
- ‘Ja zeker, jongen, zóó was 't wel,
Ik groeide en bloeide toen,
Als nu mijn lieve bloempjes hier
Den heelen zomer doen.’
En zoo praat Grootmoe iedren dag
Als 'k in heur tuin maar kom,
Zij raast mij met heur bloemen dol,
Maar och, wat geef 'k er om?
Is dan die tuin het een'ge niet,
Wat leeft en bloeit voor haar?...
Wel ja!... En daarom wensch ik heur
Veel bloemen, menig jaar!