[p. 17]
Mina en Tom.
't Zijn twee allerbeste vriendjes,
Mina en haar kleine Tom;
'k Zie hen altijd samen spelen,
Telkens als ik binnenkom.
Tom die kwispelt met zijn staartje
Of hij bast en springt in 't rond,
Wijl ons Mina om zijn streken
Juicht en lacht met gullen mond.
Kijk ik Tom dan recht in de oogjes,
O, dan rent hij toch zóó snel,
Wip! een stoel op,... hoog zijn pootjes!
Tot 'k hem toelach: ‘Zóó is 't wel!’
- ‘Neen,’ zegt Mina, ‘stil uw beentjes!...
Kijkers open!... Snuitje dicht!...
Sla eens blij nu met uw staartje!...
Zóó is 't, Tom, dàt 's mooi verricht!’
Dan krijgt Tom een lekker klontje
Of een koekje uit de kast.
‘Dàt 's voor u,’ zegt kleine Mina,
‘Wijl ge braaf hebt opgepast!’