[p. 30]
Pietje Nooittevrêe.
Mijn buurtje, dom en grillig,
Vindt nergens vrede mêe;
Men noemt hem ook niet anders
Dan Pietje Nooittevrêe.
Wanneer hij 's morgens opstaat,
Is 't altijd wat te vroeg;
En gaat hij 's avonds slapen,
Dan is 't niet laat genoeg.
Het eten wil niet smaken,
't Is flauw of wel te zout;
Het wêer is voor ons ventje
Te drukkend of te koud.
De school met al haar meesters
Is hem een ware hel;
Daar moet hij zweeten, wroeten,
Daar straft men veel te snel.
Na schooltijd, onder 't spelen,
Moet hij de voorste staan;
En gaat het naar zijn zin niet,
Dan is er ‘valsch gedaan’.
[p. 31]
't Is één geklaag en grollen,
Eén kijven, anders niet;
Ik vraag mij, hoe zoo'n kerel
Zichzelf nog gaarne ziet!
. . . . . . . . . . .
Als ik u iets mag raden,
Laat hen maar liefst met vrêe;
Laat ze in hun vet maar braden,
Zoo'n Pietjes Nooittevrêe!