Jan Goedzak.
'k Heb, toen 'k nog een kleine schelm was,
Eens een grooten vriend gehad:
't Was een kerel, die geen kennis,
Maar een gouden hart bezat.
Als een groote, dikke jongen
Droeg hij me altijd op zijn rug;
Was het weder koud of drukkend,
Altijd liep hij even vlug.
Gaf ik hem wat erg de sporen,
Hing ik 't paard soms om den nek,
Wilde ik hem eens lastig maken,...
Dan vond Jan mij eens zoo gek.
[p. 32]
In het spelen, in 't ravotten
Deed Jan Goedzak altijd mêe;
Woudt g'hem duwen, trekken, schudden,
Jan die had met alles vrêe.
Werd hij om zijn werk bekeven,
Vond men soms zijn antwoord dom,
Lachte men te zijnen koste,
Jan die treurde er toch niet om.
Thuis, al had hij twee, drie broertjes,
Kreegt ge er alles van gedaan:
Schrobben, vagen, borden wasschen,
Zelfs om visch of mostaard gaan.
Ja, gij kondt maar niets verzinnen,
Of hij deed het graag en vlug;
Maar, o jammer! ook geen misdrijf
Of men schoof 't op zijnen rug!...
..............
Wees Jan Goedzak; men duwt alles
Vrij en blij op ùwen nek,
En men leert u, maar te laat soms:
Al te goed is buurmans gek!