terug  begin  verder
[p. 35]

Het Koren.

 
In den heeten zonnegloed
 
Maait boer Gijsen wakker
 
Tarwe, rogge, dik en rijp,
 
Van zijn gouden akker.
 
 
 
Tijsje koopt hem 't koren op,
 
Draagt het zonder dralen
 
Naar zijn molen, om het vlug
 
Klein en fijn te malen.
 
 
 
Zie, de wieken zwaaien al,
 
Hoor het graan verbrijzen;
 
Ziet ge niet het stuivend meel
 
In de zakken rijzen?
 
 
 
Heel de molen dreunt en steunt
 
Van de zware steenen;...
 
't Knechtje voert de zakken gauw
 
Naar den bakker henen.
 
 
 
Bakker Bloem die kneedt den deeg,
 
Duwt hem in zijn oven;
 
Haalt voor Jan en Alleman
 
Brood en koeken boven.
 
 
 
Ieder krijgt op 't dorp zijn brood
 
Daaglijks van dien bakker;
 
Daarom ook is ieder steeds
 
Even vlug en wakker!
terug  begin  verder