[p. 36]
E. van Offel
Van 't Slijpertje.
‘Schareslijper met uw karre,
Vindt ge 't wel een dolle pret,
Gansche dagen rond te kruien,
Wijl ge mes en scharen wet?’
- ‘'k Moet voorwaar mijn kost verdienen;
Daarom loop ik vroeg en laat,
Steeds mijn wagen vóór mij kruiend,
Zonder ruste langs de straat....
Maar, vriend-lief, ik wil bekennen,
Dat 'k mijn stiel van harte min;
Dat ik met mijn ronkend wieltje
Goed mijn daaglijksch broodje win.’
[p. 37]
- ‘Zoo! Dan zijt ge recht gelukkig?..
Maar hoe toch was 't juist die stiel,
Die u onder zóóveel andre
Nog het meest van al beviel?’
- ‘Meest van al?... Dat 's wel het woord niet,
Daar ik nooit te kiezen had;
'k Erfde juist dàtgeen, wat vader
Nog als eenig goed bezat.
'k Zet nu voort zijn slijpersleven;
'k Roep wat hij steeds moedig riep,
Onder 't ronken van het wieltje:
‘Messen, zeisen, scharesliep!’
- ‘En zoo blijft gij immer kruien,
Vroeg en laat, gezond en blij?...
Mocht ik in mijn lot mij schikken
En gelukkig zijn als gij!’