[p. 44]
Edm. van Offel.
Van een Tooverheks.
Daar was zoo eens een tooverheks
Die op 'nen ezel reed,
Terwijl zij niets dan in een boek
Maar preev'len, preev'len deed.
Een tooverboek,
Een vreeslijk boek,
Daar wees ze in met een roede;
Maar meisje en guit
Die lachten ze uit
En dansten blij te moede.
[p. 45]
De hekse keek hen grijnzend aan
Van uit heur zwarte kap;
Heur ooge brandde en vlamde als vuur.
‘Pas op als ik u snap!..
Ik eet u op!
Ik vreet u op!’
Zoo vloekte ze in gefezel.
- ‘Gij duivelsch wijf,
Blijf van ons lijf,
Of gij vliegt van uw' ezel!’
Toen liet de heks heur tanden zien;
Toen sloeg zij op heur boek,
En knarsetandde en schreeuwde en riep,
En lostte een helschen vloek:
‘Word puit! word mier!
Word rups! word pier!...
Nu heb 'k u, booze guiten!
De helsche tekst
Heeft u behekst;
Raakt nu mijn zak maar buiten!’
En 't booze wijf reed naar heur kot,
Daar kwam ze zweetend an;...
Ze pakte worm, en rups, en pier,
En smakte ze in een pan...
Daar sprong de puit
De pan boos uit,
[p. 46]
En greep de roe en kwaakte,
En klopte op 't boek
Met 'n kikkervloek,
Dat alles schrikte en kraakte.
En 't wijf, behekst, dat werd een zwijn
En kreeg een staart, een snuit.
Een slag!... Daar sprongen meisje en knaap
En lachten 't varken uit:
‘Een kram! een strop!
Wij hangen 't op,
Eer dat wij 't slachten zullen!...
Dan zullen wij
Eens vrij en blij
De heks naar binnen smullen!’