[p. 60]
De Krekel.
Hoe heet dat klein, onvindbaar ding,
Dat in de boerenwoning huist?
Dat zingt en piept bij d'open heerd,
Als 't water in den ketel suist?
De krekel!
Wie zingt, als 't zondagnanoen is,
Als Moe-de-vrouw heur dutje doet?
Wie noodt het volkje tot den disch,
En stemt het boerenharte goed?
De krekel!
Wie brengt de stillle vreê in huis
Met heur bekoorlijk, kindsche lied?
Wie snoert de liefdebanden saam
En wischt de gramschap en 't verdriet?
De krekel!
Wie weert er, zegt men, d'hagelbui
En schenkt den boer zijn tarwebrood?
Wie brengt de reine kermisvreugd
En bant, al zingend, nood en dood?
De krekel!
Wie brengt den boer zijn zoeten droom,
En fluisterd 's nachts den moed hem in?
Wie zwijgt er nooit zijn kri, kri, kri!
Ten zegen van het huisgezin?
De krekel!