[p. 66]
A-E-I-O-U-IJ-Liedje.
A, a, a!
Wie uwer doet mij na
Des middags onder 't eten?
Dat wil ik wel eens weten!
E, e, e!
Wie durft er met mij mee,
Verveerd van stoot noch motten,
In 't spelen en ravotten?
I, i, i!
Wie uwer is er die
Met mij durft mededingen
In 't schoonste liedjes zingen?
O, o, o!
Ik roep alras ‘bravo!’,
Zoo gij den prijs kunt winnen,
Als ik wil 't werk beginnen!
U, u, u!
Wie is er onder u,
Die net als ik kan leeren
En Heer en Ouders eeren?
IJ, ij, ij!
Wie houdt er niet van mij?
Ik durf er mij op roemen
Dat 'k me ieders vriend mag noemen!