[p. 70]
Moeders Lied.
Als ik een heel klein kindje was
En in mijn wiegje lag,
Dan zong mij mijn Moedertje zachtjes in slaap
Met een liedeken iedren dag.
Zij zong zoo rustig
Van kindeken-do;
Zij zong zoo lustig
Van do-de-ri-do.
En als ik uit mijn wiegje kwam
En dicht aan Moeders zij,
Al aarzelend zette één voetje vooruit
En 't ander er zoetjes bij;
Dan zong zij weder:
‘Mijn kindje, heb moed!’
Dan zong zij teeder:
‘Wat gaat het al goed!’
En als ik dan wat grooter werd,
Toen reed ik op haar knie;
Toen leerde ik bij Moetje van
o
en van
a
.
En tellen van
één, twee, drie
.
Dan zong zij blijde:
‘Mijn engel mijn kind!’
En lachte blijde:
‘Wat leert gij gezwind!’
[p. 71]
Zij zong mij, als ik braafjes was,
Een lied dat zij verzon;
Ik luisterde zachtjes en 'k fluisterde mee
Totdat ik 't heelemaal kon.
Wij zongen samen
Van liefde en van min;
Dat stemde ons samen
Steeds lustig van zin!