[p. 72]
Mijn Paard.
'k Heb een hobbelpaardje
Met een vlassen staartje;
't Heeft een toom om d'houten kop,
'k Rij er heele dagen op;
E. van Offel
'k Rij er mee naar 't verste land,
'k Leid het met mijn vlug verstand;
Hopsasa!
Dat is plezant!
[p. 73]
'k Doe het draaien, keeren,
Draven, galoppeeren;
Net gelijk een generaal:
Recht te peerd en flink ter taal!
'k Draag een punthoed, fier en blij,
En een sabel aan de zij;
Hopsasa!
Bewondert mij!
Laat de wind maar waaien,
'k Zal mijn sabel zwaaien;
'k Slinger wild hem in de lucht,
Dat de vogel schrikt en vlucht;
Als mijn ros niet prettig vaart,
Trek ik 't even bij den staart;
Hopsasa!
Vooruit, mijn paard.
Laat mij maar betijen,
't Paard dat zal wel rijen;
'k Houd den teugel stevig vast,
Dat het beest mij niet verrast.
'k Roep nu ‘ju!’ en 'k roep dan ‘ho!’
'k Bommel, schommel, vrij en vroo;
Hopsasa!
Wie kan dat zoo?