Het Klokje in den Toren.
Ik zat mij te koestren,
En 'k droomde in de zon;
Het klokje dat speelde in den toren.
Het zong er zoo blijde
Van tinge-ting-tang!
Het klonk langs de heide
Van klinge-ling-klang,
Zoo frisch en zoo jeugdig om hooren!
Wat hipplen!
Wat tripplen!
Wat vreugdevol lied!
Zoo zingt in het loover de nachtegaal niet!
Ik zat mij te koestren
En 'k droomde in de zon,
Totdat ik dat liedeken heelemaal kon.