Babbelen!
't Lieve snaakje
Roert zijn kaakje
En zijn mondje staat nooit stil,
Wijl het tongsken
Van ons jongsken
Altijd rustloos babblen wil.
't Spreekt zoo rappe,
'k Kan 't niet snappen,
't Geen het graag mij zeggen wou.
Is het poortje,
Waardoor 't woordje
Komen wil, soms niet te nauw
[p. 85]
Voor 't geen 't harte,
Vreugde of smarte,
Overvloedig thans ontwelt?...
Of is 't tongsken
Van ons jongsken
Slechts door babbelzucht gekweld?...
O, ik raad het!
Kindje, laat het,
Al dat babblen; 't heeft geen zin!
Zwijg, gij snater,
Vlugge prater!
Of gij slikt uw tongsken in!
Want zoo'n tongsken,
Aardig jongsken,
Wordt als alles eenmaal moe;
En dan praat ge er
En dan slaat ge er
Babblend-brabblend maar op toe!