[p. 88]
E.v.O.
Avondlied.
Een herderken zijn schaapjes dreef,
Bij d'avond, in het dal;
Het windje woei, de zonne zonk,
Het klokje klepelde al.
Het lokte met zijn klep, klep, klep,
Het knaapje rapper ging;
De schapenklokjes speelden blij
Van tingelingeling!
Het wachterken zijn koetjes zocht,
Die graasden in het dal;
Hij blies zoo vrij, hij blies zoo blij
Zijn lustig hoorngeschal.
Het klonk zoo hel in d'avondstond,
En de echo ging zijn gang;
De koetjes belden aardig mee
Van klingelingelang!
[p. 89]
Het meisje van de bergen bracht
Haar geitjes in het dal;
Zij zong zoo hel haar avondlied,
Dat weerklonk overal.
En 't klokje, dat bij elke geit
Om 't blanke halsje hing,
Het tingelde en het zong maar mêe
Van tingelingeling!
En 't meisje dra den herder vond
En 't wachterken in 't dal;
Zoo dreven zij weer al te zaam
Hun kudden naar den stal.
't Klonk op den toren: klep, klep, klep,
In 't dal nog blij gezang,...
Tot eindlijk zweeg het tingelingeling
En 't klingelingelang!