terug  begin  verder

[p. 59]

Tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova Zembla

in de jaren 1596 en 1597

 

Met den gouden eereprijs der Hollandsche Maatschappij van fraaije Kunsten en Wetenschappen in den jare 1819 bekroond.

[p. 61]
 
With living colours give my verse to glow:
 
The sad memorial of a tale of woe!
 
 
 
Falconer.
[p. 62]

Verantwoording

De tekst is overgenomen uit Nieuwe Gedichten I, derde druk (Leeuwarden 1856), de laatste door Tollens zelf bezorgde uitgave.

De varianten zijn ontleend aan:

H. Handschrift, aanwezig in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage (76 D 6), zoals Tollens dit in 1819 liet copiëren en inzond naar de Hollandsche Maatschappij van fraaije kunsten en wetenschappen.
W. Werken der Hollandsche Maatschappij van fraaije kunsten en wetenschappen vijfde deel, eerste stuk. Leiden, 1820. (N.B. De complete vijfde bundel draagt het jaartal 1822).
N1. Nieuwe Gedichten van H Tollens, Cz. Eerste deel, Rotterdam 1821.
N2. idem, tweede druk. 's-Gravenhage 1828.
N. idem, eerste en tweede druk.
T3. Tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596 en 1597, uitgegeven door de Hollandsche Maatschappij etc., derde druk. Leiden 1833.
T4. idem, vierde druk. Leiden 1840.
T. idem, derde en vierde druk.
O. De overwintering der Hollanders op Nova Zembla in de jaren 1596 en 1597. Gedicht van Tollens met houtsneden van Henry Brown. Leeuwarden 1843.
  Voor de overige drukken zie men Inleiding, hoofdstuk IX en X.

Tenzij anders is vermeld is de tekst van het handschrift (H.) gelijk aan die der Werken van de Hollandsche Maatschappij (W.).

[p. 63]

De Overwintering der Hollanders op Nova Zembla

in de jaren 1596 en 1597

 
Nog hield het schriklijk pleit van dwang en vrijheid aan;
 
Nog droeg der vaadren erf de Spaansche legervaan
 
En dronk om strijd het bloed van landzaat en van vreemden;
 
De kneuzende oorlogsvracht beploegde Vlaandrens beemden,
5
En Neerlands weeke grond hijgde onder 't wigt van wee.
 
Toch hield haar vlag zich op, en dekte land en zee,
 
En woei in eere rond en de overwinning tegen.7
 
Kastielje kromp terug voor Maurits heldendegen,
 
En de Ooster-indiaan, op Javaas kust begroet,
10
Bevrachtte Neerlands vloot met 's werelds overvloed.10
 
Europa zag, verbaasd, het rijzend wonder wassen, -
 
Het ongekend kleinood, verscholen in moerassen,
 
Uit wier en dras geweld; - dat, onbevlekt en schoon,13
 
Welhaast als keurgesteent' zou vonklen aan haar kroon.
15
Reeds wendde Houtmans kiel, in Gamaas1 wed gedreven,
 
Door 't zog des Portugees, naar Bantams reê den steven;
 
Reeds grijpt Van Noord het roer, en stuurt zijn ranke vloot
 
Door Magellanes straat en om den wereldkloot.
 
Een ander stout bedrijf vangt Heemskerk aan te wagen!
20
Hij waakt zijn nachten door, doormijmert gansche dagen,
[p. 64]
 
Doorkruist den aardbol, meet de zeeën, smelt ze in één:
 
Hij wil door 't ijzig Noord naar 't zengend Oosten heen.
 
Langs Nova Zemblaas kust, in storm en sneeuw verloren,
 
Wil hij naar China voort, en d'Indus op gaan sporen;
25
En, zoo dit pad besta door 't eeuwenheugend ijs,
 
Hij wil dat Neerlands vlag Euroop den doortogt wijz'.
 
De kloeke Rijp wil meê en doodsgevaren tarten:27
 
Twee bodems zijn genoeg en onverschrokken harten!28
 
Het stout besluit staat vast en stap aan stap gaat voort:29
30
Twee bodems zijn gereed, met wakker volk aan boord.
 
De schrandre Barends zelf zal Heemskerks roer bestieren:31-35
 
Hij, rustig in 't gevaar, wat stormen om hem gieren,
 
Hij, grijs in kennis, jong in ijver, vast van ziel,
 
En zeeman in het hart, staat zeilreê op de kiel.
35
Zij smachten naar het uur, waarop zij henen snellen:
 
Het slaat: de kust stroomt vol en Tessels oevers zwellen;36
 
De palen zijn bevolkt, en booten zonder tal37
 
Zijn op- en volgepropt, en kruisen langs den wal.38
 
't Vaarwel en 't afscheid joelt en schatert langs de stranden;
40
De mutsen zwieren rond in de opgestoken handen;
 
De doeken zwaaijen; groet en handkus, 't luid hoezee
 
Verzelt hun uittogt langs de duinen en de reê.42
 
Heel Neerland zendt haar wensch ten hemel. Opgetogen
 
Ziet zij haar kindren voor hare eer ten kamp gevlogen,
45
't Gevaar verachten, 't lot braveren, om, misschien,45
 
Een lauwer meerder aan haar lauwerkroon te zien.
 
't Vangt aan, het kloek bedrijf, waar 't nakroost van zal spreken;
[p. 65]
 
Men windt de kabels, hijscht de zeilen, wacht het teeken ...
 
't Verschijnt: de lont strijkt neer, het knappend kruid ontbrandt,
50
En 't losgedonderd schot wenscht heil aan 't vaderland.
 
 
 
Zet, zangster! zet dien togt op de aangeslagen snaren:
 
Volg Neerlands wimpel na langs de ongemeten baren;
 
Bezing het waagstuk, maal den uitslag, roer en streel,
 
En vall' u 't loon der kunst, een enkle traan, ten deel!
 
 
55
't Was of natuur verbood, den toeleg door te drijven:
 
Zij wijst de schepen af, die wrevlig binnen blijven;56
 
Uit deernis met de ramp, die 't opzet kosten zou,
 
Geeft zij den tegenwind voor de afgebeden kou.58
 
Maar, vruchtloos is haar wenk op voogd en scheepsgezellen:
60
't Was Neerland niet meer vreemd, natuur de wet te stellen!
 
Bij 't opgekomen tij, met ongeduld verwacht,
 
Doorsnijden zij den vloed en glippen uit haar magt;
 
Zij zetten zeil bij zeil, en zijn op zee verdwenen,
 
En houden Noordwaarts aan, naar Hitlands banken henen.
65
Gelijk het vlugtend wild, ontkomen langs het veld,
 
Zoo reppen zij zich voort, de teugels uitgesneld.
 
Helaas! Waar ijlt gij heen, verdoolden? wendt den steven,67
 
Keert weer, naar de oevers weer, voor 't gapend graf begeven!68
 
Ziet, ziet! uw wimpel, die zich uitstrekt in de lucht,
70
Wijst u naar 't land terug, dat gij te roekloos vlugt;70
 
Het grimmig Noorden, dat gij opzoekt, stuwt zijn vlagen71
 
Uw kielen tegen, in de worstling lek geslagen;
 
Uw bodems barsten, tuig en stengen1 storten neer;
 
De masten zwiepen met de zeilen heen en weer;
75
De doeken scheuren; 't roer ontwringt zich aan uw handen ...75
[p. 66]
 
Keert weer, verdoolden! keert, en zoekt de ontweken stranden!76
 
De dood steekt de armen uit de golven naar u op ....!
 
Vergeefs! hun moed houdt stand, al stijgt hun nood ten top;78
 
Zij slingren verder, trots de vlagen, trots de vloeden. -
80
Maar, de onverbeden storm verdubbelt zich in 't woeden,
 
Verzaamt zijn krachten, loeit van gramschap, buldert aan,
 
En grijpt de kielen vast, die tergend hem weerstaan:
 
Hij bonst ze tegen een, dat romp en opstal1 kraken,83
 
Ploft ze in den afgrond neer, die ze opvangt in de kaken;
85
Zweept ze, als in warling, uit den draaikolk weer omhoog,
 
En werpt ze van elkaar - elkandren uit het oog.
 
Waarheen? waar doolt gij heen, gescheiden reisgezellen!
 
Wat kruist gij d'omtrek rond, om weer tot een te snellen?
 
Wat blikt gij d'afstand door, langs elke windstreek heen?
90
Gij ziet het kokend schuim en 't vliegend zwerk alleen.
 
‘Ja!’ roept de wakkre Rijp, voor 't eerst van schrik verschoten:
 
‘'t Is uit! gij vondt uw graf, rampzaalge togtgenooten!
 
Gij zijt uw Heemskerk kwijt, o Neerland! Al te wreed
 
Bezuurt gij 't jongst vaarwel en wint voor lauwren leed. -94
95
Komt, makkers! gindsche kust zet ons een wijkplaats open:
 
't Ontredderd schip hersteld en derwaarts ingeloopen!
 
Besparen wij voor 't minst, bij 't nooit vergoed gemis,
 
Wat Neerland in onszelv' nog niet ontnomen is.’
 
Hij sprak; zij snellen voort en wisschen zwijgend de oogen. -
100
‘Nu is mijn laatste hoop (barst Heemskerk uit) vervlogen:100
 
Zoo ver ik reik en staar, waarheen ik wende of keer,101
 
Ik zie van Rijp geen spoor, geen mast of wimpel meer:
 
Mijn vrienden! 't is gedaan: de zee verzwolg hen allen! -
 
Neen, veeg den traan niet weg, die uit uw oog wil vallen:
[p. 67]
105
Niet laffer is de held, die menschlijk is van aard:
 
Weent, mannen! - Broeders, rust: gij zijt die tranen waard! -
 
Maar, makkers! beurt het hoofd uit d'aandrang der ellenden:
 
Ziet waar de storm ons sloeg, in 't eindlijk gunstig wenden!108
 
Wij zijn de Noordkaap langs, en zien het ijs alreê,
110
Dat opkruit voor den boeg en omdrijft door de zee!
 
Wij zijn het pad nabij, ontsloten door niet eenen!
 
Komt! naar het Oosten! door de schotsen! opwaarts henen!
 
De zege wacht ons! viert de schoten! Kindren, moed!’
 
Zijn onverschrokken taal zet aller ziel in gloed.
115
Zij grijpen d'arbeid aan met veerkracht in de spieren,115
 
En slaan de reven1 weg en gaan de schoten2 vieren,
 
En vliegen voorwaarts, schel en korsten stuk en door.
 
De hagel klettert neer, de sneeuwjagt stuift hun voor;118
 
Een mist omvangt hen; de ijzel kleeft zich aan hun lompen:
120
Zij woelen voorwaarts, door de schotsen, door de klompen.120
 
De kegels stollen aan den wimpel en den mast;
 
De voeten vriezen in het glibbrig gangboord vast;
 
Het roer beweegt niet, touw en tuig wil heen noch weder:123
 
Zij worstlen voorwaarts; rijzen beurtlings, plompen neder,
125
Slaan loef- en lijwaarts om, aan duizend nooden prijs,
 
En dringen voort, en voort - en schieten vast in 't ijs.126
 
 
 
Waar zijn zij? 't graauwe zwerk hangt loodzwaar naar beneden:
 
Hier zit natuur in rouw, den doodstooi om de leden;
 
't Is alles leeg, en stil, en onbezield, en naar.
130
Alleen een enkle meeuw vliegt hongrig hier en daar;
 
Alleen een enkle klip, nog uit de sneeuw geheven,
 
Vertoont een valen den, die loover heeft noch leven;
 
Alleen een zware klomp, die door de scherven kruit,133
[p. 68]
 
Geeft in dit zwijgend graf een donderdof geluid:134
135
Verschriklijk dreunt die toon het siddrend volk in de ooren!
 
't Gevreesd gevaarte naakt, dat ze in de verte hooren;
 
Het naakt; - verdelgend en verbreedend giert het aan,137
 
En spat de brokken weg, die 't in zijn loop weerstaan;138
 
Ontzettend is zijn kracht, zijn razen en zijn rollen;
140
't Sleept schuim en golven meê, die om zijn korsten stollen;
 
Het stuift den rukwind voor, die 't najaagt wat hij kan,
 
En alles davert, bonst en klotst en kookt er van.142
 
Het naakt; - en ieder knielt en stort zijn jongste bede ...139-143 143
 
Het schaaft de kiel voorbij, maar neemt de spaanders mede144
145
En tuimelt verder heen, tot uit het oor en 't oog.
 
Doch schriklijk slaat de zee en 't splijtend ijs omhoog;146
 
't Woelt alles, alles werkt, het water en de schotsen:147
 
Zij klemmen 't schip tot een, in 't horten en het botsen,148
 
En slaan met schok op schok en ratelend gerucht,149
150
Den spiegel in het ijs, den steven in de lucht.
 
't Barst alles; alles scheurt en wordt aan stuk gewrongen.151
 
De bootsliên storten neer, in 't schokken zaamgedrongen,152
 
En grijpen takel, blok en kabeltouw en koord,153
 
En warlen uit elkaar en slingren over boord.154
[p. 69]
155
De schrik hecht wieken aan hun voeten, aan hun leden;
 
Zij vliegen over 't ijs, door niemand nog betreden;156
 
Zij waden door de sneeuw, die nog geen voetzool droeg,
 
En weten niet waarheen noch waar de schrik hen joeg.
 
o Heul in zoo veel ramp, met luide vreugd vernomen!
160
Ginds steekt een landtong uit! zij naadren haar! zij komen!
 
Als aan den dood ontsneld, die op hun hielen jaagt,
 
Verdubblen zij hun vlugt, nu ginds een wijkplaats daagt.162
 
Langs rotsen, torenhoog, en lijnregt opgespleten,
 
Ontsluiten zij hun pad door de ingescheurde reten;
165
Genaken, ijlen aan, beklimmen rots en zoom,
 
En Nova Zemblaas kust draagt menschen op haar boôm.
 
 
 
Hier heeft de wintervorst zijn zetel opgeslagen;
 
Hier is zijn erf, zijn rijk! hier zijn geen lentedagen.
 
't Van ver genaderd licht, dat door den nevel schiet,
170
Moog lekken aan de sneeuw, maar deert den ijsklomp niet.
 
Een altoos graauwe lucht weegt drukkende op de stranden;171
 
Hier houdt geen sterv'ling 't uit; hier komt geen Noorman landen;
 
Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,
 
Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt.
175
Hier is de grond versteend, om nimmermeer te ontdooijen;171-175
 
't Zijn vlokken, anders niet, wat hier de wolken strooijen;
 
Het doodlijk wit alleen, dat op den omtrek kleeft,
 
Is 't onverwisseld kleed, dat hier de schepping heeft.
 
't Zijn klippen van rondom, zoo ver de blikken snellen,
180
't Zijn rotsen louter ijs, die topzwaar overhellen;180
 
Die, van den vloed geknaagd en door den wind gekraakt,181
 
Den dood bedreigen aan den eerste, die hen naakt.182
 
Zie daar, 't ongastvrij oord, van 't menschdom afgesloten,
[p. 70]
 
Den boôm, dien Heemskerk drukt, met al zijn togtgenooten;
185
Den onbetreden grond, waarop hij bidt en knielt,185
 
En de Almagt vurig dankt, die al zijn volk behield.
 
Hij rijst, omarmt hen in vervoering; slaat zijn oogen
 
d'Onmeetbren afstand door, zoo ver zij reiken mogen,
 
En - siddert. Alles beeft bij d'aanblik op dit oord.
190
Nogtans de nacht daalt neer en drijft hen verder voort,
 
En jaagt hen landwaarts in, opdat ze aan schuilplaats komen ...
 
Maar nergens staat een hut, maar nergens groeijen boomen.
 
De naakte grond-alleen, in 't hart verstaald en stijf,
 
Biedt hun een rustbed aan voor 't afgetobde lijf.
195
Bij elken verdren tred klopt ieders boezem banger.
 
Geen enkle star breekt door: zij zien elkaar niet langer;
 
Hun knieën knikken; de een na d'ander zijgt ter neer,197
 
Zij zijgen allen; wenden 't ligchaam heen en weer,198
 
Verschikken 't magtloos hoofd, dat ze op de handen strekken,
200
En laten door de sneeuw, die nederstuift, zich dekken.
 
Helaas, de slaap is kort, die 't matte lijf bekruipt!
 
Ginds snuffelt de ijsbeer rond, die telkens nader sluipt,
 
En vreemden roofbuit riekt, en vlamt in de ingewanden.203
 
Hij naakt, ontdekt zijn prooi, strekt nagels uit en tanden,
205
En grijpt een hunner met de klaauwen en den muil205
 
Van 't harde leger weg en sleurt hem naar zijn kuil.206
 
Zij rillen wakker, grijpen, duislend en verschrokken,207
 
In 't wild: de nacht is ruw, de maan is digt betrokken ...208
 
Zij zoeken tastend om naar 't kermen van 't gerucht ...
210
Maar spoedig zwijgt het stil en eindigt in een zucht.
 
Nu scholen ze in een kring en hand aan hand te zamen,211
[p. 71]
 
En monstren man voor man, bij 't noemen van de namen,212
 
En missen eenen. De angst valt doodskil op hen neer.
 
Zij leggen 't matte hoofd op d'ijzren grond niet weer.
215
Maar staan en waken; âmen naauwlijks; luistren, zwijgen.
 
Nog is de morgen ver, waarnaar zij angstig hijgen;
 
De lange nacht is traag, en sleept zich langs zijn baan
 
En rekt zijn uren uit. Zij tintlen daar zij staan;218
 
De kou bevangt hen, maar zij roeren noch bewegen.
220
Toch eindlijk glimt een straal in 't ver verschiet hun tegen;220
 
De lucht wordt dunner, 't graauw is bleeker, 't licht komt door ...221
 
Zij zien hun makkers lot in 't langsgesleurde spoor:
 
't Gestolde bloed liet in de sneeuw zijn vlekken steken!223
 
Zij huivren bij 't gezigt en rillen en verbleeken,224
225
En vlieden rugwaarts naar het strand, dat hen ontving.
 
Zij zien 't gebrijzeld schip, dat in het ijs verging;226
 
Zij zien de onmeetbre zee, ter halver weg bevrozen,
 
En staren op het land, dat zij ter schuilplaats kozen!228
 
De wanhoop viert zich bot in uitgelaten smart. -229
230
Maar Barends blijft bedaard en spreekt hun moed in 't hart:230
 
‘Ja, mannen! 't lot is bang: men denk' hier aan geen keeren;
 
Elk volgend ochtenduur zal nog den nood vermeeren;232
 
De winter is nabij: God weet hoe streng, hoe koud! ...
 
Maar de Almagt ziet ons aan, waar ons geen mensch aanschouwt.
235
Komt, in die hoop getroost, de hand aan 't werk geslagen!
 
Den leeftogt, die ons rest, het scheepshol uitgedragen:
 
God geve, dat hij strekk' tot ons een uitkomst wacht!
 
De boot van 't ijs gesleept en hier aan wal gebragt:
[p. 72]
 
God geev', dat ze eenmaal ons te stâ zal mogen komen!239
240
Geweer en kruid verzaamd; de zeilen afgenomen;
 
De takels ingehaald; wat redbaar is gered,241
 
En van 't gesloopte wrak een woning opgezet!
 
Aan 't werk! de nood wil spoed! komt, makkers, 't geldt ons leven!’243
 
Hij dringt zich voor hen uit, en gaat hun 't voorbeeld geven,
245
En rept zich over 't ijs en wuift hen op zijn spoor.
 
't IJlt alles weer naar boord en stuift elkandren voor,246
 
En vindt de kiel ontbloot en op een klip geschoven,
 
Maar klimt van ondren aan en klautert voort naar boven,248
 
En de opgegrepen bijl, in aller vuisten vast,249
250
Scheert want en takel weg en drilt in spriet en mast.250
 
 
 
't Was schriklijk ruw en koud: de scherpe hagels vlogen;
 
De losgewaaide sneeuw stuift warlend in hunne oogen252
 
En vriest hun vast aan 't lijf. De kiel wiegt heen en weer.253
 
Zij hijgen van den storm en rusten keer op keer,
255
En halen vrouw en kind voor de afgedwaalde zinnen;
 
Maar 't nijpen van de kou doet d'arbeid weer beginnen.256
 
Dees zeulen leeftogt aan en rollen fust1 van boord;257
 
Die slepen balen weg of trekken kisten voort;258
 
Hier draagt men 't huisraad op en gaart geweer en wapen;259
[p. 73]
260
Ginds pakt men korven vol met wat men zaam mag rapen.260
 
Weer andren schuren over 't ijs de boot naar land.261
 
Dees timmren sleden, die zij schuiven langs het strand,262
 
En dolen mijlen ver, en halen stam en boomen,
 
In 't water neergewaaid, van elders afgekomen,264
265
En hier in 't ijs geklemd met wortelstruik en al.265
 
Zij staaplen reis op reis hun lading op den wal,266
 
En trekken heen en weer en tassen hoop op hoopen
 
Bij de afbraak van het schip, dat ginds hun makkers slopen.
 
De spaanders vliegen van den scheepsromp wijd en zijd;269
270
De voorraad meerdert, en verdubbelt nog de vlijt;
 
De bange nacht-alleen dwingt d'arbeid weer te staken.271
 
Zij slapen in het hol en staan om beurt te waken,
 
En reppen weer de bijl, als de eerste schemer gloort:
 
Zoo gaat het dag aan dag in zuren arbeid voort.
275
Het schip kort in, de bouwstof groeit; de sleden snellen;
 
Het strand ligt opgehoopt van 't slopen en het vellen;276
 
De laatste toevoer is ontladen en vergaard. -
 
Nu vat men schop en spa, en schept de sneeuw van de aard,
 
En bakent d'omtrek af, waarin men 't huis zal bouwen,
280
En rekent na, en meet. De lijn wordt uitgehouën,
 
De sliet1 wordt aangebragt; de slegel2 rijst en raakt,281
 
En de eerste spar3 breekt in, dat strand en ijskorst kraakt.282
 
 
 
Nu klinkt de hamerslag, dat rots en reê 't herhalen;
 
De zaagtand snijdt het hout; de dissel4 punt de palen;284
[p. 74]
285
De stijlen rijzen in de rondte lijnregt op;
 
De spanning glooit er bovenover, top aan top;286
 
De bindten hechten en vereenen 't rank gevaarte:
 
't Groeit uit hun handen aan en wint in kracht en zwaarte;
 
Het snerpen van de kou, die telkens feller woedt,289
290
Jaagt vuist en hamer voort met dubble drift en spoed.
 
't Geraas vermengt zich met het huilen van de vlagen:
 
Zoo gaat het dag aan dag met onverpoosde slagen.
 
De planken klimmen langs de stijlen uit den grond;293
 
De vlugge teerkwast breeuwt1 en zoekt naar naden rond;294
295
De scheepsplecht rijst omhoog, om 't open dak te sluiten;
 
Een sneeuwen meiboom steekt bevrozen zich naar buiten;296
 
Een bodemlooze ton bedekt de ruwe schouw;297
 
De hangmat slingert aan de balken van 't gebouw;
 
De zeilen dubblen en behangen 't hout met linnen;
300
Men draagt de bulsters2 in en kist en korven binnen;300
 
Verdeelt en rangschikt bank en huisraad langs den wand,301
 
En 't schip staat in een hut herschapen op het land.
 
 
 
Maar, naauw was de eerste nacht in 't nieuw verblijf gesleten,
 
Naauw kwam de trage dag, zijn tijd al meer vergeten,304
305
Met loomer schreden aan, of bij den eersten blik305
 
Stolt hun het bloed om 't hart van onverwachten schrik.
 
Een aantal beeren, van den honger opgestooten,
 
Belegert hen in 't huis en houdt hen omgesloten,308
 
En rekt zich, snuivend langs de planken, regt-op uit.
[p. 75]
310
Zij lekken zich den muil en hunkren naar den buit.310
 
Het volk is raadloos en dringt siddrend zich te zamen,
 
Maar spoort geen uitkomst op in 't wikken en beramen,312
 
En spelt in 't naadrend uur zich d'ijsselijksten dood.
 
Doch Barends blijft bedaard in d'aangedrongen nood:314
315
‘Komt!’ roept hij, ‘makkers, komt! den vijand aangevallen,
 
Verdreven of vernield! bestreden met ons allen!
 
Wij hebben kruid en lood en jagtroer en geweer:
 
Komt! stijgen wij op het dak en schieten wij hem neer!’
 
Hij zegt, en geeft zich op, en breekt de planken open,
320
En alles klimt hem na, langs spar en bind gekropen,320
 
En schrijdt zich om de nok of zit den schoorsteen rond.321
 
't Gedierte grimt hen aan en schuimbekt van den grond,322
 
En spant de klaauwen uit met uitgehongerd smachten ...
 
Daar brandt het eerste schot hun schriklijk door de vachten;324
325
Een tweede knalt, een derde volgt; het vuur en 't kruid
 
Jaagt schroot en kogel uit de tromp hun in de huid,
 
En 't vliegend lood vermaalt hun schenkels en hun schoften.
 
Zij vlugten in der ijl en stromplen naar hun kroften,
 
Van de ongekende pijn en 't vlijmend wee verwoed;
330
Maar 't meerendeel stort neer en stuiptrekt in zijn bloed.
 
Nu ijlt het volk omlaag en komt naar buiten snellen,331
 
En maakt de monsters af, en stroopt de ruige vellen
 
Van 't log en rookend vlees, en warmt zich aan den damp,
 
En gaart het smeer en 't vet tot brandstof voor de lamp.
335
Zij spannen hier en ginds, aan staken en aan bogen,
 
De vochte huiden uit, om in den wind te droogen,336
[p. 76]
 
En als een lauwerkrans, op 't veld van eer gemaaid,
 
Siert hen de bonte muts, van 't ruige leer genaaid.337-338
 
 
 
Maar langer duurt de nacht en graauwer zijn de dagen,338-339 339
340
En flaauwer wordt het licht en ruwer nog de vlagen;340
 
De telkens feller kou, die doordringt tot den haard,
 
Kort ras de brandstof in, bij 't bouwen uitgespaard.342
 
Zij tijgen weer aan 't werk, en schuiven weer de sleden
 
Den barren oever langs, met pelzen om de leden,344
345
En zoeken, uren wijd, naar drijfhout langs de zee,
 
En hakken 't uit het ijs, en zeulen 't op de sleê.
 
Soms is de dag voorbij, en reeds de nacht aan 't dalen -347
[p. 77]
 
Gedurig voor zijn tijd, - eer dat ze 't huis weer halen;348
 
Dan dolen ze om en rond, met telkens schuwer tred,
350
Tot dat zij 't lamplicht zien, als baken uitgezet.
 
Soms schiet een ijsbeer toe, voor dat zij 't jagtroer grepen,
 
En valt den achterste aan, het nekbeen ingenepen,
 
En sleept hem mede, dunt de manschap, en verhaalt353
 
Hun krijgskunst op zijn prooi, die 't met den dood betaalt.
355
Soms doen de mist, de sneeuw, de stormen, die er jagen,
 
Hen bibbren van de kou, bij 't hakken en het zagen,356
 
En dringen door in 't bloed, en vriezen 't ligchaam stijf,
 
En stollen elken damp en 't kille zweet aan 't lijf.
 
Dan baat er bont noch wol, hoe dik en digt zij 't knoopen;
360
Dan zwelt het duislig hoofd, het strakke vel springt open,
 
En de adem uit de long, die zich met pijn ontlast,
 
Zet zich tot ijs en rijp aan baard en lippen vast;
 
Dan vlugt het volk in huis, en sluit de ruwe deuren,363
 
Schuift klep en luiken digt, stopt lompen in de scheuren,364
365
En hoopt het haardvuur op, of klimt de hangmat in,
 
En wentelt zich in 't bont, maar tintelt niet te min.366
 
De heete moutwijn stremt, in spijt van al het stoken;367
 
De wanden zijn berijpt, al zien ze zwart van 't rooken;
 
En de ingedragen sneeuw, die aan hun hoosblok1 zit,
370
Valt op de vuurplaat af, maar blijft er droog en wit.
 
 
 
Nog kouder wordt de lucht, nog guurder zijn de nachten;371
 
Nog korter blijft de dag, die langer zich laat wachten;372
[p. 78]
 
En 't altoos trager licht daalt telkens sneller neer ...373
 
Maar eindlijk zinkt het weg en rijst op nieuw niet weer.374
375
Het volk ziet angstig rond; de lamp heeft uitgeschenen,
 
Een tweede pit verteert ... 't is duister om hen henen,
 
't Is buiten enkel nacht. Zij zitten stil en stom377
 
En zien elkandren aan ... de dag komt niet weerom.378
 
't Is of de wijde hut, haar grondvest ingeschoten,
380
Verkeerd is in een graf, van rondom digt gesloten;
 
't Is of natuur bezwijmt en, stervende in d'orkaan,
 
Weer tot een bajert1 is ontbonden en vergaan.382
 
Doch als de nevel scheurt, van rondom zaamgetrokken,
 
Als weer de jagtsneeuw dunt, zoo digtgezaaid van vlokken,
385
Schijnt de opgestegen maan, met regtgeschoten blik,
 
Van uit haar toppunt neer op dit verblijf van schrik.
 
Geen morgen drijft haar weg, geen middag dooft haar luister;
 
Zij houdt haar zetel in en dringt zich door het duister,
 
En worstelt met den damp, in onbeslisten strijd:
390
Maar de uitgebluschte zon blijft licht en leven kwijt.
 
De schrandre Barends zucht: ‘Ja,’ zegt hij, ‘lotgezellen!383-391
 
Ik heb dien slag gevreesd - sinds lang hem aan zien snellen:392
 
‘'t Verschijnsel, dat u treft, en aller ziel vervaart,
 
Is de eigenschap der Pool, aan deze grens van de aard.
395
Ja, lang nog, maanden lang, zal deze nacht nog duren!395
 
Wie weet hoe streng hij nijpt! hoe vele kruipende uren!
[p. 79]
 
Hoe ver het licht nog deinst, eer 't aanbreekt in 't verschiet! ...397
 
God weet het, Hij-alleen, wie onzer 't wederziet.
 
Doch, schent zijn magt niet aan door raadloos jammerklagen:
400
Geeft in zijn handen 't op: van daar kan redding dagen!
 
Ziet! de opgekomen maan, die neerblikt op ons leed,
 
Tuigt u zijn liefde, die ook hier ons niet vergeet.
 
Weldadig zal dat licht ons treurig pad bestralen,
 
De nevelklompen door, die om deez' uithoek dwalen;
405
't Zal ons verzellen en getrouw zijn in 't gevaar,
 
Tot weer de zon ontwaakt en weer de hoop met haar’.
 
Hij zweeg, en alles zweeg en zat in rouw verzonken,399-407
 
Of zag weemoedig neer in de opgestookte vonken,408
 
En drong een traan terug, die opwelde in het oog,409
410
Of slaakte een diepen zucht, die naar hun haardsteê vloog.
 
Zij zien de toekomst in, en siddren die te kennen,
 
En uur aan uur vervliegt, eer ze aan het schrikbeeld wennen.
 
Toch eischt de hooger nood beleid en zorg te meer:
 
Zij zien den leeftogt na, herzien hem keer op keer;
415
Bepeinzen voor hoe lang, bereeknen voor hoe velen,
 
En stellen vast rantsoen, om daaglijks uit te deelen.
 
De brand wordt afgepast bij luttel tal en maat;
 
De dunne pit gesplitst, eer ze in de lamppijp gaat;
 
De korlen zout geteld en 't zuivel voorgemeten:
420
Zoo wordt hun nood gerekt en 't harde brood gegeten.
 
Maar de eensgezindheid blijft, al dringt zich de armoê in;421
 
Een onbevolen tucht regeert het gansch gezin,
 
En zuinigheid houdt huis, naar Hollands oude zeden:
 
Geen kruimel wordt verspild, geen spaander wordt vertreden.
425
Des feestdaags, anders niet, wordt uit het zilte nat425
 
Het bruine vlees gescheurd, dat vastvroor in het vat;
 
Dan dekt de ketel 't vuur, waar zij zich rond om scharen,
[p. 80]
 
En hunkren naar den disch, en in den wasem staren.
 
Maar, eerst den dag gevierd en God den Heer geloofd!
430
Zij slaan den bijbel op, ontblooten allen 't hoofd;
 
Een hunner, beurt om beurt, met eerbied opgerezen,431
 
Staat uit Gods heilig woord een roerend stuk te lezen;432
 
Of aller ziel en zang smelt luidkeels zich ineen,
 
En Nova Zembla hoort de psalmen van Datheen.
435
Doch 's avonds dringt de vreugd door al de zorg naar binnen;
 
Dan bannen zij 't verdriet, verzetten zich de zinnen;
 
Ontdooijen zich den wijn, en grijpen naar de kruik,
 
En klinken met den kroes, naar vaderlandsch gebruik.
 
Dan wordt een voller teug, met milder hand geschonken,
440
Voor minnares en maag, voor vrouw en kind gedronken;
 
En mengt zich ook een traan met d'ingegoten wijn,
 
Dat doet hun harten goed, rampzaalgen als ze zijn!
 
Een hunner hijgt naar lucht: zijn makkers moeten 't weten,
 
Hoe lief zijn vrouw hem heeft, hoe al zijn kindren heeten;
445
Hoe bang hem 't scheiden valt, bij elk vertrek naar boord,
 
Als ze in zijn armen hangt en in haar tranen smoort;
 
Hoe de oudste knaap hem lijkt, en, schoon pas zeven jaren,
 
Reeds plaagt, bij elke reis, om met hem meê te varen,
 
En hoe zijn droeve vrouw, terwijl de jongen smeekt,
450
Den lach geen meester is, die door haar tranen breekt;
 
Hoe bij het laatst vaarwel, zoo zuur hun opgebroken,
 
De zuigling aan haar borst, met de armpjes uitgestoken,
 
Hem nareikte om een kus en toeriep honderd keer ...
 
Hier houdt de spreker stil: hij snikt; hij kan niet meer.
455
Een ander, minder week, en niet zoo ligt aan 't weenen,
 
Schudt midderwijl de kaart of rammelt met de steenen,
[p. 81]
 
En daagt de makkers aan 't verkeerbord1 om zich heen:457
 
Het lokaas trekt hen aan: zij komen een voor een458
 
Al nader; zitten neer en legen, zonder sparen,459
460
Den vollen buidel, dien zij nutloos toch bewaren.460
 
Een derde breit of knoopt, en houdt zijn plaats bij 't vuur,461
 
En denkt zijn reizen na, en 's levens zoet en zuur,
 
Maar drijft zijn mijmring weg en blijft op God vertrouwen,463
 
En heft zijn landslied aan, 't Wilhelmus van Nassouwen,2
465
Of zingt van Maurits moed, en hoe zijn krijgsbeleid
 
Breda door list verwint en Hulst3 door dapperheid.466
 
Zoo komt men d'avond door, zoo wislen zich de weken,
 
Maar de eigen nacht houdt aan, hoe menigmaal verstreken,468
 
En geeft zijn beurt niet op. Zij zien des ochtends rond,
470
Maar altoos d'eigen nacht in elken morgenstond. -470
 
Soms schiet een wondre glans, een digte vloed van stralen,471
 
Zich spieglend in de sneeuw, langs klippen en langs dalen,472
 
Als uit de diepte voort, en gloeit hen in 't gezigt,473
 
En voert hun geest omhoog: het is het Noorderlicht.474
475
Nu zien zij 't huivrende aan, en bloedrood opwaarts klimmen475
 
En spellen wee; - dan danst en speelt het aan de kimmen,476
[p. 82]
 
En schept hun vreugde in 't hart, zoo min aan vreugd gewoon!477
 
Maar meestal blinkt dat licht verblindend grootsch en schoon.478
 
Nu daagt het heerlijk op, in cirkelronde kringen
480
En regenbogen, die zich vormen en verdringen,
 
Waaruit een tintlend vuur, van alle verw en gloed,
 
In zuilen afstroomt, schuimt, en d'omtrek vonklen doet.482
 
Dan zijn het bergen gouds, die bliksemflitsen schieten,
 
Of solferzeeën, die haar springvloed overgieten,
485
Of kolken louter licht, waaruit een laaije brand
 
Van vlammend purper stijgt en borlend diamant.
 
Dan knapt en kraakt het, spat in sprankels heen en weder,
 
En sist als pulver; zijgt in vonken lijnregt neder;
 
Vernieuwt zijn glans, hervat zijn luister; vlamt en vliedt,
490
En biddend zinkt hij neer, die 't prachtig vuurwerk ziet.
 
 
 
Nog traden ze uit de hut om 't wonder aan te schouwen,
 
De starren gâ te slaan, de leden rap te houên,
 
En brand te sprokklen, in den maanschijn, langs het meir:
 
Maar eindlijk, 't is te koud: geen hunner waagt het weer.
495
De nevel stolt en vriest tot hagelgruis te zamen;495
 
De lucht wordt ijs, 't is niets dan ijzel wat zij âmen;496
 
Het lenig leer versteent, het zachte vilt verstijft:
 
Geen neergeslagen kwik, die feller koude schrijft!
 
Reeds staat de scheepsklok stil, verlamd van radertanden;
500
Reeds keert men 't zandglas om, gewrocht van Barends handen,500
 
Opdat het slepend uur, al trager dan het plagt,
 
Niet tweemaal zij geteld in d'eindeloozen nacht.
 
Reeds wordt de lamp gespaard, vergeten aan te steken,
 
Opdat men de olie rekk', die eerlang zal ontbreken:
505
Dan zit het volk bedrukt, stilzwijgende om den haard,
 
En hoort den stormwind aan, die door den schoorsteen vaart.
[p. 83]
 
De jagtsneeuw drijft terug, wie de oogen slaat naar buiten,471-507 507
 
En stuift de luiken digt, zoo ras zij ze opensluiten,
 
En grendelt ze in de hut, verduft en vuns van lucht. -
510
Nu zit de beer in 't hol en is de kou ontvlugt:
 
Nu komt de vos in plaats, en snuffelt langs de wanden511
 
Der woning rond, en knaagt de planken met de tanden,512
 
En knabbelt door het dak, gedurig meerder stout.
 
Maar 't afgerigte volk steekt stroppen door het hout,
515
En hangt er lokaas in, en haalt ze toe van binnen,515
 
En discht het wildbraad op, dat ze in de strikken winnen.516
 
Die toevoer komt hun wél, terwijl de leeftogt kort.
 
Maar ook de brand raakt op, hoe kouder 't buiten wordt;
 
Het hout slinkt weg; een handvol steenkool, die hun restte,
520
Nog voor het laatst bespaard, viel nu den haard ten beste,
 
En werd tot asch verteerd, tot enkel stof verstookt. -521
 
Eens had men, s' avonds laat, het vuur in gloed gepookt,
 
De sintels opgeschept, den schoorsteen digt geschoven,523
 
Om zich in 't bed eens regt te koestren en te stoven:524
525
Nu klimmen ze in de kooi, en strekken 't lijf ter neer,
 
En hebben 't warm en wel en bibbren nu niet meer.526
 
Maar de adem wordt benaauwd, de polsslag gaat verloren;527
 
Beneveld klopt het hoofd; zij hijgen om te smoren,528
 
En flaauwen weg in zwijm, van droppels doodzweet nat.
530
Een hunner, nog bij tijds, springt duislig uit zijn mat,
 
En bonst de luiken stuk en rukt de haardklep open,531
 
En laat den togt in huis, terwijl de wanden dropen.
[p. 84]
 
De kou stuift in, en stolt den wasem weer tot ijs,
 
En kruipt de kooijen rond en vriest de tijken1 grijs,534
535
En schudt de manschap op, in doodslaap weggezonken.
 
't Bedwelmde volk ontwaakt, vermoeid en zwijmeldronken,
 
En suizelt, maar bekomt; het ademt diep en zwaar,537
 
Doch haalt weer lucht in 't hart. Zij huivren van 't gevaar,538
 
Van 't nog ontkomen graf; en loven 't Alvermogen,
540
Wiens wondre hand zich heeft ontsluijerd voor hunne oogen,
 
En door de koude zelf, die hier verderft en doodt,
 
De sprank weer heeft ontvlamd, die 't leven overschoot.542
 
 
 
Maar naauw 't gevaar ontsnapt, dat hen had aangevallen,543
 
Genaakt een nieuwe slag, die neerploft op hen allen:
545
Hun toevlugt in den nood en aller vriend en raad,
 
De wakkre Barends, kwijnt: zijn treurig sterfuur slaat.
 
Reeds had zijn zwakke hand, met mat en moeilijk beven,
 
Een rol papier gevuld en met hun ramp beschreven,
 
En 't ongesierd verhaal van hun mislukten togt
550
In ronden stijl gesteld, zoo kort en goed hij 't mogt.550
 
Nu wenkt hij Heemskerk, vat zijn handen, poogt te spreken,551
 
En reikt hem 't opstel toe, - maar blijft in snikken steken,552
 
En wijst hem spraakloos ginds de plaats aan - ginds omhoog,553
 
Waaraan hij 't