terug  begin  verderprepost

4. Conciliantie-historiografie ‘nieuwe stijl’

In zijn oratie had Fruin wel middel en resultaat van de conciliante historiografie van het Willem I-tijdperk afgewezen, maar niet haar uiteindelijke motivatie. M. Siegenbeek, die als Leids hoogleraar ‘Nederlandse taal en fraaie letteren’ vanaf 1815 ook de vaderlandse geschiedenis had gedoceerd, had die motivatie kort en krachtig verwoord: ‘Eendragt maakt magt’. Fruins onpartijdigheidsleer was slechts de expliciete theoretische legitimatie van een geschiedbeoefening met een zelfde doel: de conciliantie van de verschillende levensbeschouwingen binnen het na 1848 geconsolideerde nationale kader. Om dat kader te verstevigen moest een vorm van geschiedschrijving worden geschapen, waarin het vaderlandse verleden niet meer zou functioneren als een wapenarsenaal, waaruit liberalen en anti-revolutionairen konden putten om elkaar te bestrijden, maar als een voorbije tijd, waaruit liberalen, calvinisten én katholieken dezelfde lessen konden trekken. Dat veronderstelde een revisie van de traditionele geschiedopvattingen, zoals die in de jaren 1840 bij liberalen en calvinisten leefden. Fruins onpartijdigheidsleer beoogde - door de erkenning van het betrekkelijk goede en ware in alle partijen uit het verleden - de scherpe en aanstootgevende kanten van de door hen ontworpen al te eenzijdige beelden af te vijlen. Aangevuld met gegevens over het a priori veronachtzaamde katholieke volksgedeelte, zouden die beelden dan kunnen samenvloeien in een nieuw eenheidsbeeld, dat alle partijen zouden aanvaarden en dat de politieke pacificatie zou stimuleren en bevestigen. De auctor intellectualis van dat beeld leefde ‘in het gegronde vertrouwen, dat geen Nederlandse

[p. 34]

staatspartij reden heeft om de waarheid der geschiedenis te duchten82.

Dit conciliantie-ideaal had Fruin ook bij de staatsman en rechtsgeleerde Jeronimo de Bosch Kemper en in diens historische arbeid herkend. In zijn recensie van de Staatkundige geschiedenis van Nederland uit 1867 sprak hij de hoop uit dat de lezers de ‘geest van matiging en weêrzijdsche waardering’, die uit deze studie ademde, zouden overnemen83. Dat boek was een bewerking van het uit 1837 daterende De staatkundige partijen in Noord-Nederland. Hieruit blijkt hoe Fruins conciliante historiografie uit de jaren 1860 en later, over de polariserende geschiedschrijving van de jaren 1840 heen, teruggreep naar de idealen die de historici uit het Restauratietijdperk hadden gemotiveerd. De bijna woordelijke overeenkomst tussen Fruins oratie uit 1860 en de programmatische teksten van deze historici is treffend. Siegenbeek proclameerde in zijn Redevoeringen en Verhandelingen over onderwerpen, tot de vaderlandsche geschiedenis en letterkunde behoorende (1836): ‘Wij daarentegen [in tegenstelling tot de geschiedschrijvers uit de Republiek], die het voorregt hebben, onder de regeering van onzen geliefden en geëerbiedigden Koning, eene geheel nieuwe orde van zaken te hebben zien geboren worden, en voor wie derhalve de geschiedenis der Oud-Nederlandsche Republiek als een gesloten boek beschouwd mag worden, wij mogen, ja moeten ons tot dat hooge standpunt verheffen, waardoor zich de vroegere partijschappen in een nieuw en tevens het enige ware licht aan ons voordoen84. Fruins typering van de Republiek als een afgesloten periode en de epistemologische consequenties die hij daaraan verbond, zijn een getrouwe vertaling van Siegenbeeks woorden. In die zin kan Fruins geschiedschrijving een conciliantie-historiografie ‘nieuwe stijl’ worden genoemd85.

In deze optiek was het de taak van de historiografie te tonen wat de Nederlanders in het verleden scheidde, maar vooral ook wat hen verbond. Zo zou zij tegelijkertijd voedsel aan het nationale eenheidsgevoelen en tegengif tegen de steeds dreigende partijstrijd kunnen bieden. Zij kreeg dus een duidelijk dienende, pragmatische functie: zij moest ertoe bijdragen dat het partijbelang ondergeschikt werd én bleef aan het nationale belang86. Daarom waarschuwde Fruin zijn collegae-historici ervoor de verworven wetenschappelijke vrijheid niet te misbruiken voor partijbelangen87. De eigen leerstoel zag hij trouwens steeds als een instelling van nationale betekenis. Busken Huet vergeleek deze leerstoel met ‘een kansel in eene kathedraal met eene natie tot gehoor88. Fruin beschouwde zijn professorale taak als een ‘schone roeping’ om bij zijn studenten het nationaal gevoelen te bevorderen, ook al wist hij zelf dat hij niet de retorische kwaliteiten

[p. 35]

bezat om geestdriftig een schitterend tableau van de vaderlandse geschiedenis te schilderen89. Maar hij nam zich voor hen te wijzen op de alles beheersende partijschap in de Republiek en de rampzalige gevolgen daarvan, en dit met het uitdrukkelijke doel ervoor te zorgen dat vergelijkbare eenzijdigheden de actuele politiek niet zouden ontsieren.

Het spreekt vanzelf dat Fruin bij de talloze herdenkingsdagen een zelfde standpunt innam. Hij trachtte deze vieringen als het ware te ‘nationaliseren’. Toen J.A. Alberdingk Thijm in 1868 elke katholieke medewerking aan de herdenking van de slag bij Heiligerlee (1568) weigerde, riep Fruin diens katholieke geloofsgenoten op hun Nederlanderschap te laten primeren op hun religieuze overtuiging. Want, zo verzekerde hij, wat moest gevierd worden was de in 1568 veroverde vrijheid, de geboorte van de natie en de toen gesmede band met Oranje. Dat 1568 ook het begin van de partijschap en van de antiroomse reactie betekende, was nu slechts bijzaak90.

Fruin streefde de nationale conciliantie niet alleen na door middel van de geschiedschrijving of de promotie van de nationale feestdagen, maar ook door een meer directe deelname aan het politieke leven. In 1864 trad hij voor de tweede maal tegen Groen in het strijdperk. In een ‘Open brief’ verweet hij de anti-revolutionaire voorman de politieke moraliteit te schaden door bij de verkiezingen van de conservatieve kandidaten - in ruil voor stemmen - hulp in de schoolstrijd af te dwingen. Dergelijke praktijken, zo meende Fruin, die bovendien door de groeiende macht der gereformeerden voor de tweede maal een ministerie-Thorbecke bedreigd zag, zouden uitlopen op het absolute primaat der partijbelangen in de staatkunde91. Vijf jaar later herhaalde hij deze kritiek. Hij moest echter erkennen dat de partijen nu eenmaal bestonden. Maar door ‘partij’ te omschrijven als ‘een vereeniging van gelijkgezinde staatsburgers tot behartiging van het volksbelang naar hun eigenaardige zienswijs’, hoopte hij te verhinderen dat zij tot facties zouden ontaarden92. Toen in 1889 tijdens het eerste coalitiekabinet de schoolstrijd in een beslissende fase kwam, riep hij in de Nieuwe Rotterdamsche Courant de liberale kamerleden op de nieuwe schoolwet te aanvaarden om zo, zij het niet tot eensgezindheid, dan toch tot een modus vivendi tussen de verschillende partijen te komen. Hij vreesde dat de schoolstrijd anders zou leiden tot een toestand, vergelijkbaar met het immobilisme van het einde van de Republiek. Het liberale principe van de niet-subsidiëring van het bijzonder onderwijs mocht geen blijvende hinderpaal voor de politieke pacificatie zijn: een ‘reeks van schokken in de staatsmachine op den Belgischen trant’ kon de Nederlandse natie wel missen93. In 1895

[p. 36]

moest hij echter constateren dat velen meer aan de eigen partij, dan aan de eendracht van het land dachten: de vérgedreven partijschap, zo luidde het teleurgesteld, ligt in de geest der eeuw94.

De zo begeerde conciliantie vereiste een algemeen aanvaard kader, dat als bindmiddel tussen de verschillende partijen kon dienst doen. Daarom stond Fruin een staatsvorm voor, waarin de gecentraliseerde staat en de ondeelbaarheid van de soevereiniteit werden benadrukt en waarin de bevoegdheden van de ‘bovenpartijdige’ Kroon ten aanzien van de volksvertegenwoordiging in bescherming werden genomen.

Fruins Thorbeckianisme ontwikkelde zich zo geleidelijk tot een gouvernementeel liberalisme. Angst voor verdeeldheid zoals die in de Republiek had geleefd en voor een verdergaande ‘revolutionaire’ democratisering dreef hem tot een verdediging van een centralisme van staatswege. In tegenstelling tot de Gids-beweging van vóór 1848, een traditie die bij Potgieter, Bakhuizen en Van Vloten bleef leven en later door de radicalen werd overgenomen, stelden Fruin en de liberale staatsrechtsgeleerde J.T. Buys de gecentraliseerde ‘Staat’ boven de vrije ‘Maatschappij’95. Zo groeiden twee stromingen binnen het liberalisme. In het conflict dat tussen beide in de jaren 1880 en 1890 ontstond omtrent de uitbreiding van het kiesrecht, speelde Fruin een niet te onderschatten rol96. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant verzette hij zich resoluut tegen het desbetreffende voorstel dat de (liberale) minister Tak van Poortvliet in 1892 bij de Staten-Generaal indiende. Samen met ondermeer het liberale kamerlid W.H. de Beaufort opende Fruin in het voor dit doel opgerichte weekblad De Liberaal een anti-radicaal offensief. Bij de verkiezingen van 1894 streefde hij er zelfs naar de rechterzijden van de verschillende partijen in één front samen te brengen tegen de Takkianen en tegen de dreigende ‘radicale en calvinistische democratie’97.

Na deze verkiezingen poogde Fruin de liberale eenheid te herstellen, maar tegelijkertijd begreep hij dat het hoogtij van het ‘echte’ liberalisme voorbij was. De steeds meer veld winnende radicale en de opkomende socialistische politiek maakten hem weemoedig: die politiek perkte immers de macht van de gezeten burgerij (waarvan hij de woordvoerder in historicis was geworden) steeds meer in98. Zijn verzet tegen een verdere democratisering van het politieke bestel werd uiteraard niet overal in dank aanvaard. Frank van der Goes, bekend als literator uit de Nieuwe Gids-beweging, maar ook één van de ‘Twaalf Apostelen’ van de in augustus 1894 opgerichte SDAP en al snel de voornaamste partijtheoreticus, wond er geen doekjes om. Voor hem was Fruin ‘een bejaarden boekenwurm, die, verleid door

[p. 37]

reactionnair wanbegrip aan de eene en op zijn leeftijd belachelijke bemoeizucht aan de andere zijde, nog juist kans heeft gezien eenige middelmatige geleerdheid en wat zotte politieke tinnegieterij ten beste te geven - voor hij opstapt99.

De onverzoenlijke houding van Willem III tegenover de liberalen verhinderde niet dat Fruin in de monarchie een belangrijke steunpilaar voor zijn politieke houding zag. Van het koningshuis verwachtte hij hulp om de sinds 1848 verworven machtspositie van de burgerij te consolideren en hij zette zich dan ook blijvend in voor het prestige van het Oranje-huis. De Kroon, zo merkte hij in 1894 in Het shibboleth op, had zich trouwens steeds op constitutionele wijze gedragen. In 1894 was hij 1853 blijkbaar ‘vergeten’100. Dit orangisme kon - zeker ten aanzien van de regentes - een sentimenteel karakter krijgen. De troonsbestijging van Wilhelmina in 1898 en de ‘weerzijdsche gehechtheid van volk en vorstenhuis’ die zich daarbij manifesteerde, schonk hem zelfs een rustige zekerheid, die alle neerslachtigheid om de dood van oude vrienden en om het politieke verloop even naar de achtergrond duwde101. Nationalisme, ‘echt’ liberalisme en orangisme: dat waren de fundamenten van zijn politieke denken geworden. P.J. Blok trof dus wel de juiste toon toen hij in zijn grafrede zijn leermeester roemde om diens gehechtheid aan de nationale instellingen, de liberale beginselen en het Vorstenhuis van Oranje102.

Dat dit politieke gedachtengoed ook invloed zou hebben op Fruins historische praktijk was onvermijdelijk. Hoezeer politiek en geschiedenis ook bij hem waren verweven, bleek in 1894, toen hij - volop in de politieke strijd tegen de radicalen gewikkeld - de aanstelling van een nieuwe hoogleraar in de geschiedenis te Groningen vertraagde om zo te bereiken dat niet de radicaal Kernkamp, maar wel de eigen leerling Bussemaker, die nog aan de voltooiing van zijn Waalsche Gewesten werkte, werd benoemd103.

De aard van Fruins liberalisme bepaalde vooreerst zijn thematische interesse in de geschiedenis. Zijn gouvernementeel liberalisme, waarin de nadruk op de ‘Staat’ werd gelegd, leidde ertoe dat hij vooral oog had voor de staatkundige en politiek-institutionele ontwikkelingen in het verleden. Niet de cultuur van de zeventiende eeuw of de maatschappelijke evolutie in de Republiek beschreef hij, wel de groei en lotgevallen van het staatsbestel. Deze tendens naar een één-dimensionele geschiedenis nam toe, naarmate hij zich verwijderde van de oorspronkelijke Gids-traditie, die de stuwkracht van haar liberalisme juist uit de culturele erfenis van de Republiek haalde. De Tien jaren hadden ontegensprekelijk nog een verbreding van de thematiek in de Nederlandse historiografie ingeluid. Blok zou zich later bij de

[p. 38]

verantwoording van zijn project van een sociale geschiedenis niet ten onrechte op Fruin beroepen en Kernkamp vroeg zich zelfs af of Fruin een ‘materialist’ was, een vraag die hij (uiteraard) ontkennend beantwoordde104. Maar vanaf 1865 werd het steeds duidelijker dat de politieke en diplomatieke geschiedenis het primaat behielden: zij leverden uiteindelijk ook het materiaal om de actuele en zo boeiende politieke vraagstukken op te helderen en om de eigen politieke positie te verantwoorden105. In theorie bleef hij echter nog in 1886 een eng-politieke, Rankiaanse geschiedenis afwijzen. Maar hier speelde ook een ander motief mee: het Duitse politieke machtsvertoon, waarvan Rankes geschiedschrijving in zekere zin de afspiegeling was, boezemde de burger van het kleine Nederland wantrouwen in106. Overigens was hij niet de enige die zich tot de politieke geschiedenis beperkte: Nuyens' Nederlandsche beroerten bijvoorbeeld was eveneens een verhaal van politieke lotgevallen. Slechts weinigen bereikten een zelfde thematische breedheid als Busken Huet die in zijn Land van Rembrand (1882-1884) niet alleen de letteren, de wetenschappen en de kunsten, maar ook het geloof, de handel en de ‘zeden’ van de zeventiende-eeuwse Noordnederlanders ter sprake bracht107.

Maar ook op inhoudelijk vlak liet het politieke streven naar de pacificatie van de verschillende staatspartijen binnen een gecentraliseerde staat diepe sporen na. Dat het ‘oudliberale’ beeld van het verleden minstens evenzeer als het calvinistische of katholieke een partijdig karakter droeg, wordt hier duidelijk. Tussen 1860 en 1865 loste de spanning tussen een staatsgezinde en een meer orangistische visie op de Republiek, die reeds in de Tien jaren en in het Voorspel kon worden geconstateerd, zich geleidelijk in het voordeel van de laatste op. Terwijl Bakhuizen c.s., die zich in de eerste plaats door het liberale cultuurideaal lieten leiden, zich verbonden bleven voelen met de staatsgezinde partij, ging Fruin een andere weg op. Niet de loevesteinse partij, maar wel de van hun partijkarakter ontdane Oranjes belichaamden zijn ideaal: hij ontwikkelde zich ‘van loevesteiner tot orangist’108.

Het conciliante karakter van Fruins historiografie komt wellicht het best tot uiting in de wijze waarop hij Willem van Oranje benaderde. De Prins was voor hem geen sluwe machiavellist of een geloofsheld, maar wel de verdraagzaamheid predikende en verzoenende Vader des Vaderlands, een waarlijk nationale leider. Door Oranje voor te stellen als afkerig van elk extremistisch standpunt (‘gelijke bescherming voor Roomsch en onroomsch’) en als strijder voor de vrijheid, kon Fruin hem promoveren tot de ware representant van het gehele volk, calvinisten, katholieken en liberalen: een geactualiseerd bovenpartijdig symbool, waarin alle negentiende-eeuwse levensbeschou-

[p. 39]

welijke partijen zich konden terugvinden109. Fruin waakte er dan ook bijzonder zorgvuldig over dat de betekenis van de Prins geen twistpunt werd tussen calvinistische en katholieke historici. Zijn meest ernstige bezwaar tegen Nuyens' Nederlandsche beroerten betrof precies de ‘partijdigheid’ waarmee de katholieke geschiedschrijver Oranje had beschreven110. Dat Fruin niet Den Briel, maar Heiligerlee als de geboorteplaats van de Nederlandse natie beschouwde, ligt in het verlengde van deze beschouwingen: de strijd van de woeste en aanstootgevende Geuzen kon onmogelijk als een verzoenend rustpunt voor de katholieken en calvinisten in aanmerking komen111.

Het lag voor de hand dat de evolutie binnen Fruins politieke liberalisme tot een verschuiving in de waardering die hij voor de diverse perioden van de Nederlandse geschiedenis opbracht, zou leiden. De verdediging van de monarchaal-centralistische staat en het verlangen naar conciliantie binnen dat kader zorgden ervoor dat hij juist die facetten uit het nationale verleden die tot de eenheid en de centralisatie hadden bijgedragen, steeds positiever beoordeelde en dat hij, omgekeerd, alle elementen die de partijschap en de staatkundige verbrokkeling hadden bevorderd, scherp afkeurde. De lijnen en patronen die de actuele constitutionele monarchie hadden voortgebracht of tegengewerkt, werden het geraamte, waaromheen hij de hele Nederlandse geschiedenis construeerde.

Het gebinte van het aldus op te richten gebouw beschreef Fruin in 1865 in een Gids-artikel over De drie tijdvakken der Nederlandsche geschiedenis. Daarin stelde hij dat er drie door diepe kloven van elkaar gescheiden tijdvakken in de staatkundige geschiedenis van Nederland te onderscheiden zijn. Het eerste tijdvak, dat tot de Opstand liep, was er één van toenemende groei van de middelpuntzoekende kracht van het centrale en landsheerlijke gezag. In het tweede tijdvak, dat door de Opstand werd ingeluid, domineerde de middelpuntvliedende kracht der decentralisatie. In de derde periode - vanaf 1795 - werd de staatsinrichting van de Republiek volledig vernietigd en trad de middelpuntzoekende kracht opnieuw op de voorgrond112.

Het eerste tijdvak, en dan vooral de Bourgondische periode, werd in De drie tijdvakken opvallend positief gewaardeerd. Een dergelijke positieve waardering was noch in de Belgische noch in de Nederlandse historiografie uit die jaren regel. Belgische historici als A.-J. Namèche, G. Kurth en vooral Paul Fredericq namen in hun geschriften een anti-Bourgondisch standpunt in. Het Bourgondische tijdvak was in hun ogen slechts één van de vele perioden van vreemde overheersing in de Belgische geschiedenis geweest113. Het beleid van de hertogen omschreven zij als tiranniek, arbitrair en anti-nationaal. Pas van-

[p. 40]

af 1890 (met name in het werk van Henri Pirenne) werd het middeleeuwse particularisme veroordeeld en het Bourgondische streven naar eenheid geherwaardeerd114.

Ook in de Nederlandse geschiedschrijving was het Bourgondische tijdvak lang onderbelicht gebleven. Door de glansrijke Republiek was het immers in de schaduw gedrongen. Fruin betreurde dat. In het Gids-artikel constateerde hij dat enkel Bilderdijk (een naam die ook al in de oratie een positieve klank had gedragen!) had opgemerkt hoe door de Opstand de mogelijkheid dat de Zeventien Provincies, tot een zelfstandig en onafscheidelijk geheel verbonden, een rijk van betekenis waren gebleven, en, bij waarschijnlijke gebiedsuitbreiding, tot een machtige staat waren uitgegroeid, geheel verloren was gegaan. De Republiek, zo oordeelde Fruin zelf, bood dan wel een onbetwistbare toename van de vrijheid, maar betekende tegelijk een breuk in de groeiende eenheid van wet en recht. Uiteindelijk noemde hij haar ‘een voor goed vervlogen tussentijd’: de nieuwe monarchie (van het derde tijdvak) sloot immers - over de Republiek heen, maar met overname van haar deugden - opnieuw aan bij het eerste tijdvak. Zowel in zijn colleges over de Nederlandse staatsinstellingen als in de meer algemene over de Nederlandse geschiedenis herhaalde hij zijn kritiek op de Republiek, zeker wanneer het ging om een stadhouderloze periode: de gefragmenteerde staatsinrichting, het provincialisme en de alles overwoekerende partijschap moesten wel tot machteloosheid leiden115.

Toch nam Fruin ten aanzien van de Republiek een ambivalent standpunt in. De negatieve waardering voor deze ‘tussentijd’ werd getemperd door verschillende factoren. Vooreerst weerhield het oude liberalisme, met zijn sterke beklemtoning van de vrijheid op vele vlakken, Fruin - zeker vóór 1865 - van een al te scherpe afwijzing van de Republiek, waarin juist deze vrijheid zo sterk was opgebloeid116. Bovendien vreesde hij - door een onvoorwaardelijke accentuering van de waarden van het eerste tijdvak - te veel geclaimd te worden door de katholieken, die juist hun identiteit aan die periode ontleenden en met graagte zijn opmerkingen over de negatieve gevolgen van de Opstand overnamen117.

Maar een eenduidig oordeel over de Republiek werd vooral verhinderd door een andere factor: de schittering die nog steeds van de ‘Gouden Eeuw’ uitging, kon de kleine negentiende-eeuwse natie, die Nederland was, een gevoel van eigenwaarde schenken. Anders gezegd: de in de grote wereldpolitiek vaak over het hoofd geziene natie kon haar identiteit ontlenen aan het grootse verleden van de Republiek118. Het zelfingenomen nationalisme van de jaren 1850 was rond

[p. 41]

1860 immers omgeslagen in een geest van prikkelbaarheid en van pessimisme omtrent de toekomst van het land119. Daarom had Brill in 1859 reeds gesuggereerd dat de beoefening der vaderlandse geschiedenis het nationale zelfbewustzijn weer kon opwekken120.

In de jaren 1860 zou Fruin dit thema herhaaldelijk ter sprake brengen. Ongetwijfeld was ook hij - zoals zovele Nederlanders - in 1864 onder de indruk van het ongelukkige lot van de Denen, die door Oostenrijkse en Pruisische troepen onder de voet waren gelopen. De gebeurtenissen in Denemarken toonden immers de bijzonder kwetsbare positie van de kleine naties in Europa121. De politieke zwakte van Nederland dwong Fruin ertoe het luisterrijke voorbeeld van de Republiek weer in herinnering te brengen. De trotse Republiek werd zo de getuige à decharge die hij opriep om voor de bedreigde natie het recht op een onafhankelijk bestaan te bepleiten. Zelfs in het Heiligerlee-artikel, waarin hij de staatsvorm van de Republiek nog als een droevige bijzaak van de Opstand had bestempeld, gebruikte hij de grootheid van die zelfde Republiek als een wissel op de toekomst122. Later werd de Republiek echter ook deze rol ontnomen: het voortdurende verzet tegen de monarchale politiek van de Oranjes, zo luidde de kritiek in 1882 tijdens de Transvaalse kwestie, heeft juist verhinderd dat het tegenwoordige Nederland een rol van betekenis in de Europese politiek speelt123. Voor deze Transvaalse kwestie toonde Fruin trouwens opvallend veel belangstelling. Voor het in januari 1881 opgerichte Hoofdcomité ter behartiging van de belangen der Transvaalsche Boeren (waarvan zijn broer bestuurslid was) schreef hij in 1881 - op het hoogtepunt van het pro-Boer enthousiasme in Nederland - een ook in het Engels uitgegeven brochure. In dit Hollandsch woord over de Transvaal-quaestie sprak hij de hoop uit dat de Nederlandse cultuur in Afrika een arbeidsveld zou vinden dat de in het verleden verkwanselde kansen op een Nederlandstalig cultuurimperium zou kunnen goedmaken124. Daaraan wou hij trouwens ook zelf meewerken. Tot zijn dood bleef hij lid van de Raad van Beheer van het in 1889 opgerichte Fonds ten behoeve van het Hollandsch Onderwijs in Zuid-Afrika125.

Kortom: Fruins ‘oudliberale’ historiografie fungeerde als een politieke aanmaning aan het adres van de verschillende partijen, de heilloze partijconflicten op te geven en zich samen in te voegen in het bestaande staatsbestel, dat daardoor zou kunnen worden geconsolideerd en de natie haar oude kracht zou teruggeven. Hij vertrouwde erop dat de kritische en van elke ideologische invloed gezuiverde wetenschap het daarbij passende historische beeld algemeen zou doen aanvaarden.

82VG, dl.IX, p.295.
83VG, dl.IX, p.217 (cfr. p.b.m. blaas, Thorbecke - Fruin - De Bosch Kemper, - Theoretische Geschiedenis, 9 (1982), p.346-349). Reeds in 1832 had De Bosch Kemper zijn landgenoten aangespoord: ‘Nederlanders! laten wij wars zijn van alle overdrijving; laten wij altijd het juiste midden tusschen de uitersten zoeken’ (geciteerd in e.h. kossmann, Anderhalve eeuw Nederlandse cultuur, - De Gids, 150 (1987), p.106).
84Geciteerd in w. otterspeer, De Leidse School. De leerstoel vaderlandse geschiedenis, 1860-1925, - id. (uitg.), Een universiteit herleeft. Wetenschapsbeoefening aan de Leidse Universiteit vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, Leiden, 1984, p.42-43.
85Vgl. p.b.m. blaas, De prikkelbaarheid van een kleine natie, p.281-282 en c. offringa, Inleiding, - r. fruin, Het voorspel van de 80-jarige oorlog, (Aula-paperback, 131), z.pl., 1986, p.6.
86W. Otterspeer drukte het zo uit: ‘Fruin wilde boven alles nuttig en nationaal zijn’ (w. otterspeer, De Leidse School, p.46).
87VG, dl.IX, p.280 en p.283. Vgl. zijn rectorale ‘welkomstgroet’ aan de Universiteit van Amsterdam in 1877: VG, dl.IX, p.380.
88c. busken huet, R. Fruin 1860-1885, - id., Literarische fantasien en kritieken, Haarlem, dl.XXII, z.j., p.180. Fruin was bijzonder ingenomen met Huets portret: cfr. Fruin-correspondentie, nr.303.
89VG, dl.IX, p.316. Over het gebrek aan geestdrift: VG, dl.IX, p.403-404 (vgl. de reactie van de ‘man van grote sentimenten’ G.W. Vreede in Fruin-correspondentie, nr.236).
90VG, dl.II, p.84-110 (vooral p.84-86).
91VG, dl.X, p.239-290 (vooral p.259-260). Zie z.w. sneller, Groen van Prinsterer en Fruin, p.587-622.
92VG, dl.X, p.315-348 (citaat p.338-339).
93VG, dl.X, p.349-357 en Fruin-correspondentie, nr.373. Cfr. p.b.m. blaas, De prikkelbaarheid van een kleine natie, p.291.
94VG, dl.X, p.394.
95Cfr. j.w. smit, Fruin en de Partijen, p.49 en p.161-166.
96Cfr. Robert Fruin in brieven en andere stukken, nr.78: H.P.G. Quack aan J.N. van Hall, 1 febr. 1899 en p.j. blok, Robert Fruin, - id., Verspreide studiën, p.319.
97VG, dl.X, p.358-384 en uitgebreide briefwisseling in de Fruin-correspondentie uit de jaren 1892-1894.
98Fruin-correspondentie, nr.444 (cfr. nr.503).
99f. van der goes, Kiesdwang, - Tweemaandelijksch Tijdschrift, 2 (1896), dl.I, p.317-339 (citaat p.318). Dit artikel was een reactie op VG, dl.X, p.385-401.
100Cfr. VG, dl.X, p.378.
101Fruin-correspondentie, nr.516.
102lub, bpl 2988 II/10: Grafrede voor R. Fruin.
103Fruin-correspondentie, nrs.449, 457 en 462.
104Cfr. infra hf.II, par.2 en g.w. kernkamp, Robert Fruin, - id., Van Menschen en Tijden, dl.I: Studiën over geschiedschrijvers, Haarlem, 1931, p.119-133.
105Cfr. VG, dl.IX, p.366-367.
106VG, dl.IX, p.435-437. Cfr. de reactie hierop in f. rachfahl, Robert Fruin, p.536-542.
107c. busken huet, Het Land van Rembrand. Studiën over de Noordnederlandsche beschaving in de zeventiende eeuw, Haarlem, 2 dln. in 3 vol., 18862.
108Uitvoerig in j.w. smit, Fruin en de Partijen, p.93-166. Een duidelijke breuk is daarbij evenwel afwezig (cfr. w. otterspeer, De Leidse School, p.46-48).
109VG, dl.II, p.92-93 en dl.VIII, p.404-409 en Fruin-correspondentie, nr.468. Cfr. p.b.m. blaas, Tussen twee herdenkingsjaren (1884-1933). Het beeld van Willem van Oranje in de wetenschappelijke geschiedschrijving rond 1900, - e.o.g. haitsma mulier en a.e.m. janssen (red.), Willem van Oranje in de historie 1584-1984. Vier eeuwen beeldvorming en geschiedschrijving, Utrecht, 1984, p.138-147.
110VG, dl.II, p.31-36 (vgl. dl.VIII, p.354-370). Cfr. w.j.f. nuyens, Geschiedenis der Nederlandsche beroerten, dl.I1, 1865, p.58-74 en dl.III2, 1868, p.224-226: Nuyens tekende weliswaar verzet aan tegen de overtrokken kritiek van velen van zijn geloofsgenoten op Oranje, maar ook voor hem bleef de Prins een eerzuchtige en hoogmoedige opportunist. De ‘schier afgodische eerbied’ voor Oranje, die hij zowel bij de calvinisten als bij de liberalen onderkende, beschouwde hij eerder als het produkt van vrome legenden dan van een onbevooroordeeld onderzoek. Het antwoord van Nuyens op Fruins kritiek: id.: De Nederlandsche beroerten der XVIe eeuw uit een Katholiek oogpunt beschouwd. Antwoord aan Prof. R. Fruin, Prof. J. van Vloten en Dr. M. van Deventer, Amsterdam, 1868, p.26-34.
111Cfr. j.c.a. de meij, Het beeld van de Watergeuzen in de Nederlandse geschiedschrijving, - TvG, 83 (1970), p.365-366. Ook Blok oordeelde negatief over de Geuzen (p.371).
112VG, dl.I, p.22-48.
113Cfr. j. stengers, Le Mythe des dominations étrangères dans l'historiographie belge, - Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 59 (1981), p.382-401.
114ph. carlier, Contribution à l'étude de l'unification bourguignonne dans l'historiographie nationale belge de 1830 à 1914, - Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, 16 (1985), p.1-24.
115r. fruin, Geschiedenis der Staatsinstellingen in Nederland tot den val der Republiek, uitg. h.th. colenbrander en inl. i. schöffer, 's-Gravenhage, 19802, p.209 en p.309-310 en VG, dl.IX, p.320-324 en vooral p.333-334.
116Cfr. VG, dl.IV, p.259-260.
117Cfr. j.w. smit, Fruin en de Partijen, p.167-173.
118Cfr. p.b.m. blaas, De prikkelbaarheid van een kleine natie, p.292-294.
119j.c. boogman, The Netherlands in the European Scene, 1813-1913, - Vaderlands verleden in veelvoud. 31 opstellen over de Nederlandse geschiedenis na 1500, Den Haag, 1975, p.490-494.
120w.g. brill, Over den eisch des tijds en de wetenschap als geschikt om aan dien eisch te beantwoorden, Leiden, 1859, p.26-28.
121Cfr. c.a. tamse, Nederland en België in Europa (1859-1871). De zelfstandigheidspolitiek van twee kleine staten, Den Haag, 1973, p.49-55.
122Vg, dl.II, p.110 (vgl. dl.I, p.14-15; dl.IV, p.245-260 en dl.IX, p.316 en p.325-330).
123Fruin-correspondentie, nr.264: Fruin aan O.C.S. Star Numan - Van Swinderen, 21 nov. 1882.
124VG, dl.X, p.402-418. Cfr. g.j. schutte, Nederland en de Afrikaners. Adhesie en aversie. Over stamverwantschap, Boerenvrienden, Hollanderhaat, Calvinisme en apartheid, Franeker, 1986, p.26, p.38-40 en p.219, noot 67.
125j. visser, Robert Fruin en het Fonds t/b v/h Hollandsch Onderwijs in Z. Afrika, - TvG, 59 (1946), p.379-387.
prepostterug  begin  verder