terug  begin  verderprepost
[p. 42]

5. De emancipatie van de geschiedbeoefening

De zo moeilijk te bereiken conciliantie kon echter steeds opnieuw worden bedreigd, precies door het principe van de open discussie dat Fruin zelf tegenover zijn liberale critici had verdedigd. Het ‘woord en wederwoord’, waarvan hij hoopte dat het van eenzijdigheid tot eensgezindheid zou leiden, kon juist het omgekeerde effect veroorzaken en het wankele evenwicht verstoren.

Dat deze openheid de pacificatie inderdaad eerder kon dynamiteren dan bevorderen, bleek uit de eerste resultaten van de katholieke historiografie. Fruin had haar verwelkomd, in het vertrouwen dat zij zou bijdragen tot een volwaardiger harmonie. Maar al dadelijk zag hij dat die harmonie niet de belangrijkste zorg van de katholieke historici was: zij beoogden in de eerste plaats een tegenaanval tegen de protestants-calvinistische traditie en herhaalden voortdurend dat de oude, zestiende-eeuwse tegenstellingen nog lang niet overwonnen waren, een situatie die hen eerder scheen te verheugen dan te verdrieten126. De wijze waarop deze katholieken Prins Willem, juist het boegbeeld van Fruins verzoeningsstreven, voorstelden, bevestigde deze indruk.

Fruin had nochtans tijdig gewaarschuwd. Reeds in de Tien jaren had hij het katholieke meten met twee maten veroordeeld. De katholieke historici, zo meende hij toen, hadden ontegensprekelijk gelijk de onverdraagzaamheid jegens hun geloofsgenoten in de Republiek aan de kaak te stellen, maar zij moesten dan ook met even veel nadruk de inquisitoriale praktijken afwijzen127. In 1867 verweet hij Nuyens de protestantse onverdraagzaamheid jegens de katholieken te overdrijven: hij ging ‘de rechte maat’ te buiten. Fruins beschuldiging luidde ook nu: er wordt gewogen met verschillende gewichten. Vaderlijk merkte hij op dat een zekere gematigdheid de katholieke zaak veel meer goed zou doen128. Deze aanmaningen waren in feite een herformulering van zijn onpartijdigheidsleer, waarin een gelijke erkenning van het goede en het kwade in alle partijen, in casu de calvinisten en de katholieken ten tijde van de Republiek, werd bepleit.

Toch waakte Fruin erover door deze kritiek op de katholieke historiografie niet zelf de conciliantie in gevaar te brengen. In 1895 en 1896 zouden in De Katholiek trouwens enkele artikelen verschijnen, waarin hem werd verweten zich aan partijdigheid ten aanzien van de katholieken schuldig te maken: zijn ingenomenheid met de Opstand en zijn liberale achtergrond, zo meenden deze (toch wel hypergevoelige) critici, hadden hem voor een aantal anti-katholieke legenden

[p. 43]

blind gemaakt129. Terwille van de verzoening zou hij in 1898 - bij de troonsbestijging van Wilhelmina - dan ook afzien van een artikel over de houding van de katholieken tegenover het koningshuis en zijn voorzaten voor het speciale nummer van De Gids: hij zou het anti-orangisme van de katholieken er niet in kunnen verzwijgen en liever verstoorde hij de algemene feestvreugde niet130.

Kortom: de nadelige gevolgen van het ‘woord en wederwoord’-principe in de historiografie moesten aan banden worden gelegd. Daartoe kon geen extern principe worden aangewend. Het lag voor de hand dat Fruin de draad van de liberaal-positivistische ideeën over de wetenschap, zoals hij die vóór 1860 had ontwikkeld, weer zou opnemen. In de uit 1849 daterende lezing waarin een vergelijking tussen de tijd der Griekse Sofisten en de eigen tijd werd gemaakt, had hij betoogd dat de door de wetenschap veroorzaakte beginselloosheid slechts door een vrije wetenschapspraktijk kon worden opgeheven. Nu kon hij dit concretiseren: de disharmoniërende effecten van de open strijd die katholieke en calvinistische historici voerden, konden slechts door zelfstandig historisch onderzoek teniet worden gedaan. Zoals in 1853 enkel een vrij staatsrecht geacht werd als scheidsrechter op te treden bij partijconflicten, zo kon nu enkel een autonome geschiedschrijving beslissen tussen uiteenlopende historische visies en zo de conciliantie bewerkstelligen.

Merkwaardig genoeg ging dit historiografisch emancipatieproces samen met een organisatorisch-institutionele emancipatie. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde de geschiedbeoefening zich aan de universiteiten geleidelijk tot een autonome discipline. In zekere zin was deze emancipatie al voorbereid in de eerste helft van de eeuw, toen er tijdschriften waren ontstaan, waarin enkel historische bijdragen werden opgenomen131. Maar zij kwam toch pas goed op gang vanaf 1850, toen er ook afzonderlijke professoraten werden toegekend. In dat jaar werd te Leiden R.P.A. Dozy tot buitengewoon hoogleraar in de Middeleeuwse en Nieuwe Geschiedenis benoemd. Tien jaar later werd, eveneens te Leiden, het professoraat Nederlands en Vaderlandse Geschiedenis gesplitst. Het was precies Fruin die de nieuwe unieke leerstoel Vaderlandse Geschiedenis zou bekleden en hem in 1894 ook met succes verdedigen. Extra-universitaire instellingen op het gebied van de geschiedenis, die bijvoorbeeld in Frankrijk zo'n belangrijke stimulans voor de historiografie werden, bleven voorlopig echter achterwege. Bovendien duurde het nog tot het Academisch Statuut van 1921 alvorens de geschiedenis zich formeel volledig ten aanzien van de taalkunde zou emanciperen132.

Op inhoudelijk vlak moest de geschiedbeoefening zich volgens

[p. 44]

Fruin in de eerste plaats losmaken van de politiek en de theologie. De historiografie moest met andere woorden gedepolitiseerd worden. Slechts in die gesteldheid zou de historicus, als een vrije rechterlijke macht, onbevangen kunnen oordelen. In zijn oratie had Fruin betoogd dat de mogelijkheidsvoorwaarden hiervoor sinds 1813 aanwezig waren. In diezelfde periode wendde hij zich definitief van een actieve politieke loopbaan af. De studie van het verleden, zo vertrouwde hij de politicus H.J. Koenen in 1859 toe, schonk hem meer bevrediging dan het geschrijf over actuele politieke kwesties. Eén jaar later bekende hij ‘als een amant heureux’ zijn liefde voor de geschiedenis ook aan W. Siewertsz van Reesema, met wie hij in 1853 Groen nog had bestreden. Toen deze verontwaardigd terugschreef dat een hoogleraar Geschiedenis nolens volens politicus moet zijn, haastte Fruin zich hem gerust te stellen: de actuele politiek bleef zijn interesse behouden, maar hij prefereerde de kalme politiek van het verleden133. Ongetwijfeld speelde in deze wending van de politiek naar de geschiedenis de ‘onmiskenbare lauwheid’ van het staatkundige leven in Nederland na de Aprilbeweging een belangrijke rol134. Maar in zijn rectorale rede in 1878 ging Fruin veel verder dan in 1860: het onbevangen historisch onderzoek, zo beklemtoonde hij toen, kan slechts worden gevrijwaard in de kalme afzondering van de school, waar het woelige staatsleven niet doordringt135.

De eigen inspanning door de geschiedschrijving de politieke pacificatie te bevorderen beschouwde Fruin blijkbaar niet als een politieke activiteit, want hij verzekerde voortdurend dat de geschiedenis een politiek-neutraal gebied moest worden, waarin het vrije onderzoek zijn weg kon banen. In 1867 verzette hij zich dan ook nog op even militante wijze als in 1849 en in 1853 tegen de ‘waanwijsheid’ van de theologie, die de vrije en vooruitstrevende wetenschap zo lang had benauwd. De verscherpte schoolstrijd en de politieke gevolgen van de Syllabus Errorum maakten hem bevreesd voor een reconfessionalisering van de wetenschap, en dus ook van de geschiedschrijving, waarbij de sinds de Reformatie verworven rechten van het vrije onderzoek weer verloren zouden gaan136. Hij erkende voor deze van elke partijpolitieke of kerkelijke bevoogding ontdane geschiedbeoefening dan ook slechts één methode, die onverschillig was ten aanzien van het eindresultaat dat zou worden bereikt. In de vrije wetenschap, zo verzekerde hij én de katholiek Nuyens én de anti-katholiek F. Muller, bestaan slechts een juiste en een onjuiste kritiek. ‘Ultramontaanse’, ‘gelovige’ of ‘ongelovige historische kritiek’ zijn zinloze uitdrukkingen in de context van een vrije geschiedwetenschap137.

De geschiedbeoefening moest zich in Fruins optiek echter niet al-

[p. 45]

leen van de politiek en de theologie emanciperen, maar ook van de literatuur en de kunst. Dit element werkte hij pas later uit. In 1859 nog, in een brief aan A.L.G. Bosboom-Toussaint, stelde hij dat elke geschiedschrijving ‘Dichtung und Wahrheit’ is: ‘Ieder geschiedkundige, die zich rekenschap geeft van zijn werk, moet erkennen, dat ook bij hem de fantaisie gedurig moet aanvullen, wat zijne bescheiden hem onvolledig leveren138. Drie jaar later, in een recensie van J.L. Motley's Geschiedenis der Vereenigde Nederlanden (de Nederlandse vertaling van het in 1860 begonnen History of the United Netherlands from the death of William the Silent to the Synod of Dort), achtte hij de romans van Mevrouw Toussaint nog steeds hoog als historische studies, maar hij beklemtoonde tevens het onderscheid tussen de literator en de historicus: ‘De historische waarheid is met de eischen der verdichting slechts gedeeltelijk overeen te brengen’, luidde het nu139.

Die stelling was Fruin door de ervaring met Motley ingegeven: uit de lectuur van diens werk had hij geleerd dat de literaire inkleding - die op zichzelf natuurlijk niet te veroordelen is - indirect nadelige gevolgen voor de vrije geschiedwetenschap kan hebben. Ook tegenover de Amerikaanse historicus erkende hij nog wel het belang van de dichterlijke verbeelding en hij werd ongetwijfeld bekoord door het meeslepende relaas dat Motley de lezer bood, maar deze positieve elementen werden geheel overschaduwd door de kritiek waarin de talloze onnauwkeurigheden in het besproken werk aan de kaak werden gesteld. Veel erger dan die fouten was echter het feit dat Motley in zijn verhaal niet de werkelijk belangrijke, maar de literair aantrekkelijke gebeurtenissen breeduit had geëtaleerd. Deze disproportie leverde een verwrongen en vals beeld van de geschiedenis op, dat door het publiek - juist omwille van de aantrekkelijkheid - niet als dusdanig werd herkend140. Het literaire maskeerde bovendien de mogelijke apriori's van de historicus. En dat die er wel degelijk ook bij Motley waren, toonde Nuyens in Fruins ogen overtuigend aan141.

Fruin zou later herhaaldelijk en steeds scherper tegen een literaire geschiedschrijving waarschuwen. Hij bleef haar verwijten de ‘juiste tekening’ aan de ‘schitterende kleur’ op te offeren142. Daardoor werden ook bij deze ‘romantische’ historici de juiste maten niet gerespecteerd. Het verdonkeren van de ene en het scherp belichten van de andere partij, terwille van het literaire effect, leverde net zo min een ware geschiedschrijving op als de eenzijdige produkten van de partijhistorici. Beide groepen weerhielden de geschiedenis ervan zich tot een vrije wetenschap te ontwikkelen: de eerste door de waarheid ondergeschikt te maken aan de literaire waarde; de tweede door de waarheid slechts te erkennen als zij samenviel met de waarheid van

[p. 46]

de eigen partij of geloofsovertuiging. In geen van deze twee gevallen kon de geschiedschrijving haar functie vervullen: definitief te beslissen tussen uiteenlopende visies op het verleden om zo een positieve conciliantie te bereiken. Die taak zou zij slechts naar waarheid kunnen uitoefenen wanneer zij zich als een ervaringswetenschap ontplooide.

Naar Fruins innige overtuiging was de geschiedenis juist de ervaringswetenschap bij uitstek: de termen ‘historisch’ en ‘empirisch’ riepen elkaar in zijn geest automatisch op. Voor deze begripsassociatie kon hij aansluiten bij de in de negentiende eeuw frequent geconstrueerde dichotomie tussen de ‘ahistorische achttiende’ en de ‘historische negentiende eeuw’. In enkele academische toespraken en in zijn rectorale rede werkte hij deze tegenstelling trouwens zelf uit. De revolutionaire achttiende eeuw, zo erkende de liberaal, heeft ongetwijfeld belangrijke vernieuwingen gebracht, maar door haar afkeer van een geleidelijke en trapsgewijze hervorming van de maatschappij en door haar verlangen naar een volledige breuk met het verleden heeft zij de lessen van de Rede boven de lessen van de Geschiedenis gesteld. Zij was de eeuw van de Wijsbegeerte: de wetenschap en de politiek werden beheerst door abstracte begrippen, normen en stelsels. Daartegen verzette zich in de negentiende eeuw ‘de historische richting’. Zij was niet meer behept met de neiging tot plotse verandering, maar liet zich leiden door de eeuwenlange ondervinding van het voorgeslacht. Niet meer de Rede, maar de Ervaring regeerde nu de politiek en de wetenschap143.

Fruin was lang niet de enige die er zo over dacht. Velen van zijn tijdgenoten beklemtoonden het belang van een historische benadering van de maatschappelijke en wetenschappelijke vraagstukken. Zo groeide de negentiende eeuw uit tot de eeuw van de Geschiedenis: het gehele wereldbeeld werd - tot Fruins grote tevredenheid - gehistoriseerd144. Onder invloed van dit toenemend historisch besef, dat zich in Nederland merkwaardig genoeg niet vertaalde in een groeiend aandeel van de historische werken in de totale boekenproduktie145, werden de centrale denkcategorieën ‘de wording’ en ‘de ontwikkeling’. De geschiedenis werd daardoor niet alleen een zelfstandige wetenschap: zij werd ook het alomvattende perspectief van waaruit de negentiende eeuw de taal, het leven, het recht en zelfs de natuur beschreef146. Alleen door hun object vanuit een evolutionair, historisch en empirisch (en dit waren synoniemen!) standpunt te benaderen, zouden de wetenschappen een kennis verwerven die op vaste grond was gebaseerd. Daarom ook, zo meende Fruin, ligt het nut van de geschiedenis niet alleen in de blikverruiming die de kennis van het

[p. 47]

verleden aanreikt en die toelaat tot een billijker beoordeling van en een minder bekrompen visie op zowel de voorbije als de eigen tijd te komen, zoals Macaulay suggereerde. De historie is in wijdere zin belangrijk ‘omdat men slechts kent wat men heeft zien worden’: zij biedt dus het enige juiste oogpunt voor de kennis van de omringende wereld in al haar aspecten147. Voor de nationale geschiedschrijving hield dit ondermeer een nieuwe argumentatiewijze in. Zij rechtvaardigde de bestaande toestand nu niet meer door een verwijzing naar de overeenkomsten tussen heden en verleden, maar door een accentuering van het feit dat het heden uit het verleden was gegroeid148.

Door de begrippen ‘historie’ en ‘empirie’ haast te vereenzelvigen, verdedigde Fruin een wel zeer aanvechtbare stelling. Hij toonde daardoor weinig oog te hebben voor de onvermijdelijke theoriegeladenheid van elke waarneming, ook van de historische waarneming. De historicus treedt het bronnenmateriaal niet zonder een (al dan niet geëxpliciteerd) theoretisch referentiekader tegemoet. Ook het historisch ‘feit’ is een begripsmatige, conceptuele notie. Een aanvechtbare stelling dus, maar ook een bijzonder invloedrijke: decennia lang zou zij een basisassumptie van vrijwel alle Nederlandse historici blijven.

Fruin vroeg zich in verschillende theoretische teksten af of een dergelijke autonome en empirische geschiedenis zich tot een nomothetische wetenschap moest en kon ontwikkelen: moest en kon de historiografie in het verleden maatschappelijke wetten nasporen en aldus, in het verlengde van de natuurwetenschappen, voorspellen? In 1859 toonde hij zich bijzonder gecharmeerd door dit eerzuchtige programma van het Comtiaanse groot-positivisme149. Hij was optimistisch inzake de realisatiemogelijkheden ervan. In 1867 herhaalde hij voor zijn studenten dat het de taak van de geschiedwetenschap was te voorzien en te voorspellen. Maar in datzelfde jaar matigde hij zijn optimisme ten aanzien van de ‘nieuwe historiografie’: haar methode was nog te kort beproefd om een definitief oordeel over haar te vellen. In 1878 overheerste al een heel andere stemming: de eerste resultaten van de nieuwe methode hadden Fruin teleurgesteld. Hij twijfelde er niet aan dat er wel degelijk orde en regelmaat in de geschiedenis bestaan, maar tegelijkertijd beklemtoonde hij dat er nog geen historische wetten waren gevonden en dat de complexiteit der verschijnselen wellicht ook nooit zou toelaten ze te vinden. In zijn afscheidsrede, in 1894, constateerde hij droog dat de geschiedwetenschap nog geen stap nader tot de inlossing van het groot-positivistische ideaal was gekomen150.

E.E.G. Vermeulen heeft deze evolutie getypeerd als ‘een onver-

[p. 48]

vuld gebleven verwachting’, als ‘het verlies van een illusie151. Deze uitdrukkingen zijn wellicht te zwaar, vermits Fruins theoretische redevoeringen althans op dit ene punt zeker niet programmatisch waren. Zijn oordeel over de mogelijkheden van het groot-positivisme heeft zijn historische praktijk nauwelijks beïnvloed. Het oorspronkelijk uitgesproken geloof in een nomothetische geschiedwetenschap, dat ook in de theoretische geschriften al snel wegebde, was - naar de woorden van L.J. Rogier - slechts een ‘platonische liefde’ met weinig praktische implicaties152.

Aan het veel minder pretentieuze klein-positivisme, dat afzag van het opstellen van historische wetten over de empirie heen, hechtte Fruin uiteindelijk veel meer waarde. Zijn reactie tegen de literaire historiografie wees reeds in deze richting: niet de schone vorm, wel de op het bronnenmateriaal gebaseerde waarheid moest primeren in de geschiedschrijving153. In Nederland vroeg het klein-positivistische programma echter niet zozeer bescherming tegen de literaire, dan wel tegen de politiek geïnspireerde historiografie, die zich slechts voorwaardelijk aan de waarheid wou onderwerpen, zoals uit de problemen van Groen bij de uitgave van de Archives was gebleken154. Telkens weer maakte Fruin daarom Spinoza's woorden tot de zijne: de historicus moet ‘niet bewonderen, niet beschimpen, maar begrijpen155.

Fruin was ervan overtuigd dat de methode die bij dat begrijpen moest worden gehanteerd, een autonome en onpartijdige geschiedschrijving zou waarborgen. In zijn historische praktijk paste hij haar, in de lijn van Groen en Bakhuizen, maar verder ontwikkeld en aangescherpt, op een meesterlijke en vaak tot originele resultaten leidende wijze toe156. In 1867 omschreef hij deze werkwijze door de historicus te vergelijken met een rechter van instructie. Zowel de historicus als de onderzoeksrechter zoeken in de eerste plaats goede getuigen, die in staat zijn juiste inlichtingen te verschaffen. Zij stellen zich echter niet tevreden met het aanhoren of eenvoudig herhalen van deze getuigen, maar vergelijken de verschillende verhalen onderling, wegen de getuigenissen tegen elkaar af en stellen zelf vragen die de leemten moeten opvullen. Pas daarna komen zij tot de slotsom. De historische methode brengt de bronnen dus voor ‘de rechtbank der kritiek’. Merkwaardig genoeg wekte ook Fruins optreden als docent de indruk met een rechter te doen te hebben. Fredericq bezocht in 1885 - tijdens een studiereis door Nederland - een college van Fruin, die nog in eigen huis les gaf. De hoogleraar besprak voor de negen aanwezige studenten de toestand van de Republiek omstreeks 1660 en las hen voor uit de bronnen, ‘parlant toujours d'une voix égale

[p. 49]

et calme, comme un juge qui prononce une sentence, sans aucune recherche d'expressions, mais avec une admirable clarté et une précision de langage à la fois pleine de fermeté et de nuances’. De bezoeker vond ‘une simplicité sérieuse et grave, qui avait quelque chose de solennel’ in dit college157.

De juridische metafoor raakte de kern van Fruins methode. Hij bleef haar herhalen, nog in 1895158. De betreffende passage in deze op 16 april 1895 voor het Historisch Genootschap te Utrecht gehouden lezing over Alva's veldtocht in de Nederlanden in 1572 openbaart overigens ook een vaak over het hoofd geziene component van de geschiedvorsing, zoals Fruin haar als ideaal omschreef en in de praktijk trachtte te brengen, namelijk het creatieve aspect ervan. In 1878 had hij vooral het belang van gedurige oefening, gestadige arbeid en voorzichtigheid voor de historicus geaccentueerd: zij zouden hem behoeden voor grote en gewaagde gissingen159. Maar in 1895 werden deze eigenschappen niet meer voldoende geacht voor een goede historiografie. Ook de creativiteit moet daarin een belangrijke rol spelen: ‘Door de wijze, waarop de vragen gesteld en de antwoorden gezocht worden, wordt voornamelijk de waarde van den historicus bepaald: zijne vragen moeten blijk geven van een helder inzicht in de leemten zijner kennis, scherpzinnigheid is noodig, combinatievermogen om de verkregene antwoorden in onderling verband te brengen enz. Deze methode wordt in de praktijk nog te weinig toegepast; men put nog te veel direct uit de bronnen en geeft zoodoende niet meer dan reeds de voorgangers hebben geleverd160. Byvanck, zo blijkt uit deze tekst, had dus ongelijk Fruins historiografisch ideaal te omschrijven als een verlangen de feitenmassa zich vanzelf - zonder tussenkomst van de historicus - tot een sprekend geheel te zien groeperen161. Kernkamp - en in zijn spoor P.B.M. Blaas - konden terecht juist op basis van de hierboven aangehaalde passage concluderen dat voor Fruin goede geschiedbeoefening niet alleen verkregen wordt door een eenvoudige parafrasering van het bronnenmateriaal of door de methodische aanwending van een set van gebruiksklare regels en voorschriften162. Integendeel: zij wordt slechts geboren uit creativiteit, al moet die in Fruins visie in de hand worden gehouden door het talent de bouwstoffen op een zorgvuldige en degelijke manier te verzamelen, te ordenen en kritisch te beoordelen, een eigenschap die volgens hem uitstekend paste bij het veronderstelde realistische karakter van het Nederlandse volk163.

Ongetwijfeld was Fruin een grootmeester in dit originele spel van beheerste creativiteit, door Kernkamp wat oneerbiedig aangeduid als zijn ‘kamergymnastiek’164. Zijn filologische opleiding en de behoefte

[p. 50]

aan zekerheid en precisie verhinderden dat zij ontaardde in ongebonden bewegingen. Want juist dan zou de geschiedenis haar doel voorbij schieten: slechts als een kritisch-empirische en daardoor vrije wetenschap, verankerd in de bronnen en met de waarheid als hoogste norm, kon zij als scheidsrechter tussen de diverse elkaar bestrijdende historische visies optreden en de conciliantie bevorderen. De indirecte consequenties van de gepropageerde methode aanvaardde Fruin met trots en treurnis.

126Ondermeer w.j.f. nuyens, Opmerkingen en aanmerkingen naar aanleiding van een nieuw boek van een Nederlandsch geschiedschrijver, - De Wachter, 3 (1873), dl.II, p.245-261.
127r. fruin, Tien jaren, p.190.
128VG, dl.II, p.9-10.
129a. van kerkhoff, Prof. Dr. Robert Fruin en de wederopluiking van het katholicisme, - De Katholiek, 107 (1895), p.21-41, p.176-193 en p.339-353; w.f.n. van rootselaar, De geschiedschrijver Prof. Dr. R. Fruin, - De Katholiek, 109 (1896), p.26-62, p.166-187 en p.271-297 en id., De geschiedschrijvers: Ranke en Fruin, - De Katholiek, 110 (1896), p.180-196.
130Robert Fruin in brieven en andere stukken, nrs.73-74.
131r. fagel, Historische tijdschriften in Nederland (1835-1848). Arnhem, Utrecht, Leiden, - TvG, 99 (1986), p.341-366.
132j.p. duyverman, De groei van het geschiedenis-onderwijs aan de Leidse Hogeschool. Proeve van documentatie, - Universiteit en Hogeschool, 29 (1982-1983), p.212-218.
133Fruin-correspondentie, nrs.64, 95-98 en 100.
134p.j. blok, Robert Fruin, - id., Verspreide studiën, p.300.
135VG, dl.IX, p.373.
136VG, dl.II, p.20-21.
137VG, dl.II, p.41-42 en Fruin-correspondentie, nr.239.
138Fruin-correspondentie, nr.75.
139VG, dl.III, p.125-126, p.139-140 en p.184-185, noot 4. De reactie van Mevr. Toussaint: Fruin-correspondentie, nr.132. Cfr. h. reeser, De jeugdjaren van Anna Louisa Geertruida Toussaint, Haarlem, 1962, p.186-187 en p.200-201 en id., De huwelijksjaren van A.L.G. Bosboom-Toussaint, Groningen, 1986, p.117-118. Voor de historische romans van Bosboom-Toussaint had Fruin veel waardering, wellicht omdat zij er - meer dan haar voorlopers - in slaagde de romanhandeling en de historische situatie te integreren (daarover: w. drop, Verbeelding en Historie. Verschijningsvormen van de Nederlandse historische roman in de negentiende eeuw, Assen, 1958).
140VG, dl.III, p.118-125 en p.223-224. Cfr. Fruin-correspondentie, nr.127.
141VG, dl.II, p.6.
142VG, dl.III, p.66 en p.225 en dl.IX, p.355-357.
143VG, dl.IX, p.309-311, p.337-341 en p.363-366. In het Ranke-college van 1886 breidde Fruin - in het spoor van Ranke - deze tegenstelling zelfs uit tot een epische strijd tussen enerzijds het revolutionaire Frankrijk en anderzijds Duitsland met zijn zucht naar een gelijkmatige ontwikkeling (VG, dl.IX, p.421-428).
144Slechts bij uitzondering klaagde hij over het gebrek aan historische zin in de negentiende eeuw: cfr. Fruin-correspondentie, nr.318.
145In 1851 bedroeg het aandeel van de historische werken in de totale boekenproduktie in Nederland 4,5%. In 1860 steeg het tot6%, maar in 1900 bedroeg het opnieuw 4,5% (cijfers uit w. den boer, Miracle français et retard néerlandais: quelques jalons pour une historiographie comparée, - L'histoire et ses Méthodes. Actes du Colloque Franco-Néerlandais de novembre 1980 à Amsterdam, Rijsel, 1981, p.107, appendix I). Ter vergelijking: in Frankrijk lag dat cijfer in 1900 op 10,8% (p. den boer, Geschiedenis als beroep. De professionalisering van de geschiedbeoefening in Frankrijk (1818-1914), Nijmegen, 1987, p.519, bijlage 2).
146Cfr. Fruins pleidooi voor een historisch recht: VG, dl.IX, p.349-352 en dl.X, p.316 (genuanceerd in Fruin-correspondentie, nr.482). Fruins broer J.A. Fruin, hoogleraar in de rechtsfaculteit te Utrecht, verdedigde eveneens een historisch gekleurde opvatting van het recht (cfr. h.p.g. quack, Herinneringen uit de levensjaren van Mr. H.P.G. Quack 1834-1914, Nijmegen, 1977, p.153).
147VG, dl.IX, p.335-337, p.341-342, p.352-355 en p.366-367.
148Cfr. p. den boer, Geschiedenis als beroep, p.161-175 (vooral p.172-175).
149Ter stipulatie: om verwarring te voorkomen hanteren wij de term ‘groot-positivisme’ ter onderscheiding van het ‘klein-positivisme’. De eerste slaat op het verlangen de wetenschap een nomothetisch karakter te verlenen; de tweede op de eis de wetenschap op harde feiten te laten berusten (vgl. het onderscheid tussen Positivisme en positivisme bij p.b.m. blaas, Historisme en positivisme: twee onoverbrugbare wetenschapstradities?, - id., Anachronisme en historisch besef. Momenten uit de ontwikkeling van het Europees Historisch Bewustzijn, Rotterdam, 1988, p.63). Wanneer (zowel in dit als in de latere hoofdstukken) gesproken wordt over ‘positivisme’ tout court, wordt daarmee het klein-positivisme bedoeld. Fruin gebruikte de term ‘positivisme’ zelf (zij het zelden), zo bijvoorbeeld in Fruin-correspondentie, nr.37: Fruin aan W. Siewertsz van Reesema, 4 dec. 1854. Daar staat de term tegenover ‘speculatief’, ‘bespiegelend’ (dus als ‘klein-positivisme’). Een goed overzicht van de terminologische en inhoudelijke betekenis van het woord biedt w. simon, Positivism in Europe to 1900, - p.p. wiener (uitg.), Dictionary of the History of Ideas. Studies of Selected Pivotal Ideas, New York, dl.III, 1973, p.532-539.
150Voor deze evolutie: VG, dl.IX, p.257-259, p.342-343, p.358-362, p.390-391 en p.410-418.
151e.e.g. vermeulen, Fruin en Huizinga over de wetenschap der geschiedenis, dl.I: Fruin over de wetenschap der geschiedenis, Arnhem, 1956, p.17-22.
152Cfr. trouwens ook id., Fruin en Huizinga, dl.I, p.53 tegen z.w. sneller, Groen van Prinsterer en Fruin, p.640-655 en id., Opzoomer en Fruin, p.511-531 (waartegen ook l.j. rogier, Robert Fruins verhouding, p.147-152). Snellers overschatting van de rol van het groot-positivisme in Fruins historiografie hangt samen met zijn overschatting van Opzoomers invloed op Fruin (cfr. noot 4) en met het feit dat hij geen onderscheid maakte tussen een groot- en een klein-positivisme.
153In maart 1875 uitte Fruin tegen Groen zijn twijfels over de mogelijkheid deze rangorde ook bij het grote publiek ingang te doen vinden (Briefwisseling tusschen Fruin en Groen van Prinsterer, nr.XXIV).
154VG, dl.IX, p.357-358 en p.452-453, noot 7. Hier speelde ook de afkeer van de matheid van de historiografie van het Restauratietijdperk mee. Cfr. j.l. van essen, Groens uitgave van de ‘Archives ou correspondance inédite de la Maison d'Orange-Nassau’, - p.a.m. geurts en a.e.m. janssen (uitg.), Geschiedschrijving in Nederland, dl.I, p.180-196.
155VG, dl.IX, p.255-256, p.293, p.403-404 en p.436.
156Voor Fruins bewondering voor Bakhuizen op dit punt: VG, dl.VIII, p.331 en dl.IX, p.457-459. In 1890 nog bekende hij meer algemeen over Bakhuizen: ‘Ik heb zijns gelijke nooit ontmoet’ (Fruin-correspondentie, nr.379).
157p. fredericq, L'enseignement supérieur de l'histoire et de la géographie en Hollande (1885-1888), - p.a.m. geurts en a.e.m. janssen (uitg.), Geschiedschrijving in Nederland, dl.II, p.148.
158VG, dl.II, p.64; dl.III, p.66 en p.225-227 en dl.V, p.351 en r. fruin, Den veldtocht in de Nederlanden van 1572, - Verslag van de Algemeene Vergadering der leden van het Historisch Genootschap, 1895, p.16-20 (niet opgenomen in VG, dl.II, p.227-234).
159VG, dl.IX, p.372-373.
160r. fruin, Den veldtocht, p.18-19.
161w.g.c. byvanck, Robert Fruin, p.394.
162g.w. kernkamp, Robert Fruin, p.155-159 (vgl. id., De methode van Prof. Fruin, - Zondagsblad van De Amsterdammer, Dagblad voor Nederland, 21 april 1895, nr. 19, p.145-146) en p.b.m. blaas, De prikkelbaarheid van een kleine natie, p.281.
163Voor de tegenstelling tussen dit ‘Nederlandse realisme’ en het ‘Franse vernuft’ en het ‘Duitse idealisme’, die ook bij latere historici terugkeert: VG, dl.I, p.16-17.
164g.w. kernkamp, Robert Fruin, p.173.
prepostterug  begin  verder