terug  begin  verderprepost

1. Het oude ideaal onderschreven en uitgebouwd

Voor Blok was Fruin de praeceptor Hollandiae op het vlak van de wetenschappelijke geschiedbeoefening: Fruin was in Nederland de stichter geweest van ‘de school der onpartijdige geschiedbeschouwing’, die de historiografie had trachten te zuiveren van staatkundige en religieuze vooroordelen7. Die geest wou Blok niet alleen bewaren, maar ook versterken door haar te funderen op een geheel van wetenschappelijke instrumenten en historische instituten.

De ideële basis van Bloks streven naar een wetenschappelijke geschiedschrijving bleef Fruins onpartijdigheidsleer. Telkens weer verwees hij expliciet naar deze theorie, die hij aanprees als norm en model voor de ware geschiedschrijver. In het uitgebreide levensbericht dat hij in 1899 over Fruin publiceerde, bewonderde hij haar als ontsprongen uit het ‘diep wijsgeerige inzicht’ dat alle partijen gelijke toegeeflijkheid behoeven. Nog in 1925 - vijfenzestig jaar na dato - verhief hij de oratie van zijn leermeester tot een tijdloos document, waarin de ‘ware’ en ‘schone’ betekenis van het onpartijdigheidsbegrip voor eens en altijd was ontvouwd. Die betekenis lag in het begrijpen van de meest uiteenlopende karakters en opinies en in het erkennen van het betrekkelijk goede en ware in de verschillende partijen8. In 1892 nam hij zich daarom voor, een dergelijke onpartijdigheid ook in zijn Geschiedenis van het Nederlandsche Volk na te streven: ‘lotis manibus’ (met zuivere handen, onkreukbaar), zo beloofde

[p. 73]

hij zijn lezers, zou hij trachten de historische waarheid te bereiken9. Eén jaar later waarschuwde hij dat slechts dit epistemologische credo tot waarachtige geschiedschrijving kon leiden: wie de onpartijdigheid als een nutteloze ballast overboord wierp, verzaakte op onvergeeflijke wijze de taak van de historicus10.

Deze onpartijdigheid vereiste ook voor Blok het vasthouden aan ‘de rechte maat’. In een uit 1906 daterende lezing over Thorbecke en Groen van Prinsterer - als steeds bijzonder explosieve gespreksstof - bezwoer hij de geschiedschrijver zowel het ‘excès d'honneur’ als de lage ‘indignité’ te vermijden en elke partij met onpartijdigheid tegemoet te treden11. Daarom erkende hij - net als Fruin - het belang van de katholieke historiografie en haar louterende werking: zij belichtte de vaderlandse geschiedenis van een andere zijde dan de eenzijdig protestantse historiografie en opende zelfs nieuwe perspectieven ten aanzien van de niet-katholieke kritische (lees: liberale) geschiedschrijving12. Blok betreurde wel eens dat de protestantse onverdraagzaamheid ten aanzien van de katholieken in de Republiek in de katholieke historiografie overdreven werd voorgesteld, maar dit weerhield hem er niet van met katholieke historici als Gisbert Brom en Bonaventura Kruitwagen uitstekende relaties te onderhouden13.

Ondanks een zeker wantrouwen ten aanzien van de katholieke politieke macht - in zijn lessen aan Koningin Wilhelmina sprak Blok over de ‘zwarte internationale14 - bepleitte hij in de jaren 1880 en 1890 herhaaldelijk een gelijke liberaliteit ten aanzien van protestanten en katholieken in het geschiedverhaal. Slechts één voorbeeld: in het herdenkingsjaar 1884 benadrukte hij dat de moord op Oranje niet het gevolg was van een uitsluitende katholieke intolerantie, maar wel het resultaat van de algemene tijdgeest van de zestiende eeuw, waarin katholieken én protestanten gelijkelijk door godsdiensthaat werden gedreven15. Het was dan ook niet verwonderlijk dat hij in een katholiek tijdschrift als de Geschiedkundige Bladen herhaaldelijk ten voorbeeld werd gesteld. En Gisbert Brom, die dankzij Blok aan het Nederlands Historisch Instituut te Rome was benoemd, zou hem in 1906 aan paus Pius X zelfs hebben voorgesteld als ‘de vermaarde Nederlandsche geschiedschrijver, die altoos zoo onpartijdig en welwillend ook tegenover ons, Katholieken, is16.

Hoe ver Blok in deze liberaliteit ten aanzien van de katholieken kon gaan, bleek uit een lezing over De Jezuïeten, die hij in het voorjaar van 1893 hield. Daarin wou hij het eenzijdige protestantse beeld van de jezuïetenorde corrigeren, en dit met een beroep op de oude Nederlandse traditie van godsdienst- en gewetensvrijheid. Hij ging bij deze correctie echter erg ver en betoogde ondermeer dat de ondergang van

[p. 74]

de orde op het einde van de achttiende eeuw weliswaar door de heersen hebzucht van haar leden was versneld, maar dat deze val toch vooral door allerlei schromelijk overdreven en leugenachtige beschuldigingen was veroorzaakt17. De rede deed dan ook heel wat stof opwaaien. De Katholiek bestempelde de spreker ironisch als ‘een pleitbezorger, een lofprijzer der Jesuïeten’. De reactie van protestantse zijde was begrijpelijkerwijze bijzonder negatief18. Maar ook Fruin oordeelde geprikkeld dat zijn leerling nu wel erg gul ten aanzien van de katholieken (en dan nog wel de grootste drijvers) was geweest en raadde hem aan verder maar te zwijgen over de hele zaak19.

Blok bleek nogal onder de indruk van de reacties op zijn rede, want in september 1893 besteedde hij zijn openingscollege te Groningen - precies naar aanleiding van de hem gemaakte verwijten - aan een theoretische uiteenzetting over De onpartijdigheid van den geschiedschrijver. Ook nu beperkte hij zich - ironisch genoeg - vooral tot een parafrasering van Fruins oratie uit 1860. Hij concludeerde dat de historische waarheid het dichtst wordt benaderd door ‘zich zooveel mogelijk te ontdoen van vooroordeelen en zooveel mogelijk onbevangen te onderzoeken met waardeering van het goede ook in den tegenstander, met verwerping van het slechte in den medestander’ - en dat was precies wat hij in dat gewraakte stuk over de jezuïeten had gedaan, zo meende hij20.

In dit openingscollege verdedigde Blok zijn leermeester ook tegen Van Vloten en Olivier, die Fruin hadden verweten de geschiedschrijving te degraderen tot een hartstochtloos en vrijblijvend spel. De historische onpartijdigheid, zo reageerde Blok, leidt beslist niet tot een onvruchtbaar quiëtisme21. Merkwaardig genoeg werd ook Bloks streven naar onpartijdigheid door sommigen beschouwd als een zielloos gebrek aan oordeel. Bloks leerling, Hajo Brugmans, moest op zijn beurt zijn leermeester verdedigen tegen het verwijt ‘een bedenkelijke vervlakking’ van het geschiedverhaal te propageren22.

Zoals Fruin, was ook Blok van oordeel dat de geschiedschrijving zich - om de verlangde onpartijdigheid te bereiken - moest emanciperen van politiek en literatuur. Nog vóór zijn professoraat in Groningen had hij Taine gelezen. In zijn Groningse oratie sprak hij een vernietigend oordeel over diens werk uit: ‘De historische werken van Taine maken soms den indruk van tendenz-romans: zij zijn niet geschreven om te verhalen maar om te bewijzen; het onderzoek is geleid in eene richting, in welke de onderzoeker wapenen dacht te vinden ter verdediging zijner stelling; de archieven zijn voor Taine meer arsenalen dan mijnen23. Wat Blok in Taine dus hinderde, was de vervaging van de grenzen tussen geschiedschrijving en actuele partijpolitiek.

[p. 75]

Ook de grenzen tussen historiografie en literatuur zag Blok liever scherp getrokken. In 1883 verdedigde hij Macaulay nog tegen een te strenge verguizing vanuit wetenschappelijke hoek24. Maar het populaire werk van Th. Jorissen maakte Blok bewust van de gebreken van een al te literaire geschiedschrijving: de strikte historische waarheid wordt er meer dan eens opgeofferd aan het dramatische effect25. Ook met Motley's verhaal van de Tachtigjarige Oorlog had hij het moeilijk. Hij kon niet verbergen dat het werk van de Amerikaanse geschiedschrijver een diepe indruk op hem had gemaakt, maar zijn eindoordeel luidde toch dat de juistheid van de historische voorstelling bij Motley te veel had geleden onder de literaire inkleding. Bovendien moest hij (net als Fruin) constateren dat Motley's voortreffelijke stijl de aandacht van zijn partijdigheid dreigde af te leiden26.

De groei van de autonomie van de geschiedbeoefening veronderstelde een verdere verwetenschappelijking van het vak. Ook hier volgde Blok de sporen van zijn leermeester: een groot-positivisme wees hij af. Het is waar: de jonge Blok flirtte wel eens met het idee de historiografie te laten aansluiten bij de natuurwetenschappen. Maar reeds in zijn openingscollege van 1892 toonde hij zich bewust van de beperkingen der geschiedkundige wetenschap: maatschappelijke wetten opsporen en voorspellen zat er voor de geschiedenis niet in. In zijn Leidse oratie verwees hij een nomothetische geschiedwetenschap eenvoudig naar het rijk der idealen. ‘Sociologische wijsgeren’ als Comte en Spencer, zo waarschuwde hij zijn vakgenoten bovendien, bouwden slechts stelsels sine fundamento in re27.

Meer heil voor de realisatie van het Fruiniaanse onpartijdigheidsprogramma verwachtte Blok van de verdere uitwerking van de kritisch-empirische methode die zijn leermeester had geïnaugureerd. Blok had een bijna onwankelbaar vertrouwen in de kracht van het klein-positivisme en pleitte voor een grondig feitenonderzoek als basis voor de geschiedschrijving. Het tijdperk van het dilettantisme moest definitief worden afgesloten, zo beklemtoonde hij voortdurend: een professionele en streng-wetenschappelijke aanpak was nu geboden. Een grondig feitenonderzoek veronderstelde echter een voldoende toegankelijkheid van het bronnenmateriaal. Hierin zag hij de onvervangbare rol van instellingen als het Historisch Genootschap28. Maar ook voor hem was het publiceren van bronnen nog geen voldoende voorwaarde voor een onpartijdige geschiedschrijving. Een historisch ‘weten’ wordt slechts bereikt wanneer het voorhanden materiaal op zijn betrouwbaarheid is getoetst. Dat is de taak van de historische kritiek. In het reeds genoemde openingscollege van 1892 benadrukte hij het belang van deze historische methode: zij

[p. 76]

moet ‘de voetangels en klemmen’ in het basismateriaal aanwijzen. Zonder haar loopt de historicus in de val van ‘de partijdigheid, de onnauwkeurigheid, de onvolledigheid der berichten29. Eén jaar tevoren - bij het overzien van het historische oeuvre van de Belgische katholieke historicus en politicus J. Kervyn de Lettenhove - had Blok reeds vastgesteld hoe het gebrek aan historische kritiek, ‘het onvermogen lakeien - en keukenpraatjes te onderscheiden van staatsstukken en belangrijke correspondentie’, de partijdigheid van een historicus kon bevorderen30. Daarom ook hechtte hij veel belang aan de historische hulpwetenschappen. Reeds in het eerste jaar van zijn professoraat begon hij met een cursus Oorkondenleer31. Maar hij was wars van overdrijving in deze. Het historisch diplomatieke onderzoek van de technomediëvist O.A. Oppermann, sinds 1904 lector Middeleeuwse Geschiedenis te Utrecht en oprichter van het Instituut voor Middeleeuwse Geschiedenis aldaar, en sommigen zijner leerlingen beschouwde hij als een verwerpelijke hyperkritiek32.

Het domein waarbij dit klein-positivisme het best paste, was natuurlijk de regionale en lokale geschiedenis. Meer dan Fruin besteedde Blok aandacht aan de lokale historiografie33. Voor de groei van de historische kennis - vooral op het vlak van de niet-staatkundige geschiedenis - verwachtte hij veel van de stedelijke en provinciale genootschappen. In de winter van 1879-1880 was hij zelf - op aanraden van Fruin - begonnen met een studie over Leiden34. Tijdens zijn Groningse professoraat verwijderde zijn blik zich van Holland en richtte zich op de noordelijke provincies, mede met het oog op het sterk levende provincialisme in het Noorden. Hij besloot ‘de lokale geschiedenis van Friesland en Groningen aan te vatten met de historischkritische methode van de school van Fruin en het op dat terrein nog al te zeer overheerschende dilettantisme door zuiver wetenschappelijke werkzaamheid te louteren35.

Om dit louteringsproces te doen slagen, moest de ‘materiële’ infrastructuur van de geschiedwetenschap verder worden uitgebouwd. Blok toonde zich - net als zijn generatiegenoot Karl Lamprecht - hierbij een voortreffelijk organisator. Twee van zijn instellingen verdienen wat meer aandacht, omdat zij in de verdere verwetenschappelijking van de Nederlandse geschiedbeoefening een belangrijke rol hebben gespeeld: de ‘historische seminaries’ en de archiefreizen36.

Bij zijn afscheid van Groningen refereerde Blok met trots naar de ‘Seminarcollege's’, die hij er had gegeven. Die trots was niet ongepast: hij toonde met deze seminaries oog te hebben voor de internationale vernieuwingstendensen in de historiografie. In Duitsland was het kathederonderricht reeds lang aangevuld door een op de praktijk

[p. 77]

gericht onderwijs en in België was G. Kurth - na een studiereis naar de universiteiten van Leipzig, Berlijn en Bonn - sinds 1874 begonnen met een snel nagevolgde ‘cours pratique37. Blok begreep - en dat was ontegensprekelijk een weldaad voor de Nederlandse geschiedschrijving - dat het verlaten van de oude magistrale doceermethode de geschiedwetenschap kwalitatief ten goede zou komen: in plaats van het weinig kritische ‘jurare in verba magistri’ moest de zelfstandige activiteit van de aspirant-historici worden gestimuleerd38. Vanaf december 1885 - zo blijkt uit de ‘werkverslagen’ die hij regelmatig aan Fruin toezond - organiseerde hij in het Groningse archief ‘privaatcolleges’, waarin hij met de studenten stap voor stap een reeds afgerond historisch onderzoek reconstrueerde39. Paul Fredericq, zelf een overtuigd promotor van deze praktische colleges, heeft de concrete werking van Bloks seminaries beschreven. Hij stond er vol bewondering voor en sprak de hoop uit dat dit voorbeeld ook aan de andere Nederlandse universiteiten zou worden nagevolgd. Geen ijdele hoop, zo zou later blijken40.

Hoe belangrijk het bronnenmateriaal voor de klein-positivist Blok was, is hierboven reeds aangeduid. Blok toonde zich zeer bezorgd voor de organisatie van het Nederlandse archiefwezen. Met name de geheimzinnigheid waarmee vele archiefstukken nog aan het publiek werden onttrokken, mishaagde hem. In navolging van Bakhuizen van den Brink maakte hij de ‘vrijzinnige’ idee van de principiële openheid der archieven tot de zijne41. Maar zijn verlangen bleef niet beperkt tot de archivalia binnen de nationale grenzen. Vanaf eind 1885 vatte hij het plan op een systematische zoektocht in buitenlandse archiefdepots te ondernemen, met het oog op archivalia die een nieuw licht op de Nederlandse geschiedenis zouden kunnen werpen. Fruin toonde zich oorspronkelijk geen groot voorstander van het plan, maar erkende later het belang ervan42. In het buitenland was de waarde van dergelijke archiefreizen overigens reeds vroeger ingezien. De grote pionier op dit vlak was L.-P. Gachard geweest, die al vanaf 1827 (dus ten tijde van het Verenigd Koninkrijk) in opdracht van de nationale overheid met succes archiefmissies had volbracht en die in september 1843 als eerste buitenlander voor onderzoeksdoeleinden in Simancas was toegelaten. In Frankrijk werd het budget van de Service des Missions in 1843 vertienvoudigd43.

Blok maakte zelf een aantal van deze archiefreizen, ondermeer naar Rome, waar hij de grondslagen voor het Nederlands Historisch Instituut (1904) legde44. Omstreeks de eeuwwisseling volgden missies van ondermeer C.G. Uhlenbeck, G.W. Kernkamp en G. Busken Huet. In zijn Afscheidsrede zou Blok deze reizen verantwoorden

[p. 78]

door erop te wijzen dat het aldus samengebrachte materiaal behoedde voor een al te nationalistische kijk op de vaderlandse geschiedenis en zodoende de onpartijdigheid van het geschiedverhaal beter waarborgde. In zekere zin kan deze post factum-verantwoording als een ‘geografische’ uitbreiding van de Fruiniaanse onpartijdigheidstheorie worden beschouwd45.

Deze praktische colleges en archiefreizen maakten duidelijk dat Blok in de eerste plaats een man van de praktijk was, die zich inspande voor een verdere uitbouw van de geschiedenis als wetenschap. Hij was ervan overtuigd dat een dergelijke verwetenschappelijking de ‘volledige geschiedkundige waarheid’ en dus ook de volstrekte onpartijdigheid steeds nader zou brengen46. Daarin toonde hij zich een zuivere exponent van het liberaal-positivisme en als het ware ‘Fruiniaanser dan Fruin’. Op een ander punt bleek hij echter te streven naar vernieuwing.

7p.j. blok, De Historische School, - Pallas Leidensis MCMXXV, Leiden, 1925, p.114. Vgl. id., Geschichtschreibung in Holland, (Schriften des Holland-Instituts in Frankfurt am Main, N.R., i), Heidelberg, 1924, p.19.
8id., Robert Fruin, - id., Verspreide studiën op het gebied der geschiedenis, Groningen, 1903, p.305-306 en id., Afscheidsrede, p.17. Blok was overigens niet de enige die de Fruiniaanse onpartijdigheidsleer nog na de Eerste Wereldoorlog als ideaal voor de historicus aanprees: ook Japikse deed dat (ondermeer n. japikse, Waardeering van Johan de Witt. Rede uitgesproken op 12 juni 1918 in Pulchri Studio, 's-Gravenhage, 1918, p.37-38).
9p.j. blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, Leiden, dl.I, 19233, p.7.
10id., Nijhoff's Staatkundige geschiedenis, - De Nederlandsche Spectator, 1893, nr.30, p.238.
11lub, bpl 298811/31.
12lub, bpl 2986/4: recensie van g.c.w. görris, Dr. W.J.F. Nuyens beschouwd in het licht van zijn tijd (1908). Vgl. p.j. blok, Geschichtschreibung in Holland, p.21.
13id., De katholieken ten onzent in de 18de eeuw, - De Nederlandsche Spectator, 1894, nr.52, p.420-421; id., Levensbericht van G. Brom, - Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1914-1915, p.152-181 en de brieven van B. Kruitwagen aan Blok in lub, bpl 2984/3.
14lub, bpl 2983/1.7, p.12a (tekst uit 1897).
15id., De moord van 1584, - De Nederlandsche Spectator, 1884, nr.21, p.163-165 (vgl. ondermeer De Nederlandsche Spectator, 1887, nr.50, p.415-416 en 1892, nr.14, p.110-111). Cfr. m.-a.d. delen, m.j.m. hageman en c.g. weijers, De Prins is dood. Leve de dode Prins! De Oranje-herdenking van 1884, - e.o.g. haitsma mulier en a.e.m. janssen (red.), Willem van Oranje in de historie 1584-1984. Vier eeuwen beeldvorming en geschiedschrijving, Utrecht, 1984, p.108-136 (met name p.116).
16j.a. bornewasser, Periodieke historiografie in een verzuilde context: twee katholieke tijdschriften, - TvG, 99 (1986), p.458-460.
17p.j. blok, De Jezuïeten, - id., Verspreide studiën, p.225-279.
18a. van kerkhoff, Prof. Dr. Robert Fruin en de wederopluiking van het katholicisme, - De Katholiek, 107 (1895), p.340 en de commentaar van w.w. van der meulen, Verspreide studiën op het gebied der geschiedenis, - De Nederlandsche Spectator, 1904, nr.5, p.38-39.
19Fruin-correspondentie, nr.409: R. Fruin aan Blok, 23 april 1893 en lub, bpl 2378/43.
20lub, bpl 2983/2.
21Vgl. lub, bpl 298811/10: Grafrede voor R. Fruin (1 febr. 1899). Cfr. supra hf.I, par.3.
22g. brom, Blok en Huizinga, - De Beiaard, 4 (1919), dl.I, p.89-91 (cfr. id., Een katholiek leven. Autobiografische aantekeningen, uitg. p. luykx en j. roes, Baarn, 1987, p.73) en h. brugmans, Blok's levenswerk, - De Groene Amsterdammer, 9 nov. 1929, nr.2736, p.1.
23p.j. blok, Het doel van de beoefening der geschiedenis, 's Gravenhage, 1884, p.13-14.
24id., Macaulay en de kritiek, - De Nederlandsche Spectator, 1883, nr.18, p.140-141.
25id., Theod. Jorissen, - De Nederlandsche Spectator, 1889, nr.22, p.173-174.
26id., John Lothrop Motley as Historian (1814-1877), - Lectures on Holland for American Students, Leiden, 1924, p.66-75 en id., Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.I, 19233, p.487, noot 1 en dl.II, 19243, p.VI (vgl. id., Amerika en de Nederlanden, - De Nederlandsche Spectator, 1892, nr.38, p.305).
27id., Het doel van de beoefening der geschiedenis, p.18-19; lub, bpl 2986/7 (vgl. lub, bpl 298811/37) en id., De geschiedenis als sociale wetenschap, Groningen, 1894, p.17-19 en p.21.
28id., Feestrede bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Genootschap, - Verslag van de Algemeene Vergadering der leden van het Historisch Genootschap te Utrecht, 1920, p.19 en p.22.
29lub, bpl 2986/7.
30id., Kervyn de Lettenhove, - De Nederlandsche Spectator, 1891, nr.17, p.131-132.
31Cfr. lub, bpl 2983/2.
32lub, bpl 2983/2: Bronnen Geschiedenis Middeleeuwen, p.33 (vgl. het ambivalente id., Geschichtschreibung in Holland, p.23). De Duitser Oppermann had in Bonn, Leipzig en Berlijn gestudeerd en was in 1897 bij Lamprecht gepromoveerd. Hij was door bemiddeling van S. Muller Fz. in Utrecht benoemd. Over Oppermann; het biografische artikel van zijn leerling f. ketner, art. Oppermann, Otto [Alexander], - Biografisch Woordenboek van Nederland, dl.I, 1979, p.435-436 (met verdere literatuurverwijzing).
33Cfr. p.j. blok, Die heimatliche Geschichtsforschung in Holland, - Westdeutsche Zeitschrift für Geschichte und Kunst, 7 (1888), p.1-22 (dit tijdschrift werd mede geredigeerd door Lamprecht). Vgl. p.b.m. blaas, Van Bosscha tot Kernkamp: een diversiteit van geschiedbeoefening te Amsterdam zonder Amsterdam, - Theoretische Geschiedenis, 10 (1983), p.304-305.
34p.j. blok, Afscheidsrede, p.7-8. Cfr. h. brugmans, Levensbericht van P.J. Blok, - Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, 1930-1931, Levensberichten, p.9-11.
35p.j. blok, Afscheidsrede, p.8 en Fruin-correspondentie, nrs. 293-294.
36Uitgebreid in j. tollebeek, De uitbouw van een historische infrastructuur in Nederland en België (1870-1914), te verschijnen in Theoretische Geschiedenis, 17 (1990) (met commentaar van A.E.M. Janssen en nawoord).
37lub, bpl 2983/2 (vgl. de ongedateerde notitie betreffende de groei van de historische kritiek in dit dossier). Over de ontwikkeling van deze ‘cours pratiques’ in België: p. fredericq, L'origine et les développements des Cours pratiques d'histoire dans l'enseignement supérieur en Belgique, z.pl., 1898 en j. tollebeek, ‘L'Eglise n'a pas besoin de mensonges’. A. Cauchie et la Revue d'Histoire ecclésiastique (1900-1922), - Bulletin van het Belgisch Historisch Instituut te Rome, 57 (1987), p.199-203.
38Cfr. lub, bpl 2983/2: Studie der geschiedenis (1 okt. 1889) en De fransche Revolutie (28 sept. 1891).
39Fruin-correspondentie, nrs.316 en 328.
40p. fredericq, L'enseignement supérieur de l'histoire et de la géographie en Hollande (1885-1888), - p.a.m. geurts en a.e.m. janssen (uitg.), Geschiedschrijving in Nederland. Studies over de historiografie van de Nieuwe Tijd, dl.II: Geschiedbeoefening, 's-Gravenhage, 1981, p.155-157 (cfr. ook lub, bpl 2377/16: P. Fredericq aan Blok, 24 sept. 1909). Vgl. de recensie van h. brugmans, Hooger onderwijs in de geschiedenis, - De Nederlandsche Spectator, 1899, nr.43, p.344-345. Ook M.G. de Boer, die als niet-universitair student tot Bloks privatissimum was toegelaten, toonde zich bijzonder enthousiast (m.g. de boer, Ter herinnering aan Petrus Johannes Blok, - TvG, 45 (1930), p.111-112).
41p.j. blok, Onze archieven, - De Gids, 55 (1891), dl.I, p.159-181 (vooral p.170-171) (vgl. id., Levensbericht van Mr. Hendrik Octavius Feith, - Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1895-1896, p.57-58). Cfr. h.j. van meerendonk en a.e.m. ribberink, De oorsprong van de openbaarheid, - Rijksarchiefschool. Verslag en Bijdragen, 1970-1971, p.35-44 en i. schöffer, ‘Wacht achter deze lijn’. Het probleem van de openbaarheid, - Voor Burger en Bestuur. Twintig jaar Nederlands archiefwezen 1968-1988, (Archiefpublicaties, 2), Hilversum, 1988, p.100-109.
42Cfr. lub, bpl 2983/2: Nederlandsche historiographie (9 okt. 1919) en Fruin-correspondentie, nrs.314-315, 352 en 378. Fruin stichtte in 1886 wel een fonds (het zgn. ‘Fruinfonds’) dat verdienstelijke, maar onbemiddelde studenten van de Leidse universiteit moest toelaten na de voltooiing van hun opleiding een studiereis naar het buitenland te maken (w. den boer, Robert Fruin en zijn Fonds voor Studiereizen, - Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en omstreken, 59 (1967), p.107-121). Ook in België werden Bloks plannen met aandacht gadegeslagen: cfr. Bulletin de l'Académie Royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, 67 (1897), serie 3, dl.XXXIII, p.231-232.
43g. janssens, L.-P. Gachard en de ontsluiting van het Archivo General de Simancas, - Liber amicorum Dr. J. Scheerder. Tijdingen uit Leuven over de Spaanse Nederlanden, de Leuvense universiteit en Historiografie, Leuven, 1987, p.312-341 (voor een algemeen kader: f. vercauteren, Cent ans d'histoire nationale en Belgique, Brussel, 1959, p.58-89) en p. den boer, Geschiedenis als beroep. De professionalisering van de geschiedbeoefening in Frankrijk (1818-1914), Nijmegen, 1987, p.96-97.
44Cfr. lub, bpl 2984/8 en bpl 29901-11. Cfr. ook Mededeelingen van het Nederlandsch Historisch Instituut te Rome, 1 (1921), p.1-16 en 9 (1929), p.1-9.
45p.j. blok, Afscheidsrede, p.9-12.
46Cfr. id., Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.IV, 19263, p.VI.
prepostterug  begin  verder