terug  begin  verderprepost

2. Pleidooi voor een ‘sociale geschiedenis’

Blok vulde de geschiedtheoretische ideeën van Fruin aan met een pleidooi voor een thematische verbreding in de historiografie47. Dit pleidooi getuigde van een verlangen de traditionele (staatkundige) geschiedenis open te trekken, een innovatie die volgens Blok volkomen ‘in de richting van de ontwikkeling van de Nederlandse historiografie’ lag48. De weinig wijsgerige geest die hij zichzelf later toeschreef49, weerhield hem er niet van de fundamenten van deze vernieuwing ook theoretisch aan de orde te stellen. Hij beschouwde deze theoretische opstellen trouwens expliciet als een richtsnoer voor zijn verdere historische praktijk.

Blok bracht deze thematische verbreding voor het eerst ter sprake in de oratie waarmee hij op 26 september 1884 zijn Groningse professoraat aanvaardde: Het doel van de beoefening der geschiedenis. In dat plechtige uur nam hij zich voor zijn historiografische ideaal zo duidelijk mogelijk te omschrijven en zich tegelijkertijd rekenschap te geven van zijn plannen voor de toekomst. De taak van de historicus, zo doceerde hij, bestaat niet langer uit het schrijven van een geschiedverhaal waarin de politieke en geestelijke leiders centraal staan. Een dergelijke ‘biografische geschiedenis’, waarvan natuurlijk het werk van Carlyle als illustratie werd aangehaald, reserveerde hij voor de eerste jaren van het gymnasiaal onderwijs, waarin - in de vorm van een niet al te kritisch en een opgesierd verhaal en met een uitdrukkelijk belerend doel - de geestdrift wekkende daden en woorden van

[p. 79]

de grote historische figuren kunnen worden gememoreerd50. Evenmin kan de hedendaagse geschiedschrijver zich beperken tot een ‘histoire bataille’ of een louter staatkundig-diplomatieke geschiedenis. Bloks bewondering voor Ranke, ‘de nestor der geschiedvorsers van onze tijd’, werd overschaduwd door de kritiek op diens al te beperkt historisch aandachtsveld. Blok beschouwde - net als Fruin trouwens - de Rankiaanse historiografie, waarin de Staat als een alles overheersend subject de maatschappij domineerde, als een wat bedenkelijke geestelijke pendant van de materiële machtsontwikkeling van de Pruisische Staat. Hij besefte dat de Nederlandse natie geen betekenisvolle rol meer kon spelen op het politieke wereldtoneel, maar hoopte dat zij in de toekomst de functie van culturele bemiddelaar tussen de verschillende volkeren zou vervullen. Daarom kon hij zijn goedkeuring niet langer hechten aan een geschiedschrijving, waarin alleen de machtsontplooiing van de Staat en de instellingen waardoor die ontplooiing werd gemedieerd, aan bod kwamen51. Tenslotte kon ook de groot-positivistische beschavingsgeschiedenis van Buckle en Taine in zijn ogen niet worden beschouwd als de geschikte invulling van het moderne geschiedbegrip, en wel omwille van het te deterministische grondschema waarop zij berustte.

Meer positief omschreef Blok het doel van de hedendaagse historicus als een reconstructie van de wording van de maatschappij: ‘De geschiedvorscher houde zich bezig met het onderzoek naar de ontwikkeling der maatschappelijke toestanden52. In 1889 vatte hij dit denkbeeld samen in de formule: ‘Ware geschiedwetenschap is sociologie53. Dit impliceerde dat de historische thematiek moest worden verbreed: naast de politieke ontwikkelingen, moesten ook de evolutie van de religieuze denkbeelden, de letterkundige beschaving, het kunstgevoel, recht en wet, de economische toestanden... een plaats in het geschiedverhaal krijgen. Tevens moest voor de afbraak van de groeiende specialisatie in het historisch bedrijf worden gezorgd. Immers: wanneer deze specialisatie zich onafgebroken zou doorzetten, zou de brede vorming, conditio sine qua non voor de historicus die de maatschappelijke toestanden in hun veelzijdigheid wil beschrijven, definitief verloren gaan, waardoor de verbreding van het historisch perspectief slechts een droom zou blijven.

Ondanks lichte nuanceverschillen zette Blok deze zelfde heilzame ideeën met een opvallende rechtlijnigheid uiteen in zijn bekende Leidse oratie van 6 oktober 1894 over De geschiedenis als sociale wetenschap. De nieuwe rede stak beter in elkaar, mede omdat Bloks historiografische bagage in een periode van tien jaar aanzienlijk was toegenomen: ‘De tamelijk lichte wapenuitrusting, waarin hij nog Gro-

[p. 80]

ningen was binnengekomen, was nu aanmerkelijk verzwaard. Maar hij droeg nog dezelfde kleuren’, zo omschreef zijn leerling en opvolger I.H. Gosses deze continuïteit terecht54. Ook nu wees de orator de staatkundige historie af. Hij argumenteerde dat historici als Ranke zich een te hoog denkbeeld van de Staat hadden gevormd. Voor Blok was de Staat niet meer (maar ook niet minder) dan de organisatievorm van de maatschappij. De beschavingsgeschiedenis van Buckle en Taine kon hem ook nu niet boeien: hij stoorde zich aan haar overmatige breedheid en ‘grof materialisme’ en aan de afkeer van haar representanten van jaartallen en feiten, die volgens hem juist het geraamte der geschiedenis vormden. Maar hij bracht veel waardering op voor hen die zich - als Lamprecht en K.Th. von Inama-Sternegg - vanuit deze beschavingsgeschiedenis hadden gewend tot de Wirtschaftsgeschichte door op strenge methodische basis en op de vaste grondslag van een uitgebreide feitenkennis de ‘geschiedenis van het stoffelijk leven der menschheid’ tot onderzoeksobject te nemen.

Toch opteerde Blok voor een andere vorm van geschiedschrijving, die hij aanduidde met de term ‘sociale geschiedenis’: ‘Zij alleen, de geschiedenis der menschelijke maatschappij in haar geheel, is in den vollen zin des woords waardig geschiedenis te heeten55. Een apodictische uitspraak, die weinig tegenspraak duldde; maar wat deze sociale geschiedenis precies inhield, bleef ook in deze rede vaag. De verwarring die Bloks oratie teweegbracht, sprak ondermeer uit de recensie van de oriëntalist G. van Vloten56.

Zo leken velen er trouwens over te denken, want een half jaar later, op 16 april 1895, moest Blok voor het Historisch Genootschap te Utrecht en in aanwezigheid van ondermeer Fruin, Bussemaker, Kernkamp, de beide Mullers, Rogge, Brugmans ..., kortom de elite van de Nederlandse historische wereld, en één enkele buitenlander als Fredericq, verduidelijken wat hij in zijn oratie eigenlijk had bedoeld, zodat alle mogelijke misvattingen - Blok gaf er zelf een overzicht van - omtrent zijn plannen voor eens en altijd van de baan zouden zijn57. Hij nam zich daarom uitdrukkelijk voor in deze korte rede te zoeken naar scherpe en ondubbelzinnige definities van begrippen als ‘sociale geschiedenis’, ‘Kulturgeschichte’ en ‘Wirtschaftsgeschichte’.

Een sociale geschiedenis of een geschiedenis van de maatschappij kon zich, aldus Blok, op twee niveaus afspelen: enerzijds kon zij zich als wereldgeschiedenis in de algemeenheid bewegen, anderzijds kon zij zich als volksgeschiedenis tot een bepaald volk beperken. Zowel een wereldgeschiedenis als een volksgeschiedenis omvatten - indien zij een werkelijke sociale geschiedenis wilden zijn - twee ‘kringen’,

[p. 81]

namelijk een geschiedenis der beschaving en een geschiedenis der volkshuishouding. De eerste moest zich richten op de geestelijke ontwikkeling: godsdienst kunst, wetenschap, letteren, moraal... De geschiedenis der volkshuishouding moest de ontwikkeling van de ‘stoffelijke zijde’ van het menselijk bestaan beschrijven, dit wil zeggen: landbouw, handel, geldwezen, nijverheid, maar ook binnen- en buitenlandse politiek. De entiteit ‘Staat’ moest immers, zoals reeds in de oratie van 1894 gesuggereerd, aan de entiteit ‘Volk’ worden ondergeschikt. Beide kringen, zo voegde Blok er voor alle zekerheid aan toe, waren natuurlijk slechts op het logische vlak streng te onderscheiden.

Bloks sociale geschiedenis beoogde dus een integrale geschiedenis te zijn, een ambitieus project dat de verschillende sferen van het maatschappelijk leven in één geschiedverhaal wou omspannen. Met name Kernkamp zou de functie van de sociale geschiedenis later tot bescheidener proporties terugbrengen en haar een meer specifieke taak toewijzen58. Maar voor Blok primeerde de alomvattendheid van het project. Die alomvattendheid bleek bovendien van een dubbele bodem te zijn voorzien. De sociale geschiedenis zou in Bloks ogen het historisch perspectief immers op een dubbele manier verbreden: zij zou niet alleen meer bieden dan de cultuur- of de staatkundige geschiedenis, maar ook een groter deel van de bevolking in het geschiedverhaal betrekken. De tot nu toe onzichtbaar gebleven massa zou het blikveld van de historicus binnentreden. Bloks motivering van zijn historiografisch ideaal weerspiegelde deze gelaagdheid.

Bloks pleidooi voor een verbreding van het historisch perspectief beantwoordde in de eerste plaats aan zijn verlangen de Nederlandse historiografie beter bij de recente internationale ontwikkelingen in de geschiedbeoefening te laten aansluiten. Blok hield de blik daarbij vooral op Duitsland gericht. De hoge bloei van de geschiedschrijving aldaar stond hem tijdens zijn Groningse professoraat al voor ogen toen hij zijn eerste historische seminaries organiseerde. Hij was natuurlijk niet de enige die zich op Duitsland oriënteerde. Voor talloze Europese historici was de Duitse historiografie - steeds weer met de naam Ranke geassocieerd - het summum van de verwetenschappelijking en de professionalisering van de geschiedenis. Trouwens ook in de Verenigde Staten gold Duitsland als voorbeeld. De heerschappij van de romantische historici (de Bancrofts, Parkmans en Motleys) brokkelde er geleidelijk af en verschillende jonge Amerikaanse geleerden trokken - net als hun Europese collega's - naar de Duitse universiteiten om er zich te bekwamen in de nieuwe historische methode59. De Duitse historiografie leek dus een ‘pole position’ in het

[p. 82]

wetenschappelijk circuit in te nemen. In werkelijkheid - maar dat zou pas later duidelijk worden - grepen de belangrijkste verschuivingen in Frankrijk plaats, waar geleidelijk het Annales-paradigma werd gevormd. In 1903 voerde F. Simiand zijn befaamde aanval op het ‘Duitse’ paradigma uit60. Maar voorlopig bleven de ogen - ook in Nederland - op Duitsland gericht61.

In de jaren 1890 trok vooral de machtige figuur van Lamprecht, vernieuwer en organisator, de aandacht62. In België toonde met name Henri Pirenne een grote openheid voor de historiografische inzichten van Lamprecht, met wie hij trouwens in nauwe vriendschap was verbonden63. Ook Blok bekende in 1895 dat Lamprechts ideeëngoed exemplarisch was geweest bij de definiëring van het eigen onderzoeksproject. In 1891 was het eerste deel van diens Deutsche Geschichte verschenen en zowel in zijn oratie van 1894 als in de rede van 1895 zou Blok met instemming naar dit voorbeeld verwijzen64.

Blok is zich eigenlijk altijd verwant blijven voelen met Lamprechts geschiedtheoretische ideeën, waarin de afkeer van een te ver doorgedreven specialisatie en het streven naar een bredere sociale geschiedenis zo duidelijk werden verwoord. Met name over diens ‘dynamisering’ van het object van het historisch onderzoek bleef hij steeds in positieve bewoordingen spreken. Herhaaldelijk vatte hij deze ‘dynamisering’ samen in de formule dat de geschiedenis niet moest achterhalen ‘wie es eigentlich gewesen [ist]’, zoals Ranke in 1824 had bepleit, maar veeleer ‘wie es eigentlich geworden ist65. Nog in 1908 plaatste hij zich op één geschiedtheoretische lijn met Lamprecht en Pirenne66.

Toch kan niet worden ontkend dat Blok na de eeuwwisseling enige afstand ten aanzien van Lamprecht trachtte te behouden. Daarvoor waren er in de eerste plaats wetenschapstheoretische motieven. Lamprechts steeds aangroeiende Deutsche Geschichte, die uiteindelijk vierentwintig delen zou omvatten, ontfermde zich naar Bloks oordeel over al te veel bijzaken. Bovendien mishaagde de psychologiserende en generaliserende tendens van het werk hem67. Maar wat hem na 1900 vooral aan Lamprecht irriteerde en de gelijkgestemdheid grondig verstoorde, was de imperialistische ondertoon van de Deutsche Geschichte. In 1904 zou Lamprecht te ver gaan. In het nieuwe deel van de Deutsche Geschichte, dat handelde over de binnen- en buitenlandse staatkunde van Duitsland, had hij gesuggereerd dat de toekomst van de Nederlandse natie in de integratie in het Duits Rijk lag. Blok reageerde daarop geprikkeld en waarschuwde Lamprecht dat voor een dergelijke integratie - of duidelijker: annexatie - noch een historisch-staatsrechtelijke, noch een economische of nationale

[p. 83]

grond bestond68. Het zou overigens niet de laatste keer zijn dat Lamprecht hierom in Nederland werd gekapitteld. Jongere historici als Brugmans en Colenbrander wezen tijdens de Eerste Wereldoorlog herhaaldelijk Lamprechts imperialistische (retrospectieve) politiek af69.

Ook in België zou Lamprecht tijdens de Oorlog trouwens veel krediet verliezen. Dat kon ook moeilijk anders. Uit zijn in maart 1915 te Dresden gehouden lezing over Belgien. Nach geschichtlichen und persönlichen Erfahrungen was al duidelijk geworden dat hij voor de toekomst niet veel heil zag in een België zoals dat tot dan toe had bestaan. In april 1915 bracht hij een bezoek aan de Brusselse archivaris G. Des Marez teneinde van hem documentatie te verkrijgen om de Duitse Flamenpolitik ‘wetenschappelijk’ te ondersteunen. Pirenne, die door een verontwaardigde Des Marez van dit bezoek op de hoogte was gebracht en die kort tevoren een zoon aan de IJzer had verloren, toonde zich bijzonder gedesillusioneerd. Hij zou zich echter niet meer kunnen beklagen bij Lamprecht, want deze overleed op 10 mei 1915. Vijf dagen later noteerde Fredericq in zijn dagboek: ‘Heden brengt mij de “Vlaamsche Post” het ontzettend nieuws van Lamprecht's overlijden te Berlijn. Zelfmoord? Schielijke dood? R.I.P. Ik kan hem niet beweenen. Hij is te harteloos voor België geweest’70.

Keren we echter terug naar Blok. Deze zocht voor zijn project van de sociale geschiedenis niet alleen steun in het buitenland. Er zat iets ambivalents in zijn houding. In 1884 betitelde hij de sociale geschiedenis als ‘een ten onzent weinig betreden pad71. Maar toch trachtte hij voor deze innovatie ook voorlopers in Nederland aan te wijzen. Merkwaardig genoeg beriep hij zich hiervoor noch op Thorbecke noch op R.P.A. Dozy. De eerste had er in zijn antwoord op de in december 1826 uitgeschreven koninklijke prijsvraag om een plan voor een algemene geschiedenis der Nederlanden, op gewezen dat de toekomstige rijksgeschiedschrijver zich in een dergelijk historiewerk zeker niet zou mogen beperken tot de politieke geschiedenis: ook ‘de staatsregtelijke en burgerlijke huishouding der provincies, van de edelen, van de steden, van derzelver verhouding onderling, van de verschillende klassen des volks, en derzelver bedrijf, regtsbetrekking en welvaart’ zou hij in zijn verhaal moeten betrekken72. Thorbeckes niet bekroonde Ontwerp tot een nieuwe bewerking der Landsgeschiedenis werd in 1882 gepubliceerd, maar Blok verwees er nergens naar. Opvallend afwezig in zijn autoriteitenlijstje was ook Dozy. Deze arabist en hispanist had hem in zijn studietijd te Leiden nochtans meer geboeid dan Fruin. In Dozy's geschiedschrijving, romantisch en vaak anecdotisch van aard, werd meer dan in Fruins analyses van de poli-

[p. 84]

tieke geschiedenis, aandacht besteed aan de voorbije maatschappelijke toestanden en aan literaire en cultuurhistorische onderwerpen73.

Ook naar het Tijdschrift voor Geschiedenis verwees Blok niet toen hij zijn sociale geschiedenis voorstelde. In de Groningse oratie kon dat nog niet: het nieuwe Tijdschrift verscheen pas in 1886 voor het eerst. In 1894 - het jaar van de Leidse oratie dus - bestond het echter al enkele jaren en Blok kende het natuurlijk. Deze nieuwe periodiek was opgericht door A.M. Kollewijn die - daarin beïnvloed door Spencer, Buckle en Taine - de geschiedenis tot een ‘beschrijvende sociologie’ wou omvormen. In het voorwoord van de eerste aflevering van het Tijdschrift noemde de redacteur het daarom de taak van de historicus ‘de staatkundige, maatschappelijke, kerkelijke en huiselijke toestanden’ in het verleden te onderzoeken en deze met de hedendaagse situatie te vergelijken. Blok had duidelijk oor naar dit programma, waarvan de verwantschap met zijn eigen pleidooi voor een sociale geschiedenis hem ongetwijfeld moet zijn opgevallen, want hij verleende nog aan de eerste jaargang van het tijdschrift zijn medewerking74.

Liever legitimeerde Blok zijn project echter door te verwijzen naar Fruin, die hij dus ook op dit gebied als zijn leermeester beschouwde. In de oratie van 1894 roemde hij hem uitdrukkelijk als ‘onzen voorganger in eene ruimere opvatting van het denkbeeld geschiedenis’. Vooral de Tien jaren functioneerde als een argumentum pro domo. Blok verwierf daarvoor trouwens de instemming van Fruin, die hem op 2 oktober 1884 over zijn Groningse oratie had geschreven dat hij het volstrekt eens was - op enkele bijzaken na - met het in die rede uiteengezette standpunt75.

Maar naast deze intern-historiografische motieven had Blok nog een andere en belangrijker reden om een sociale geschiedenis te bepleiten. Vanaf circa 1870 was in Nederland de sociale kwestie op de voorgrond getreden. Naast de schoolstrijd en de strijd rond de kieswetgeving werd de binnenlandse politiek ten gevolge van de beginnende modernisering van het industriële apparaat meer en meer beheerst door het sociale vraagstuk. Het proces van de wederzijdse doordringing van Staat en Maatschappij kwam op gang. In de jaren 1870 werden de eerste aarzelende initiatieven op het vlak van de sociale wetgeving ondernomen. De befaamde parlementaire enquête van 1886, die verschrikkelijke wantoestanden in de fabrieken en werkplaatsen aan het licht bracht, stimuleerde deze wetgeving76. Het lag voor de hand dat deze politieke verschuivingen zich ook in de historiografie zouden manifesteren. De geestelijke vorm waarin de Nederlandse cultuur rond 1900 zich rekenschap van haar verleden

[p. 85]

gaf, werd aan de politieke ontwikkelingen van die tijd aangepast. Met andere woorden: Bloks sociale geschiedenis, die de historische ontwikkeling van de maatschappij in al haar geledingen op het oog had, was de geestelijke tegenhanger van een staatkunde waarin het sociale vraagstuk een hoofdrol ging spelen.

Blok besefte dit terdege. Reeds in 1889 - het jaar van de Arbeidswet - Ruys de Beerenbrouck - wees hij erop dat een sociale geschiedenis juist in deze tijd, waarin de sociale problemen de gemoederen steeds meer beroerden, aan betekenis won77. In de Leidse oratie was hij nog duidelijker. Hij verdedigde er het project van de sociale geschiedenis expliciet met een verwijzing naar het tijdsgewricht waarin zij moest worden ontwikkeld: ‘Zij ontleent hare kracht niet alleen aan de betekenis van het woord geschiedenis, maar ook... de tijden roepen om haar’. En hij vervolgde: ‘In onze dagen van onderzoek der maatschappelijke toestanden, van voorbereiding van maatschappelijke hervormingen, van naderende maatschappelijke omkeeringen misschien, wordt de geschiedvorscher als van zelf tot haar, de maatschappelijke geschiedenis, gedrongen: Morgen, heden reeds vraagt men hem: niet, hoe is de ontwikkeling geweest van dezen of genen ouden staat; niet, hoe heeft deze of gene vroegere vorst geregeerd; niet, hoe stond het aan het hof van Lodewijk XIV of Karel den Groote; niet, hoe ontwikkelden zich kunst en letteren in dit of dat tijdperk - maar met den meesten aandrang stelt men hem vragen als de volgende: hoe was eertijds de verhouding van arm en rijk?’78.

Blok was voorzichtig genoeg om te begrijpen dat een dergelijke stringente band tussen de actuele politieke vraagstukken en de geschiedschrijving het onpartijdige karakter van deze laatste in gevaar kon brengen. De afkeer van een partijpolitieke historiografie, die hij van Fruin had geërfd, maakte hem waakzaam. Maar hij vertrouwde in 1894 nog voldoende op de ‘wetenschappelijke waarheidszin’ van de historici. Dat vertrouwen bracht hem ertoe het risico te nemen de historiografische produktie te zien verzuren door allerlei partijhartstochten en een krachtig woord van steun uit te spreken aan de geschiedschrijver die zich niet langer terugtrok in de kunstmatige isolatie van het studievertrek, maar zich zou bewegen ‘te midden van het werkelijke leven van zijn tijd79. De literaire criticus W. Doorenbos, van wie een bezielende invloed op de Beweging van Tachtig was uitgegaan, mocht in zijn recensie van Bloks Leidse oratie dan nog zoveel scepsis tonen ten aanzien van een geschiedbeoefening die aansloot bij de actuele politieke problemen80, voor Blok was een geschiedschrijving die de l'art pour l'art-slogan in haar banier schreef, de ware niet. Mits de onpartijdigheid van het onderzoek gewaarborgd bleef, moest

[p. 86]

de historiografie de band met het tegenwoordige aanhalen. De geschiedenis als verklaring van het tegenwoordige: het was een standpunt dat Blok reeds in 1884 had verdedigd81. De tijd vroeg om een sociale geschiedenis - en die wou hij het Nederlandse volk geven. In de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk poogde hij zijn programma in de praktijk te realiseren.

47Vgl. j. tollebeek, Historiografie en politiek omstreeks de eeuwwende: Bloks sociale geschiedenis, - tsg, 13 (1987), p.131-149.
48p.j. blok, Pieter Lodewijk Muller, - De Nederlandsche Spectator, 1904, nr.53, p.432.
49id., Afscheidsrede, p.6.
50id, Examens en onderwijs in geschiedenis, - De Nederlandsche Spectator, 1888, nr.31, p.254-255.
51Cfr. ondermeer het slot van id., De invloed van naburige volkeren op de ontwikkeling der Nederlandsche maatschappij, - TvG, 6 (1891), p.188-189. Cfr. infra par.3.
52id., Het doel van de beoefening der geschiedenis, p.15. Vgl. Fruin-correspondentie, nr.328: Blok aan R. Fruin, 7 maart 1886. Blok gebruikte in deze brief voor het eerst de term ‘sociale geschiedenis’.
53lub, bpl 2983/2: Studie der geschiedenis.
54i.h. gosses, Levensbericht van Petrus Johannes Blok, p.116 en p.120-121.
55p.j. blok, De geschiedenis als sociale wetenschap, p.15.
56g. van vloten, Recensie van p.j. blok, De geschiedenis als sociale wetenschap, - Tweemaandelijksch Tijdschrift, i (1895), dl.I, p.303-306.
57id., Het onderscheid tusschen geschiedenis der beschaving, der volkshuishouding en der maatschappij, - Verslag van de Algemeene Vergadering der leden van het Historisch Genootschap, 1895, p.32-48 (over de misvattingen: p.33-34).
58Cfr. infra hf.III, par.2.
59Cfr. a. lammers, ‘Degelijke en vaderlandslievende mannen’. De eerste halve eeuw van de American Historical Review, - TvG, 99 (1986), p.607-608. Ook Nederlandse historici vervolledigden hun opleiding in Duitsland. De oudhistoricus U.Ph. Boissevain studeerde in 1879-1880 te Berlijn bij Th. Mommsen. De mediëvist Gosses kreeg na zijn doctoraalexamen een stipendium voor een reis naar de universiteiten van Marburg en Wenen, waar hij enige semesters verbleef en zich in de Wirtschaftsgeschichte verdiepte (1898-1899).
60f. simiand, Méthode historique et science sociale, - Revue de Synthèse Historique, 6 (1903), p.1-22 en p.129-157.
61Vgl. w. den boer, Miracle français et retard néerlandais: quelques jalons pour une historiographie comparée, - L'Histoire et ses Méthodes. Actes du Colloque Franco-Néerlandais de novembre 1980 à Amsterdam, Rijsel, 1981, p.89-108 (passim).
62Over Lamprecht (en de weerstanden die zijn werk opriep): ondermeer g. oestreich, Die Fachhistorie und die Anfänge der sozialgeschichtlichen Forschung in Deutschland, - Historische Zeitschrift, 208 (1969), p.320-363.
63The Letters of Henri Pirenne to Karl Lamprecht, uitg. br. lyon, - Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 132 (1966), p.161-231 en h. sproemberg, Pirenne und die deutsche Geschichtswissenschaft, - id., Mittelalter und demokratische Geschichtsschreibung. Ausgewählte Abhandlungen, Berlijn, 1971, p.375-446.
64p.j. blok, De geschiedenis als sociale wetenschap, p.23 en id., Het onderscheid, p.35 en p.47. Over de verhouding tussen Lamprecht en Blok: g. oestreich, Huizinga, Lamprecht und die deutsche Geschichtsphilosophie: Huizingas Groninger Antrittsvorlesung von 1905, - w.r.h. koops, e.h. kossmann en g. van der plaat (uitg.), Johan Huizinga, 1872-1972. Papers delivered to the Johan Huizinga Conference Groningen, 11-15 December 1972, Den Haag, 1973, p.14-15 en p.b.m. blaas, De prikkelbaarheid van een kleine natie met een groot verleden: Fruins en Bloks nationale geschiedschrijving, - Theoretische Geschiedenis, 9 (1982), p.286-287.
65p.j. blok, Geschiedenis, - id., Verspreide studiën, p.6-8 (uit 1902). Vgl. id., Robert Fruin, p.309-310. Ranke had met deze uitdrukking echter geen statische geschiedbeschouwing op het oog, maar wel een anti-normatieve geschiedschrijving. De foutieve Ranke-interpretatie werd overigens al opgemerkt door c.h.th. bussemaker, De opleiding der historici in Nederland, - Verslag van de Algemeene Vergadering der leden van het Historisch Genootschap, 1903, p.19-20, noot 1. Blok gaf zich hierin niet graag gewonnen: cfr. p.j. blok, Noodig verweer en het antwoord van c.h.th. bussemaker, Meer toelichting gewenscht, - De Nederlandsche Spectator, 1903, nr.38, p.301 en nr.39, p.306-307. Cfr. m.-j. zemlin, ‘Zeigen wie es eigentlich gewesen’. Zur Deutung eines berühmten Rankewortes, - Geschichte in Wissenschaft und Unterricht, 37 (1986), p.333-350.
66p.j. blok, Historisch materialisme, - Onze Eeuw, 8 (1908), dl.III, p.363.
67Cfr. id., Geschiedenis, p.8. Overigens was ook in Duitsland de kritiek op Lamprechts geschiedtheoretische ideeën zo sterk dat het aanhangers van deze ideeën vrijwel onmogelijk was een belangrijke academische positie te verwerven (cfr. w. weber, Priester der Klio. Historisch-sozialwissenschaftliche Studien zur Herkunft und Karriere deutscher Historiker und zur Geschichte der Geschichtswissenschaft 1800-1970, Frankfurt-Bern-New York, 1984, p.241-242).
68p.j. blok, Duitschland en Nederland, - Onze Eeuw, 5 (1905), dl.I, p.418-437.
69Ondermeer h. brugmans, Lamprecht over België, - De Amsterdammer, 8 juli 1916, nr.2037, p.1; h.th. colenbrander, Tien jaren wereldgeschiedenis, 's-Gravenhage, dl.I, 1915, p.2 en ID., Oorlogs-litteratuur, - De Gids, 79 (1915), dl.I, p.158-160. Cfr. ook lub, bpl 2858/15, p.1. Zoals bekend was Lamprecht niet de enige Duitse geleerde die in de Eerste Wereldoorlog steun aan de Duitse imperialistische krachten verleende: cfr. f.k. ringer, Die Gelehrten. Der Niedergang der deutschen Mandarine 1890-1933, Stuttgart, 1983, p.169-185.
70h. van werveke, Karl Lamprecht et Henri Pirenne, - Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 138 (1972), p.39-60 (het citaat van Fredericq p.58, nr.II).
71p.j. blok, Het doel van de beoefening der geschiedenis, p.14.
72Geciteerd in i.j. brugmans, Thorbecke, (Volksuniversiteitsbibliotheek, reeks 2, 21), Haarlem, 19482, p.25-26. Over deze prijsvraag: p.a.m. geurts, Nederlandse overheid en geschiedbeoefening 1825-1830, - Theoretische Geschiedenis, 9 (1982), p.304-328 en f. vercauteren, Le Concours historique de 1826 organisé dans le royaume des Pays-Bas, - Académie Royale de Belgique. Bulletin de la Classe des Lettres, reeks 5, 62 (1976), p.303-319.
73p.b.m. blaas, De prikkelbaarheid van een kleine natie, p.277-278.
74id. en j. vogel, Onder A.M. Kollewijn en M.G. de Boer. Het Tijdschrift voor Geschiedenis van 1886 tot 1920 met een inhoudsanalyse over de periode 1886-1960, - TvG, 99 (1986), p.369-371.
75p.j. blok, De geschiedenis als sociale wetenschap, p.25; id., Robert Fruin, p.302 en Fruin-correspondentie, nr.290.
76Voor een ruimer perspectief: cfr. de mooie hoofdstukken in j. romein, Op het breukvlak van twee eeuwen. De westerse wereld rond 1900, Amsterdam, 19762, p.352-382.
77lub, bpl 2983/2: Studie der geschiedenis.
78p.j. blok, De geschiedenis als sociale wetenschap, p.15-16.
79id., De geschiedenis als sociale wetenschap, p.16-17.
80w. doorenbos, De beoefening der geschiedenis, - De Nederlandsche Spectator, 1894, nr.45, p.359-361. Over Doorenbos en Tachtig: c.g.l. apeldoorn, Dr. Willem Doorenbos, Amsterdam, 1948, p.146-213 en de waarderende woorden van w. kloos, Zelfportret, uitg. h.g.m. prick, (Privé-domein, 118), Amsterdam, 1986, p.115-124.
81p.j. blok, Het doel van de beoefening der geschiedenis, p.18-19. Vgl. lub, bpl 2983/2: Onze Geschiedenis der 19de eeuw.
prepostterug  begin  verder