terug  begin  verderprepost

3. Een geschiedenis van het Nederlandse volk

Reeds op 7 maart 1886 had Blok aan Fruin bericht dat hij met het idee speelde de hele geschiedenis van het Nederlandse volk in de vorm van een sociale geschiedenis te beschrijven. Fruin had daar niet op gereageerd, maar in het najaar van 1891 ontving hij van uitgeverij Wolters een prospectus waarin Bloks Geschiedenis van het Nederlandsche Volk werd aangekondigd. Enigszins geïrriteerd omdat hij de groei van dit werk niet van Blok zelf had vernomen, vroeg hij hem nadere uitleg. Blok verontschuldigde zich en dit met een verwijzing naar de schroom die hij had gevoeld bij het schrijven van een synthese, daar waar nog zoveel geschiedvorsing en detailonderzoek moest worden gedaan82.

In 1892 verscheen het eerste deel en in een verrassend snel tempo trok de nochtans fysiek zwakke Blok het monument dat zijn Geschiedenis moest worden, verder op. In 1908 werd het achtste en laatste deel gepubliceerd. Het resultaat illustreerde hoezeer het ‘age ac perge’ (‘handel en sla er u doorheen’) kon gelden als Bloks adagium. De enorme hoeveelheid feitenmateriaal die hij in de acht stevige delen had bijeengebracht, wekte zelfs bij de meest sceptische lezer bewondering. Blok was een man van de daad, wiens voortvarendheid in schril contrast stond met de terughoudendheid van Fruin: ‘Hij moest getuigen van wat hij had gevonden83. Maar deze voortvarendheid had er tevens toe geleid dat het werk talloze onnauwkeurigheden bevatte en dat het niet bepaald uitmuntte door stilistische kwaliteiten. Zelfs Fruin had kritiek op de vorm van Bloks werk: ‘Om eens een uitdrukking te gebruiken, die mij anders niet behaagt: Uw verhaal pakt niet genoeg’, zo schreef hij Blok bij de verschijning van het tweede deel84. En een anonieme necroloog merkte in 1930 gevat op: ‘Blok was iemand, die zeer ongaarne een bladzijde overschreef85. Maar velen waren bereid dit te vergeven en beschouwden het werk als ‘een daad van moed86. Fruin en Huizinga omschreven de Geschiedenis als een standaardwerk87. Het succes bleef ook niet uit. Tussen 1923 en 1926 verzorgde Blok nog een derde bijgewerkte uitgave, die door recensenten

[p. 87]

als M.G. de Boer en N. Japikse zeer positief werd ontvangen. Engelse en Duitse vertalingen verschenen (1898-1913) en in het academiejaar 1908-1909 werd Blok een eredoctoraat te Leuven toegekend88.

De Geschiedenis van het Nederlandsche Volk bood zich in de eerste plaats aan als een overzicht van de nationale geschiedenis. E.H. Kossmann heeft de periode 1895-1914 in de geschiedenis van de Lage Landen getypeerd als een ‘tijdvak van synthese’, waarin ook op cultureel vlak werd gestreefd naar een collectiverende omspanning van het individuele en het bijzondere. Dit geldt met name voor de nationale geschiedenissen die in België door Pirenne, in Nederland door Blok werden geschreven89. Het gefragmenteerde en verbrokkelde beeld dat Fruin van de vaderlandse geschiedenis had geboden, wou Blok overstijgen. De negentiende-eeuwse historiografie had immers zoveel materiaal verzameld zonder dit tot een groter geheel te verwerken, dat de lijnen en patronen in de historische kennis volledig verloren dreigden te gaan. In de voorrede van het laatste deel verwoordde Blok dit als volgt: ‘Het is noodig nu en dan stil te staan op den weg van het wetenschappelijk onderzoek der groote en kleine bijzonderheden om, den blik naar achteren wendend, zich en anderen rekenschap te geven van wat in onzen tijd daardoor bereikt werd, ten minste wat schijnt bereikt te zijn90.

Blok had er herhaaldelijk bij Fruin op aangedrongen dat deze zelf een synthese van de Nederlandse geschiedenis - of tenminste van een wat grotere periode daaruit - zou publiceren, maar tot zijn teleurstelling liet zijn leermeester het althans op dit punt afweten. Uit het kleine incident van november 1891 blijkt dat hij ten aanzien van Fruin op dit vlak altijd wat schroomvallig is gebleven: hij vreesde dat Fruin een mogelijke synthese niet wetenschappelijk genoeg zou vinden. Net als Fruin was hij trouwens zelf niet te spreken over de wetenschappelijkheid van de synthesewerken van W.J.F. Nuyens en Busken Huet. Nuyens' twintigdelige Algemeene Geschiedenis des Nederlandschen Volks (1871-1882) was naar Bloks oordeel niet alleen een onhanteerbaar boek, maar leed ook aan een gebrek aan historische kritiek. En Het Land van Rembrand (1882-1884) bevatte wel ‘eene reeks van geestige invallen’, maar Huets afkeer van eruditie stoorde Blok91. Toch had Blok op dit punt een ruimer geweten dan Fruin: hij besefte dat de auteur van een synthese altijd het gevaar liep aan wetenschappelijkheid in te boeten, maar ook dat het betere vaak de vijand van het goede is. Het consciëntieuze wachten op definitieve resultaten van steeds verdergaand detailonderzoek, maakt tenslotte elke synthese onmogelijk92. Hij had daarin gelijk en ontliep zo het lot van zijn leermeester, die door zijn eindeloos wikken en wegen nooit tot een synthese was gekomen.

[p. 88]

Terecht werd echter opgemerkt dat achter Bloks Geschiedenis van het Nederlandsche Volk veel meer stak dan alleen maar een verlangen de historiografische chaos te overmeesteren93. Het werk is een duidelijk voorbeeld van de pragmatische geschiedschrijving. Blok heeft zijn ‘Nationalbiographie’ immers steeds beschouwd als een arbeid ‘in den dienst van zijn land en zijn volk94. Dat was zij ook. Zijn eerste drijfveer - als het ware het Leitmotiv van héél zijn historisch onderzoek en onderwijs - was een nationale: het nationaliteitsbesef funderen én versterken, dat was zijn hoofdbekommernis. Dit pragmatisme staat ogenschijnlijk in tegenspraak met zijn streven naar onpartijdigheid. In werkelijkheid, zo zullen wij nog zien, lag het pragmatische precies in dit streven naar onpartijdigheid - of beter: in de verzoening der partijen.

In dit kader wordt het begrijpelijk dat Blok zijn taak als een heilige roeping beschouwde. Dat gevoel nam vooral na 1894, een gloriejaar voor Blok, nog toe. In dat jaar volgde hij Fruin op. Hij beschouwde de Leidse hogeschool - waar de schim van Willem van Oranje nog rondwaarde - als een bij uitstek nationale academie, waar speciaal de hoogleraar Vaderlandse Geschiedenis de ‘trouwe wachter van 's lands dierbaarste belangen’ moest zijn95. Bovendien werd hij in dat jaar - na de weigering van de zich te oud voelende Fruin - aangesteld tot privéleraar Vaderlandse Geschiedenis van de veertienjarige Wilhelmina. Tot oktober 1897 zou hij regelmatig naar Het Loo trekken om er de Koningin de nationale geschiedenis bij te brengen. Ook deze taak heeft hij steeds als een nationale plicht ervaren. Nog een kwarteeuw later sprak hij met ontroering en trots over deze colleges96.

Maar naast het historisch onderwijs was de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk het instrument bij uitstek om het nationale gevoel aan te wakkeren. Reeds in 1884 had Blok de doodgraversstemming in eigen land gelaakt. In brede kringen twijfelde men toen aan de kansen van Nederland nog langer een onafhankelijke natie te blijven. Blok reageerde daartegen met een krachtig ‘Noblesse oblige!’: de vaderlandse geschiedenis zou tonen waarom de Nederlandse natie een onafhankelijke plaats in het wereldtheater meer dan waard was97. De historiografie was in Bloks ogen dus de promotor van een ware vaderlandsliefde en van een gefundeerde gehechtheid aan de nationale instellingen. Ook de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk werd gedreven door deze pragmatische bedoelingen. Zij wou een doorlopende historische legitimatie bieden van het verlangen om ook in de toekomst de Nederlandse natie een eigen identiteit niet te ontzeggen. Het nationale verleden was dus een argument voor een nationale toekomst. Het lag voor de hand dat vooral de schitterende Repu-

[p. 89]

bliek - ‘de glorie van landzaat en nakomeling, voorwerp van bewondering voor den tijdgenoot en de latere geslachten’ - hierbij dienstig kon zijn98. Het beeld van de verbrokkelde middeleeuwse territoria of van de Bourgondisch-Oostenrijkse monarchie, die nooit een nationale dynastie was geworden, was immers heel wat minder geschikt voor dit doel dan dat van de Republiek, waarin natuurlijk ook niet alles even fraai was geweest, maar die voor de groei van het volksbewustzijn zoveel meer waardevols in zich borg. De bloei van het zeewezen was daarvan slechts één aspect99. Daarom ook was het te boek stellen van de gebeurtenissen uit de dagen van Willem van Oranje, van Maurits en Oldenbarnevelt en van Frederik Hendrik voor Blok een ‘onbeschrijfelijk genot’, waarin hij de lezers hoopte te laten delen100. Van een psychische spanning ten aanzien van de Republiek - zoals bij Fruin - was bij Blok amper sprake. In het herdenkingsjaar 1913 zou hij ook de Restauratie van 1813 als een wissel op Nederlands toekomst gebruiken101.

Welke rol Blok de Nederlandse natie voor heden en toekomst toedacht en hoe zijn ideeën daarover evolueerden, kan hier slechts kort worden aangestipt. Dat die rol niet meer gebaseerd kon zijn op een politieke macht, leerde de langverwachte Boerenoorlog, die in oktober 1899 uitbrak. De succesvolle Lombok-expeditie van 1894 had Blok nog even in vervoering kunnen brengen. Toen de Nederlandse overwinning bekend was geworden, had hij zijn colleges onderbroken om het heugelijke wapenfeit te memoreren, waarop de studenten een ‘Lang leve de Koningin!’ hadden aangeheven102. Maar het verloop van de Boerenoorlog toonde al snel aan dat de politieke en militaire kracht van Nederland niet groot meer was. Blok engageerde zich tussen 1899 en 1902 op een opvallende wijze in de strijd tussen Boer en Brit. Door middel van circulaires, protestbrieven en hulporganisaties poogde hij het onrecht dat de verre stamgenoten bedreigde, af te wenden; maar alles tevergeefs103. Deze situatie bracht hem ertoe in de jaren 1901-1905 herhaaldelijk te pleiten voor een nauwere samenwerking met België, net als Nederland een kleine natie zonder veel effectieve politieke macht104. Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakten de moeilijkheden die Nederland ondervond, hem nog meer bewust van de politieke onmacht van zijn land. Met name de blokkadepolitiek van Engeland, dat bovendien nog zo arrogant was zichzelf voor te stellen als de verdediger der kleine naties, ergerde hem mateloos en hij hield dan ook niet op de machtige staten te waarschuwen dat Nederland nog steeds een natie van betekenis was. Maar de vrees dat ook Nederland het Belgische oorlogslot zou moeten ondergaan, dwong hem al te scherpe taal te vermijden. De oorlogsoverzichten

[p. 90]

die hij voor Onze Eeuw schreef, bevatten dan ook een soms komisch aandoend mengsel van trots en machteloosheid105. In deze situatie kon de machtige politieke positie van het zeventiende-eeuwse Nederland niet meer als lichtend voorbeeld worden voorgehouden106.

Als Nederland geen politieke factor van betekenis meer kon zijn op het wereldtoneel, wat restte dan nog? In 1891 had Blok Nederland de rol van culturele bemiddelaar tussen de verschillende volkeren toegedacht107. Het besef van politieke zwakte werd dus gesublimeerd tot de pretentie van een maximale culturele receptiviteit, een verschuiving die ook al in het vóór-Bismarckiaanse Duitsland was te zien geweest en die later nog in tal van kleine naties kon worden waargenomen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog actualiseerde Blok deze rol: hij wees het neutrale Nederland nu een pacificerende taak toe. Niet alleen de geografische positie, maar ook de specifieke historische ontwikkeling van het Nederlandse volk wettigden volgens hem de keuze van Nederland voor deze bemiddelingstaak, waarbij hij vooral op de ruime kennis van het internationaal recht in zijn land wees108. Nederland ontleende zijn recht op onafhankelijkheid dus aan een internationale en verzoenende taak, die niets met de machtspolitiek of het chauvinisme van de belligerenten had te maken. Het was een paradox: de Nederlandse identiteit was voor Blok in de eerste plaats gefundeerd op openheid ten aanzien van de andere identiteiten109. Maar hij legde er de nadruk op dat deze openheid de specificiteit van de Nederlandse nationaliteit niet teniet deed. Aan het slot van de derde uitgave van de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk formuleerde hij dit als volgt: ‘Nederland wenscht geen “grooter” Nederland in politieken zin te worden maar wil ook geen “klein” Nederland zijn. Het wil onafhankelijk blijven en als zelfstandige natie voortleven onder leiding der nakomelingen van den ouden Oranjestam. Het wil zijn eigen leven volgens zijn eigen opvattingen voortleven en het is bereid om daarvoor te strijden op welk gebied ook, onder welke omstandigheden ook, in tijd van vrede zoowel als van oorlog’. Meteen waren niet alleen de pacifisten, maar ook de Groot-Nederlanders en de Belgische annexionisten gewaarschuwd110.

De Geschiedenis van het Nederlandsche Volk was echter niet alleen een intellectueel wapen in de strijd om erkenning in het buitenland. Zij beoogde tevens een einde te maken aan allerlei binnenlandse twisten. Ook Bloks historiografische arbeid droeg dus een conciliant karakter: zijn geschiedschrijving was er mede op gericht de gelederen te laten sluiten, de staatkundige en maatschappelijke verschillen te begraven. De geschiedenis kon immers leren, zo zei hij Fruin na, dat de partijschap steeds een nefaste invloed op de toestand van het land

[p. 91]

had uitgeoefend111. Daarom benadrukte hij in zijn feestrede voor het jubilerende Historisch Genootschap het nationale karakter van haar werkzaamheden. De term ‘nationaal’ sloeg daarbij niet alleen op het feit dat het Genootschap zich niet mocht beperken tot de lokale geschiedenis, maar ook op de strekking van de in haar schoot geboren historiografische produktie: deze moest de eenheid van het land bevorderen112. Kortom: de historiografie was een stimulator van de politieke pacificatie.

Het lag voor de hand dat ook Blok hiervoor vooral de herdenkingsfeesten zou aangrijpen, zoals Fruin in 1868 bij de herdenking van de slag bij Heiligerlee had gedaan. In het herdenkingsjaar 1913 liet Blok zich hier trouwens zeer duidelijk over uit: ‘...tegenover de verderfelijke neiging om de burgers van ons goede land door het op de spits drijven van kerkelijke en staatkundige, of moet ik liever zeggen: kerkelijk-staatkundige verschillen, tegen elkander in het harnas te jagen - het is tegenover zulke verschijnselen noodig om het nationaliteitsgevoel van allen, het gevoel van te behooren tot één volk met een gemeenschappelijke geschiedenis, krachtig te doen opleven. Ook daarom kunnen deze feesten ter herdenking van het herstel dier nationaliteit evenzeer nuttig zijn in hunne gevolgen, als zij volkomen gerechtvaardigd waren door den historische achtergrond, die tot de feestviering aanleiding gaf113. Bloks eigen Heiligerlee was in 1891 de Mookerheide geweest. In zijn rede bij de onthulling van het monument voor de tijdens de slag op de Mookerheide (1574) gesneuvelde Lodewijk en Hendrik van Nassau had hij benadrukt dat beide broers van Prins Willem hadden gestreden voor de godsdienstige en staatkundige vrijheid van alle Nederlanders, wat hem in bepaalde katholieke milieus trouwens niet in dank was afgenomen114.

In de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk vond dit streven naar conciliantie een treffende uitdrukking in de wat mystieke notie ‘volk’. De vaagheid van dit begrip ontging de critici niet115. Maar voor Blok was het een tastbare realiteit. Als historiografisch concept gebruikt, riep het bovendien niet alleen een onveranderde identiteit en continuïteit op - op zich al een belangrijk winstpunt voor een nationale geschiedschrijving die zich geplaatst zag tegenover een vaderlands verleden dat uit zichzelf zo weinig doorlopende verbanden te zien gaf -, maar overbrugde het ook alle mogelijke politieke, religieuze en sociale tegenstellingen. Het ‘volk’ omvatte zowel prins- en staatsgezinden, zowel katholieken als protestanten, zowel de burgerij als de arbeidende massa. Daardoor suggereerde én genereerde het begrip een eenheid, en dat was tenslotte Bloks bedoeling. Dat het begrip elke conceptuele scherpte mist en als ordeningsbeginsel in de geschie-

[p. 92]

denis vrijwel waardeloos is, stoorde hem niet.

Vooral de zestiende-eeuwse Oranjes werden in Bloks historiografie voorgesteld als mogelijke aanknopingspunten voor verzoening en verdraagzaamheid. Dat gold bijvoorbeeld voor Lodewijk en Hendrik van Nassau, zoals uit de rede over de slag op de Mookerheide bleek. Maar vooral Prins Willem werd getekend als een figuur, waarin alle bevolkingsgroepen zich konden herkennen en die dus kon fungeren als een waarlijk nationaal symbool. Willem van Oranje had zich volgens Blok immers bij herhaling een strijder voor verregaande gewetensvrijheid getoond en ook in moeilijke tijden ‘de vaan der gematigdheid’ omhoog gehouden. Daarom was hij terecht geëerd met de naam van ‘Vader des Vaderlands’116. Daarom ook zag Blok er nauwgezet op toe dat de Prins niet werd geüsurpeerd door een beperkt segment van het Nederlandse volk. In 1920 pleitte hij tegen een Groot-Nederlandse interpretatie van Oranjes aarzeling de Unie van Utrecht goed te keuren117. Dit alles betekende echter niet dat Blok geen kritiek op Oranje had118. Maar deze kritiek kon niet verhinderen dat diens levensloop in Bloks historisch werk en onderwijs in een heroïsch licht verscheen. De moord van 1584 was daarvan het dramatische slotakkoord119. Dit historisch orangisme vertaalde zich overigens ook in een actueel orangisme: de huidige telg van dit ‘Makkabeeëngeslacht’ was de erfgenaam van de oude Oranje-traditie van verzoening en verdraagzaamheid. Daarom was het Huis van Oranje voor Blok ook nu - als bovenpartijdig symbool - de verpersoonlijking van de hele natie120.

Kortom: met de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk wou Blok niet alleen een synthese van het historisch onderzoek van Nederlands verleden brengen, maar ook een geschiedschrijving die de Nederlandse identiteit en onafhankelijkheid zou funderen en de nationale eenheid en staatkundige pacificatie zou bevorderen. Dit verlangen toont dat het doel van Bloks historiografische arbeid hetzelfde was als dat van Fruin. De concrete invulling van dat verlangen zag Blok echter anders. Voor hem was vooral een brede sociale geschiedenis, zoals hij die in zijn oraties had verdedigd, geschikt om dit nationale en unificerende doel te bereiken. Immers, doordat deze sociale geschiedenis niet alleen aan de politieke macht van de Nederlandse natie, maar ook aan de culturele en economische bloei aandacht zou besteden, kon zij het omstreeks 1900 machteloze land een hart onder de riem steken: zij toonde dat de grootheid van een land niet alleen afhankelijk was van oorlogsroem. En doordat zij alle maatschappelijke lagen in het gezichtsveld van de historicus betrok, en wel onder die ene noemer ‘het volk’, schreef zij deze verschillende sociale groepen

[p. 93]

één gemeenschappelijke historie en traditie toe, een lotsverbondenheid die ook in woelige perioden van sociale strijd een band smeedde121.

De Geschiedenis van het Nederlandsche Volk diende zich dan ook uitdrukkelijk aan als een sociale geschiedenis. In de uit 1892 daterende Inleiding, die tevens als programmaverklaring fungeerde, erkende Blok wel het belang van de staatkundige geschiedenis, maar hij liet er onmiddellijk op volgen dat noch zij noch een beschavingsgeschiedenis als de ware geschiedenis van een volk konden worden beschouwd. Zoals in de theoretische opstellen stelde hij zichzelf een breder terrein ten doel: ‘Een geschiedenis daarentegen, zoals de schrijver hier wenscht te schrijven, omvat alle uitingen van het volksleven, zowel de staatkundige geschiedenis als die der beschaving, als die van kunst en letteren, van handel en nijverheid, van landbouw en zeevaart, van recht en wet, van de economische ontwikkeling van het volk122.

Ondanks Bloks stellige voornemens, voldeed het resultaat niet aan de verwachtingen. Latere beoordelaars als Huizinga en Brugmans merkten op dat Blok alles gegeven had waartoe hij in staat was123, maar velen hadden toch wel op meer gerekend. In de eerste twee delen (waarin de geschiedenis tot en met het Bourgondische tijdvak werd beschreven) schonk de auteur nog uitvoerig aandacht aan de economische toestanden (het feodalisme, de groei der steden...) en de daaraan beantwoordende sociale structuren. De cultuur- en religieuze geschiedenis kregen al heel wat minder ruimte. Maar vanaf het in 1896 gepubliceerde derde deel (dat in 1559 begon) ging deze thematische breedheid opnieuw verloren. In deze latere delen paste Blok eigenlijk hetzelfde procédé toe als Nuyens in zijn Algemeene Geschiedenis had gedaan: de meest uiteenlopende niet-politieke historische gegevens werden per deel bijeengebracht in één of twee niet geïntegreerde hoofdstukken, vergaarbakken die dan onder een algemene titel (als Land en volk omstreeks 1660) werden gepresenteerd. In een hoofdstuk als De Vereenigde Nederlanden in 1640 bijvoorbeeld kwamen ondermeer de Oost-Indische Compagnie, de Oostzee-handel (en de daarbij horende zeeslagen), de bollenzwendel, de winzucht en de verkwistingen van de burgerij, de armenzorg, de Muiderkring, de schilderkunst en de strijd rond het cartesianisme ter sprake124. De ‘materiële’ en ‘culturele’ geschiedenis trad nergens op de voorgrond: zij werd slechts in de marge van de politieke geschiedenis behandeld, precies het omgekeerde dus van wat Blok in 1895 te Utrecht inzake de compositie van een sociale geschiedenis had gedecreteerd.

Na 1900 zou dan ook blijken dat Blok geen Pirenne was. Vanaf 1894 was deze op zoek gegaan naar een continuum in de Belgische

[p. 94]

geschiedenis125. Het resultaat werd de magistrale Histoire de Belgique, waarvan het eerste deel in 1900 verscheen (nadat één jaar tevoren het eerste deel van de Duitse versie was gepubliceerd). Ook in Nederland dwong dit werk grote bewondering af, mede door de thematische breedheid ervan126. Sindsdien fungeerde de Histoire de Belgique als een (al dan niet expliciete) maatstaf voor de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk.

Bloks werk kon deze vergelijking moeilijk doorstaan. Pirenne had duidelijk heel wat minder moeite om de verschillende maatschappelijke sferen te combineren tot één grote reconstructie van het nationale verleden. De Belgische historicus had alleen al door zijn vorming een voorsprong op zijn Nederlandse collega. Tijdens een studieverblijf in Berlijn in 1885 was hij in contact gekomen met G. Schmoller, één van de grote promotors van de economische geschiedenis in Duitsland. Diens ‘Vorlesungen’ en seminaries over de economische ontwikkeling van Europa (in de Middeleeuwen) had hij met veel belangstelling en enthousiasme gevolgd. De in Berlijn opgedane kennis kwam hem goed van pas bij het redigeren van de Histoire de Belgique, want, zo schreef hij in maart 1899 aan zijn Luikse leermeester Kurth: ‘C'est sur ce terrain du commerce et de l'industrie que nous avons joué un rôle important127. Vooral de steden uit het graafschap Vlaanderen waren in de Middeleeuwen immers de draaischijf van de Europese economie geweest. Dit stedelijk leven bestempelde hij daarom als ‘la marque distinctive de notre histoire’. De economische ontwikkeling gaf de latere Belgische gewesten met andere woorden reeds in de Middeleeuwen een eigen identiteit. Zodoende moest deze ontwikkeling in de Histoire de Belgique ook uitgebreid worden beschreven128. Dat gebeurde ook daadwerkelijk. In het eerste deel kreeg de economische geschiedenis bijzonder veel aandacht, maar ook de intellectuele en de kerkelijke geschiedenis werden uitgebreid besproken. Bovendien hield de auteur deze grote thematische reikwijdte ook vol. Slechts in het in 1932 verschenen laatste deel (over de periode 1830-1914) trad de politieke geschiedenis uitdrukkelijker op de voorgrond.

Precies omdat Blok in zijn theoretische geschriften zo de nadruk op de thematische breedheid had gelegd, viel de ontoereikendheid van zijn Geschiedenis van het Nederlandsche Volk op dit punt de critici dadelijk op. P.L. Muller, zijn collega in Leiden, toonde zich bij de verschijning van het derde deel niet erg onder de indruk van het ‘vernieuwende’ van Bloks aanpak. Hij had het al gezegd tijdens het debat na Bloks Utrechtse lezing in 1895 en hij herhaalde het nu: wat Blok als ‘sociale geschiedenis’ bestempelde, zou beter eenvoudigweg ‘ge-

[p. 95]

schiedenis’ heten129. Ook Bussemaker beschouwde de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk niet als een specimen van wat Blok zelf ‘sociale geschiedenis’ had genoemd130. De zwaarste kritiek kwam echter van de Utrechtse archivaris S. Muller Fz. Deze had reeds een lage dunk gehad van Bloks Eene Hollandsche stad in de Middeleeuwen (1883) en had hem ronduit afgeraden een synthetische vaderlandse geschiedenis te schrijven. In een van sluipend gif doortrokken recensie-artikel over de eerste twee delen van de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk - Blok heeft er zich lang gekrenkt door gevoeld - verweet hij de auteur talloze onnauwkeurigheden, een te artificiële stijl en een gebrek aan ordening van het materiaal. Maar bovendien - en dat was erger - beschuldigde hij Blok ervan de juiste proporties tussen de verschillende levenssferen niet in acht te hebben genomen, bijvoorbeeld door een te vluchtige behandeling van de kerkgeschiedenis131. Hajo Brugmans poogde deze pil later te verzachten, maar ook hij had er in 1901 over geklaagd dat de staatkundige geschiedenis nog een te centrale plaats in het boek innam132. En niet ten onrechte!

Er bestond dus een discrepantie tussen Bloks idealen en de realisatie ervan. Met name het aandeel van de economische geschiedenis in de Geschiedenis van het Nederlandsche Volk was te gering. Blok kon hiervoor het gebrek aan de nodige voorstudies ter verontschuldiging inroepen en deed dat ook133. Maar andere, minder zichtbare factoren speelden eveneens een rol. Gosses heeft in dit verband opgemerkt dat Blok zich als ‘man van de daad’ onmogelijk kon vinden in de grauwe economische geschiedenis of in de te ijle en onvaste cultuurgeschiedenis134. Er zit ongetwijfeld veel waars in deze psychologische verklaring. Bij zijn afscheid als hoogleraar in 1925 drukte Blok zijn studenten nog op het hart: ‘Geschiedenis is in de allereerste plaats niet de geschiedenis van dingen of toestanden maar van menschen, van hunne verhoudingen en handelingen, van hunne lotgevallen en gevoelens135. De aandacht voor het collectieve, die het ‘tijdvak van synthese’ tekende, werd bij Blok nog doorkruist door een liberaal-individualistische levensbeschouwing, maar ook door een persoonlijke gehechtheid aan de grote staatkundige leiders en helden uit het nationale verleden. Op het einde van zijn leven publiceerde hij nog twee Oranje-biografieën en een bewonderend boek over Michiel de Ruyter136. Door deze persoonlijke gehechtheid, gebed in een geschiedschrijving waarin het nationale perspectief allesoverheersend was en gecombineerd met een sterk orangisme, bleef Bloks sociale geschiedenis nauw verbonden aan een staatkundige geschiedenis, waaraan een heroïsme à la Carlyle niet altijd vreemd was137. Toch blijft ook deze verklaring voor de aangeduide discrepantie onvolledig. Er moet

[p. 96]

nog een ander, meer politiek element in rekening worden gebracht. Dit element verdient hier onze verdere aandacht, omdat het ook op het geschiedtheoretische ideeëngoed van Blok een grote invloed heeft gehad. Het antwoord dat Blok zelf in september 1901 op de kritiek op de eerste delen van zijn Geschiedenis van het Nederlandsche Volk gaf, toont hierbij de weg.

Anders dan in de theoretische opstellen van 1884 en 1894 nam Blok hierin de staatkundige geschiedenis in bescherming. Het hedendaagse publiek, zo verweerde hij zich tegen zijn critici, kan dan wel zijn belangstelling voor de staatkundige geschiedenis hebben verloren en de aandacht steeds meer op andere sectoren van het maatschappelijke leven hebben gericht, maar dat wil nog niet zeggen dat die andere sectoren in het verleden ook daadwerkelijk een belangrijke rol hebben gespeeld. Zeker voor de zeventiende eeuw, zo vervolgde hij, geldt dat de politieke gebeurtenissen, meer dan de economische of de culturele ontwikkelingen, op de voorgrond stonden, zodat een geschiedenis van het Nederlandse volk in de zeventiende eeuw primair een staatkundige historie moet zijn. Kortom: hij hield een pleidooi voor een (relatief) ‘eerherstel der staatkundige geschiedenis138. In de voorrede van het achtste deel, gedateerd 25 november 1907, was hij concreter: hij beklemtoonde er dat zijn Geschiedenis van het Nederlandsche Volk in de eerste plaats een veelzijdige synthese wou zijn, en zeker geen economische geschiedenis zoals sommigen op grond van de programmaverklaring uit 1892 hadden gemeend139.

Deze woorden waren niet zozeer aan vakgenoten als de beide Mullers, als wel aan de marxistische historici en theoretici gericht. Bloks na de eeuwwisseling steeds duidelijker wordende afkeer van het historisch materialisme maakte hem er bijzonder oplettend voor dat het eigen geesteskind, de sociale geschiedenis, zich niet ontwikkelde tot een vorm van geschiedschrijving die de socialistische politieke eisen historisch zou kunnen onderbouwen140. Deze defensieve houding moet worden beschreven tegen de achtergrond van zijn oordeel over de politieke sociaal-democratie.

82Fruin-correspondentie, nrs.328 en 391-392.
83h. brugmans, Levensbericht van P.J. Blok, p.1. Vgl. ondermeer j. huizinga, Prof. Dr. P.J. Blok; bij zijn zilveren jubileum, - VW, dl.VI, p.321-323.
84Fruin-correspondentie, nr.418: R. Fruin aan Blok, 7 nov. 1893. Fruin liet zich zelfs ontvallen: ‘Bij het beoefenen der geschiedenis komt aan de verbeelding een zoo groote taak ten laste!’
85Necrologie Dr. P.J. Blok, - Jaarboek der Rijksuniversiteit te Leiden, 1930, p.155.
86lub, bpl 2991: H.Th. Colenbrander aan Blok, 31 jan. 1907.
87Fruin-correspondentie, nr.418 en j. huizinga, Prof. Dr. P.J. Blok; bij zijn zilveren jubileum, p.322.
88m.g. de boer, Recensie van P.J. Blok, Geschiedenis van het Nederlandsche volk, Derde druk, dl.I en II, - TvG, 40(1925), p.275-276; n. japikse, Nederlandsche historische literatuur, - BVGO, 1924, reeks 6, dl.I, p.163-165 en lub, bpl 2984/1 (2e gedeelte), met briefwisseling van Lamprecht (1899-1902).
89e.h. kossmann, De Lage Landen 1780-1980. Twee eeuwen Nederland en België, Amsterdam-Brussel, dl.I, 1986, p.361. In Frankrijk verscheen in dezelfde periode de Histoire de France (1900-1911) onder leiding van E. Lavisse. Op Lamprechts Deutsche Geschichte werd reeds gewezen.
90p.j. blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.IV, 19263, p.VI.
91id., Een nieuwe staatkundige geschiedenis van Nederland, - De Nederlandsche Spectator, 1890, nr.35, p.293. Op 25 jan. 1885 schreef Blok Fruin over Huet: ‘Zijne manier van werken is de onze niet’ (Fruin-correspondentie, nr.293). In zijn Geschichtschreibung in Holland noemde Blok Huet niet eens.
92Cfr. id., Afscheidsrede, p.13-14. Blok geeft er een wat verwrongen beeld van de ontstaansgeschiedenis van zijn Geschiedenis. Vgl. de kritiek op Fruin en op de kerkhistoricus Acquoy in id., De Historische School, p.117.
93p.b.m. blaas, De prikkelbaarheid van een kleine natie, p.287-288.
94p.j. blok, Afscheidsrede, p.5 en p.12-14. De term ‘Nationalbiographie’ is ontleend aan h.w. von der dunk, Neuzeit-Geschichtsforschung in den Niederlanden seit 1945, - Archiv für Sozialgeschichte, 27 (1987), p.456.
95Cfr. ondermeer Bloks rectorale rede: p.j. blok, De Leidsche Hoogeschool honderd jaar geleden. Rede, Leiden, 1911, met name p.27-28 en h. brugmans, Petrus Johannes Blok. (In memoriam), - Nieuwe Rotterdamsche Courant, 25 okt. 1929, ochtendbl. A, p.2.
96lub, bpl 2983/1: Lessen aan de Koningin (cfr. ook Fruin-correspondentie, nrs.455, 457-458, 460 en 463) en p.j. blok, Afscheidsrede, p.15.
97id., Het doel van de beoefening der geschiedenis, p.17-18.
98id., Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.II, 19243, p.664.
99Vgl. id., Toespraak gehouden tot Hare Majesteit de Koningin, bij gelegenheid van de opening der geschiedkundige tentoonstelling van het Nederlandsche Zeewezen op den 16den juli 1900, 's Gravenhage, 1900.
100id., Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.II, 19243, p.VII. Cfr. i.h. gosses, Levensbericht van Petrus Johannes Blok, p.122.
101p.j. blok, Gijsbert Karel en de zijnen en id., Nabetrachting, - Onze Eeuw, 13 (1913), dl.IV, p.157-163 en p.325-336.
102m. kuitenbrouwer, Nederland en de opkomst van het moderne imperialisme. Koloniën en buitenlandse politiek 1870-1902, Amsterdam-Dieren, 1985, p.160-164 (met name p.163).
103Ondermeer lub, bpl 2647; bpl 2983/2: Over Zuid-Afrika (27 sept. 1900); bpl 298811/3; bpl 298811/15 en bpl 2994. Cfr. m. kuitenbrouwer, Nederland en de opkomst van het moderne imperialisme, p.184-185 en p.190.
104Ondermeer p.j. blok, Het Congres te Kortrijk, - Onze Eeuw, 2 (1902), dl.IV, p.709-733 en lub, bpl 298811/12 en 18.
105Cfr. ondermeer id., Buitenland, - Onze Eeuw, 15 (1915), dl.IV, p.141-144 en 16 (1916), dl.I, p.141-145, p.302-305, p.464-467 en dl.IV, p.309-311 en p.469-473. Vgl. de ‘permanente eierdans’ waartoe de Nederlandse regering in deze situatie werd gedwongen (h.w. von der dunk, Nederland ten tijde van de eerste wereldoorlog, - nagn, dl.XIV, 1979, p.40-52 en c. smit, Waarom bleef Nederland buiten de eerste wereldoorlog?, - id., Tien studiën betreffende Nederland in de Eerste Wereldoorlog, Groningen, 1975, p.15-26).
106id., Nederland en de mogendheden, - Onze Eeuw, 16 (1916), dl.III, p.169-173.
107Vgl. de rol van de Rembrandt-revival: p.b.m. blaas, De Gouden Eeuw: Overleefd en Herleefd. Kanttekeningen bij het beeldvormingsproces in de 19de eeuw, - De Negentiende Eeuw, 9 (1985), p.119-127.
108Vooral p.j. blok, Nederland en de mogendheden, p.173-180. In deze tekst verwees hij ook naar Pirennes Histoire de Belgique, waarin een soortgelijke ‘historische’ rol werd toegeschreven aan het Belgische volk (cfr. h. pirenne, Histoire de Belgique, Brussel, dl.I, 1900, p.VIII-IX: België werd er omschreven - in de woorden van Lamprecht - als ‘un microcosme de l'Europe occidentale’). De oorlogsomstandigheden hadden er volgens Blok echter toe geleid dat België deze taak niet meer kon vervullen (p.179). Vgl. p.j. blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.IV, 19263, p.538.
109Cfr. lub, bpl 2983/2: openingscollege van 6 okt. 1921. Vgl. reeds id., Duitschland en Nederland, p.435.
110id., Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.IV, 19263, p.563. Vgl. slechts id., Aard en wording van den Nederlandschen Stam, - Gedenkboek van het Algemeen Nederlandsch Verbond bij gelegenheid van zijn 25-jarig bestaan 1898-mei-1923. Geschiedenis en invloed van den Nederlandschen Stam, Dordrecht, 1923, p.44-61. Voor Blok en het Belgisch annexionisme: lub, bpl 29881/15; bpl 29881/17; bpl 298811/28 en bpl 2997 en amvc, B 642/K.
111Ondermeer id., Rede gehouden op 2 october 1924 in de Pieterskerk te Leiden ter gelegenheid van de 35oste herdenking van Leiden's Ontzet, Leiden, [1924], p.3-4.
112id., Feestrede bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Genootschap, p.5-23 (vooral begin en slot).
113id., Nabetrachting, p.336.
114id., De slag op de Mookerheide, - id., Verspreide studiën, p.154-171 en id., Historische critiek, - De Tijdspiegel, 3 (1891), p.343-355. Cfr. w. otterspeer, De Leidse School. De leerstoel vaderlandse geschiedenis, 1860-1925, - id. (uitg.), Een universiteit herleeft. Wetenschapsbeoefening aan de Leidse Universiteit vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, Leiden, 1984, p.51. Vgl. Bloks herdenking van Luther in 1917 in lub, bpl 2983/2.
115c.h.th. bussemaker, De opleiding, p.18-19 en id., Meer toelichting gewenscht, p.307.
116p.j. blok, De moord van 1584, p.163-165 en id., De godsdienst van Willem van Oranje, - id., Verspreide studiën, p.126-153 (uit 1886, het jaar van de Doleantie). Vgl. p.b.m. blaas, Tussen twee herdenkingsjaren (1884-1933). Het beeld van Willem van Oranje in de wetenschappelijke geschiedschrijving rond 1900, - e.o.g. haitsma mulier en a.e.m. janssen (red.), Willem van Oranje in de historie, p.147-149.
117p.j. blok, Oranje en de Unie van Utrecht, - bvgo, 1920, reeks 5, dl.VII, p.1-15.
118Ondermeer lub, bpl 2985/10 (over Oranjes plan Alva te vermoorden).
119Cfr. de anecdote in r. fruin, Geschiedenis der Staatsinstellingen in Nederland tot den val der Republiek, uitg. h.th. colenbrander en inl. i.h. schöffer, 's-Gravenhage, 19802, p.VII en lub, bpl 2983/1.2, p.28.
120Ondermeer p.j. blok, Rede gehouden op 2 october 1924, p.4.
121Cfr. id., De geschiedenis als sociale wetenschap, p.30-31.
122id., Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.I, 19233, p.6-7. Blok sprak in deze Inleiding niet van een ‘sociale geschiedenis’, maar wel van een ‘algemeene geschiedenis’.
123j. huizinga, Prof. Dr. P.J. Blok; bij zijn zilveren jubileum, p.321 en h. brugmans, Levensbericht van P.J. Blok, p.2.
124p.j. blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.II, 19243, p.594-622.
125Cfr. vooral j. dhondt, Henri Pirenne: historien des institutions urbaines, - id., Machten en Mensen, Gent, 1976, p.53-119 (met name p.96-102), een opvallend kritische studie temidden van de talloze Pirenne-hagiografieën. Voor de historiografische context: p. guerin, La condition de l'historien et l'histoire nationale en Belgique à la fin du 19e et au début du 20e siècle, - Storia della Storiografia, 11 (1987), p.64-103.
126Ondermeer h. brugmans, Een geschiedenis van België, - De Nederlandsche Spectator, 1900, nr.43, p.342-344; h.th. colenbrander, Zestiende eeuw en id., Hedendaagse geschiedschrijvers, - id., Historie en Leven, Amsterdam dl.III, [1920], p.47-56 en p.207-213 (uit 1907) en g.w. kernkamp, Henri Pirenne, - id., Van Menschen en Tijden, dl.I: Studiën over geschiedschrijvers, Haarlem, 1931, p.206-240 (uit 1912) en id., Levensbericht van Henri Pirenne, - Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, 1935-1936, p.249-254. De contacten tussen Pirenne en de Nederlandse historici verliepen veelal via S. Muller Fz., op wiens voorstel Pirenne trouwens reeds in 1894 lid van het Utrechtse Historisch Genootschap was geworden (cfr. br. lyon, Henri Pirenne. A biographical and intellectual Study, Gent, 1974, passim).
127La correspondance entre G. Kurth et H. Pirenne (1880-1893), uitg. p. rion, - Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis, 152 (1986), p.184-188 en p.220-221 (citaat p.220).
128h. pirenne, Histoire de Belgique, dl. I, 1900, p.XI en p.155-156. Voor de groei van de sociaal-economische geschiedenis in België: j.a. van houtte en e. stols, De geschiedenis van de economische en sociale geschiedschrijving in België, - h. baudet en h. van der meulen (red.), Kernproblemen der economische geschiedenis, Groningen, 1978, p.356-366.
129p.l. muller, Blok's derde deel, - De Nederlandsche Spectator, 1896, nr.38, p.305 (vgl. id., De onderlinge verhouding van algemeene en speciale geschiedenis, en beider beoefening hier te lande, - Verslag van de Algemeene Vergadering der leden van het Historisch Genootschap, 1897, p.81-88). Blok nam een postume wraak door Muller zelf een thematische verbreding in de schoenen te schuiven: p.j. blok, Pieter Lodewijk Muller, p.432.
130c.h.th. bussemaker, Meer toelichting gewenscht, p.307-308.
131Fruin-correspondentie, nrs.273 en 392 en s. muller Fz., Jan Wagenaar's opvolger, - Tweemaandelijksch Tijdschrift, 2 (1896), dl.III, p.411-444.
132h. brugmans, Levensbericht van P.J. Blok, p.19-21 en id., Blok's Vijfde Deel, - Nieuwe Rotterdamsche Courant, 21 dec. 1901, eerste blad C, p.2. Vgl. het scherpere id., Geschiedenis van Nederland onder de regeering van Koningin Wilhelmina, Amsterdam, 1938, p.230-231. De altijd beleefde Brugmans voelde zich toen - in 1938 - wellicht minder geremd: Blok was al bijna tien jaar overleden.
133Cfr. lub, bpl 2983/2: Studie der geschiedenis en Fruin-correspondentie, nr.328.
134i.h. gosses, Levensbericht van Petrus Johannes Blok, p.127-131.
135p.j. blok, Afscheidsrede, p.20.
136id., Willem de Eerste, Prins van Oranje, Amsterdam, 2 dln., 1919-1920; id., Frederik Hendrik, Prins van Oranje, Amsterdam, 1924 en id., Michiel Adriaanszoon de Ruyter, 's-Gravenhage, 19302 (eerste uitg. 1928). Blok werkte tot zijn dood nog aan een biografie over Maurits: cfr. lub, bpl 2985/24.
137Vgl. p.b.m. blaas, De prikkelbaarheid van een kleine natie, p.288.
138p.j. blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.III, 19253, p.V. Vgl. h.th. colenbrander, Eerherstel der staatkundige geschiedenis, Den Haag, 1925.
139p.j. blok, Geschiedenis van het Nederlandsche Volk, dl.IV, 19263, p.VI.
140Mogelijk stond het lot van Lamprecht hem hierbij voor ogen. De Duitse historicus was natuurlijk geen marxist, maar werd er in het vuur van het gevecht rond zijn werk wel eens voor uitgekreten, ondermeer door F. Rachfahl en één der dei minores F. Aly (j. romein, Op het breukvlak van twee eeuwen, p.580).
prepostterug  begin  verder