terug  begin  verderprepost

3. ‘Hogere journalistiek’ en contemporaine geschiedenis

De jongere generatie was niet van plan zich op te sluiten in het studievertrek. ‘Midden in het volle leven’: daar zag zij haar plaats. De culturele ontwikkelingen, maar vooral de zich snel wijzigende politieke toestand - zowel in binnen- als buitenland - eisten voortdurend de aandacht op. Het was een haastige generatie, strijdend en schrijvend ‘onder de pressie van het ogenblik’: de actualiteit dwong steeds opnieuw tot een snelle en besliste partijkeuze78. De geestelijke vorm die bij dit kader paste, was niet langer het in andante uitgevoerde overzichtswerk, maar het korte en gejaagde journalistieke produkt, waarvan het thema niet was gebaseerd op een vrije keuze, maar door de actualiteit was opgedrongen. Bovendien beantwoordde de journalistiek aan de eisen van de gemassificeerde maatschappij. De jongere historici ervoeren deze journalistieke arbeid overigens niet als strijdig met de eisen van de geschiedwetenschap: de geschiedenis was voor hen immers ‘een sociëteit met veel buitenleden79. Deze politieke journalistiek was in hun ogen trouwens een ladder naar de contemporaine geschiedenis. De beoefening van die contemporaine geschiedenis zou echter oude theoretische problemen opnieuw acuut maken en tegelijk nieuwe vragen oproepen.

Intussen mag niet uit het oog worden verloren dat ook Fruin reeds herhaaldelijk was ingegaan op de politieke actualiteit. Zijn leerling Blok bood de lezers van Onze Eeuw tijdens de Eerste Wereldoorlog (tot juni 1917) een maandelijks overzicht van de politieke en militaire gebeurtenissen. Maar de intensiteit waarmee de jongere generatie de politieke journalistiek beoefende, was veel groter. De journalistieke activiteiten van met name Kernkamp en Colenbrander illustreren dit overduidelijk.

De onverkwikkelijke affaire van 1894 had Kernkamp in de richting van de journalistiek gedreven. Een professoraat zat er voorlopig niet in, maar de weg naar de journalistiek lag nog wijd open. Zij werd voor de jonge Kernkamp, die zich in het spoor van Treub engageerde

[p. 147]

in de radicale beweging, een belangrijk instrument ter verspreiding van zijn politieke ideeën. Al vanaf 1892 schreef hij zeer regelmatig voor verschillende radicale en linksliberale dag- en weekbladen. In het roerige jaar 1894 werd hij redacteur van het Zondagsblad van De Amsterdammer, dat van december 1894 tot december 1895 zou verschijnen. Het was een wekelijks complement van het radicale dagblad De Amsterdammer, dat in 1883 door J. de Koo was opgericht en waarvan het effect door P.L. Tak werd vergeleken met de val van een steen in een stille vijver vol kikkers80. Ook het gelijknamige en wat oudere weekblad De Amsterdammer (de latere Groene Amsterdammer) nam in de periode 1892-1893 en 1898-1902 regelmatig bijdragen van Kernkamps hand op81. In 1902 werd hij redactiesecretaris van Vragen des Tijds, dat vanaf zijn stichting in 1874 een belangrijke rol in de verspreiding van de denkbeelden van de vooruitstrevende liberalen had gespeeld. Kernkamp zou dit maandblad - ook in woelige perioden van redactionele onenigheden - trouw blijven tot 1930, toen de publicatie ervan werd stopgezet82. De laatste tien jaren combineerde hij dit secretariaat met de functie van hoofdredacteur van De Groene. Dat Kernkamp door al deze journalistieke werkzaamheden (waartoe hij ook door persoonlijke omstandigheden min of meer was gedwongen) niet geheel verloren ging voor de wetenschap, was in de eerste plaats te danken aan S. Muller Fz., die er ondermeer voor zorgde dat zijn protégé een bestuursrol in het Historisch Genootschap kreeg toebedeeld83.

Het is onmogelijk en ook niet nodig de talloze themata die Kernkamp in zijn journalistieke produktie heeft aangesneden hier op te sommen. Slechts één punt, dat ook de finaliteit van zijn journalistieke arbeid betreft, willen wij aanstippen. Tussen september 1914 en augustus 1919 schreef hij voor Vragen des Tijds elke maand een overzicht van de militaire en politieke ontwikkelingen in De Europeesche Oorlog84. In deze overzichten keerde hij zich met felheid tegen de geheime diplomatie als allesoverheersend principe van de Nederlandse buitenlandse politiek en het daarmee samenhangende gebrek aan informatie85. Het verspreiden van informatie, maar vooral het bevorderen van de politieke meningsvorming bij een ruimer publiek zag hij als de primaire doelstelling van zijn overzichten: het Nederlandse publiek, dat al te lang onwetend was gehouden, moest zich - zeker bij het toenemend gevaar dat ook Nederland in de Oorlog zou worden betrokken - een klaar beeld kunnen vormen van de ideologie van de oorlogvoerende mogendheden en van het verloop van hun strijd. Het argument dat Nederland een strikte neutraliteit moest handhaven en dat de politieke journalistiek deze neutraliteit in ge-

[p. 148]

vaar bracht, wees Kernkamp verontwaardigd van de hand. Deze neutraliteit was immers geen doel-op-zich, maar een middel om de nationale onafhankelijkheid te bewaren. Indien Nederland door het verloop van de Oorlog toch zou worden gedwongen partij te kiezen, zou het die keuze moeten funderen op een weloverwogen oordeel, wat slechts mogelijk was indien genoeg informatie voorhanden was. In geen geval mocht die keuze gebaseerd zijn op partijbelangen: het nationale belang moest in deze primeren86. De pro-Duitse stemmingmakerij die vooral rond Kuyper welig tierde, beantwoordde Kernkamp daarom met een kordate waarschuwing tegen de verblindende retoriek van de Duitse geleerden, een waarschuwing die bij zijn uit Duitsland afkomstige collega Oppermann niet in goede aarde viel87.

De journalistieke ambities van Colenbrander vonden hun neerslag vooral in De Gids, waarvan hij sinds 1906 redactielid, sinds 1916 redactiesecretaris was. Ook al nam het tijdschrift in het Nederlandse culturele landschap niet langer de overheersende positie van weleer in, als Gids-redacteur kon Colenbrander toch volop deelnemen aan het intellectuele leven van zijn tijd. De Gids was wel geen ‘blauwe beul’ meer, het was nog steeds een ‘grijze tempel’. Deze ‘grijze tempel’ was voor Colenbrander een gedroomd forum om de politieke ontwikkelingen te commentariëren88. Hij deed dat veelvuldig, soms bijzonder scherp en polemisch, altijd met zijn gewone voortvarendheid89.

Als Gids-redacteur was Colenbrander niet meer de vooruitstrevende Takkiaan van 1894: zijn politieke voorbeeld was nu W.H. de Beaufort geworden en in diens geest besprak hij de binnenlandse politiek90. De verzuiling, die steeds meer domeinen van het maatschappelijke leven omvatte, dwong hem te erkennen dat het einde van de Republiek niet het einde van de partijtegenstellingen had ingeluid: ‘Men bleef gesplitst in een twee- of drietal elkander uiterst weinig rakende levenskringen’. Partijvorming beschouwde hij - in tegenstelling tot Fruin - echter niet als een bedreiging van een evenwichtig staatkundig leven91. Integendeel: in een periode waarin het liberalisme niet langer de grondtoon van het Nederlandse politieke leven uitmaakte, trachtte hij de onmisbaarheid van de liberale partijen te verantwoorden. Daarbij nam hij een zeer dubbelzinnige positie in. Enerzijds waarschuwde de realiteit hem de liberale politieke ideologie niet langer gelijk te stellen met de nationale politiek92. Maar anderzijds claimde hij voor deze politiek hardnekkig - en tegen beter weten in - een algemeenheid, waarop volgens hem noch de socialisten noch de confessionelen zich konden beroepen: zij werden immers slechts door een klasse- of kerkelijk belang geleid93.

[p. 149]

Het waren echter niet alleen de binnenlandse politieke ontwikkelingen die Colenbranders aandacht opeisten. Sinds 1870 was de wereld groter geworden en van een politiek commentator werd verwacht dat hij ook over de nationale grenzen heen keek. Colenbrander trachtte aan die verwachtingen tegemoet te komen, wat hem bij vele studenten geliefd maakte94. Vooral voor Nederland achtte hij een dergelijke blikverruiming noodzakelijk. Het neutraliteitsprincipe, dat de buitenlandse staatkunde van Nederland al zo lang had beheerst, had de belangstelling voor de buitenlandse politiek immers niet bepaald gestimuleerd. Bij velen had die neutraliteit geleid tot onverschilligheid: de Nederlander ‘was er aan ontwend geraakt, zich de vraag te stellen, laat staan ze te beantwoorden, welken invloed buitenlandsche gebeurtenissen zouden kunnen hebben op de belangen en lotgevallen van het eigen land95.

Die vraag ging Colenbrander in elk geval niet uit de weg. Voor de omschrijving van Nederlands plaats in de wereld baseerde hij zich op de ideeën van zijn vriend Van Vollenhoven. Deze had er in 1913 in een befaamd geworden boekje over De eendracht van het land voor gepleit dat Nederland - als kleine staat en in Grotius' traditie - de basis voor een internationale rechtsorde zou trachten te leggen. Juist omdat Nederland zo weinig materiële belangen had te verdedigen, kon het volgens hem een ‘gidsland’ zijn. Daardoor zou het bovendien niet langer de indruk wekken als ‘een duf land en een gebluschte natie’ dood te bloeden. Overigens beïnvloedde deze internationaal befaamde rechtsgeleerde op dit punt niet alleen Colenbrander: in de geschriften van Blok en Huizinga kunnen zijn ideeën eveneens worden teruggevonden96. Ook Van Vollenhovens collega's-juristen namen trouwens zijn niet van valse pretenties vrije conceptie over Nederlands rol in de wereld over. Toen in juli 1924 een groep Amerikaanse studenten Nederland bezocht, organiseerde de Leidse Universiteit een introductie-cursus voor de buitenlandse gasten. W.J.M. van Eysinga, hoogleraar Volkenrecht, sprak er over The place of Holland among the nations. Hij benadrukte daarbij - net als Van Vollenhoven - Nederlands rol als ‘centre of worldjurisdiction’ en de ‘international desinterestedness’ van het land97.

Ook Colenbrander gaf - als hoogleraar Koloniale Geschiedenis - een lezing in deze introductie-cursus, en wel over Nederlands koloniaal beleid. Hij toonde zich in deze lezing (zoals in vele andere zowel journalistieke als historische geschriften) een voorstander van de ‘ethische politiek’ van de liberale politicus C.Th. van Deventer: Nederland moest de autonome ontwikkeling van de inlandse bevolking in Nederlands-Indië bevorderen, ondermeer door een uitbreiding

[p. 150]

van de onderwijsfaciliteiten en door een verhoging en verspreiding van de economische welvaart. Dit beleid werd omschreven als het aflossen van ‘een ereschuld98. Maar ook Colenbrander moest ondervinden dat een dergelijke politiek, die onlosmakelijk verbonden was met de Leidse Indologen-opleiding, nog lang zou moeten optornen tegen een krachtige tegenwind. In 1925 werd te Utrecht de zogenaamde ‘petroleum-faculteit’ opgericht door ondermeer Gerretson. Daar werden de Indologen in een uitgesproken anti-Leidse zin opgeleid99.

Tijdens en vooral na de Eerste Wereldoorlog trok speciaal de ‘kiese’ verhouding met België Colenbranders aandacht. In een groot aantal ‘adviezen en opstellen’ accentueerde hij dat er tussen België en Nederland essentiële verschillen bestonden: een hereniging beschouwde hij als onmogelijk en ongewenst. Maar wat wel gewenst was, waren hechte vriendschapsbanden. De mogelijkheid daartoe werd in zijn ogen echter ondergraven door én het Belgische annexionisme én de Groot-Nederlandse beweging, die de grenzen van de actueel bestaande staten wilden hertekenen. De Belgische annexionisten waarschuwde hij dat een vérstrekkende herziening van de verdragen van 1839 voor Nederland onaanvaardbaar was. De Groot-Nederlanders vermaande hij de gerechtvaardigde steun aan de Vlaamse Beweging niet te verwarren met een streven de Belgische Staat ten gronde te richten. Kortom: het was politieke journalistiek in dienst van een beter wederzijds begrip tussen beide staten100.

Kernkamp en Colenbrander waren natuurlijk niet de enige historici die aan politieke journalistiek deden. Hun generatiegenoot Brugmans leverde talloze bijdragen aan dagbladen als de Nieuwe Rotterdamsche Courant en De Telegraaf - zoveel zelfs dat Van Vollenhoven hem van veelschrijverij beschuldigde101. Tussen 1915 en 1930 was Brugmans redactielid van De Groene Amsterdammer. In die functie volgde hij vooral de Amsterdamse lokale politiek en de rol van de SDAP daarin. Maar ook de themata die Kernkamp en Colenbrander hadden aangesneden, vonden in Brugmans' journalistiek weerklank. Met Kernkamp was hij het tijdens de Eerste Wereldoorlog eens dat de handhaving van de neutraliteit niet het einddoel van de Nederlandse buitenlandse politiek mocht zijn. Hij vreesde dat de vredelievendheid van een groot deel van het Nederlandse volk niets anders was dan de egoïstische wens met rust te worden gelaten en dus een verzaking aan de zedelijke plichten van het land inhield. Daarom ook liet hij (als sympathisant van de geallieerden) niet na herhaaldelijk te wijzen op de excessen van het pangermanisme: overdreven militarisme, overschatting van de waarde van de eigen Kultur, een grof

[p. 151]

machtsmaterialisme, een trotse onverschilligheid ten aanzien van het bestaansrecht van de kleine volkeren, een onverzadigbare landhonger102. Met Colenbrander deelde hij na de Oorlog de bezorgdheid om het Belgische annexionisme. In 1920 verzette hij zich in een brochure over De Wielingen tegen de Belgische aanspraken op Zeeuws-Vlaanderen en de Scheldemond103.

De indrukwekkende journalistieke activiteit van deze historici was er dus op gericht de politieke meningsvorming in het onverschillige Nederland te bevorderen. Maar dat was niet haar enige finaliteit. Zij had ook een actualisering van de geschiedschrijving tot doel. De journalistieke overzichten waren vaak zeer kroniekmatig van aard. Het interpreteren van de beschreven feiten was niet primair. Daardoor werd ontzaglijk veel materiaal bijeengebracht, dat dan later kon dienen als basis voor een meer interpretatieve contemporaine geschiedschrijving. De journalistiek als een onmisbare voorarbeid voor de eigentijdse geschiedschrijving dus - of in Colenbranders woorden: ‘Het werk wil beschouwd worden als te behooren tot die in Nederland (althans ten opzichte van de buitenlandsche zaken) nog te schaars beoefende hoogere journalistiek, die niet enkel voor één dag werkt doch tot den arbeid van later komende historici een eersten grond zoekt te leggen. De schifting van het reusachtig materiaal dat de dagbladen ons iederen dag in huis brengen is in zulk een werk noodzakelijk nog onvolkomen; intusschen, eenmaal moet er toch mede worden begonnen, zal de historieschrijver van later althans iets vinden om op voort te bouwen104.

De klacht dat de contemporaine geschiedschrijving te veel werd verwaarloosd, was overigens al ouder. Blok had haar reeds in 1897 geuit105. Zes jaar later hield Kernkamp een pleidooi voor de contemporaine geschiedbeoefening in Nederland. Hij wees daarbij op de grote achterstand ten aanzien van Duitsland, waar historici van formaat als Von Treitschke en Von Sybel - geïnspireerd en gepassioneerd door de machtsontwikkeling van het Duitse Rijk in de negentiende eeuw - hun krachten aan de beschrijving van de recente nationale geschiedenis hadden gewijd. Hij spoorde zijn Nederlandse vakgenoten aan hun voorbeeld te volgen: ook de eigen geschiedenis van de negentiende eeuw bood toch een handvol aantrekkelijke themata? De partijvorming, de uitbreiding van het koloniaal gebied, de opkomst van de arbeidersbeweging, de revolutie in handel, nijverheid en verkeer - het waren toch processen die tot beschrijving en bezinning prikkelden!106. Zelf vatte hij het plan op een populaire biografie van Bismarck te schrijven107.

Kernkamps pleidooi bleef - hoe kon het anders in een tijd van

[p. 152]

modernisering van staat en maatschappij? - niet onbeantwoord, ook niet op institutioneel vlak108. In 1913 werd hij zelf buitengewoon hoogleraar in de Algemene Geschiedenis van de Nieuwste Tijd te Rotterdam. De contemporaine geschiedenis kreeg echter een bijzonder krachtige stimulans door de Eerste Wereldoorlog. In het buitenland was dat niet anders. In de Verenigde Staten werd in 1919 het Hoover Institute on War, Revolution and Peace (verbonden aan Stanford University) opgericht. Engeland volgde korte tijd later met het Royal Institute of International Affairs (1920). Welke indruk de Wereldbrand op de jongere historici in Nederland had gemaakt, bleek uit Kernkamps rectorale rede van 1919 over De tragedie der historie109. In het Tijdschrift voor Geschiedenis riep De Boer de historici op de oorzaken van deze catastrofe nader te onderzoeken110. De uitgave van talloze bescheiden betreffende de Oorlog en zijn voorgeschiedenis, die Duitse, Engelse, Franse en Amerikaanse historici vanaf 1919 verzorgden, hief alleszins het tekort aan bronnenmateriaal op. In 1924 werd onder impuls van N. Japikse een Comité tot onderzoek van de oorzaken van den Wereldoorlog opgericht111. Brugmans, die ook bij dit Comité was betrokken, wijdde twee artikelen aan het ontstaan van de Oorlog en in 1936 bracht hij een synthese op de markt112. Intussen gaf Kernkamp druk bijgewoonde colleges over deze problematiek113. Maar de contemporaine geschiedschrijving bleef niet beperkt tot de Eerste Wereldoorlog. In het kielzog van de oorlogsliteratuur verschenen publikaties over de Russische Revolutie, het moderne imperialisme, de buitenlandse politiek van de verschillende Europese mogendheden...114. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog waagden sommigen zich reeds aan een wetenschappelijke synthese van het tijdperk 1870-1914115. Ook de colleges bleven niet beperkt tot de oorlogsgebeurtenissen. De directe voorgeschiedenis van de Oorlog eiste veel aandacht op, maar de negentiende eeuw en het post-Versailles Europa werden eveneens betrokken in de leerstof116.

Na 1945 zou deze contemporaine geschiedenis een explosieve groei kennen, dit ten gevolge van ‘de schok van 1940’, toen Nederland voor het eerst sinds het ontstaan van het Koninkrijk rechtstreeks in een groot militair conflict betrokken raakte. Reeds in mei 1945 werd het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie opgericht. Dit instituut coördineerde het onderzoek naar de oorlogsgebeurtenissen117. Maar de ‘historia hodierna’ - zoals één van haar belangrijkste beoefenaars, Presser, de eigentijdse geschiedenis betitelde118 - bleef niet beperkt tot een uitvoerige analyse van de vijf catastrofale oorlogsjaren. Honderden andere themata werden aangesneden. Het aandeel van de

[p. 153]

contemporaine geschiedschrijving in de totale historische produktie bleef sindsdien onophoudelijk stijgen. Daardoor ontstond wel eens de indruk dat er vóór 1940-1945 geen contemporaine geschiedbeoefening had bestaan. In feite betekende de Tweede Wereldoorlog op dit vlak niet zozeer ‘a turning point’ (zoals H.W. von der Dunk later stelde), maar veeleer ‘a point of no return119.

De contemporaine geschiedenis, aansluitend bij de ‘hogere journalistiek’, zorgde dus vanaf de eeuwwisseling voor een belangrijke perspectiefverbreding in de Nederlandse historiografie. De dominantie van de Republiek - het meest glorieuze en dus aantrekkelijke tijdvak van het nationale verleden - brokkelde nog vóór 1940 af en de blik werd wijder. Maar die verwijding ging ook gepaard met theoretische discussies. De oude problematiek van de onpartijdigheid keerde in een andere gedaante terug en nieuwe vraagstukken werden opgeroepen. Bij die nieuwe vragen speelde het probleem van de afstand in tijd tussen de historicus en de door hem beschreven processen een grote rol.

Blok had het onbehagen van de contemporaine historicus reeds verwoord toen hij zich bij de troonsbestijging van Koningin Wilhelmina geplaatst zag voor de taak een historisch overzicht te geven van de periode 1848-1898: ‘Wij vermogen uit het oogpunt van historie alleen aan te wijzen, welke ontwikkeling haar voorafging; om een historisch billijk oordeel over haar te kunnen vellen, zouden wij ook moeten weten, wat de gevolgen van hare eigene ontwikkeling zijn geweest’. Een ‘historisch billijk oordeel’ over het belang van een tijdvak veronderstelt dus de kennis van de gevolgen van de beschreven periode, en die bezit de contemporaine historicus juist niet120. Bloks leerling Brugmans omschreef het probleem later op analoge wijze, maar voegde er nog een nieuw element aan toe. De moeilijkheden voor de contemporaine historicus bestaan niet enkel uit het feit dat de beschreven ontwikkelingen zich nog niet hebben verdicht tot een proces met een duidelijk begin en einde. Er is nog een tweede factor die in rekening moet worden gebracht: de onmogelijkheid voor de contemporaine historicus zich op een archimedisch punt ‘boven’ de stof te plaatsen. Door die onmogelijkheid de eigen tijd à vol d'oiseau te beschouwen, is het immers ook onmogelijk in het geschiedverhaal de onderscheiden historische factoren in een juiste proportionaliteit weer te geven121. Brugmans was overigens niet de enige die deze moeilijkheden onderkende. Ook Colenbrander wees op het dilemma dat de contemporaine historie per definitie een onevenwichtige geschiedenis schijnt te zijn. Wat wél mogelijk is, is een poging enige orde te scheppen in de chaos der gebeurtenissen, zo meende hij122.

[p. 154]

Brugmans, Colenbrander en de talloze anderen hadden gelijk dit probleem te stellen. Maar toch kan men zich afvragen of er op dit punt wel een essentieel verschil tussen de contemporaine geschiedschrijving en bijvoorbeeld de mediëvistiek bestaat. Voor géén historicus is er een archimedisch punt dat hem zou toelaten een volstrekt onaanvechtbare scheiding tussen het belangrijke en het onbelangrijke in het verleden (en in het heden) te maken. Zowel bij de mediëvist als bij de contemporanist is dat een kwestie van interpretatie. Dat elke interpretatie moet berusten op argumenten wil zij niet als onwetenschappelijk worden gebrandmerkt, ligt natuurlijk voor de hand.

Maar het probleem van de proportionaliteit en het oordeel over het belang der beschreven processen was voor de eerste contemporanisten niet het hoofdprobleem. Veel belangrijker was de vraag naar de garanties die de contemporaine geschiedschrijving inzake de onpartijdigheid kan bieden. Fruin had in zijn gezaghebbende oratie reeds gesuggereerd dat de onpartijdigheid beter gewaarborgd is, wanneer de historicus niet meer rechtstreeks is betrokken bij de politieke partijstrijd die het onderwerp van zijn verhaal uitmaakt123. De contemporaine historicus beschrijft echter recente gebeurtenissen, waarin hij vaak zelf betrokken is (geweest) of die hem alleszins onrechtstreeks aanbelangen. Mag hij in staat worden geacht die gebeurtenissen op een onpartijdige manier te verhalen? Blok waarschuwde zijn studenten in elk geval speciaal bij de beoefening der contemporaine geschiedenis beducht te zijn voor vertekeningen van de historische realiteit. Het gevaar van partijdigheid bestaat, zo zei hij, natuurlijk bij alle geschiedschrijving, maar bij de contemporaine historiografie is het wel bijzonder acuut124.

Sommige jongeren als De Boer en Japikse waren echter van oordeel dat precies de Nederlandse historici goed waren geplaatst om deze onpartijdigheid te waarborgen, alleszins inzake de Eerste Wereldoorlog. Behoorden zij immers niet tot een neutraal gebleven land en waren zij daardoor - meer dan de historici uit de rechtstreeks in de Oorlog betrokken naties - niet in staat de kwestie van bijvoorbeeld de schuldvraag op een onpartijdige manier op te lossen? Japikse verzekerde kort na de Eerste Wereldoorlog en voor een Duits publiek dat hij deze kwestie steeds als ‘neutraler Holländer’ was tegemoet getreden en (daardoor) steeds onpartijdig had geoordeeld. De politieke neutraliteit en de onpartijdigheid van de historicus ten aanzien van de oorlogvoerende mogendheden werden hier dus aan elkaar geklonken125. De hierboven geschetste ‘Nederland-gidsland’-ideologie werkte dus ook in de geschiedtheorie door.

[p. 155]

Niet iedereen was echter even optimistisch. Vele vertegenwoordigers van de jongere generatie onderkenden de gevaren die de beoefening van de contemporaine geschiedenis met zich meebracht. Daarom hamerden zij op de noodzaak geschiedenis en partijpolitiek gescheiden te houden. In zijn betoog ten gunste van de instelling van hoorcolleges over de contemporaine geschiedenis, sprak Kernkamp de wens uit ‘dat deze colleges nooit ofte nimmer mogen ontaarden in pleidooien voor de eene of andere partij126. De traditie die Fruin had geïnaugureerd, bleef dus gehandhaafd. Voor de definiëring van het begrip ‘onpartijdigheid’ viel Kernkamp trouwens op Fruin terug. In een reactie op de geforceerde Utrechtse hoogleraarsbenoeming in 1912 van de jurist B.C. de Savornin Lohman, een neef van de voorman van de Christelijk-Historische Unie, en op de persheibel daarover, beschuldigde hij de nieuwe hoogleraar van partijdigheid. Daarbij maakte hij - helemaal in de lijn van Fruins oratie - een onderscheid tussen twee soorten (on)partijdigheid. De ‘ordinaire’ partijdigheid komt neer op een bewust vertekenen van de realiteit, terwijl de ‘edeler’ partijdigheid, waarin het verleden onbewust slechts vanuit één standpunt wordt belicht (en waaraan Lohman zich volgens Kernkamp had bezondigd), het gevolg is van een bezetenheid door een bepaald geloof of een politieke idee. Omgekeerd geldt dat de ‘vulgaire’ onpartijdigheid bestaat uit het bewust vermijden van alle mogelijke conflictsituaties, terwijl de ‘ware’ onpartijdigheid het betrekkelijk recht van elke partij tracht te erkennen. Fruiniaanser kon het niet!127.

Ook Colenbrander moest toegeven dat de contemporaine historicus zeer moeilijk tot een vrij en onpartijdig oordeel komt: zijn voorstelling wordt immers altijd - in meerdere of mindere mate - bepaald door ‘convenientie128. Maar die onvermijdelijkheid kan de historicus niet worden verweten: zij is eigen aan elke eigentijdse geschiedschrijving. Veel erger is echter de bewuste degradatie van het geschiedverhaal tot een politiek pamflet. Wat Colenbrander over een dergelijke partijdigheid dacht, moge blijken uit zijn bijzonder scherpe reactie in 1907 tegen de imperialistische historiografie. Daaruit deze wat pathetische oproep: ‘Er is een uitwas, nog afschuwelijker dan de dorheid der schoolgeschiedenis; het is de blinde doordraverij, zoo niet de venijnige valschheid der geschiedenis die zich in dienst gesteld heeft van iedere andere dan de hoogste en ruimste aspiratiën die in een volk of tijd worden aangetroffen. Wij hebben geschiedenissen in slavendienst van -ismen; ja wij dreigen er mede te worden overstroomd. Of het socialistische, imperialistische of andere partijwoede is waaraan zij zich verpand heeft, nimmer moge de hand verlamd zijn, die haar het masker af kan rukken129. ‘Honestum petimus usque’ (in een wat vrije ver-

[p. 156]

taling: ‘Eerzaam tot in de dood’) - dit weze het devies van de historicus!130.

Het thema van de onpartijdigheid speelde echter vooral in Brugmans' werk een grote rol. Meer dan Kernkamp en Colenbrander accentueerde hij de noodzaak in de contemporaine geschiedschrijving bijzonder voorzichtig te zijn. Ook hij besefte dat het moeilijk was onpartijdig te blijven wanneer het ging om recente gebeurtenissen als de Russische Revolutie, waarbij pro en contra zo scherp tegenover elkaar stonden131. Maar dat kon toch niet betekenen dat de historicus het streven naar onpartijdigheid maar moest laten varen? Wie bereid was te schrijven sine ira et studio, kon heel wat bereiken. Pirennes beschrijving van de recente politieke geschiedenis van België kon als bewijsplaats dienen132.

De steunpilaren van deze onpartijdigheid waren in Brugmans' ogen de anti-normativiteit en de depolitisering van de geschiedschrijving. In zijn verwerping van uitgesproken waarde-oordelen in het geschiedverhaal sloot hij aan bij Blok (al had ook die in de praktijk heel wat waarde-oordelen geveld). Reeds in de Amsterdamse oratie van 1904 maakte Brugmans duidelijk dat een zedelijk oordeel over historische figuren of partijen in zijn optiek niet thuishoorde in het geschiedverhaal. Daarna heeft hij zijn afkeer voor een normatieve geschiedschrijving talloze malen - haast als een stoplap - herhaald133. Daarbij aansluitend verdedigde hij ook de historistische stelling dat de waarde van een tijdvak niet mocht worden gemeten met de maatstaven van de eigen tijd. Bussemakers Leidse oratie waarin was betoogd dat een waarde-oordeel onvermijdelijk is, had Brugmans dus niet overtuigd: de ware geschiedschrijver oordeelde niet134. Dit was voor Brugmans geen abstracte theoretische stelling, maar een zeer concrete norm voor de contemporaine geschiedschrijving: het historisch onderzoek naar de wortels en het verloop van de Eerste Wereldoorlog mocht zich in geen geval inlaten met de schuldvraag135. Hoe moeilijk deze eis echter in te willigen was, bleek uit Brugmans' eigen synthese van 1936: op één bladzijde betoogde hij twee maal dat Nederland geen enkele verantwoordelijkheid voor het uitbreken van de Oorlog droeg. Zijn oudste zoon had dat al voorzien: in de discussie tussen Bussemaker en zijn vader had hij resoluut de zijde van de eerste gekozen136.

Het streven naar onpartijdigheid hield voor Brugmans eveneens een streven naar de depolitisering van de geschiedschrijving in: het aanwenden van de geschiedenis voor politieke doeleinden verwierp hij met nadruk137. De weifelende houding die hij in talloze dagbladartikelen ten aanzien van Geyls Groot-Nederlandse geschiedschrijving

[p. 157]

innam, illustreerde dit. Na een aanvankelijk scepticisme had hij Pirennes beeld van de Scheiding der Nederlanden aanvaard. Maar toen Geyls Holland and Belgium in 1920 verscheen, oordeelde hij dat diens visie het Pirennistische beeld van de Scheiding corrigeerde. De politieke consequenties van de Groot-Nederlandse historiografie wees hij echter af. Dit standpunt hield hij ook aan na de publikatie van Geyls dubbelwerk over De Groot-Nederlandsche Gedachte in 1925 en in 1930: de kern van de Groot-Nederlandse geschiedschrijving aanvaardde hij, maar de politieke propaganda die Geyl in de bundels verwerkte, keurde hij zeer uitdrukkelijk af. In de jaren 1930 keerde hij zich echter ook tegen de Groot-Nederlandse geschiedvisie. Geyls Geschiedenis van de Nederlandsche Stam (vanaf 1930) bevredigde hem niet: de band die tussen Noord en Zuid werd gelegd, leek hem te geforceerd138. Dat bij die uiteindelijke afwijzing ook zijn afkeer voor Geyls vermenging van wetenschap en politiek een belangrijke rol speelde, werd duidelijk uit zijn recensie van Geyls Kernproblemen (1937). ‘Dat prof. Geyl bij wijlen aan hetzelfde euvel lijdt als Groen, wien hij verwijt, dat zijn historisch inzicht wordt verduisterd, zoodra zijn godsdienstige en staatkundige beginselen in het spel komen’ - dat was het wat Brugmans zo stoorde. Kortom: geschiedenis was één ding, politiek een ander139.

Door historiografie en politiek gescheiden te houden, hoopte Brugmans de nationale eenheid te versterken. Op dit punt toonde hij zich een traditioneel leerling van Fruin en Blok. Herhaaldelijk klaagde hij over de vergruizing van de maatschappij en over het gebrek aan innerlijke samenhorigheid tussen de onderscheiden zuilen140. Eén van de oorzaken daarvan was volgens hem de verregaande politisering van het openbare leven: overal was het landsbelang voor het partijbelang geweken. Hij pleitte dan ook voor een machtsversterking van de onpartijdig geachte Kroon, het enige instituut dat een correctie op het partijparticularisme leek te kunnen bieden. En ook hier verscheen een geactualiseerde Willem van Oranje als lichtend voorbeeld141. Dit pleidooi ging gepaard met een accentuering van het belang van een ‘historische’ politiek, een politiek die zich niet liet leiden door ‘de koude hand van het dogma’, maar door een integratie van de oude vormen en de nieuwe noden142. Slechts in de context van een onpartijdige monarchie en een ‘historische’ politiek kon dus een compromis dat de uiteengroeiende zuilen kon herenigen, worden bereikt. Een gepolitiseerde historiografie zou de toch al zo moeilijke realisatie van dat verzoenende compromis nog langer uitstellen143.

Een verzoenend compromis - hoe goed paste deze wens ook bij het karakter van Brugmans! ‘Een patriarchale figuur met een verzoenende

[p. 158]

gemoedelijkheid’, zo omschreef Van Dillen dat karakter, en vele tijdgenoten konden met hem instemmen144. Zelf sprak Brugmans graag over ‘het echt Nederlandsche praedicaat van gematigd145. Hij was een voorzichtig historicus, die de wetenschap liever niet als een arena zag: ‘In historische zaken lijkt het debat mij niet het aangewezen middel om tot de benadering der waarheid te komen. In de politiek blijkt het nog te gaan; men neemt er tenminste den schijn van aan. Maar in de wetenschap is alleen heil te verwachten van de rustige bézinning van het onderzoek146. Het is een tekenende passage. Maar Brugmans' bedachtzaamheid werd lang niet overal en altijd op gejuich onthaald. Bij vele jongeren kwam zij over als een onwrikbaar, maar ouderwets vasthouden aan wetenschappelijke idealen die passé waren147. Maar ook generatiegenoten als Kernkamp en Colenbrander konden zich niet altijd vinden in Brugmans' bedachtzaamheid. Hun onvrede met de ontwikkeling van de historiografie speelde daarin een belangrijke rol.

78Cfr. j. huizinga, Herdenking van G.W. Kernkamp, p.551-552.
79Cfr. p.b.m. blaas, Historicus tussen wetenschap en journalistiek, p.28.
80g. taal, Liberalen en Radicalen, p.146-148.
81Over dit weekblad: De Groene Amsterdammer. 75 jaar rijp en groen (1877-1952), Amsterdam, 1952.
82g. taal, Liberalen en Radicalen, p.32-40 en p.b.m. blaas, Historicus tussen wetenschap en journalistiek, p.22-26.
83Voor de niet altijd even vlekkeloze relatie tussen Kernkamp en S. Muller Fz.: uub, 15.C.20: Grafredes-Rouwredes, S. Muller (dec. 1922); g.w. kernkamp, Sam Muller, - id., Van Menschen en Tijden, dl.I, 1931, p.177-205 (uit 1923) en j. huizinga, Herdenking van G.W. Kernkamp, p.550-551.
84Gebundeld in g.w. kernkamp, De Europeesche Oorlog 1914-1919. Indrukken van een tijdgenoot, Haarlem, 2 dln., 1919. Cfr. p.b.m. blaas, Historicus tussen wetenschap en journalistiek, p.18-21.
85g.w. kernkamp, De Europeesche Oorlog, dl.I, p.52-62 en p.488-494. Vgl. id., Kautsky's boek, p.310-311.
86id., De Europeesche Oorlog, dl.I, p.54-55, p.183-186 en p.311-344.
87id., De Europeesche Oorlog, dl.I, p.95-126, p.150-156 en p.637-641. Voor Oppermanns reactie: uub, 21.F.2: concept van O.A. Oppermann aan Kernkamp, 8 febr. 1915 en Kernkamp aan O.A. Oppermann, 12 febr. 1915 (uitg. p.b.m. blaas, Historicus tussen wetenschap en journalistiek, p.74-75.)
88Cfr. j. huizinga, Colenbrander als Gidsredacteur, - VW, dl.VI, p.531-534 en g.a.c. van der lem, ‘Onze grijze tempeltjes’. De historische bijdragen in De Gids tijdens het redacteurschap van Colenbrander en Huizinga, - TvG, 99 (1986), p.430-452. Archiefmateriaal in lub, Ltk. 1888 en amvc, C 3315/B. Over De Gids ten tijde van Colenbrander: r. aerts e.a., De Gids sinds 1837. De geschiedenis van een algemeencultureel en literair tijdschrift, (Schrijversprentenboek, 27), 's-Gravenhage-Amsterdam, 1987, p.112-141.
89Vgl. de pijnlijke kritiek in lub, bpl 2865: C. van Vollenhoven aan Colenbrander, aug. 1926 (‘Je bent te apodictisch en te categorisch’).
90h.th. colenbrander, Willem Hendrik de Beaufort, - id., Historie en Leven, dl.III, [1920], p.1-42 (vgl. De Gids, 82 (1918), dl.II, p.185-187 en lub, bpl 2865: briefwisseling W.H. de Beaufort-Colenbrander) en de bundel id., Studiën en aanteekeningen over Nederlandsche politiek (1909-1919), 's-Gravenhage, 1920.
91id., Nederlaag, - De Gids, 73 (1909), dl.III, p.5 en id., De staatkundige ontwikkeling der Nederlanders voor honderd jaar en thans, - id., Historie en Leven, dl.II, [1915], p.71 en p.107.
92id., Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman, p.131-135.
93id., Voorwaarts, - De Gids, 77 (1913), dl.II, p.361-362 en vooral id., De Liberalen en de verkiezingen, - De Gids, 93 (1929), dl.III, p.1-17.
94Cfr. de bundels id., Tien jaren Wereldgeschiedenis, 's-Gravenhage, 2 dln., 1915 en id, Wereldgeschiedenis (1915-1919), 's-Gravenhage, 2 dln., 1920. Een voorbeeld van de indruk die Colenbrander op de studenten maakte: th.j.g. Locher, Geschiedenis van ver en nabij. Onuitgesproken afscheidsrede, Leiden, 1971, p.6-7 (bevestigd in een mededeling van A.E. Cohen, 15 maart 1988).
95h.th. colenbrander, Tien jaren Wereldgeschiedenis, dl.I, 1915, p.VIII en id., Studiën en aanteekeningen, p.142-144 (citaat p.142).
96c. van vollenhoven, De eendracht van het land, 's-Gravenhage, 1913 en h.th. colenbrander, Recensie van C. van Vollenhoven, De Eendracht van het Land, - De Gids, 77 (1913), dl.II, p.174-176. De in 1925 opgerichte Studentenvereeniging voor den Volkenbond stond onder auspiciën van Colenbrander (l.d. frank en h.b. wiardi beckman, Geschiedenis van het Leidsche Studentencorps, p.221). Voor Blok en Huizinga: cfr. supra hf.II, par.3 en infra hf.IV, par.6. Over de ‘gidsland’-ideologie: j.c. boogman, De Nederland-Gidsland-conceptie in historisch perspectief, - Ons Erfdeel, 27 (1984), p.161-170.
97w.j.m. van eysinga, The place of Holland among the nations, - Lectures on Holland for American Students, Leiden, 1924, p.19-30.
98Ondermeer h.th. colenbrander en j.e. stokvis, Leven en arbeid van Mr. C.Th. van Deventer, Amsterdam, 3 dln., 1916-1917; h.th. colenbrander, Nederlands betrekking tot Indië in verleden en toekomst, - id., Historie en Leven, dl.IV, [1920], p.165-186; id., Autonomie voor Indië, - De Gids, 86 (1922), dl.III, p.265-272 en id., The Indian Empire of the Netherlands, - Lectures on Holland, p.31-47.
99Cfr. h.th. colenbrander e.a., De Aanslag op Leiden, - De Gids, 89 (1925), dl.I, p.248-263. Over de Leidse opleiding: c. fasseur, Hemelse godin of melkgevende koe: de Leidse universiteit en de Indische ambtenarenopleiding 1825-1925, - bmgn, 103 (1988), p.209-224; over de Utrechtse: h. feddema en o.d. van de muizenberg, Koloniale belangen in de academie: hoe kwam de Utrechtse Indologieopleiding tot stand?, - f. bovenkerk e.a., Toen en thans. De sociale wetenschappen in de jaren dertig en nu, Baarn, 1978, p.105-118. De Leids-Utrechtse tegenstelling op het gebied van de koloniale politiek speelde een belangrijke rol in Colenbranders conflict met Gerretson en in het ontslag van de eerste uit de Commissie van Advies van de rgp (1926): cfr. k. kooijmans en j.p. de valk, ‘Eene dienende onderneming’. De Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis en haar Bureau 1902-1968, - Bron en publicatie. Voordrachten en opstellen over de ontsluiting van geschiedkundige bronnen, uitgegeven bij het 75-jarig bestaan van het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, 's-Gravenhage, 1985, p.243-250.
100Vooral in de bundels h.th. colenbrander, Studiën en aanteekeningen, p.344-398; id., Nederland en België. Adviezen en opstellen uit de jaren 1919 en 1925-1927, 's-Gravenhage, 1927 en id., Nederland en België. Proeve tot beter waardeering, Den Haag, 1933. Een goede samenvatting biedt lub, bpl 2861, p.210-212 (25 aug. 1930). Cfr. c.a. van der klaauw, Politieke betrekkingen tussen Nederland en België 1919-1939, Leiden, 1953 (over Colenbrander: p.16-17).
101lub, bpl 2865: C. Van Vollenhoven aan Colenbrander, 2 nov. 1904.
102h. brugmans, Een Nederlander over Nederland, - De Amsterdammer, 2 april 1916, nr.2023, p.1; id., Het Pangermanisme, (Staten en volkeren), Baarn, 1915 en id., Het Panamericanisme, - Onze Eeuw, 17 (1917), dl.III, p.72-75.
103id., De Wielingen. Rechten en belangen, Amsterdam, 1920.
104h.th. colenbrander, Tien jaren Wereldgeschiedenis, dl.I, 1915, p.VII-VIII.
105lub, bpl 2983/2: Onze geschiedenis der 19de eeuw.
106g.w. kernkamp, Van Wagenaar tot Fruin, p.23-28.
107Cfr. p.b.m. blaas, Historicus tussen wetenschap en journalistiek, p.16-17.
108Een gedetailleerd overzicht van de beoefening van de contemporaine geschiedenis in Nederland biedt p. luykx, De beoefening van de nieuwste geschiedenis in de 20e eeuw, - id. en n. bootsma (red.), De laatste tijd. Geschiedschrijving over Nederland in de 20e eeuw, (Aula-paperback, 147), Utrecht, 1987, p.9-64. Korter en met meer oog voor de ontwikkelingen in het buitenland is p. luykx e.a., De ware geschiedschrijver. Apparaat voor de nieuwste geschiedenis, Groningen, 1982, p.31-36. Voor een al wat ouder overzicht van de buitenlandse ontwikkelingen: d.c. watt (uitg.), Contemporary History in Europe. Problems and Perspectives, Londen, 1969.
109g.w. kernkamp, De tragedie der historie, Haarlem, 1919. De indruk die deze rede op de toehoorders maakte, blijkt uit uub, 15.C.20: Correspondentie, W. Royaards aan Kernkamp, 30 maart 1919. Contra j. romein, De geschiedschrijving in Nederland tijdens het interbellum, p.147.
110m.g. de boer, De Wereldoorlog en de Historie - TvG, 34 (1919), p.1-11. Reeds vroeger had De Boer op het belang van de contemporaine geschiedschrijving gewezen: id., Over de practische en wetenschappelijke waarde der jongste geschiedenis, Groningen, 1915. In dat jaar was hij - op voorspraak van Brugmans - privaatdocent in de ‘Jongste Geschiedenis’ te Amsterdam geworden.
111g.h.j.m. olthof, Contemporaine geschiedbeoefening in Nederland tijdens het interbellum. Het ‘Nederlandsch Comité tot onderzoek van den Wereldoorlog’ (1924-1937), - Theoretische Geschiedenis, 10 (1983), p.356-382.
112h. brugmans, De oorsprong van den Europeeschen oorlog en id., Het ontstaan van den Wereldoorlog, - TvG, 34 (1919), p.200-224 en 43 (1928), p.337-373 (vgl. TvG, 44 (1929), p.250-262 en p.382-383) en id., Geschiedenis van den Wereldoorlog, 1914-1918, Amsterdam, 1936.
113Cfr. t.s. jansma, Overpeinzingen, p.245.
114Slechts twee voorbeelden: j.s. bartstra, Geschiedenis van het moderne imperialisme, Haarlem, 1925 en h. brugmans, De buitenlandse politiek van het Britsche Rijk van omstreeks 1860 tot 1914, Leiden, 1926.
115Cfr. h.th. colenbrander, Europa, 1871-1914, - De Gids, 103 (1939), dl.I, p.281-303 en dl.II, p.34-64 en p.176-196.
116uum, Archief Kernkamp, Ia3, Ia5, Ia7 en Ia13 en muva, Archief Hajo Brugmans, doos 1-3.
117a.h. paape, Veertig jaar Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, - d. barnouw e.a. (red.), 1940-1945: onverwerkt verleden?, Utrecht, 1985, p.9-22; l. de jong, The Historiography of the Netherlands in the Second World War, - a.c. duke en c.a. tamse (uitg.), Clio's Mirror. Historiography in Britain and the Netherlands, Zutphen, 1985, p.215-228 en m. pam, De onderzoekers van de oorlog. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en het werk van dr. L. de Jong, 's-Gravenhage, 1989. Voor de methodologische problemen waarmee de medewerkers van het riod werden geconfronteerd: a.e. cohen, Problemen der geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog, - TvG, 65 (1952), p.52-85. In de jaren tachtig werden op dit vlak nieuwe wegen ingeslagen: cfr. id., Twee oraties over de bezettingstijd, - bmgn, 101 (1986), p.417-422 en p. romijn, Herbeleving en herinterpretatie: recente literatuur over Nederland en de tweede wereldoorlog, - bmgn, 102 (1987), p.211-228.
118Uit het werk van dr. J. Presser, Amsterdam, 1969, p.209-225.
119h.w. von der dunk, Holland: the Shock of 1940, - Journal of Contemporary History, 2 (1967), afl.1, p.169-182 (citaat p.173).
120p.j. blok, De laatste halve eeuw uit een historisch oogpunt, - id., Verspreide studiën op het gebied der geschiedenis, Groningen, 1903, p.356-357.
121h. brugmans, Bloei en verval, p.276 en id., Schets eener beschavingsgeschiedenis, p.179-180.
122h.th. colenbrander, P.L. Muller, - Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1904-1905, p.303-304.
123Cfr. supra hf.I, par.2.
124lub, bpl 2983/2: De fransche Revolutie (28 sept. 1891) en Onze geschiedenis der 19de eeuw (30 sept. 1897 en 1 okt. 1905).
125p. luykx, De beoefening van de nieuwste geschiedenis, p.39.
126g.w. kernkamp, Van Wagenaar tot Fruin, p.26.
127id., Naar aanleiding van een hoogleeraarsbenoeming, - Vragen des Tijds, 1913, dl.I, p.85-87. Vgl. id., De ‘Histoire socialiste’ van Jean Jaurès, p.164. Cfr. supra hf.I, par.2-3.
128h.th. colenbrander, 1848, - id., Historie en Leven, dl.II, [1915], p.181-182.
129id., Imperialistische geschiedschrijving, - id., Historie en Leven, dl.III, [1920], p.74-86 (citaat p.77).
130id., The Work of Dutch historical Societies, - The Annual Report of the American Historical Association for 1909, p.256.
131h. brugmans, De Russische revolutie, - De Groene Amsterdammer, 21 juni 1930, nr.2768, p.3. Vgl. id., Het ontstaan van den Wereldoorlog, p.340-341.
132id., H. Pirenne, Histoire de Belgique VII, - TvG, 47 (1932), p.463. Vgl. n.w. posthumus, Levensbericht van Brugmans, p.250.
133h. brugmans, Het belang der economische geschiedenis, p.39-40 en ondermeer muva, Archief Hajo Brugmans, doos 3: Methode en Kritiek, p.24-25 en id., Het moderne imperialisme, - De Groene Amsterdammer, 30 jan. 1926, nr.2539, p.2.
134Ondermeer id., Democratie, - De Nederlandsche Spectator, 1901, nr.31, p.246; id., Algemeene cultuurgeschiedenis: De Middeleeuwen, Amsterdam, 1915, p.VII en id., Levensbericht van Bussemaker, p.43-45 (cfr. supra hf.II, par.5).
135id., De schuldvraag, (Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, serie B, 76, nr.6), Amsterdam, 1933. Dit idee leefde ook bij Japikse (cfr. g.h.j.m. olthof, Contemporaine geschiedbeoefening, p.371-372). Over de passies die de ‘Schuldforschung’ met name in Duitsland opriep: w. jäger, Historische Forschung und politische Kultur in Deutschland. Die Debatte 1914-1980 über den Ausbruch des Ersten Weltkrieges, (Kritische Studien zur Geschichtswissenschaft, 61), Göttingen, 1984.
136h. brugmans, Geschiedenis van den Wereldoorlog, p.195 en i.j. brugmans, Philosophie en geschiedenis, - Onze Eeuw, 23 (1923), dl.III, p.313.
137Ondermeer muva, Archief Hajo Brugmans, doos 3: Methode en Kritiek, p.25 en h. brugmans, Eduard Meyer aan het woord. Een Duitsch historicus over de Europeesche politiek, - De Amsterdammer, 24 juni 1916, nr.2035, p.2.
138Cfr. De Nederlandsche Spectator, 1900, nr.43, p.342-344; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 26 nov. 1902, eerste blad A, p.2; De Nederlandsche Spectator, 1903, nr.3, p.20; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 19 okt. 1911, avondbl. B, p.1; De Amsterdammer, 2 april 1916, nr.2023, p.2 en 11 febr. 1922, nr.2329, p.1-2 (vgl. Briefwisseling Gerretson-Geyl, uitg. p. van hees en g. puchinger, Baarn, dl.I, 1979, p.64-66, nr.39) en Nieuwe Rotterdamsche Courant, 11 april 1925, avondbl. D, p.3; 31 mei 1930, ochtendbl. B, p.1; 13 aug. 1934, avondbl. C, p.3 en 29 nov. 1937, avondbl.B, p.1.
139h. brugmans, Problemen uit de Nederl. Geschiedenis, - TvG, 52 (1937), p.399-400. Voor Geyl was Brugmans intussen een vijand want ‘lid van de [‘Klein-Nederlandse’] Kernkamp-Colenbrander-Kongsi’ geworden (Briefwisseling Gerretson-Geyl, dl.II, 1980, nr.445).
140Ondermeer id., Schets eener beschavingsgeschiedenis, p.191-213.
141id., Vijf en twintig jaren, - id. (red.), Officieel Gedenkboek ter gelegenheid van het vijf en twintig jarig regeeringsjubileum van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina, Amsterdam, 1923, p.1-21 en id., Willem van Oranje, Amsterdam, 1933 (cfr. j.h.m. van de westelaken, De Oranje-herdenking van 1933, - e.o.g. haitsma mulier en a.e.m. janssen (red.), Willem van Oranje in de historie 1584-1984. Vier eeuwen beeldvorming en geschiedschrijving, Utrecht, 1984, p.165-166 en p.177-178).
142Ondermeer h. brugmans, Een geveynsde peys?, - De Amsterdammer, 6 sept. 1919, nr.2202, p.3 en id., De waarde der Fransche Revolutie, p.12. Vgl. de opmerkelijke kritiek op het liberalisme in id., Het Pangermanisme, p.3-5.
143Over het belang van het compromis: id., De beteekenis van 1813, - Onze Eeuw, 13 (1913), dl.III, p.12-13.
144muva, Archief Hajo Brugmans: Knipselboek (Van Dillen, 2 maart 1929). Vgl. in de necrologieën: uub, 15.C.20: Diversen, In Memoriam Hajo Brugmans (7 dec. 1939); j.g. van dillen, In memoriam prof. dr. H. Brugmans, - TvG, 55 (1940), p.112 en n.w. posthumus, Levensbericht van Brugmans, p.240 en verder de opmerkingen in de memoires van Hk. brugmans, Wij, Europa. Een halve eeuw strijd voor emancipatie en Europees federalisme, Leuven-Amsterdam, 1988, p.25-27.
145h. brugmans, De beteekenis van 1813, p.11.
146id., Het ontstaan van den Wereldoorlog, p.382.
147Cfr. n.b. tenhaeff, In memoriam Professor Dr. H. Brugmans, - id., Verspreide Geschriften, Groningen, dl.II, 1949, p.125 en n.w. posthumus, Levensbericht van Brugmans, p.255.
prepostterug  begin  verder