terug  begin  verderprepost

3. Kleine fenomenologie van de historische belangstelling

Om de relatie tussen kunst en geschiedenis aan te duiden had Huizinga de term ‘aesthetisch’ gekozen. Het woord werd in de oratie gebruikt in zijn oorspronkelijke betekenis: als dat wat betrekking heeft op elke vorm van zintuiglijke waarneming en op de onmiddellijkheid die daarmee gepaard gaat65. Hij had het nauwgezet onderscheiden van ‘artistiek’, waaronder hij verstond: dat wat betrekking heeft op ‘de schone vorm’. Dit woordgebruik weerspiegelde zijn visie op de verwantschap tussen kunst en geschiedenis.

Voor Huizinga stond het vast dat deze verwantschap zich in de geschiedenis zeker niet primair in het stilistisch vermogen of in de fantasie van de historicus toont. Hij was trouwens van oordeel dat mooischrijverij het ontstaan van een echte historische gevoeligheid eerder belemmert dan stimuleert66. De voorstelling als zou hij in de eerste plaats een voorvechter van een ‘kunstzinnige geschiedschrijving’ zijn geweest en daardoor een innovator, zoals die in een groot deel van de historiografie over hem leeft, is dus een vertekening67. Dat de historicus aandacht moet besteden aan de vorm van zijn verhaal en dat hij bij de opbouw van dat verhaal zijn fantasie moet gebruiken, waren voor hem voor de hand liggende waarheden.

Maar waarin bestaat deze verwantschap tussen kunst en geschiedenis dan wel, of althans: hoe toont die verwantschap zich in de geschiedschrijving? Huizinga herkende haar in de wijze waarop het verleden wordt ervaren. Daarin lag het vertrekpunt van zijn volstrekt

[p. 213]

originele en persoonlijke bijdrage tot de geschiedtheorie en het is merkwaardig dat precies dit punt in de historiografie amper aandacht heeft gekregen68. Als eerste bracht hij tot dan toe over het hoofd geziene themata als ‘de historische belangstelling’ en ‘de ontvankelijkheid voor het verleden’ ter sprake69. Daardoor kwam de lezer - een vaak vergeten figuur die in een bij uitstek receptieve discipline als de geschiedenis nochtans een essentiële rol speelt70 - aan bod. Dat juist een mentaliteitshistoricus deze aandachtsverschuiving teweegbracht, kan overigens geen verwondering wekken.

Huizinga heeft altijd met een zekere schroom over de historische belangstelling geschreven en de passages die hij eraan wijdde, zijn schaars en cryptisch. Het is daarom nodig deze passages te inventariseren. De eerste keer (na zijn oratie) dat hij er wat uitgebreider op inging, was in een Gids-artikel uit 1920 over Het historisch museum71. In de Nederlandse museumwereld voltrok zich op dat moment de strijd tussen de traditionele historiserende en de esthetische richting, waarbij de eerste de waarde voor de kennis van de vaderlandse geschiedenis, de tweede de artistieke waarde der tentoongestelde stukken benadrukte. Met de komst van Frederik Schmidt Degener als hoofddirecteur van het Rijksmuseum te Amsterdam scheen het pleit beslecht ten voordele van de esthetische richting. Bij de reorganisatie van het Rijksmuseum werd voorgesteld de artistiek minderwaardige stukken onder te brengen in een historisch museum.

Huizinga engageerde zich op een voor hem ongewoon emotionele wijze in deze zaak72. Hij protesteerde krachtig tegen de doctrinaire kunsthoogmoed en de daarmee gepaard gaande minachting voor het historische, die in het voorstel besloten lagen. In het Gids-artikel zette hij zich af tegen het bekrompen onderscheid tussen kunst en geschiedenis, dat door dit voorstel werd uitgedragen. In beide cultuursferen speelt immers het genieten een belangrijke rol. Waarin het historisch genieten bestaat? In de ‘historische sensatie’. Maar waarin bestaat deze historische sensatie? Om op deze vraag te kunnen antwoorden had hij meer woorden nodig. Een historisch detail van een prent of van een schilderij, zo schreef hij, kan plots ‘het gevoel van een onmiddellijk contact met het verleden geven, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot, een (lach niet) bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mij zelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie’. Of nog: het is ‘de vatbaarheid voor de onmiddellijke historische suggestie73. Huizinga twijfelde geen moment aan het bestaan van deze historische sensatie, maar wist ook hoe moeilijk (en ongepast!) het was rechtstreeks over haar te spre-

[p. 214]

ken: het raadsel van het sacrale laat zich niet vatten in altijd onvolkomen bewoordingen. Een echt Hollandse vergelijking verduidelijkte meer dan een abstracte definitie: het plots aanwaaiende gevoel van nabijheid en van erkenning van anders versluierde machten dat de wandelaar bij het naderen van een draaiorgel soms kan overvallen, kent iedereen. Dat gevoel behoort tot dezelfde sfeer als de historische sensatie74.

Wie in elk geval wel begreep wat Huizinga bedoelde, was de literatuurhistoricus en kunstcriticus André Jolles, met wie hij sinds 1896 innig bevriend was75. Jolles zag niet alleen in dat het hem toegezonden Gids-artikel eigenlijk een supplement op de Groningse oratie van 1905 was, maar ging zelf ook dieper in op de problematiek. Met name het momentane en onverwachte karakter van de historische sensatie - Huizinga had in zijn stuk zelf ook al gesproken over ‘een dronkenschap van een oogenblik’ - trok zijn aandacht. Hij wees erop hoe vluchtig en kortstondig het onmiddellijke contact met het verleden altijd is - en stelde daarom speels voor een ‘beweeglijk museum’ in te richten76. Vijf jaar later - in 1925 - vormde de historische sensatie opnieuw het onderwerp van een gesprek tussen beide vrienden, nu niet in de vorm van een privé-briefwisseling, maar in het kader van een discussie in De Gids over het statuut van de literatuur. In zijn repliek raakte Huizinga even het thema aan. Het orgaan waarmee de historische sensatie wordt beleefd - en dat sommige mensen en zelfs volkeren kunnen missen - betitelde hij er als ‘het historische zintuig77. Die metafoor kan niet verwonderen: zij lag volkomen in de lijn van het ‘aesthetische’ en ‘onmiddellijke’ karakter dat hij het contact met de voorbije realiteit toeschreef.

Na 1925 kwam Huizinga slechts sporadisch terug op de historische sensatie. Hij deed dat op twee verschillende manieren: enerzijds in zijn geschiedtheoretische tractaten (en in één enkel cultuurhistorisch opstel), anderzijds in autobiografische teksten. Zelf moet hij de tweede weg hoger hebben geschat, want hij wist hoe weerbarstig en vlottend een begrip als de ‘historische sensatie’ was en hoe moeilijk het in te passen was in een altijd starre epistemologie78. In de korte autobiografische schets die hij in 1943 op vraag van zijn (tweede) echtgenote schreef en die postuum werd gepubliceerd onder de titel Mijn weg tot de historie, maar vooral in de onuitgegeven gebleven lezing Over historische belangstelling die hij in maart 1936 voor de studenten in de geschiedenis te Woudschoten hield, deelde hij enkele gegevens over het ontstaan en over de aard van zijn eigen historische belangstelling mee79.

Huizinga verhaalde er hoe hij als zesjarige schooljongen werd ge-

[p. 215]

grepen door de maskerade en de historische optocht die het Groningse studentencorps in 1879 opzette: ‘De optocht was het mooiste wat ik ooit gezien had... ik had mijn eerste contact met het historisch verleden beet, en dat zat diep en vast’. De lessen Vaderlandse Geschiedenis van Mej. J. Nuiver, de verhalen over Michiel de Ruyter en Johan de Witt, de sprookjes van Andersen, de munten die hij samen met zijn broer Jacob bijeenbracht, de felle kleuren van de heraldiek..., zij droegen alle bij tot dat contact. Hij zag het verleden, niet in de vorm van een geordend patroon, maar als ‘een hantise, een obsessie, een droom’. Toen hij in 1897 leraar Geschiedenis werd en korte tijd later aan het archiefonderzoek voor zijn Opkomst van Haarlem (1905-1906) begon, kreeg het redelijke element meer ruimte: hij werd nu wel gedwongen samenhangen en oorzakelijke relaties op te sporen. Maar ook toen werd hij niet gedreven door een solide, wetenschappelijke interesse. De intensieve genieting en de spanning van het in de bronnen werken (‘de intoxicatie van het vorschen’) bevredigden in de eerste plaats zijn verlangen naar een directe aanraking met de voorbije dingen. Het was een fantastisch verlangen, een haken naar een contact, naar een sensatie, naar een gezicht, dat dieper lag dan het redelijke. Kortom: niet een rationele drang naar kennis, maar wel de verbeelding was en bleef het fundament en de motor van zijn historische belangstelling.

In de geschiedtheoretische opstellen, die vóór de autobiografische schetsen ontstonden, sprak Huizinga slechts weinig over de historische sensatie en belangstelling. Toch kunnen de enkele verspreide gegevens die deze teksten bevatten, gecombineerd met de in de Gids-artikelen en in de autobiografieën aangereikte elementen, een en ander verduidelijken, ondermeer betreffende de bronnen van de historische sensatie en de gevoelens die haar begeleiden. In De taak der cultuurgeschiedenis (1929) probeerde Huizinga nogmaals het begrip ‘historische sensatie’ te omlijnen: ‘Het is geen kunstgenot, geen religieuze aandoening, geen natuurhuivering, geen metaphysisch erkennen, en toch een figuur uit deze rei’. Zij is dus een onreduceerbare ervaring, die ook niet samenvalt met wat de neo-idealistische filosofen onder het begrip ‘Nacherleben’ (of ‘Nachfühlen’) verstonden. Dat begrip veronderstelt immers een zekere continuïteit in de ervaring van het verleden, terwijl de historische sensatie juist zeer momentaan en kortstondig is80.

Het onmiddellijke contact met het verleden (en dus het wijken van de grenzen van de tijd) kan op zeer diverse manieren ontstaan. De historische sensatie kan plots ontvlammen bij een wandeling door het Hollandse stedenschoon, bij het lezen van een kroniek of een notaris-

[p. 216]

acte, bij het horen van een paar klanken uit een oud lied, bij het zien van een prent. Dat zij vooral (maar dus niet uitsluitend) kan ontspringen bij het bekijken van een gravure of een schilderij ligt voor de hand: zij is in de eerste plaats een visuele, of beter: een visionaire ervaring. Daarbij gaat het echter niet om de artistieke waarde van het kunstobject (‘het is geen kunstgenot’!), zoals ook de eigenlijke inhoud van de kroniek of de notarisacte onverschillig laat.

Huizinga legde er de nadruk op dat de historische suggestie niet uitgaat van de heroïsche, triomfalistische kunst, een opvatting die ongetwijfeld samenhing met zijn hoogschatting van het ‘burgerlijke’ in de Nederlandse cultuur. Wat telt, zo beklemtoonde hij, is het treffende historische detail: niet in het grootse, het algemene, het roemruchtige, maar wel in het eenvoudige detail verbergt zich het verleden - en daarin kan het ook worden geopenbaard81. Precies hierin lag volgens hem Fruins talent: de onopgesmukte behandeling van een schijnbaar onbelangrijk detail doordrong de (goede) lezer voortdurend van een gevoel van aanraking met de voorbije realiteit82. Maar ook Huizinga's eigen kracht bestond uit zijn aandacht voor het detail, en hij had ook graag dat men hem zo begreep. Geen treffender illustratie van deze aandacht dan Herfsttij, waarin detail na detail ten tonele wordt gevoerd83. Romein heeft verhaald hoe één van Huizinga's argumenten voor het werkelijke bestaan van Dantes Beatrice was, dat de dichter ergens sprak van ‘Bice’84. Daarom, tenslotte, verdedigde Huizinga de antiquarische interesse tegen de spot van Nietzsche. Elke detailstudie die ontstaat uit ‘de directe, spontane, naïeve zucht naar oude dingen’, is een volwaardige vorm van historische belangstelling. De meest bescheiden historische arbeid wordt geadeld, wanneer hij tot een levend contact met de geest van het verleden leidt85.

Dat levende contact gaat gepaard met de volstrekte overtuiging van de echtheid van het beeld van het verleden. Huizinga had daarom gelijk toen hij in 1935 zijn keuze verdedigde voor de term ‘sensatie’, die hem was bijgebleven uit de lectuur van de Tachtigers en meer specifiek uit Van Deyssels uit 1891 daterende opstel over Gorter86. Het woord draagt immers een connotatie van lichamelijkheid en zintuiglijkheid in zich, die de stellige gevoelens waardoor de historische sensatie wordt begeleid, goed weergeeft. Het gerealiseerde contact met het nochtans niet aanwezige (want voorbije) verleden is zo direct, dat het samenvalt met een zekerheid die aan de onweerlegbaarheid van een zintuiglijke ervaring grenst. Huizinga vergeleek die zekerheid met de stelligheid waarmee een antiquair in één oogopslag echt van vals porselein onderscheidt. Het is een ‘Qualitätsgefühl’, een verrukking voor het echte, een afkeer van het valse. Het contact met

[p. 217]

het verleden ontstaat bij een authentiek archiefstuk of een echt schilderij, niet bij een kopie of een reproductie87.

In een uit 1933 daterende voordracht over Natuurbeeld en historiebeeld in de achttiende eeuw schetste Huizinga de cultuurhistorische oorsprong van de ‘aesthetische aanleg’, die het historische genieten en de bekoring voor het echte had mogelijk gemaakt88. De Romantiek had het oude, rationalistische historiebeeld doortrokken met een nostalgische bewogenheid en het verrijkt met de krachten der verbeelding. In het nieuwe, romantische historiebeeld werd de geest gedreven door de zucht naar het verre, bovenal naar het vreemde. Voor het eerst werd het verleden niet opgevat als een retrospectief verlengstuk van het heden, maar als een los conglomeraat van beschavingen en periodes, die elk een eigen stijl vertoonden. Het is deze eerbied voor de eigenheid en voor het anders-zijn van het verleden die aan de oorsprong ligt van de ontvankelijkheid voor datzelfde verleden en de mogelijkheid biedt tot een echt historische belangstelling. ‘J'aime le passé pour lui-même’, schreef Huizinga in 1933 aan de Frans-joodse wijsgeer en romanschrijver Julien Benda. Die belangeloze liefde was voor hem het geheim van de geschiedschrijving. De meest passende gestalte voor de geschiedschrijving is daarom, zo voegde hij eraan toe, het contrast. Een historiografie die zich uitsluitend richt op de verwantschap van het verleden met het heden, zondigt immers tegen het eerste gebod van de historicus (en van de antropoloog): wees gevoelig voor het Andere89.

Het blijft moeilijk Huizinga's analyse van het ontstaan van de historische belangstelling te taxeren. Van een echte analyse kan trouwens niet worden gesproken. Met name zijn beschrijving van het ontstaan van de individuele historische belangstelling bleef fragmentarisch. Het was hem onmogelijk daarover te schrijven zonder zichzelf en de eigen ervaringswereld in het centrum van zijn geschriften te plaatsen. Indien hij geen historicus maar een dichter was geweest, was hem dit wellicht gemakkelijker gevallen. In de historie, zo verschillend van de lyriek, leidt het belichten van het eigen ik echter snel tot opdringerigheid. Niemand moet dit beter hebben aangevoeld dan de aristocraat Huizinga. Daarom beperkte hij zich tot enkele korte opmerkingen: wie het begrijpen kon, zou het wel begrijpen. De cultuurhistorische schets van het ontstaan van de collectieve historische belangstelling in het Westen was voor een ruimer publiek bestemd, maar even origineel. Hier werd de bijdrage van de Romantiek tot de ontwikkeling van de geschiedschrijving niet gereduceerd tot een drang tot fabuleren of tot een stilistisch verzorgde presentatie van het geschiedverhaal. Voor Huizinga lag de kern van deze bijdrage in de

[p. 218]

nadruk op de autonomie van het verleden ten opzichte van het heden. Hij trok daar een aantal conclusies uit, die voor de hedendaagse historicus die werkt onder de voortdurende dwang de maatschappelijke relevantie van zijn arbeid te bewijzen, niet zonder belang zijn.

Huizinga's romantische accentuering van de eigenheid van het verleden bleef inderdaad geen louter theoretische verklaring. Zij had praktische gevolgen, waarvan het eerste zijn blijvend verzet tegen een anachronistische geschiedschrijving was. Hij vertrouwde erop dat het beschaafde publiek wel genoeg historische gevoeligheid had ontwikkeld om zich van de zwaarste anachronismen af te keren90. Veel gevaarlijker was in zijn ogen het feit dat historici zich voortdurend bedienen van moderne denkkaders (waaronder het primaat van de economische verhoudingen) om de voorbije realiteit te verklaren91. In de nationale geschiedenis leidt een dergelijke benadering tot een historiografie met een volstrekt teleologisch karakter. Het hedendaagse nationale kader wordt dan gebruikt als een raster dat op het verleden wordt gelegd en dat elke politieke verandering doet interpreteren als een natuurlijke en onvermijdelijke stap in de richting van de actueel bestaande natie. Het toeval, de afgesneden wegen, de onvervulde mogelijkheden: het zijn factoren die in zo'n finalistische geschiedbeschouwing uit het gezichtsveld verdwijnen. Huizinga werd nooit moe zich te verzetten tegen een dergelijk finalisme en te pleiten voor een meer possibilistische historiografie: ‘Gerade für die moderne Geschichtsbetrachtung... tut es not... uns immer wieder davon zu durchdringen, dass in der Geschichte... jeder Augenblick die Möglichkeit verschiedener Welten in sich trägt92. De eigen nationale geschiedenis bood hem vele mogelijkheden om dit possibilistische perspectief op het verleden te ondersteunen. Hij bestempelde haar als ‘een opeenvolging van nooit voorziene wendingen93. Zijn uit 1912 daterende studie over de voorgeschiedenis van Nederlands nationaal besef was precies bedoeld als illustratie van deze stelling94.

Huizinga's verzet tegen de ‘deterministische’ traditie in de nationale geschiedschrijving dwong hem ook positie te kiezen ten aanzien van de Groot-Nederlandse historiografie. Ook bij Geyl ontdekte hij anachronismen, zoals de overaccentuering van het belang der taal-en stamgrenzen in de vijftiende en zestiende eeuw, en net als Kernkamp verzette hij zich in het herdenkingsjaar 1933 tegen de politiek geïnspireerde vertekening van Oranjes staatkunde door de Groot-Nederlandse historici95. Maar Geyls beklemtoning van de rol van het toeval in het zestiende-eeuwse scheuringsproces tussen Noord en Zuid kreeg zijn volle instemming. In december 1934 schreef hij Geyl naar aanleiding van het tweede deel van diens Nederlandse Stam: ‘Zooals

[p. 219]

U wel bekend is, loopen onze meeningen over den feitelijken inhoud van het groote scheuringsproces, dat den Nederlandschen stam verdeelde, niet ver uiteen... Volkomen terecht hebt ge m.i. de mogelijkheid der hereeniging voor de 17e eeuw in het middelpunt van Uw behandeling van dien tijd geplaatst’. De praktische, politieke consequenties die Geyl voor het heden uit deze mogelijkheid trok, kon en wou Huizinga, die ook afkerig was van het al te polemische gedrag van zijn correspondent, echter niet onderschrijven96.

De klemtoon die Huizinga op de eigenheid van het verleden legde, verklaart tenslotte ook zijn verzet tegen een geschiedschrijving die slechts de actuele problemen als uitgangspunt wil nemen. Hij waarschuwde tegen een doorgedreven ‘pragmatisering’ van de geschiedenis. Dat het doel van de geschiedschrijving in de verklaring van het heden moet worden gezocht, vond hij een gevaarlijke rationalisering van de oorsprong van de historische belangstelling: ‘Niet al te veel raisonneeren: er is een historische ader in ons, die maakt, dat we oude dingen interessant vinden97. Voor Huizinga veronderstelde een goede geschiedschrijving een zekere losheid ten aanzien van het heden98. Zowel in 1915 als in 1940 weigerde hij de oorlogssituatie als vertrekpunt van zijn colleges te nemen: de studenten kregen te horen dat het niet de taak van de historicus is om als Demosthenes in de storm te spreken99. Dat meer geëngageerde historici als J.S. Bartstra, Geyl of Romein deze houding als een ‘vlucht uit het heden’ brandmerkten, ligt voor de hand100. Zij hadden gelijk, maar toonden ook veel te weinig belangstelling voor de oorsprong van Huizinga's houding: zijn vrees voor een al te sterk hodiecentrisme. Die vrees lag tevens aan de basis van zijn kritiek op de contemporaine geschiedenis: daarin miste hij de voor de historie zo noodzakelijke contrastwerking. Van colleges contemporaine geschiedenis verwachtte hij zodoende niet veel goeds101. Dat hij met dit standpunt, verdedigd in een tijd waarin de contemporaine geschiedenis haar eerste doorbraak beleefde, bij weinigen op steun kon rekenen, zal wel geen verwondering wekken.

65Vgl. ook elders in Huizinga's werk: VW, dl.IV, p.277 en p.279.
66Cfr. lub, Huiz. 5: Inleiding I, p.12-13.
67Een recent voorbeeld: r. bauer, Twee historici: Huizinga, Van Isacker. - De Standaard der Letteren, 3 mei 1986, p.1.
68Uitzonderingen zijn: f.w.n. hugenholtz, Huizinga's historische sensatie als onderdeel van het interpretatieproces, - Forum der letteren, 20 (1979), p.204-210; e.h. kossmann, Postscript, - w.r.h. koops, e.h. kossmann en g. van der plaat (uitg.), Johan Huizinga, p.223-234 en w. du gardijn, Geschiedenis tussen feit en sensatie. - Aanzet, 7 (1988), nr.1, p.39-43.
69Ook Huizinga zelf was zich bewust van deze vernieuwing: lub, Huiz. 117: Inleiding 1e jaar, env. de kwestie der verhouding van de gesch. tot de kunst en env. de aesthetische aanschouwelijkheid verhoogt het begrijpen en Huiz. 124: Inleiding I, env. Paralip.
70VW, dl.VI, p.321. Vgl. de merkwaardige transpositie in lub, Huiz. 123: env. alg. en vad. gesch. (waarin het Nederlandse volk als receptief wordt getypeerd).
71VW, dl.II, p.559-569. Vgl. lub, Huiz. 71111: env. het Historisch Museum.
72Hij was er ook rechtstreeks bij betrokken: tussen 1923 en 1934 was hij voorzitter van de Rijkscommissie van Advies inzake de Musea. Cfr. kopieën Proj. Huiz., briefw. Huizinga-Museumcommissie (1923-1934) (orig.: Amsterdam, Rijksmuseum) en briefw. Huizinga-Fr. Schmidt Degener (1923-1939) (orig.: Amsterdam, Rijksmuseum en nlmd) en lub, Huiz. 71111: env. Rapport der Museumcommissie, oct. 1921. Hierover: d.j. meijers, De democratisering van schoonheid. Plannen voor museumvernieuwingen in Nederland 1918-1921, - Kunst en kunstbedrijf. Nederland 1914-1940, (Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 28), Haarlem, 1978, p.55-104 (met name p.77-80).
73VW, dl.II, p.566.
74Vgl. de voorbeelden in w. den boer, Clio als de vrouw van Lot? Victorianen en de Oudheid, - TvG, 95 (1982), p.333-334.
75In oktober 1933 werd deze vriendschap door Jolles' openlijke steun aan het nationaal-socialisme verbroken. Maar ook daarna betekende Jolles bijzonder veel voor Huizinga. In 1944 schreef hij in een openhartige brief: ‘In den laatsten tijd word ik telkens geoccupeerd door André, die over ruim twee weken ook zeventig wordt. In welke omgeving, in welken gezondheidstoestand, in welke stemming en gezindheid? Ik voel mij ondanks alles nog altijd wonderlijk aan hem verbonden, en het is mij een bittere gedachte, dat ik nu al meer dan tien jaar zijn tintelenden omgang heb moeten missen’ (kopie Proj. Huiz., Huizinga aan J. Kalf, 20 juli 1944, orig. in lub; vgl. de weemoedige opmerking in VW, dl.I, p.30). Een dubbelportret van Huizinga en Jolles is nog niet voorhanden: b.b. cassen, History as Civilization. A Biography of Johan Huizinga, Berkeley, onuitg. diss., [1960], p.172-219 biedt slechts losse gegevens. Over Jolles: w. thys, Uit het leven en werk van André Jolles (1874-1946), - De Nieuwe Taalgids, 47 (1954), p.129-137 en p.199-208 en a. bodar, Het verliteratuurde leven van André Jolles, - Maatstaf, 31 (1983), nr.8, p.32-47.
76Kopieën Proj. Huiz., A. Jolles aan Huizinga, 13 maart 1920, 12 juni 1920 en 14 nov. 1921 (orig.: nlmd).
77VW, dl.VII, p.30.
78Cfr. f.w.n. hugenholtz, Huizinga's historische sensatie, p.208. Dit betekent niet dat het begrip het formuleren van een methode in de weg stond (contra id., art. Huizinga, Johan, p.262).
79VW, dl.I, p.11-42 (vooral p.11-14, p.29 en p.32-33) en lub, Huiz.7.
80VW, dl.VII, p.69-73. Vgl. lub, Huiz. 5: Inleiding I, p.12-16.
81Vgl. de theoretische verantwoording in VW, dl.VII, p.15-17.
82VW, dl.VI, p.529-530 (vgl. VW, dl.VIII. p.459). Cfr. supra hf. I, par. 6.
83Cfr. kopieën Proj. Huiz., J. Kalf aan Huizinga, 18 juli 1944 en Huizinga aan J. Kalf, 20 juli 1944 (orig.: lub). Vgl. c.t. van valkenburg, J. Huizinga. Zijn leven en persoonlijkheid, Amsterdam-Antwerpen, 1946, p.36-37.
84j. romein, Huizinga als historicus, p.213.
85VW, dl.VII, p.40-41, p.72 en p.146-147. Vgl. met de houding van Colenbrander: cfr. supra hf. III, par. 4-5.
86VW, dl.VII, p.166 en l. van deyssel, Herman Gorter, - id., Verzamelde Werken. Beschouwingen en kritieken, Amsterdam, z.j.3, p.53-63. Cfr. j. kamerbeek jr., Huizinga en de Beweging van tachtig, p.150-152.
87lub, Huiz. 5: Inleiding I, p.23. Over Huizinga's eigen stelligheid: e.h. kossmann, Postscript, p.229-231. Vgl. g.a.c. van der lem, Huizinga's beeld van de Republiek, Amsterdam, onuitg. doct. scriptie, 1983, hf.VI: De verrukking van de echtheid: de kunsten (en de bijlage waarin Huizinga's gebruik van het woord ‘echt’ wordt geïnventariseerd).
88VW, dl.IV, p.354-359. Vgl. VW, dl.VII, p.107-108 en p.178-179 en lub, Huiz. 51: env. Romantiek. het Verleden en env. de Wending in het algemeen.
89VW, dl.IV, p.338; VW, dl.VII, p.261-262 en vooral lub, Huiz. 12: losse nota over de definitie van de geschiedenis. Vgl. infra Balans en perspectief, par. 2.
90VW, dl.III, p.533-534.
91Ondermeer VW, dl.II, p.103-104 en VW, dl.III, p.21. Cfr. de reactie van j.g. van dillen, Recensie van J. Huizinga, Tien Studiën, - TvG, 42 (1927), p.374-377.
92VW, dl.II, p.239-240. Vgl. ondermeer VW, dl.II, p.162 en p.167-168 en VW, dl.VII, p.136-137.
93VW, dl.VIII, p.563. Cfr. a.g. jongkees, Une génération d'historiens devant le phénomène bourguignon, - w.r.h. koops, e.h. kossmann en g. van der plaat (uitg.), Johan Huizinga, p.73-90 en w.e. krul, Inleiding, - j. huizinga, Verspreide opstellen over de geschiedenis van Nederland, Alphen aan den Rijn, 1982, p.23.
94VW, dl.II, p.97-160. Vgl. zijn houding ten aanzien van de Histoire de Belgique van Pirenne: VW, dl.VI, p.504-505. In dit in memoriam uitte hij - naast veel lof - ook milde kritiek op de Belgische historicus: ‘Voorts dwong hem zijn conceptie [over de aard van de Belgische nationaliteit] wel haast, het daadwerkelijke politieke resultaat der ontwikkeling als natuurlijk en gewenscht te aanvaarden’ (vgl. het standpunt van Geyl: infra hf.VI, par. 2-3).
95VW, dl.II, p.35-49. Daarin schreef hij ondermeer: ‘De zestiende eeuw kent nog geen stamromantismen’ (p.44). In juli 1924 had hij zich - voor een Amerikaans publiek en in aanwezigheid van Colenbrander - zelfs laten verleiden tot een uitspraak die volstrekt niet strookte met alle voorheen en later door hem verdedigde stellingen: ‘I for myself incline to side with those who regard historical development with the eyes of determinism...’ (VW, dl.II, p.280). Deze dissonant werd - natuurlijk - ook door Geyl opgemerkt en aangeklaagd: Briefwisseling Gerretson-Geyl, dl.II, 1980, nr.438 en p. geyl, Recensie van J. Huizinga, De wetenschap der geschiedenis, - Nederlandsche Historiebladen, 1 (1938), p.146. Geyl bleef Huizinga - ook lang na diens dood - nog achtervolgen met deze ene passage (zo nog in 1963: id., Mr. Carr's Theory of History. - The Protestantization of the Northern Netherlands, - id., History of the Low Countries; episodes and problems, Londen, 1964, p.27-28 en p.31).
96Kopie Proj. Huiz., Huizinga aan P. Geyl, 26 dec. 1934 (orig.: uub). Geyl toonde zich begrijpelijkerwijze erg tevreden over deze brief. Na de Colenbrander-affaire (1933) en met een benoeming te Utrecht in zicht, kon hij de lof van Huizinga (en van Leiden!) best gebruiken. Hij vroeg Huizinga zelfs een recensie van zijn Nederlandse Stam te schrijven, wat deze ‘wegens tijdsgebrek’ weigerde (kopieën Proj. Huiz., P. Geyl aan Huizinga, 29 dec. 1934 en Huizinga aan P. Geyl, 18 jan. 1935, orig. in uub). Voor Huizinga's houding ten aanzien van Geyls al te grote strijdvaardigheid: kopieën Proj. Huiz., Huizinga aan P. Geyl, 14 juni 1933 en P. Geyl aan Huizinga, 17 juni 1933 (orig.: uub) (vgl. f.w.n. hugenholtz, Een psychologisch conflict, - Hollands Weekblad, 22 nov. 1961, nr.132, p.1-3 en h. baudet, Kanttekeningen bij Geyl's kritiek op Huizinga, - TvG, 75 (1962), p.459-468: naar aanleiding van Geyls reactie uit 1961 op Huizinga's cultuurkritiek).
97lub, Huiz. 117: Inleiding 1e jaar, env. de aesthetische aanschouwelijkheid verhoogt het begrijpen.
98Ondermeer VW, dl.V, p.481-482; VW, dl.VII, p.156-157 en lub, Huiz. 12: env. Historisme.
99VW, dl.IV, p.411 en kopie Proj. Huiz., korte toespraak die Huizinga op 17 sept. 1940 bij de aanvang van zijn colleges hield (geklasseerd bij de briefw. Huizinga-W.J.M. van Eysinga, orig. in Leiden, Academisch Historisch Museum).
100j.s. bartstra, Het gestaakt dispuut, - Nederlandsche Historiebladen, 1 (1938), p.2-17 (vooral p.12-17); p. geyl, Recensie van J. Huizinga, De wetenschap der geschiedenis, p.146-147; j. romein, Huizinga als historicus, p.222-223 en later b.w. schaper, Johan Huizinga (1872-1945). Op de grens van twee werelden, - Rekenschap, 19 (1972), p.162.
101VW, dl.VII, p.163-164 en p.182 en kopie Proj. Huiz., Huizinga aan C. van Vollenhoven, 30 juli 1931 (orig.: nlmd). Toch gaf hij een college Geschiedenis van Rusland, dat liep tot 1913 (lub, Huiz. 2 en 48) en een college Algemene Geschiedenis over de periode 1815-1900 (lub, Huiz. 31).
prepostterug  begin  verder