terug  begin  verderprepost

2. Tekenen van stijgende interesse

De organisatie van het verleden verscheen in een crisissfeer. Op het einde van de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig verstomden de optimistische geluiden van de ‘nieuwlichters’. De stelling dat de geschiedenis, eens wetenschap geworden, de vaart der volkeren zou stuwen, werd afgedaan als een variant van een ouderwets vooruitgangsgeloof en van een onbeperkt, maar naïef vertrouwen in de technologische ontwikkeling. Doordat de oude motors achter de geschiedschrijving, het nationalisme en de emancipatiestrijd, een minder prominente rol in het maatschappelijk leven speelden, taande het historisch besef28. De traditionele levensbeschouwingen (het liberalisme, het socialisme, het religieuze geloof...) leken te vervlakken en in elkaar te vloeien, waardoor zij niet langer als zingevende achtergrond bij de scheiding tussen het belangrijke en het onbelangrijke in het historisch proces konden fungeren. Het vervagen van dit selectiecriterium wekte onrust en leidde tot minder gericht historisch onderzoek. Mede daardoor werden de klachten over de specialisatie en de verkaveling van de geschiedenis weer vaker gehoord29. De professio-

[p. 395]

nele historici raakten bovendien van het publiek geïsoleerd en binnenskamers groeide een gevoel van epigonisme ten aanzien van de grote voorgangers Huizinga, Romein en Geyl. De mechanisering en bureaucratisering van het onderzoek, de grote werkloosheid onder de afgestudeerde historici en later de toenemende bezuinigingsdruk deden het zelfbesef nog meer kwaad. Op een grootscheeps congres in mei 1986 trachtten niet minder dan twaalfhonderd Nederlandse historici zich van de toekomst van hun vak rekenschap te geven. Jongeren uit weer een nieuwe generatie stelden precies twee jaar later op een symposium over Eenheid in Nederlands verleden een (fel aangevochten) discussienota voor, waarin ondermeer voor een betere coördinatie van het onderzoek werd gepleit30.

Voor de theoretische reflectie op de geschiedbeoefening vormde dit een gunstig klimaat. De groeiende aandacht bij praktizerende historici voor de grondslagen van hun vak bleek niet alleen uit de bundels die op dit gebied verschenen31, maar ook uit het stijgende aantal artikelen met een theoretisch karakter in de belangrijkste historische tijdschriften. Deze tendens had zich overigens al in de jaren zeventig gemanifesteerd. Terwijl het aandeel van de aan theoretische en/of historiografische vraagstukken gewijde artikelen in de jaren zestig 9% van de totale (periodieke) historische produktie had bedragen, steeg dit in de jaren zeventig tot 16%. Koploper daarbij was het Tijdschrift voor Geschiedenis32. In de jaren tachtig kwam hierin geen verandering. Integendeel: de geschiedfilosofie werd zelfs in het officiële curriculum opgenomen. In het Academisch Statuut van 1982 werd zij tot de collegestof van alle aspirant-historici gerekend.

Zowel in de jaren zeventig als in de jaren tachtig werden in de historische wereld dan ook heel wat theoretische discussies gevoerd. Omstreeks 1975 trad het klassieke vraagstuk van de waardevrijheid en de objectiviteit van de geschiedschrijving opnieuw op de voorgrond. Tegenstanders van een waardevrije geschiedbeoefening (als Von der Dunk) wezen erop dat de waardevrijheid niet alleen altijd al een onbereikbaar postulaat was gebleken, maar bovendien ook haaks op de fundamentele oriëntatie- en zingevingsfunctie van de historie stond. De voorstanders van de waardevrijheid (als M.C. Brands) verzetten zich tegen die als karikaturaal bestempelde visie en grepen terug naar Max Webers onderscheid tussen de onvermijdelijke waardebetrokkenheid van de wetenschap enerzijds en het onmisbare ‘moment van de waardevrijheid’ (de toetsing van de theorieën) anderzijds. Aan waardeoordelen hechtten zij geen enkele cognitieve betekenis en als uitgangspunt voor de maatschappelijke praxis stelden zij meer vertrouwen in de resultaten van een waardevrije weten-

[p. 396]

schapsbeoefening dan in de uitkomsten van een niet-waardevrije wetenschap33. Deze polemiek werd overigens niet alleen op theoretisch niveau uitgevochten. In het themanummer dat het Tijdschrift voor Geschiedenis in 1974 aan deze problematiek wijdde, verschenen ook verscheidene historiografische en ideeënhistorische bijdragen (ondermeer over de rol van de Franse intellectuelen in de Dreyfus-affaire)34.

In de jaren tachtig eiste een nieuw vraagstuk de aandacht op: de rol van de taal in de geschiedschrijving. Die aandacht was niet alleen het gevolg van de oude belangstelling voor de relatie tussen de literatuur en de geschiedschrijving, maar ook en vooral van de centrale positie die de taalfilosofie met name in de Angelsaksische analytische wijsbegeerte innam. Het probleem, zo bleek al gauw, had vele facetten. In het dubbelnummer dat het Groningse historische tijdschrift Groniek in 1984 onder de titel Taal en geschiedenis uitbracht, werd ondermeer gedebatteerd over de vraag of de stijl van de historicus enkel de (uiterlijke) vorm van de geschiedschrijving betreft of ook implicaties voor de inhoud heeft. De Amerikaan P. Gay verdedigde de stelling dat ‘manner’ en ‘matter’ ook in de historie onlosmakelijk zijn verbonden. Voor de opponent Bertels viel Gay ten prooi aan een ‘category mistake’. ‘Mooi schrijven, het etaleren van literaire stijl, voegt geen iota waarheid toe aan historisch onderzoek of aan enig ander wetenschappelijk onderzoek’, zo besloot hij zijn bijdrage. Dit was het rigide standpunt dat hij ook in zijn dissertatie had bepleit, een simplificatie waarin geen rekening werd gehouden met de kennisverrijkende mogelijkheden van stijlfiguren als de metafoor35.

Naast deze grote debatten werden ook andere kwesties aan de orde gesteld. De waarde en de bruikbaarheid van diverse traditionele historische begrippen (als ‘modernisering’, ‘continuïteit’, ‘overgangsperiode’, ‘couleur locale’...) werden getoetst36. En onder invloed van de pedagogie, maar ook van de dreigende besparingen in hun sector kregen universitaire historici meer belangstelling voor de vakdidactiek en voor de positie van de geschiedenis als schoolvak37.

Een uiterst belangrijk segment van de geschiedtheoretische discussies vormden (en vormen) de reflecties op de methodologie van de oude en nieuwe specialismen. Bekende en minder bekende tijdschriften besteedden trouwens regelmatig een themanummer aan dit vraagstuk. De sociaal-economische geschiedenis en haar deelspecialismen vervulden nog steeds een voortrekkersrol in de methodologische vernieuwing38. Toch kregen zij tijdens de voorbije vijftien jaar de concurrentie van nieuwe specialismen.

De meest invloedrijke nieuwkomer was de mentaliteitsgeschiede-

[p. 397]

nis, die in de jaren zestig was overgewaaid uit Frankrijk, waar zij door Annales-historici als R. Mandrou en G. Duby met succes was geïntroduceerd. Niets liet vermoeden dat deze discipline in Nederland een zelfde succes zou kennen. Aanvankelijk stelden de Nederlandse historici zich immers zeer gereserveerd op. Hoe de historische ‘outillage mental’, de ‘stiltes’ van het verleden of het anonieme en het marginale uit de geschiedenis op een zinvolle manier konden worden geduid, was hen een raadsel. Het themanummer dat het Tijdschrift voor Geschiedenis in 1973 aan de mentaliteitsgeschiedenis wijdde, opende - en dat zei genoeg - met een sceptisch getoonzette bijdrage39. Maar het tij keerde en in 1983 organiseerde het Nederlands Historisch Genootschap een congres, waarop enthousiast onderzoeksverslagen betreffende enkele capita selecta uit de mentaliteitsgeschiedenis werden gepresenteerd en een nadere begripsbepaling van de discipline werd betracht40. Daaruit bleek dat zij was ingeburgerd, een conclusie die ook kan worden getrokken uit de organisatie van het in oktober 1989 in Utrecht gehouden symposium Gestures and Mentalities, waarop binnen- en buitenlandse historici zich concentreerden op de geschiedenis van de gebaren als een bijzondere sleutel tot de kennis van de mentaliteit van een bepaalde in tijd en ruimte omschreven groep41.

De mentaliteitsgeschiedenis kreeg al gauw het gezelschap van de maatschappijgeschiedenis en van de cultuurgeschiedenis nieuwe stijl. Deze beide disciplines ontstonden echter niet zozeer als nieuwe specialismen, dan wel als een antwoord op het specialisatieprobleem42. Beide waren immers bedoeld als een (experimentele) poging de talloze historische subdisciplines vanuit een nieuw perspectief te reïntegreren. De eerste, de maatschappijgeschiedenis, sloot aan bij de vernieuwde sociale geschiedenis43 en werd in 1978 aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam geïnstitutionaliseerd. Daar groeide zij uit tot een ambitieus onderwijs- en onderzoeksprogramma, met een onmiskenbare (en trouwens fel begeerde) eigenheid: de traditionele periodisering van de geschiedenis werd door een nieuwe indeling (op basis van ‘maatschappijtypen’) vervangen; het studiegebied werd onderverdeeld in een economisch-technologische, een sociaal-hiërarchische en een mentaal-culturele sfeer; er werd gezocht naar een samenwerkingsverband met de ‘andere’ sociale wetenschappen en een specifieke beroepstraining werd een vaste component van de opleiding44.

De onder druk van de overheid doorgevoerde afslanking van de gespecialiseerde vakopleidingen en het daarmee samenhangende ontstaan van generalistische letterenstudies leidden in de jaren tachtig tot een nieuw integratieproject: de cultuurwetenschap. De verdedigers van deze cultuurwetenschap verwezen graag en vaak - niet

[p. 398]

alleen in Nederland, maar ook in België - naar de artes liberales-traditie, maar voelden zich toch gedwongen een meer eigentijdse rechtvaardiging van het experiment te geven. Die rechtvaardiging vonden zij in de betekenisverschuiving van het begrip ‘cultuur’. De mentaliteitsgeschiedenis, de Alltagsgeschichte, de studie van de ‘volkscultuur’, de culturele antropologie én de democratisering van de kunst hadden dit begrip immers verruimd: het oude normatieve en elitaire begrip was door een descriptief en breder concept vervangen. De cultuur werd nu gedefinieerd als ‘de vormgeving van het bestaan’, of nog: als ‘de levensstijl van een samenleving’ (de opgeviste P.J. Bouman). Aan de geschiedenis, in deze optiek noodzakelijkerwijs cultuurgeschiedenis, werd een samenbindende functie toegeschreven: de diverse subdisciplines van de cultuurwetenschap moesten het nieuwe studieveld vanuit een historische invalshoek belichten45. Mede onder invloed van het indrukwekkende verkoopsucces van een (overigens in academische kringen niet onaangevochten) cultuurhistorische studie als The Embarrassment of Riches (1987) van de Brit Simon Schama gingen de universiteiten aan de slag. In september 1989 werd te Rotterdam met een opleiding Kunst- en Cultuurwetenschappen gestart. Eén maand later werd te Utrecht - naar aanleiding van de oprichting van de nieuwe leerstoel Cultuurgeschiedenis - een congres over de methodologie en de doelstellingen van de cultuurhistorie georganiseerd.

Nieuwe vragen, nieuwe bronnen. De nieuwe specialismen en integratieprojecten getuigden van een veranderende interesse voor het verleden en die interesse kon slechts worden bevredigd door andersoortig bronnenmateriaal aan te boren. In de ‘klassieke’ historiografie over het hoofd geziene teksten (en artefacten) als de egodocumenten werden geïnventariseerd. De mogelijkheden en beperkingen van dit materiaal werden op hun beurt het onderwerp van theoretische reflecties46.

Uit dit alles moge duidelijk worden dat er in de laatste decennia niet alleen een pluriforme historiografie (‘de’ geschiedwetenschap viel uiteen in een conglomeraat van geschiedwetenschappen), maar eveneens een pluriforme geschiedtheorie ontstond. Daardoor werd natuurlijk ook - en dit zowel op het niveau van de praktijk als op dat van de theorie - het demarcatieprobleem moeilijker en veelomvattender. Waar lagen de grenzen van de geschiedenis? Had zij nog een eigen (materiële en/of formele) identiteit en, zo ja, welke verschillen bestonden er dan tussen deze identiteit en die van de andere wetenschappen? De relatie tussen de geschiedenis enerzijds en de natuurwetenschappen, de literatuur en de sociologie anderzijds was al een

[p. 399]

oud vraagstuk, dat nu aan actualiteit won47. De Rotterdamse maatschappijhistorici bijvoorbeeld streefden ernaar in hun onderzoek en onderwijs ‘een ontmoetingsplaats tussen de letteren en de sociale wetenschappen’ te creëren48. Daarnaast dook echter ook de vraag naar de verhouding tussen de geschiedenis en de antropologie, de politicologie en de psychologie op49. Zowel de mentaliteits- als de nieuwe cultuurhistorici streefden naar een toenadering tussen de geschiedenis en de (culturele) antropologie. Zo kwamen de grenzen der geschiedenis steeds sterker onder druk te staan en weerklonk de roep om inter- en multidisciplinariteit - paradoxaal genoeg juist in het tijdperk van het specialisme - luider dan ooit.

Dit was niet de enige paradox van het demarcatievraagstuk. Want terwijl de geschiedenis altijd maar dichter bij haar buurtwetenschappen aankroop en van de historicus meer en meer werd verwacht dat hij een soort duivelskunstenaar was, wiens blik zowat alle wetenschappen omvaamde, voltrok zich in de economie, de psychologie, de filosofie e tutti quanti precies de omgekeerde beweging. Het historisch karakter van deze wetenschappen werd door hun beoefenaars immers steeds sterker benadrukt. Op het eerste gezicht verraste deze ontwikkeling, maar in feite was zij de logische uitkomst van het hierboven beschreven bredere historiseringsproces, het historisme ‘sensu latiore50. Die uitkomst was bevorderd door het veranderende klimaat in de filosofie van de natuurwetenschappen. Sinds de publikatie in 1962 van het uitermate invloedrijke The Structure of Scientific Revolutions van de Amerikaan Th. Kuhn was de aandacht van de wetenschapsfilosofen van de ‘context of justification’ naar de ‘context of discovery’ verschoven. Daardoor werd de historiciteit van de wetenschappelijke kennis meer en meer gehonoreerd51.

Weldra beheerste dit perspectief ook de menswetenschappen. Voor de historici was dit vanzelfsprekend een verheugende ontwikkeling. De historisering van disciplines als de antropologie, de sociologie en de economie leek het imperialisme van deze zelfde disciplines ten aanzien van de geschiedenis immers te neutraliseren. Een triomfantelijk gestemd historicus formuleerde het zo: ‘De cruciale vraag is niet langer die naar de wetenschappelijkheid van de geschiedbeoefening, maar die naar de historiciteit van de wetenschap52. Vele collega's stemden vermoedelijk met hem in. Het Tijdschrift voor Geschiedenis wijdde in 1988 trouwens een themanummer aan deze problematiek en in datzelfde jaar werd in Leiden onder de titel Geschiedenis buiten de perken door historici (verenigd in de Stichting Vakgerichte Belangenbehartiging Historici) een collegereeks over het belang van de geschiedenis voor de andere wetenschappen op touw

[p. 400]

gezet53. Een merkwaardig historisch offensief-defensief dus: Clio kwam thuis waar ze te gast was!54.

Niet alleen de grenzen tussen de wetenschappen weken echter. Ook andere grenzen werden overschreden: het geschiedtheoretische discours werd geïnternationaliseerd. Zeker, vóór 1960 waren er eveneens buitenlandse invloeden geweest. Fruin en Blok hadden respectievelijk naar Ranke en Lamprecht verwezen; Bussemaker en Huizinga hadden zich op de Duitse neo-idealisten beroepen; Romein en Geyl hadden zich naar het westen gewend en aansluiting bij bepaalde strekkingen in de Angelsaksische wereld gezocht. Maar dat alles was toch beperkt gebleven. Illustratief was de late doorbraak van de Annales in Nederland. Huizinga voerde in de jaren dertig een korte en op een misverstand stukgelopen correspondentie met Febvre en de mediëvist J.F. Niermeyer vroeg in 1946 in zijn Amsterdamse oratie de aandacht van zijn toehoorders voor het werk van de Annales-historici55. Maar daar bleef het voorlopig bij. Romein bijvoorbeeld, die in de Annales toch veel van zijn gading had kunnen vinden, toonde geen belangstelling voor het Franse tijdschrift. Na 1960 veranderde dit: de denkbeelden van de Annales, maar ook die van het Franse structuralisme, de Amerikaanse New Economic History, de Westduitse nieuwe sociale geschiedenis en andere buitenlandse ‘scholen’ leverden stof voor vele discussies56. Deze tendens zette zich in de jaren zeventig en tachtig door, al bleven sommigen de Nederlandse historische wereld parochialisme verwijten57.

Een heropleving van interne discussies (over oude en nieuwe themata), een uitgebreide reflectie op de methodologie van het vak en de deeldisciplines, een groeiende aandacht voor het vraagstuk van de grenzen der geschiedenis, een grotere openheid ten aanzien van de ontwikkelingen op geschiedtheoretisch vlak in het buitenland: het waren allemaal tekenen van de stijgende interesse van de historici voor theoretische vragen over hun discipline. Maar naast deze praktizerende historici met belangstelling voor theorie ontstond - en dat is ongetwijfeld het meest opvallende aspect van de ontwikkelingen in de jaren tachtig - een kleine groep ‘professionals’, die de theorie in het centrum van hun aandacht plaatsten.

28Cfr. p.b.m. blaas, Anachronisme en historisch besef. Momenten uit de ontwikkeling van het Europees Historisch Bewustzijn, Rotterdam, 1988, p.91-103 (vgl. id., De jacht op het verkeerde verleden. Historisch besef in Nederland, - De Groene Amsterdammer, 9 juli 1986, p.10-11).
29Eén voorbeeld uit de vele: b.h. slicher van bath, Openingsrede, - f. van besouw e.a. (red.), Balans en perspectief, p.11-12.
30k. davids e.a., De Nederlandse geschiedenis als afwijking van het algemeen menselijk patroon. Een aanzet tot een programma van samenwerking, Amsterdam, 1988. Cfr. m. prak, Verslag van het historisch congres ‘Eenheid in Nederlands verleden’ (25 mei 1988), - tsg, 14 (1988), p.352-354 en j. tollebeek, Eerste stappen op weg naar restauratie, - De Volkskrant, 7 mei 1988, Het Vervolg, p.5.
31Ondermeer Geschiedenistheorie, themanrs. Ter Elfder Ure, Nijmegen, 2 dln., 1982-1983.
32Cijfers uit p. den boer, Balans en perspectief, p.19-20 en p.29, bijlage 1. In het Tijdschrift voor Geschiedenis droeg in de jaren zeventig 20% van de artikelen deze signatuur.
33Uit de zeer uitgebreide literatuur: h.r. hoetink, Het waardeoordeel in de sociale wetenschappen, - Sociologisch Jaarboek, 5 (1953), p.5-27; th. de boer en a.j.f. köbben (red.), Waarden en wetenschap. Polemische opstellen over de plaats van het waardeoordeel in de sociale wetenschappen, Bilthoven, 1974; m.c. brands, Het verkeerde verleden en a.g. weiler, Waarde-betrokkenheid en waarde-oordelen in de geschiedwetenschap. Een theoretische standpunt-bepaling in het debat tussen analytisch positivisme, marxisme en kritisch neomarxisme, - bmgn, 90 (1975), p.171-188 en p.189-225; p.b.m. blaas, De waarde van de waardevrijheid, - Theoretische Geschiedenis, 2 (1975), p.126-130 en e.e.g. vermeulen, Waarden en geschiedwetenschap; een vergelijking van de standpunten ingenomen door H.W. von der Dunk, A.G. Weiler, M.C. Brands. Met notities over die van J.M. Romein, G. Harmsen, J.H.J. van der Pot, Assen, 1978.
34Geschiedenis en Engagement, themanr. TvG, 87 (1974), afl.3.
35Taal en geschiedenis. Over de relatie tussen taal en werkelijkheid in de geschiedwetenschap, themanr. Groniek, 89-90 (1984) (voor het ‘stijl-debat’: p.132-150). Cfr. j. tollebeek, Taal en Geschiedenis, - De Uil van Minerva, 3 (1986-1987), p.115-117.
36Ondermeer m.c. brands, Modernisering. Een bruikbaar begrip voor historici? en p.b.m. blaas, Over het continuïteitsbegrip in de geschiedwetenschap, - Theoretische Geschiedenis, 2 (1975), p.118-126 en 6 (1979), p.122-132.
37Ondermeer d.j. roorda, Geschiedenis in de Nederlandse school, - bmgn, 90 (1975), p.244-254.
38Eén voorbeeld: p.w. klein, Economische geschiedenis: over theorie en historie in de economische wetenschap, - j. van herwaarden (red.), Lof der historie. Opstellen over geschiedenis en maatschappij, Rotterdam, 1973, p.1-29. Ook in de oude rechtsgeschiedenis werd aandacht aan de methodologie besteed: ondermeer h. van den brink, Typen van rechtshistorie, - j. van herwaarden (red.), Lof der historie, p.31-46.
39c.p. bertels, Skepsis tegenover ‘de geschiedenis van de mentaliteit’, - TvG, 86 (1973), p.155-166.
40De referaten werden gepubliceerd in Mentaliteitsgeschiedenis, themanr. bmgn, 98 (1983), afl.3. Daarin: p. den boer, Mentaliteitsgeschiedenis: een begripsbepaling, - bmgn, 98 (1983), p.318-336. Vgl. d. van lente, Mentaal-culturele geschiedenis van industriële samenlevingen: een historiografische verkenning, - tsg, 8 (1982), p.359-388; w. frijhoff, Impasses en beloften van de mentaliteitsgeschiedenis, - tsg, 10 (1984), p.406-437 en id., Cultuur, mentaliteit: illusies van elites?, Nijmegen, 1984.
41Nog een andere getuige van de belangstelling: Mentaliteits- en ideeëngeschiedenis: theorie en methode van onderzoek, themanr. Aanzet, nov. 1984.
42Cfr. h. righart, Cultuurgeschiedenis en maatschappijgeschiedenis: contrair of complementair?, - Theoretische Geschiedenis, 15 (1988), p.431-443.
43Cfr. d.j. roorda, Sociale geschiedenis: een situatieschets, - j. van herwaarden (red.), Lof der historie, p.47-83.
44w. frijhoff, Tien jaar maatschappijgeschiedenis: kritische overwegingen bij een lustrum, - m. baud (red.), Geschiedenis & Maatschappij. Tien jaar historisch onderzoek in Rotterdam, Rotterdam, 1988, p.1-15.
45Ondermeer k. van berkel, Renaissance der cultuurwetenschap, Leiden, 1986 en id., Over eigentijdse cultuurgeschiedenis, Heerlen, 1987. Cfr. de kritiek van w. frijhoff, Geschiedenis als cultuur, - TvG, 102 (1989), p.88-90.
46Ondermeer e.e.g. vermeulen, Kennen door zien. Ooggetuigenis als bron van kennis voor journalist en historicus, Assen, 1984; w. frijhoff, Cultuur en mentaliteit: over sporen, tekens en bronnen, - f. van besouw e.a. (red.), Balans en perspectief, p.189-204 en r. dekker, Egodocumenten: een literatuuroverzicht, - TvG, 101 (1988), p.161-189. Presser had overigens ook al de waarde van egodocumenten onderkend: ondermeer j. presser, Memoires als geschiedbron en id., Clio kijkt door het sleutelgat, - Uit het werk van dr. J. Presser, Amsterdam, 1969, p.277-282 en p.283-293.
47Ondermeer j.j.a. mooij en e. ibsch (red.), Literatuur en geschiedenis, themanr. Spektator, 16 (1986-1987), nr.1 en het breed opgevatte artikel van p.h.h. vries, Geschiedbeoefening, historisme en positivisme. Een overzicht van intenties, pretenties en misverstanden in de debatten over de aard van de huidige sociaalwetenschappelijke geschiedbeoefening, - Theoretische Geschiedenis, 12 (1985), p.141-177. De relatie geschiedenis-sociologie kreeg ook in de jaren zestig zeer veel aandacht: ondermeer g.w. locher, Geschiedenis en de andere sociale wetenschappen, - TvG, 76 (1963), p.1-13 en d. van arkel, Clio en Minerva. Sociale geschiedenis en sociale wetenschap, Leiden, 1967.
48w. frijhoff, Tien jaar maatschappijgeschiedenis, p.2.
49Uit de vloed van literatuur: Historiserende antropologie in Nederland, themanr. tsg, 6 (1980), nr.2 (cfr. ook Historiserende antropologie in discussie, - tsg, 7 (1981), p.265-288); r. van os, Cognitieve antropologie en mentaliteitsgeschiedenis: een terreinverkenning, - tsg, 11 (1985), p.349-366; h. daalder, Moderne politieke wetenschap en het nut van de geschiedenis, - bmgn, 90 (1975), p.226-243; a. chorus, Geschiedenis als makro-psychologie. Het probleem der wetenschappelijke methode, - TvG, 87 (1974), p.1-15 en m. van elteren, Schets van een historiserende socio-psychologie: een mogelijk vruchtbare verbintenis tussen geschiedenis en psychologie, - Bewogen en bewegen. De historicus in het spanningsveld tussen economie en cultuur. Liber amicorum aangeboden aan Prof. Dr. H.J.F.M. van den Eerenbeemt, Tilburg, 1986, p.19-42.
50Cfr. supra hf. I, par.5 en hf.VI, par.6.
51Cfr. ondermeer k. van berkel, De historisering van de wetenschapsfilosofie, - TvG, 101 (1988), p.525-545.
52f.r. ankersmit, Geschiedenis, historiciteit en wetenschapsbeoefening, - TvG, 101 (1988), p.503.
53Clio in tel: de historiciteit van de wetenschap, themanr. TvG, 101 (1988), afl. 4 (waarin ook de in de vorige noten aangehaalde artikelen van Van Berkel en Ankersmit verschenen) en Geschiedenis buiten de perken. De waarde van de geschiedwetenschap voor andere wetenschappen, politiek en beleid en cultuur, Leiden, 1989.
54Dit is een parafrase van de titel die B. Verschaffel aan zijn bespreking van de Gentse Chambres d'Amis-tentoonstelling (1986) gaf: Kunst komt thuis waar ze te gast is (b. verschaffel, De Glans der Dingen. Studies en kritieken over kunst en cultuur, [Gent], 1989, p.63-68).
55j.f. niermeyer, Her-oriëntatie van onze mediëvistiek, Groningen, 1946. Voor Huizinga: cfr. supra hf.IV, inl.
56Cfr. ondermeer w. prevenier, L'école des ‘Annales’ et l'historiographie néerlandaise, - Septentrion, 7 (1978), p.47-54.
57Zo bijvoorbeeld bijzonder scherp in r.t. griffiths, Economische ontwikkeling in industrieel Europa, - f. van besouw e.a. (red.), Balans en perspectief, p.147-165. Vgl. de heel anders geaarde opmerkingen van e.h. kossmann, Kantelend geschiedbeeld, - bmgn, 99 (1984), p.61-62.
prepostterug  begin  verder