De term Oudnederlands (vanuit een ander perspectief ook wel Oudnederfrankisch genoemd) wordt gebruikt voor de verzameling van verwante dialecten in de Lage Landen vóór 1200. Dat gebied omvatte in die periode het huidige Nederland (mogelijk met uitzondering van de kuststreek van Groningen tot aan de Oude Rijn in de provincie Zuid-Holland), het Nederlandstalige deel van België, Frans-Vlaanderen en een stuk van Duitsland tussen de Nederlandse grens, de Rijn en de zogenaamde Benrather Linie, de grens tussen het Neder- en het Hoogduitse taalgebied. Deze lijn scheidt in feite ook Limburg ten zuiden van Venlo van het Nederlandse taalgebied. Daar werd een Hoogduits dialect gebruikt. Ten oosten van de Gelderse IJssel (Achterhoek, Overijssel en Drenthe) werden vermoedelijk Saksisch gekleurde dialecten gesproken. Het Nederlandstalige gebied wordt dus omsloten door de Friese dialecten langs de kust, de Romaanse dialecten in het zuiden, het Hoogduitse Ripuarisch in het zuidoosten en de Oudsaksische dialecten in het oosten. De overgangen tussen deze groepen zullen - misschien met uitzondering van de overgang naar de Romaanse dialecten - vloeiend zijn geweest. Dit kan echter bij gebrek aan bronnen uit de betreffende periode niet met zekerheid worden vastgesteld. Hetzelfde kan worden gezegd over de dialectindeling van het Oudnederlands. Ongetwijfeld bestonden er verschillende dialecten en zou men van Oudvlaams, Oudbrabants, Oudhollands enzovoort dienen te spreken, maar het gebied vormt in feite één grote donkere vlek met slechts hier en daar een klein lichtpuntje. Het enige dat men op grond van bijvoorbeeld plaatsnamen kan vaststellen is dat aan de kust het Ingweoonse (ook wel Noordzeegermaanse) karakter sterker was dan in het binnenland, terwijl in het oosten de dialecten dichter bij het Oudsaksisch stonden.
De grens tussen Oud- en Middelnederlands is nauwelijks aan te geven, omdat het ook hier een vloeiende overgang betreft. Over het algemeen neemt men 1150 of 1200 aan als begintijd voor het Middelnederlands. Dat berust op het feit dat dan de klinkers in onbeklemtoonde lettergrepen waarschijnlijk geheel of in ieder geval
vergaand zijn verzwakt tot [ǝ], geschreven met <e> of soms met <i>. Men vergelijke bijvoorbeeld het Onl. meervoud van dag ‘dag’: nom. daga gen. dago, dat. dagon en acc. daga tegenover Mnl. daghe, daghe, daghen, daghe. Deze ontwikkeling begon, gezien vormen als luide en thiede ‘mensen’ in de Wachtendonckse Psalmen (verder WPs.) ps. 2,1, waarschijnlijk al in de 10e eeuw, maar lijkt pas in de 12e eeuw te zijn voltooid. Verder is ook de rekking in open lettergreep in de 12e eeuw afgesloten, vergelijk Onl. gescriuona ‘geschreven’ met Mnl. gheschreven. In de zuidoostelijke dialecten is dit overigens niet altijd te zien, omdat het rekkingsproduct daar - net als in het Middelhoogduits - <ie> is: himel ‘hemel’.
Het Nederlands behoort tot de Indo-europese taalfamilie. Dit is een zeer omvangrijke groep van talen in een gebied dat zich uitstrekte van het nu uitgestorven Tochaars in het westen van China tot het Gaelic in Ierland. Bovendien heeft de groep door de kolonisatie in de laatste paar eeuwen ook Noord- en Zuid-Amerika, Australië en delen van Afrika veroverd. Binnen die Indo-europese talen maakt het Nederlands weer deel uit van de Germaanse talen. Deze groep onderscheidt zich van de rest door een paar specifieke verschijnselen. De belangrijkste daarvan zijn de volgende.
| 1. | De zogenaamde eerste of Germaanse klankverschuiving. Deze betreft de volgende medeklinkers: Ie. b d g-> Germ, p t k (bijvoorbeeld Lit. balà-Onl. puol ‘poel’; Oi. pad- - Onl. fuot ‘voet’; Lat. augere - Onl. ôkan ‘toenemen’), Ie. bh dh gh -> Germ, b ð g (bijvoorbeeld Oi. bhávati- ‘is, wordt’ - Onl. bim ‘ik ben’; Oi. mádhiah - Onl. middi ‘midden’; Lat. hostis (< ouder *ghostis) ‘vijand’ - Mnl. gast ‘gast’), Ie. p t k -> Germ. ƒ þ χ (bijvoorbeeld Lat. portare ‘dragen’ - Onl. faron ‘varen, gaan’; Lat. frater - Onl. bruother ‘broer’; Lat. octo - Onl. aht- ‘acht’). In het laatste geval konden in het Germaans ook de stemhebbende varianten / b ð g / optreden, als de klemtoon niet direct voorafging (de zogenaamde Wet van Verner). Men vergelijke bijvoorbeeld Lat. frater ‘broer’ met pater ‘vader’, beide met Ie. /t/. De eerste vorm (< Ie. *bhráter) werd regelmatig tot bruother. Het verschil in accent (oorspr. Ie. *patér) leidde in het andere geval tot Germ. *fað ar> Onl. fader. |
| 2. | De verschuiving van het accent naar de eerste lettergreep - met als uitzondering de geprefigeerde werkwoorden. Dit had grote gevolgen voor de uitgangen van de woorden, daar de neiging bestond die steeds meer te laten afzwakken. Deze verschuiving van het accent is jonger dan de eerste klankverschuiving (zie onder 1. Wet van Verner). |
| 3. | De ontwikkeling van een nieuwe zogenaamde zwakke verleden tijd met behulp van een dentaal suffix bij een groot aantal werkwoorden, zoals: Onl. nerida ‘hij redde’ en macoda ‘hij maakte’. |
| 4. | Ontstaan van een sterke én een zwakke verbuiging van de bijvoeglijke naamwoorden. In het Oudnederlands in de mannelijke nominatief enkelvoud bijvoorbeeld staat de sterke verbuiging mikil ‘groot’ tegenover zwak einmuodigo ‘unanimis’. |
| 5. | Het samenvallen van Ie. /o:/ en /a:/ in Germ. /o:/: bijvoorbeeld Lat. frater, flō-s tegenover Got. brōð ar ‘broer’, blō-ma ‘bloem’, en Ie. /a/ en /o/ in Germ. /a/: bijvoorbeeld Lat. ager, octo - Got. akrs ‘akker’, ahtau ‘acht’. |
Over de oorzaken van deze veranderingen is men het niet eens. Een mogelijke oorzaak voor de eerste klankverschuiving en de verlegging van het accent is de invloed van een substraattaal. Ook het tijdstip van deze ontwikkelingen is onbekend. Vast staat alleen dat ten tijde van de oudste overlevering van Germaanse namen en woorden bij auteurs uit de Latijnse en Griekse oudheid in de 1e eeuw v. Chr. de ontwikkeling al geheel of bijna geheel was afgesloten.
Binnen de groep van de Germaanse talen vormt het Nederlands samen met het Engels, Duits, Fries en Platduits de Westgermaanse (ook wel Zuidgermaanse) groep tegenover de Noordgermaanse (Zweeds, Deens, Noors, IJslands en Færøs) en de Oostgermaanse (waarvan alleen het Gotisch redelijk is overgeleverd). Dat wil echter niet zeggen dat de West-, Noord- en Oostgermaanse groepen een duidelijke eenheid hebben gevormd. Ook hier bestonden dialecten. Elke groep vertoont echter bepaalde gemeenschappelijke kenmerken, die ze van de andere twee onderscheiden, zoals bijvoorbeeld in het Westgermaans het volledig verlies van de nominatief-uitgang *-z bij mannelijke substantieven: bijvoorbeeld Oe. dæg, Onl. Os. dag, Ohd. tag tegenover Oern. -dagaR, Got. dags en On. dagr. Vermoedelijk was ook hier sprake van een geleidelijke overgang van het ene dialect naar het andere, ook naar de andere groepen toe. Door verschuivingen binnen de afzonderlijke groepen werd de oorspronkelijke samenhang binnen de dialecten van een groep en die met de dialecten uit een andere verstoord. Zo is mogelijk in de 5e eeuw n. Chr. door de verhuizing van de Angelen en Saksen vanuit Noord-Duitsland naar Engeland het oorspronkelijke verband met de zuidwestelijke dialecten van het Noordgermaans verloren gegaan.
Voor wat het Nederlands betreft moeten we op grond van Keltische plaatsnamen als Blerik (< Bleriacum) en Nijmegen (< Noviomagus) aannemen dat in het zuiden van het nu Nederlandstalige gebied - waarschijnlijk vanaf de grote rivieren Rijn en Waal - aanvankelijk een Keltische taal werd gesproken. Dit gebied viel vanaf de 1e eeuw v. Chr. onder de invloed van het Romeinse Rijk, dus ook onder die van het Latijn. Verder is het mogelijk dat in de noordwesthoek van Europa, waartoe Nederland, België en Noordwest-Duitsland gerekend worden, nog een andere Indo-europese taal werd gesproken. Daarop duiden een aantal plaats-en persoonsnamen en woorden die alleen in deze gebieden voorkomen en niet zon-
der meer uit het Keltisch of Germaans, maar wel uit het Indo-europees verklaarbaar zijn (Kuhn 1977). Het bestaan van dit zogenaamde ‘Noordwestblok’ is echter omstreden.
De Germaanse stammen zaten aan het begin van onze jaartelling hoofdzakelijk ten noorden en oosten van de Rijn. In de verwarring van de volksverhuizingstijd drongen ze naar het zuiden en westen, zodat toen het gehele huidige Nederlandstalige gebied werd gegermaniseerd. De belangrijkste rol werd daarbij door de Franken gespeeld. Deze Franken vormden waarschijnlijk een min of meer vast verband van stammen die oorspronkelijk in het midden en oosten van Nederland woonden. Tot de Franken behoorden onder anderen de Chamavi (wier naam nog voortleeft in de aanduiding Hamaland voor een gebied bij Arnhem) en de Salii (waarvan de naam vermoedelijk te maken heeft met Salland in Overijssel). Achter de naar het zuiden trekkende Franken drongen de Saksen het oosten van Nederland binnen (Drenthe, Overijssel, Achterhoek). Langs de kust konden de Friezen die al tijdens de Romeinse periode daar gevestigd waren zich handhaven.
In die periode moet men dus met drie mogelijke Oudgermaanse dialecten rekenen: Fries aan de kust, Frankisch in het binnenland en in het zuiden en Saksisch in het oosten. In de loop van de 5e en 6e eeuw schijnen er tussen deze drie groepen allengs grotere verschillen te zijn ontstaan. De Friezen spraken een taal die - net als het Engels - bepaalde Ingweoonse of Noordzeegermaanse verschijnselen vertoonde. Zo ontstonden bijvoorbeeld uit de Oudgermaanse tweeklanken /ai/ en /au/ in het Fries /e:/ of /a:/ en /a:/, terwijl zich in het Onl. /e:/ en /o:/ ontwikkelden, vergelijk Fri. kâg tegenover Onl. kôg < Germ. *kauga-, en Fri. -zwaag in plaatsnamen tegenover Onl. suêga, sueiga ‘kudde’ (< Germ. *swaigô-). Deze verschijnselen nemen af al naar gelang men verder landinwaarts komt. Het Oudnederlands (Oudnederfrankisch) en het Oudsaksisch kennen een aantal van die verschijnselen ook. Hoever deze Ingweoonse invloed zich heeft uitgestrekt valt als gevolg van het gebrek aan bronnen moeilijk te zeggen. Men is aangewezen op plaats- en persoonsnamen. Wel kan men vaststellen dat de zogenaamde Wachtendonckse Psalmen, die vermoedelijk uit het gebied Kleef-Xanten-Krefeld stammen, slechts weinig ingweonismen kennen: bijvoorbeeld sûthon ‘zuiden’ (vergelijk Ohd. sund ‘zuid’ < Germ. *sunþ-), hlôthu ‘buit’ (< *hlanþo-, - mogelijk een leenwoord), suîtho ‘snel’ (vergelijk nl. gezwind) en farkûtha ‘slecht bekend’ (vergelijk Onl. cundon ‘verkondigen’). Vermoedelijk werden deze ingweonismen door de expanderende Frankische dialecten teruggedrongen.
Als lid van de Westgermaanse groep heeft het Nederlands vóór het begin van de overlevering al een aantal ontwikkelingen doorgemaakt die het gedeeltelijk deelt met het Engels, Duits en Fries.
| a. | Waarschijnlijk in de 3e of 4e eeuw vond een verdubbeling (intensivering) van de medeklinkers plaats vóór een /j/ en soms vóór /r/ en /w/ (de zogenaamde ‘Westgermaanse consonantengeminatie’). Door dit verschijnsel |
| verschillen de Westgermaanse talen duidelijk van de andere twee groepen, vergelijk Onl. setton,1 Os. settian, Oe. settan, Ohd. sezzen (< *satjan) tegenover Got. satjan, On. setja. Voor de /r/ en de /l/ variëren de paradigma's al naar gelang er tussen de medeklinker en de /r/ respectievelijk /l/ een secundaire klinker (ont)stond (zie onder d), bijvoorbeeld nom. *aker gen. *-akkres, vergelijk Mnl. akker maar Onl. Ekerslate ‘Akersloot’ [1105-1120, kopie ca. 1420, Lex. 59] en Mnl. appel maar Onl. Apeldrem ‘Appeltern’ (Gld.) [ca. 1143, Lex. 69] uit ouder *apuldra ‘appelboom’, vergelijk On. akr ‘akker’ en epli ‘appel’. | |
| b. | Diftongering van de zogenaamde e2 tot /ia/, /ie/. in de 6e eeuw, bijvoorbeeld in Onl. hiera ‘hier’, vergelijk Got. hēr ‘hier’ (vergelijk Gysseling 1992: 25-35). |
| c. | Verdwijnen van de nominatiefuitgang in een aantal declinaties, vergelijk Oern. dagaz, Got. dags, On. dagr met Onl., Os., Ofri. dag, Oe. dæg en Ohd. tag. |
| d. | Het ontstaan van ‘spontane’ klinkers bij nasalen en liquidae (r, l, m, n). vergelijk Got. akrs ‘akker’, fugls ‘vogel’, rign ‘regen’ - Onl. in Ceninga accarum [941, DB 131], uogala ‘vogels’ (Gysseling 1980: 130), regin (WPs. 67, 10). |
| e. | De overgang van Germ. /ð/ naar /d/: On. guð i (dat.) ‘god’ - Onl. gode. |
Het Oudnederlands is zeer slecht overgeleverd. Aan samenhangende teksten bezitten we er slechts twee:
| 1. | De Wachtendonckse Psalmen (WPs.), een interlineaire vertaling van de psalmen en cantica uit de 10e eeuw, die slechts fragmentarisch bewaard is gebleven in kopieën uit de 16e en 17e eeuw. Deze tekst is een bewerking van een Hoogduitse (waarschijnlijk Middelfrankische) voorloper en bevat dus ook Duitse woorden en vormen (Gysseling 1980; Quak 1981; De Grauwe 1979, 1982). |
| 2. | De Leidse Willeram (LW), een omstreeks 1100 in het klooster Egmond (N-H.) geschreven bewerking van de Oudhoogduitse Hooglied-parafrase van Willeram van Ebersberg (ontstaan circa 1069). Ook hier is de oorspronkelijke Duitse tekst zeer duidelijk - nog sterker zelfs dan in de WPs. - aanwezig (Sanders 1971). |
Verder bezitten we:
| 3. | Een kort zinnetje in een handschrift uit Oxford (11e e.): Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidat ghe nu ‘hebben alle vogels |
| nesten begonnen, behalve ik en jij, waarop wacht ge nu’ (Gysseling 1980: 126-130). | |
| 4. | Wat namen en een versje uit het klooster Munsterbilzen in Belgisch Limburg uit circa 1130 (Gysseling 1980: 131-133). |
| 5. | Een aantal glossen, korte tekstfragmenten en woorden in Latijnse handschriften uit de 9e tot de 12e eeuw (Gysseling 1980: 40, 41, 112-117, 120-121, 122). Het aantal woorden dat op deze manier is overgeleverd is veel groter dan uit Gysseling of Slicher van Bath (1948) blijkt. De meeste ervan zijn echter nog niet uitgegeven of staan in handschriften met Oudhoogduitse glossen. |
| 6. | Plaats- en persoonsnamen in talrijke oorkonden, heiligenlevens, registers enzovoort van de 7e tot de 12e eeuw (Gysseling 1960; Gysseling/Koch 1954; Künzel e.a. 1988). |
Deze teksten zijn niet eens allemaal in Nederland overgeleverd. Een aantal ervan werd in Romaanse of Hoog- respectievelijk Nederduitse kloosters geschreven. Dat betekent dat ze met de nodige voorzichtigheid moeten worden behandeld, omdat invloed van het plaatselijke dialect op de Oudnederlandse vormen niet uitgesloten is. Bovendien moet men rekening houden met mogelijke latiniseringen, waardoor de informatie onzeker wordt (zie onder 2.2.2.1. bij het s-meervoud).