terug  begin  verderprepost

3.2. Interne taalgeschiedenis

3.2.1. Klank en teken

3.2.1.1. Alfabet

Het Middelnederlandse alfabet wijkt enigszins af van het moderne. Omdat alleen bij Maerlant gegevens van enige omvang te vinden zijn, is het onderstaande in hoofdzaak op diens werk gebaseerd.

Maerlant kent een alfabet (Mnl. abece of abce) met 24 namen van letters. In het schrift zijn evenwel tenminste 29 minuskel-lettertekens, die op hun beurt weer niet allemaal een één-op-éénrelatie hebben met een foneem. Zo stellen de beide a-grafemen steeds alleen /a/ voor, de beide r-grafemen steeds de /r/ (het onderscheid is alleen afhankelijk van de positie ten opzichte van het vorige grafeem, namelijk of hij ermee een verbinding vormt of niet) en de beide s-grafemen, die het foneem /s/ aanduiden, zijn globaal verdeeld in een woordinterne variant (de zogenaamde lange s) en in een auslautvariant (de ronde s). De <i> en <j> gelden als varianten van één letter en geven, afhankelijk van de positie (voor of na consonant, respectievelijk vocaal) een vocaalfoneem, bijvoorbeeld ic/jc ‘ik’, dan wel een conso-

[p. 76]

nantfoneem weer, bijvoorbeeld. iaer/jaer ‘jaar’. Dit geldt ook voor <u> en <v>: uan/van ‘Van’, nu/nv ‘nu’. De uitwisselbaarheid van beide grafemen blijkt nog uit spellingen als Uvildi ‘wilt (gij)’, waar zij samen bet grafeem <w> vervangen.

Net als in het moderne Nederlands kon het alfabet worden opgezegd, dat wil zeggen bestonden er ‘namen’ voor de afzonderlijke letters. Hierover zijn een paar opmerkingen te maken. De grafemen <i>/<j> en <u>/<v> worden met hun klinkernaam genoemd, dus <i> en <j> worden als [i] uitgesproken, vergelijk Nat.Bl. vss. 6859-60: g. gaet hute. Vort suldi/ voghele namen horen in.j., en <u> en <v> worden als [y] uitgesproken, vergelijk vss. 8137-38: T. gaet hute, segghic iv / hier comen vort namen in.v.. Met slot-e worden, behalve de klinker [e], gesproken: b (rijmwoord: no mee) c (me), d (nemme), g (nemmee), p (nemme), t (nemme) w (?), z (vort mee); met slot-a, behalve de klinker [a]: h (?) en k (rijmwoord: hier na, ook: hier naer(!)), met korte aanvangs-e: f (?),1 (spel, wel, fel), m (hem), n (?); in Nat.Bl. rijmt r op dar ‘daar (bijwoord)’.

3.2.1.2. Spelling

De Nederlandstalige geschriften uit de 13e eeuw stammen uit tenminste twee verschillende schrijftradities, die ook in de spelling hun weerslag hebben gevonden. Enerzijds is er de voornamelijk literaire Limburgs-Nederrijnse traditie, die een sterke band heeft met het aangrenzende Middelhoogduits, en die een Germaanse inslag heeft. Anderzijds zien we een Noordfranse en Picardische innovatie om vooral de voor eigen, plaatselijk gebruik bestemde stukken in de volkstaal te schrijven in plaats van in het Latijn. De hierbij aansluitende parallelle ontwikkeling in Vlaanderen - administratief evenals de aangrenzende Franse gebieden onderhorig aan de koning van Frankrijk - heeft een spellingsysteem voortgebracht dat sterk door het Franse (Romaanse) is geïnspireerd.

Zo gaf het teken <u> in de oostelijke spelling de klank [u] weer. In het Frans daarentegen, waar de klank [u] reeds tot [y] was geëvolueerd, duidt <u> de [y] aan. Daarom moest in de door de Franse orthografie geïnspireerde Vlaamse kanselarijen voor [u] een ander teken worden bedacht: <oe> of, in bepaalde posities, ook <ou>; van oorsprong zijn dit de grafemen die de gesloten [o] weergeven. In het vulgair Latijn had de [g] voor palatale vocalen een allofoon [dž] ontwikkeld, waardoor voor [g] voor palatalen het additioneel teken <gh> in gebruik werd genomen. Een enkele keer wordt overigens schijnbaar ook <gu> gebruikt: der guerre ‘Van degene’, Wvla. 1285, maar dit lijkt toch eerder [Ɣø:rǝ] bij de nom. ev. guene [Ɣø:nǝ] te zijn. Deze alleen voor het Romaans, niet voor het Nederlands relevante grafeemcombinatie, is echter zonder meer in het Vlaamse spellingsysteem overgenomen. Zo staat voor ‘genoeg’ een Vlaams ghenouch naast een oostelijk genug.

In het oosten was er naast de klank [u] door umlaut een allofoon [y] ontstaan, waarvoor geen apart teken beschikbaar was. Beide fonemen bleven als <u> ge-

[p. 77]

speld: duc ‘doek’ naast dukelken ‘doekje’. Overigens komt ook in het 13e-eeuwse Limburgs al de grafie <oe> voor [u] voor: doec ‘doek’. Hoewel de spelling in de Vroegmiddelnederlandse teksten als totaal op het eerste gezicht zeer grillig lijkt (een woord als tussen kent meer dan dertig verschillende spelwijzen), zijn er toch wel consistente subsystemen te onderkennen. Bij een onderzoek naar het spelgedrag van zeven scribenten kon Mooijaart (1992: 24-25) concluderen: ‘Het grootst deel van de woorden werd door hen steeds op dezelfde manier gespeld; in 18-32% van hun individuele woordenschat trad (spelling- en vorm-)variatie op.’

Het grafeem <w> heeft verschillende functies, allereerst zijn oude gebruik als dubbele u: wt = uut ‘uit’, wterste = uuterste ‘uiterste’. Verder wordt hij gebruikt voor:

1.vo: wrcelaer ‘Vosselaar (plaatsnaam)’, wllenho ‘Vollenhove (plaatsnaam)’, wrgenumt ‘Voorgenoemd’, (h)awnde ‘avond’;
2.vu: wra ‘Vuren (plaatsnaam)’, wtshole = vutse-hole ‘bunzinghol’;
3.vo/vu: wl = vol/vul ‘vol’, wrmhout = worm-/wurmhout ‘Wormhout (plaatsnaam)’;
4.wo: wchuit = woch-ute ‘vanaf de weg’;
5.wu: wwere = wuwere ‘vijver’; ook voor -u- als geronde -i-: wlghe ‘wilg’, wllelmus ‘Wilhelmus’;
6.wo/wu: wlf = wolf/wulf ‘wolf’, wlle = wolle/wulle ‘wol’;
7.woe: wndaghes = woendaghes ‘('s) woensdags’;
8.uu: wstaes ‘Eustaas’;
9.wa/wo: wlterus ‘Walterus/Wolterus(?)’.

Overigens wordt <w> ook gebruikt om de [o]/[u] weer te geven: bwnre = bonre/bunre ‘bunder’.

Het consonantische karakter van het grafeem <i>/<j> wordt wel aangegeven door voorvoeging van een i-: ijaer, ijagen, ija ‘ja’, ijammer, ijegen ‘tegen’, ijoncste ‘jongste’, ijongelinc; dan wel door toevoeging van een -h-: jhan, jhare ‘jaar’, jheghen ‘tegen’, jherusalem.

Het grafeem <th> voor [d] wordt gebruikt in persoonsnamen die beginnen met die(t)- < Germ. *peuda- ‘volk’, als diederic en die(d)boud: thideric, thiedric en de hypocoristica daarbij thiede, thideman, thieleman, thielekin, thierin, thierkin (vergelijk diede, diddekin, dierijn, dierkin); verder in thibaut (vergelijk dibbout) en mogelijk in thomaes, thumas waarnaast vormen als domaes, dumaes voorkomen.

Het grafeem <ph> wordt zeer incidenteel gebruikt om de [f] aan te geven: en halph bunre, maar is frequent in de persoonsnaam phelip(s), philip(s) (ook: philps en phlips).

 

Behalve op het vlak van de weergave van klanken door grafemen verschillen de Middelnederlandse teksten op tenminste nog twee andere punten sterk van de

[p. 78]

moderne teksten, te weten wat de interpunctie betreft (waar hier niet verder op ingegaan wordt) en vervolgens ook wat de woordbegrenzing aangaat. Dit laatste geldt dan weer zowel voor de samenstellingen als voor de afleidingen.

In het Middelnederlands kunnen verschillende woordvormen waartussen een zekere relatie bestaat, aaneengeschreven worden. Het gaat vaak om het lidwoord, pronomina personalia en voorzetsels: deghebode ‘de geboden’, deman ‘de man’, wilhi ‘wil hij’, tenemene ‘te nemen’, dathi ‘dat hij’. Soms komt het voor dat ook meer woorden zonder aanwijsbare reden worden aaneengeschreven: negenenderttechscellinge, voreghescreuenrekarken, vernavensoetensones.

Daarnaast onderscheiden we clisisgevallen. Met proclise treffen we bijvoorbeeld aan: derste ‘de eerste’, scrauen = des-graven ‘van de graaf’, thus ‘het huis’, thingaende ‘te ingaande’; en in enclise, bijvoorbeeld: weddensijt ‘wedden-zij-het’, ghelowise ‘geloven-wij-ze’, mochtemenne ‘mocht-men-hem’.

Regelmatig ook worden woorden die wij nu aan elkaar zouden schrijven, opgesplitst in kleinere elementen. Samenstellingen vallen uiteen in samenstellende delen: hir ombe ‘hierom’, sater daghes ‘(de)s zaterdags’, en afleidingen worden in morfemen opgedeeld: ghe daen ‘gedaan’; out hanc ende, vte hanghenden ‘uithangende’; laatstgenoemd morfeem wordt ook wel met het &-teken weergegeven: ut hanc & ‘uithangende’.

3.2.2. Klankleer

3.2.2.1. Vocalen

Het referentiesysteem van Goossens

Goossens (1980: 10) presenteert in zijn boek Middelnederlandse vocaalsystemen 10, in navolging van zijn Phonologie, ook voor het Middelnederlands een referentiesysteem, als ‘een ‘ideaal’ mnl. vocaalsysteem (...), waaraan de ruimtelijk en tijdelijk afwijkende systemen en de bezettingen van hun elementen kunnen worden gerelateerd’. Tegen de achtergrond hiervan is de volgende beschrijving van de vocalen opgezet.

Men onderscheidt voor het Middelnederlands monoftongen, onder te verdelen in korte en lange vocalen en diftongen.

De monoftongen

De korte vocalen

Het Middelnederlands onderscheidt de volgende korte vocalen: a, e, i, o, u, [Λ], ö

[p. 79]

en ǝ. In het algemeen zijn alleen de korte vocalen in gesloten syllaben zonder volgende umlautsfactor ongewijzigd van het Onl. in het Mnl. overgenomen.

N.B. In onderstaande vergelijkingen tussen Oud- en Middelnederlandse vormen is geen absolute identiteit nagestreefd in die zin dat is afgezien van eventuele verschillen door flexie of derivatie.

Mnl. a is de voortzetting van Onl. a:
Mnl. acker, Onl. accarom; Mnl. anevallen, Onl. anafallan; Mnl. dach, Onl. dag; Mnl. dat, Onl. that.
 
Mnl. e is de voortzetting van Onl. e:
Mnl. echt, Onl. eht ‘waarlijk’; Mnl. ende, Onl. ende ‘einde’.
 
Mnl. i is de voortzetting van Onl. i:
Mnl. disc ‘tafel’, Onl. disc; Mnl. in, Onl. in (prep.); Mnl. kint, Onl. kint.
Mnl. o is de voortzetting van:
1.Onl. o: Mnl. got, Onl. god; Mnl. dorn, Onl. thorn; Mnl. volc, Onl. folc.
2.Onl. u: Mnl. mont, Onl. munt; Mnl. omme/ombe, Onl. umbe; Mnl. ons, Onl. uns.
Deze overgang is het sterkst in het Brabants en Limburgs doorgevoerd: Onl. *thus, Mnl. dos ‘dus’; Onl. *munte, Mnl. monte ‘munt’.
Mnl. u is de voortzetting van Onl. u:
Waarschijnlijk is een onveranderde voortzetting van Onl. [u] (voorzover niet reeds tot [o] geworden) alleen in het zuidoosten van het taalgebied aangetroffen.
Mlimb. umbe ‘om’, Onl. umbe, umbi; Mlimb. under, Onl. under, undir.
 
Mnl. [Λ] is eveneens een voortzetting van Onl. u:
Buiten Limburg is deze [u] in de rest van het taalgebied onder diverse condities gepalataliseerd tot [Λ].
1.door i-umlaut: brucghe, dunne.
2.ten gevolge van de zogenaamde spontane palatalisatie: summe ‘som totaal’; turbere = te orbare ‘tot voordeel’; alumbe ‘alom’; stumme ‘stomme’; nunne ‘non’; punt ‘pond (geld)’ (Wateringen 1282).
MnL [ö] is de voortzetting van Onl. [o,u] voor umlautsfactor:
hultin ‘houten’ < Onl. *holtīn; wullin ‘wollen’ < Onl. *wollīn. Het is de vraag of het i-umlautproduct van [o] en dat van [u] in het Mnl. verschilde of dat beide dichtbij [Λ] stonden. Men kan slechts constateren, dat de [Λ] < [u] kan ontronden tot [i] (Wgerm. *bruggja-> brucghe/bricghe),
[p. 80]
waar dit bij [Λ] < [o] nooit gebeurt (*hiltin is naast hultin < *höltin < *holtīn- ‘houten’ nooit aangetroffen, evenmin als *willin naast wullin < *wöllin < *wollīn- ‘wollen’).
Ook de in open syllabe gerekte variant laat een interpretatie toe, waarbij van een oorspronkelijk verschil kan worden uitgegaan: drie vurne balken (Dordrecht 1293) = vür(i)ne ‘grenen’ naast.vi. voerrine sperren (Brugge 1297) = vørine ‘grenen’, een en ander indien de afleiding plaatsvond van Wgerm. *forχa- ‘pijnboom’.
 
Mnl. [ǝ] is ontstaan uit de Onl. korte vocalen in onbetoonde syllabe:
Men onderscheidt een open variant, vaak genoteerd als <a> (ruddra ‘ridder’; varsenara ‘Varsenare (plaatsnaam)’; huntdart ‘honderd’) en, in verreweg de meeste gevallen, een meer gesloten variant, gewoonlijk genoteerd <e>. Incidenteel zijn ook andere vocaaltekens voor deze vocaal in onbeklemtoonde positie aangetroffen, die door de omgeving worden ingekleurd, zoals
1.-i-, bijvoorbeeld: hondirt ‘honderd’; dusint ‘duizend’; si tualifve ‘twaalf personen’; swagirs ‘(de)s-zwagers’; kennint ‘kennen-'t’
2.-o-, bijvoorbeeld: adomtocht ‘ademtocht’; twalof ‘twaalf’; Lodowike ‘Lodewijk’.
3.-u-, bijvoorbeeld: Baduwin ‘Boudewijn’.

Volgens Caron (1972) daarentegen is er in de Middelnederlandse periode nog geen sprake van een reductievocaal.

Sonantische nasalen en liquidae

Men kan stellen dat in het Middelnederlands, zoals in sommige moderne noordoostelijke en zuidwestelijke dialecten, sonantische liquidae en nasalen voorkwamen. Zo wordt de flexie-r van de 2e/3e naamval vrouwelijk in de pronominale flexie nu eens als -er, dan weer als -re, dan weer als -ere genoteerd11: miner, minre, minere; dit lijkt op een uitspraak [mi:nr] te wijzen; ook bij de comparatief is duidelijk dat er geen klinker vóór de r gerealiseerd werd, omdat anders geen segmentatie zou optreden: minr > mindr, gespeld <minder>, terwijl uit spellingen als grover blijkt dat er ook geen vocaal achter het flexiemorfeem of comparatiefsuffix gerealiseerd werd. In enkele gevallen is ook gewoon -r na consonant genoteerd: polr ‘polder’, moenstr ‘monster/munster = klooster’; ook -[n̥] wordt soms na consonant genoteerd: ghevaln, te segeln ‘te zegelen’, scuteln ‘schotelen’; tewaern, tondern (= te ondern), ergern, betern, ghesworn, en, aan het einde van het eerste lid van een samenstelling: bugnout ‘Buggenhout (plaatsnaam)’, campnout ‘Kampenhout

[p. 81]

(plaatsnaam)’. Een mogelijk minimaal paar zou minr ‘minder’ naast min(n)er ‘minnaar’ kunnen zijn.

De lange vocalen

Het Middelnederlands onderscheidt de volgende lange vocalen: a:, e:, i:, o:, u:, ü:, ö:.

Mnl. a: is de voortzetting van:
1.Onl. a:, vergelijk: Mnl. aflaet, Onl. aflati ‘aflaat’; Mnl. bevaen, Onl. biuan ‘pakken’.
2.de combinatorische variant van
2a.Onl. a voor r plus dentaal: Mnl. ba(e)rde, Onl. barda ‘bijl’; Mnl. va(e)rt, Onl. farth.
2b.Onl. e voor r plus dentaal: Mnl. a(e)rde, Onl. ertha; Mnl. ga(e)rde, Onl. gerda ‘roede’.
N.B. De kwaliteit is niet zeker: halflang of lang.
3.Onl. a in open syllabe onder hoofdaccent: Mnl. name, Onl. namo; Mnl. bewaren, Onl. beuuaron ‘observeren’.
Mnl. e: is de voortzetting van:
1.Onl. e:, vergelijk: Mnl. heten, Onl. hetan ‘heten’; Mnl. voreteken, Onl. furitekin ‘voorteken’.
2.Onl. e in open syllabe: Mnl. keren, Onl. keron.
3.Onl. i in open syllabe: Mnl. hemel, Onl. himel; Mnl. vele, Onl. filo; Mnl. weder ‘tegen’, Onl. vuither.
Mnl. i: is de voortzetting van:
Onl. i:, vergelijk: Mnl. din (poss.), Onl. thin ‘jouw’; Mnl. idel, Onl. idel ‘leeg, ijdel’.
Mnl. o: is de voortzetting van:
1.Onl. [o:]: Mnl. oghe, Onl. oga (Wgerm. *aoga < Germ. *augo-); Mnl. hovet, Onl. hovit (Wgerm. *haobid- < Germ, *χaubip-).
2.Onl. [o] in open syllabe onder het hoofdaccent: Mnl. boghe, Onl. bogo; Mnl. gode dat.sing., Onl. gode.
3.Onl. [u] in open syllabe onder het hoofdaccent: Mnl. comen, Onl. cuman ‘komen’; Mnl. toren, Onl. turn ‘toren’; Mnl. dore, Onl. thuro ‘door’ (prep.).
4.In het zuidoosten van het taalgebied is <o> de notering voor een lange geronde a uit [a:]: Mnl. jo(e)r ‘jaar’, Onl. jar.
[p. 82]
Mnl. u:
Goossens (1980: 12) sluit in zijn referentiesysteem de [u:] uit. Niettemin kan hij gehandhaafd worden. De spelling <u> in alle gewesten waarnaast een contemporaine of jongere variant met de spelling <ou>, als weergave van de diftongering, staat, laat geen andere conclusie toe dan juist het voorkomen van een [u:].
Het betreft de jongere variant van Onl. -u in auslaut: nu: nou; iu: iou. Ook in de uitroep bu zal wel een lange [u] in het geding zijn: Jhesus ne sprac ne ba no bu (Rijmb. 625,39). Vergelijk daarnaast ook de Westvlaamse varianten hus/hous ‘huis’, ut(e)/out ‘uit’, iu/jou ‘U, jou’. Een grafie souscote ‘Zuidschote (plaatsnaam)’, hoewel (of eerder: juist) door een Romaans scribent geschreven, wijst op [u:].
In de positie voor [w] moet men nog een [u:] aannemen, voor de latere overgang tot [ou], immers een ontwikkeling buan > bu(w)an > bywen > bouwen lijkt niet voor de hand te liggen. Tenslotte, de <u> < Germ. -iu- vóór -w- moet op grond van de latere diftongering mogelijk als [u:] worden geïnterpreteerd: Germ. *neuja- > Wgerm. *niuwi > Onl. nuuui > Mnl. nuwe/nouwe.
In het algemeen geldt het voor alle lange of korte vocalen die voor -w- tot [u:] zijn overgegaan: Mnl. berouwenesse, Onl. bereunussi ‘berouw’; Mnl. huwe-/houweleec, Onl. hiuuisce ‘familie’. In het Mlimb. komen ook vormen voor met behoud van -iw-: hiwen ‘huwen’, hiwelec ‘huwelijk’, schiwen ‘schuwen’.
Men kan zich daarnaast afvragen of de spelling <u> voor <ou> niet omgekeerd aantoont dat deze grafemen voor dezelfde klank werden gebruikt, zodat met andere woorden diftongering van [u:] meer verbreid was dan het schriftbeeld doet vermoeden. In dat geval moet ook met een sterkere bezetting van [u:] in het systeem rekening worden gehouden: arnut naast arnout.
 
Mnl. ü: is de voortzetting van:
1.Onl. u:, vergelijk: Mnl. duve, Onl. duua ‘duif’; Mnl. runen, Onl. runan ‘fluisteren’.
2.Onl. iu, vergelijk: Mnl. duusternis, Onl. thiusternesse; Mnl. lude, Onl. liude.
3.Onl. i voor w: Mnl. huwelec, Onl. hiuuisce.
Mnl. ö: is de voortzetting van Onl. u in open syllabe onder het hoofdaccent:
Mnl. jeucht, Onl. iuginde; Mnl. euvel, Onl. uvil.

De diftongen

Het Middelnederlands onderscheidt de volgende diftongen: ei, ou, öü, iu en ie, ue, üe.

[p. 83]
Mnl. ei is de voortzetting van:
1.Onl. ei, vergelijk: Mnl. eiselijc, Onl. eiselika; Mnl. beiden, Onl. beidon ‘(ver)wachten’; Mnl. heilich, Onl. heilig; Mnl. uteleiden, Onl. utleidende.
2.Onl. e voor nasaal plus consonant: Mnl. einde naast ende, lauwereins naast laurens ‘Laurens’.
Mnl. öü wordt aangetroffen:
1.in een aantal leenwoorden uit het Ofra.: Mnl. froyt < Ofra. fruit; Mnl. vernoi ‘verdriet’ < Mnl. ver- en Ofra. (en)nui (maar misschien was de -oi- in het Mnl. lang); Mnl. poisun, pujsun (Bernense) ‘vergif’ < Ofra. poison; Mnl. pujnt; ‘punt’ < Ofra. point;
2.na een combinatie van een achtervocaal plus [j]: Mnl. spoye ‘spui’, gloie ‘glui, stro’.
3.In een aantal gevallen is [oi] ontstaan uit palatalisering van [ou] < al/ol voor dentaal: Mnl. arnoyt < arnout < arnold-, hoit < holt. Dit verschijnsel is sterk vertegenwoordigd in het grensgebied van West-Limburg en Oost-(Belgisch-)Brabant: cobboiden ‘kobolden’, goyt ‘goud’, gewoyt ‘geweld, macht’, menichvoyt.
Mnl. ou is de voortzetting van:
1.Onl. ou, vergelijk: Mnl. houwe ‘hooi’, Onl. houuue.
2.Onl. au, vergelijk: Mnl. houwen, Onl. hauuan ‘afkappen’; Mnl. scouwen, Onl. gescauuon ‘kijken’.
3.Onl. al-, ol- voor dentaal: Mnl. behouden, Onl. bihalden; Mnl. du voudes, Onl. thu faldidos; Mnl. hout, Onl. holto; Mnl. gout, Onl. golt.
4.uit diftongering van Onl. [u:]:
a.in auslaut: Mnl. iou, Onl. *ju.
b.voor w: Mnl. nouwe ‘nieuwe’ (Brabant), Onl. nuuui ‘nieuw’.
c.contextvrij: Mnl. hous (Vlaanderen), Onl. hus; Mnl. out (Vlaanderen), Onl. ut.
5.Onl. iu plus [w]: Mnl. berouwen, Onl. beriuwan; Mnl. houwe-leec, vergelijk Onl. hiuuisce ‘familie’.
Mnl. iw is de voortzetting van:
1.Onl. e: (< Germ. e2) met een volgende -w- in de stam? (Dit wordt alleen bij oorspronkelijk reduplicerende werkwoorden aangetroffen): Mnl. crieu (bij crayen < Germ. *kraē-ja-), wieu (bij wayen < Germ. *waē-ja-), sieu (bij sayen < Germ. *saē-ja-).
2.Onl. -eo- voor [w] (alleen in het preteritum van bepaalde werkwoorden): Mnl. berieu (bij berouwen < Germ. *-χrewwa-), hieu (bij houwen ‘slaan, kappen’ < Germ. *χawwa-).
[p. 84]
Mnl. ie is de voortzetting van:
1.Onl. io: Mnl. diepe, Onl. diopi ‘diepte’; Mnl. die, Onl. thio ‘dij (lichaamsdeel)’.
2.Onl. i uit e2: Mnl. vieren, Onl. fir[ingon] < Lat. feriari.
Mnl. üe is de voortzetting van:
Onl. iu: Mnl. vier/vuur, Onl. fiur.
Mnl. ue is de voortzetting van:
Onl. uo: Mnl. goet, Onl. guot; Mnl. stoel, Onl. stuol ‘zetel’.

3.2.2.2. Diverse fonische ontwikkelingen

Rekking in open syllabe

De Middelnederlandse korte vocalen werden in de loop van de twaalfde eeuw in open syllabe gerekt. Op den duur zijn deze rekkingsproducten samengevallen met de van oorsprong lange vocalen. De rekking van korte i en e leverde in beide gevallen /e:/ op, die van korte o en u in beide gevallen /o:/.

1.i > e:, vergelijk Mnl. hemel, Onl. himel; Mnl. vele, Onl. filo; Mnl. weder, Onl, widar.
2. e > e:, vergelijk Mnl. breken, Onl. brecan; Mnl. menighe, Onl. menege.
3.a > a:, vergelijk Mnl. bewaren, Onl. bewaron ‘observeren’; Mnl. name, Onl. namo.
4.u > o:, vergelijk Mnl. comen, Onl. cuman; Mnl. dore, Onl. thuro.
5.o > o:, vergelijk Mnl. boghe, Onl. bogo; Mnl. gode (dat. sing.), Onl. gode.
6.Λ > ø:, vergelijk Mnl. euvel, Onl. uvil ‘slecht’; Mnl. juecht, Onl. iuginde.

Umlaut

Umlaut treedt op als een soort anticipatie in de articulatie van de betreffende vocalen in de syllabe met hoofdtoon op de articulatiewijze van de vocaal van een volgsyllabe. Deze laatste kan een -a- zijn (a-umlaut: *-flugan- > -vlogen), dan wel een -o- (velair-umlaut: Onl. *spilon > speulen ‘spelen’; Onl. filo, filu > veul ‘veel’), dan wel, in de meest gangbare opvatting een -i- (i-umlaut: Germ. *fani > vene). De i-umlaut treft [a], [u], [a:], [u:] en [o:]. De i-umlaut treedt alleen op indien de umlautfactor behoorde tot een flexiemorfeem of stamklassemorfeem en dergelijke, maar niet indien deze behoorde tot het tweede lid van een samenstelling of tot een suffix met min of meer zelfstandige betekenis.

a.Als morfeem ter onderscheiding van een stamklasse bij nomina en verba: bijvoorbeeld *-ja-: * kannjan-: kennen; *sagjan-: secghen; * halja-: helle.
[p. 85]
b.Als flexiemorfeem:
1.bij nominale i-stammen: vergelijk stat: stede en Osa. giwalt: giweldi naast Mnl. ghewout: ghewelt.
2.bij verba, 2/3 persoon praesens indicatief:
Osa. Mnd. Zuidoostmnl. Westmnl.
1. ic slahu sla sla sla
2. thu slehis sleis sleis slaes
3. hie slehit sleit sleit slaet

Vergelijk nog du vees ‘je vangt’, vregstu ‘vraag je’, verdregs ‘(je) verdraagt’, vert ‘(hij) vaart’ (Diat.), steit ‘(hij) staat’ (Oudenb.).

 

Traditioneel onderscheidt men een zogenaamde primaire umlaut (umlaut van [a] tot [e]) en een secundaire umlaut (alle andere gevallen van umlaut).

In het Middelnederlands is door de werking van de umlaut een tweedeling van het taalgebied ontstaan, waarbij het westen alleen de resultaten van de primaire umlaut heeft gefonemiseerd en als zodanig noteert en bet oosten beide typen heeft gefonemiseerd, maar de resultaten van de secundaire umlaut niet consequent met verschillende tekens noteert.

De verschillen tussen de primaire en de secundaire umlaut zet Goossens (1989: 64) uiteen.

1.Een typologisch verschil, doordat bij de primaire umlaut sprake is van foneemsamenval: de umlauts-e valt samen met de oude e; terwijl de secundaire umlaut foneemsplitsing teweegbrengt: oude u blijft u (> o), umgelautete u > ü.
2.Een kwantitatief verschil: primaire umlaut betreft één vocaal, de a, terwijl de secundaire umlaut alle andere umlautfähige klinkers treft.
3.Een chronologisch verschil: het verschil betreft meer de fonemisering van het gevolg dan de umlaut zelf. Het resultaat van de primaire umlaut is al in het Oudnederlands gefonemiseerd en consequent in het schrift weergegeven, terwijl bij de secundaire umlaut, hoewel ook in het Oudnederlands al rudimentair aanwezig, de fonemisering veel later optrad en nooit consequent in het schrift is weergegeven.
4.Een geografisch verschil: de primaire umlaut is voor het gehele taalgebied geëffectueerd, de secundaire umlaut is alleen in het oosten gefonemiseerd.

In Mlimb. (en deels ook in Mbrab.) treffen we in het schrift uitgedrukte (primaire en secundaire) umlaut aan vóór diverse afleidingssyllaben als -en (< *-in- possessief): asch ‘es(seboom)’: eschen ‘essen-’; als afgeleid bnw. troffen we nog aan: Spelder bij de plaatsnaam Spalden ‘Spouwen’; -ere (nomina agentis): beckere, greuere,

[p. 86]

sengere, slegere; -(e)st (superlatief): alrenest ‘allernaast’, hierbij ook: echterste ‘achterste’ en leste ‘laatste’ (Diat.); -ken (diminutiva): doec: dukeleken; pat: petkin; wolf: Weulfgin (Oudenb. 175,53); -ich: genade: genedeg, vocht: vuchteg, scholt: schuldeg; denominativa met het suffix -jan- > Mnl. -en: sachte: seechten ‘verzachten’; nat: netten ‘nat maken’, cranc: crenken; ook: gans: gensde ‘genas’ (Diat.). Een conjunctief werd aangetroffen in de vorm hedde (Hd. hätte), seulde (vergelijk Mhd. sölte): Weir oec dat sake... so seulde... (enz.), (Oudenb. 94,26).

Ook werd het meervoud bemde naast bamt ‘beemd’, benke naast banc aangetroffen: Dit geschiede te Husselt tuysschen die vier bencke (Oudenb. 37,25).

De umlaut op [u] lijkt soms in het Mlimb. met <ue> naast <u> te worden aangegeven: cuene (Hd. kühn), mueden ‘vermoeien’ (vergelijk Hd. adj. müde); genuegen (Hd. genügen); gebrueder (Hd. Gebrüder).

Met name in de Oost-(Belgisch-)Brabantse Lutg.A en Kerstine wordt umlaut systematisch aangeduid:

1.<a>/<e>: amechte, enxtleke, ontfenclec;
2.<ae>/<ee>: dregt ‘draagt’, ghedeente ‘gedaante’, neken ‘naderen’, meeghden ‘maagden’, queme ‘zou komen’ < * kwaēmī;
3.<oe>/<ue>: brueder (Hd. Bruder, mv.) in het zuidwesten van Belgisch-Brabant ook als enkelvoud; beruert (Hd. berührt), drueue (Hd. trüb), geprueft (Hd. geprüft), gevueght (Hd. gefügt), gevuel (Hd. Gefühl), grueten (Hd. grüssen); maar niet bijvoorbeeld in roepen (Hd. rufen), moeder (Hd. Mutter), (hi) moet (Hd. (er) muss).

Ingeval de scribent hier <ue> schrijft, wordt dit ‘gecorrigeerd’ tot <ue>: mueder, mut. De positie van de leenwoorden ocsuen ‘gelegenheid’ en cappruen ‘kap’ is moeilijk te bepalen, maar blijkbaar werd hier [u:] < [o:] nog onderscheiden van de oude [u:], die in deze positie klankwettig verder tot -ui- evolueert: ajuin < a(n)juun < a(n)joen < unionem.

Een enkele maal lijkt <oe> de umlaut van [u] aan te duiden: boelt ‘bult’ < Germ. *bultian-, vngeloech (Hd. Unglück).

Umlaut op [o:] treffen we aan in: Godert der Dreuge van Riemst naast Jacob sDrogen (van Rimst); hiernaast ook: Hoekelheim, Heuckelheim, Hokelheim.

Umlaut van -ou- is te zien in Weutkin naast Woutkin ‘Woutje’.

Umlauts-e kan zich voor -m in het Limburgs nog tot i ontwikkelen: * kambjana- > Mnl. cammen, Mlimb. kimben; *framapja- > Mnl. adj. vre(e)mt, Mlimb. subst. vrimde, maar hier kan verkorting voor dubbele consonant in het spel zijn.

Diftongering

Diftongering is de overgang van een klank tot een tweeklank (diftong). Na een periode met een tweetoppige uitspraak dissimileren beide elementen, waarbij hetzij het eerste deel van de klank meer open en het laatste meer gesloten wordt (stijgen-

[p. 87]

de diftong), dan wel het eerste zich meer sluit en het laatste opener wordt (dalende diftong). Voor het Middelnederlands is vooral de diftongering van [i:] en [u:] van belang. De diftongering van de [i:] > [ei], althans de weergave daarvan in het schrift, wordt traditioneel gezien als een verschijnsel dat zich in het begin van de 14e eeuw in zuidelijk Brabant vertoont. Omdat men de klank met het oude teken <ij> bleef spellen, kan men de ontwikkeling alleen waarnemen in verkeerde spellingen, namelijk <ei> in plaats van <i(j)>.

Parallel hiermee is een diftongering van [u:] waar te nemen. De [u:] echter is in het Nederlandse taalgebied over de gehele linie gepalataliseerd tot [y:], behalve voor [w] en in auslaut. Alleen deze laatste gevallen komen voor diftongering tot [ou] in aanmerking. Deze diftongering wordt geacht in de tijd ver aan die van de [i:] te zijn voorafgegaan. De [y:] onderging ook een diftongeringsproces, maar het resultaat is hier [Λi] of [Λy].

De datering van de diftongering is slechts bij benadering vast te stellen. Voor de overgang van [u:] tot [ou] wordt wel de 12e eeuw aangenomen. Merkwaardig in dit verband zijn een aantal gevallen van een in het schrift zichtbare overgang van contextvrije [u:] tot [ou] in West-Vlaanderen op het einde van de 13e eeuw: hous ‘huis’, out ‘uit’, die er naast gevallen van [u:] in auslaut (iou ‘U’) en voor -w- (vrouwe, trouwe) geattesteerd zijn.

Sporen van diftongering van [i:] zijn er op het einde van de 13e eeuw niet. Wel is incidenteel waar te nemen dat de klank [ei] behalve met <ei> ook met <ii> of <ij> wordt gespeld, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat de opening van de [i:] zover was gevorderd, dat het daarmee verbonden teken ook voor de [ei]-klank kon worden gebruikt. Vast te stellen is daarnaast dat met name in suffixen bij persoons- en toenamen, maar incidenteel ook onder de hoofdtoon, de grafemen <ij> en <ei> door elkaar werden gebruikt: aleit, aliit, alijt; andreis, andrijs; euerweins, euerwijns; remeis, remijs; scandalein, scadelijn.

In de persoonsnamen bouduwen, gousuwen lijkt de laatste syllabe eerder een [e] dan een [ǝ] te bevatten. In tonische syllabe komt eenmaal voor: die dat sneet ‘snijdt’ (Diat.).

Palatalisatie

Behalve de palatalisatie van klinkers onder invloed van een palatale klank in de volgende syllabe (umlaut), is er, met name in het westen van het taalgebied, sprake van een, op het eerste gezicht, ongeconditioneerde palatalisatie, ook wel spontane palatalisatie genoemd.

Goossens (1980: 37-38) onderscheidt twee complexen: 1. algehele palatalisaties van Westgermaanse vocaalfonemen in aaneengesloten gebieden, en 2. idiosyncratische palatalisaties van Westgermaanse vocaalfonemen in telkens wisselende gebieden.

De meest aangehaalde voorbeelden hiervan zijn de zogenaamde spontane palatalisaties uit het westen van het taalgebied:

[p. 88]
1.Met [Λ] naast Nl. [o]: rucghe ‘rogge’, rummoud ‘Romboud’, up ‘op’, vul ‘vol’, vulambacht ‘vollersambacht, vunnesse ‘vonnis’ wulle ‘wol’, wulf ‘wolf’.
2.Met [̄ø] naast Nl. [o:]: suemer ‘zomer’, wuenen ‘wonen’, suene ‘zoon’, scuetele ‘schotel’, vueghelcopere ‘vogelhandelaar’; in wuensdach ‘woensdag’ met de ontronding wenesdach (Grauw 1260) lijkt eerder sprake van umlaut: *wōdines-.

Medialisering (en rekking)

Medialisering is een articulatiewijziging in de vocalen door een geringere spanning te geven. Dit leidt gewoonlijk bij de korte gesloten vocalen [i], [y] en [u] tot articulatieverlaging en bij [a] tot articulatieverhoging met palatalisatie tot [e], dan wel met ronding tot [o].

In de positie voor r

Het Middelnederlands onderscheidt zich van de Middelhoogduitse dialecten door een vrij algemene medialisering van de vocalen voor [r]. Een concomitant verschijnsel, namelijk een geringe verlenging van de vocaal, wordt zichtbaar in het feit dat de gemedialiseerde vocalen zowel met het enkele, als met het dubbele vocaalteken worden gespeld.

[i] plus r:
a.zonder volgende dentaal: berke (Hd. Birke), ke(e)rke (Hd. Kirche), in Vlaanderen ook karke, besc(h)e(e)rmen, ook bescarmen (Hd. beschirmen), werken, ook warken (Hd. wirken).
b.met volgende dentaal: herde (Hd. Hirt).
[u] plus r:
a.zonder volgende dentaal: borch (Hd. Burg), worm (Hd. Wurm); met palatalisatie ook: bu(e)rch, wurm.
b.met volgende dentaal: cort (Hd. kurz), wortel (Hd. Wurzel); met palatalisatie ook: kurt, wurtle.
[Λ] plus r:
dor (Hd. dürr), storten (Hd. stürzen), vorst (Hd. Fürst); met palatalisatie: slurpen/slorpen (Hd. schlürfen), wurgen/worgen (Hd. würgen), moref/muerf (Hd. mürbe).

Geen medialisering, maar rekking treedt uiteraard op bij de mediale vocalen [o] en [e] plus [r]:

Voor -r- plus dentaal is verlenging tot [o:], [e:] veelal standaardtalig geworden, bij e:r onder depalatalisatie tot a:r. In het Middelnederlands wordt de lengte eerder niet dan wel in het schrift aangegeven: pert ‘paard’, stert ‘staart’,

[p. 89]

swert ‘zwaard’, merte ‘maart’; mort ‘moord’, nort ‘noord’, wort ‘woord’; corn ‘koren/koorn’, dorn ‘doren/doorn’, horn ‘horen/hoorn’.

Voor andere consonanten dan dentaal na -r- is verlenging in de standaardtaal uitgebleven, bijvoorbeeld: clarc, clerc, claerc, clerec ‘klerk’, werc, weerc, warc ‘werk’; werf, warf, waref ‘werf’, erf, arf, eref ‘erf’.

Evenzo is bij [a] plus -r- plus dentaal de rekking meestal standaardtalig geworden, bijvoorbeeld: bart ‘baard’, vart ‘vaart’, gart ‘gaard’, bars ‘baars’; hiernaast is echter steeds de spelling -aers/-aert aangetroffen. Ook in leensuffixen als Ofra. -ard is de vocaal in de moderne staandaardtaal lang: blancard ‘Blankaard’, standard ‘standaard’, liart ‘appelgrauw’, vergelijk liaert, greniard, hoewel ook hier uitzonderingen zijn: hard, zwart.

In een aantal gevallen is er nog steeds aarzeling tussen een lange vocaal of een svarabhaktivocaal achter de -r-: doren/doorn, lantaren/lantaarn, parel/paarl, Jan van Scorel/Schoorl.

Voor andere consonanten

In het Middelnederlands worden daarenboven nog een aantal gevallen van medialisering, vaak, maar niet uitsluitend voor -m- en -l- en -d-, aangetroffen met een beperkte spreiding, die daardoor nooit standaardtalig zijn geworden. Enkele voorbeelden: april/aprel, bilc/belc ‘omsloten weiland’, immer/emmer ‘steeds’, rider/redder, timmer-/temmer-.

Opvallend is dat van deze woorden ook steeds een variant met ronding is opgetekend: aprul, bulc, ummer, rudder, tummer-.

3.2.2.3. Consonanten

Het Middelnederlands onderscheidt de volgende consonanten: labialen p, b, f, v; dentalen: t, d, þ?, s en z; dorsalen: k, χ, g, ɣ, h; j en w; l, r, m, n, ŋ.

Mnl. p is de voortzetring van:
1.Onl. p: Mnl. prediken; Onl. predicodon; Mnl. diepe, Onl. diopi.
2.Onl. (gegemineerde) [p:]: Mnl. druppen, Onl. druppon.
Mnl. b is de voortzetting van:
1.Onl. b: Mnl. biechte, Onl. begihte; Mnl. abolghe, Onl. abulge ‘toorn’.
2.Onl. (gegemineerde) [b:]: Mnl. hebben, Onl. hebban.
[p. 90]
Mnl. f is de voortzetting van:
1.Onl. f: Mnl. aflaet, Onl. aflati ‘aflaat’.
2.Onl. v in auslaut of als deel van een consonantcluster in auslaut; ave ‘af’ naast af; erve naast erf; ghevet naast gheeft; hervest naast herfst; slot-f wordt regelmatig niet geschreven voor [p] of [b]: halbunre, tweel pennincghe ‘twaalf penningen’.
3.Onl. (gegemineerde) [f:]: Mnl. offer, Onl. offer.
Mnl. v is de voortzetting van:
1.Onl v: Mnl. avent/avont, Onl. avont; Mnl. erve, Onl. erve; Mnl. gheve, Onl. geve; Mnl. love, Onl. love.
2.Onl. f- aan het begin van woord of syllabe: Mnl. vechten, Onl. fehton; Mnl. vele, Onl. filo, Mnl. viande, Onl. fiunda; Mnl. vruchtede, Onl. forhtida; Mnl. anevallet, Onl. anafallit.
Mnl. t is de voortzetting van:
1.Onl. t: Mnl. tebreken, Onl. tebrecan; Mnl. toverare, Onl. toufere; Mnl. scachte, Onl. scefti ‘pijlen’; Mnl. ovet, Onl. ouita ‘vruchten’.
2.Onl. d in auslaut: Mnl. wint, Onl. wind; Mnl. moet, Onl. muod; Mnl. werelt, Onl. vuerold. Overigens kende ook het Oudnederlands al auslautsverhärtung, dus muot, uuint enz.
Mnl. d is de voortzetting van:
1.Onl. ð/þ: Mnl. vader, Onl. fader; Mnl. wederstriden, Onl. uuitharstridunt; Mnl. werden, Onl. uuerthint.
2.Onl. d: Mnl. dach, Onl. dag; Mnl. dochter, Onl. dohteron.
3.Onl. gegemineerde d: Mnl. bidden, Onl. biddon; Mnl. midden, Onl. midton.

De status van een Mnl. <th> als weergave van de spirant [þ] is twijfelachtig. Hij wordt aangetroffen op een aantal in principe etymologisch juiste posities: 1. als morfeem van het part.perf.: gheseth < *gasatiþ-; gheerfth < *ga-arbiþ-; als flexiemorfeem van de 3e persoon enkelvoud: legth < *lagiþ; heeth < *χaitiþ; in de naam van de windstreek: north; wareith < *-χaið u-. Hiernaast staan - eveneens als relict - vormen met -d, ook aan het woordeinde en met name ook in de 3e persoon ev. pres. ind.: draghd ‘draagt’, weued ‘weeft’, heued ‘heeft’, nemd ‘neemt’, coemd ‘komt’. In Bernense komen een aantal gevallen voor als inethminge ‘inblazing’; nith ‘afgunst’, waar de grafie op haar plaats lijkt, maar ook gevallen waarin de -h- aan andere oorsprong moet worden toegeschreven (verthien ‘afzien van’ wethech ‘bewust, wetend’).

De klank die met <th> werd aangeduid, verliest zijn spirantisch karakter pas in de twaalfde eeuw. Het is niet duidelijk of het in bovenstaande gevallen een

[p. 91]

spellingresidu betreft, dan wel een laatste optreden van <th> als weergave van een spirant.

Met name te Oudenaarde geeft de grafeemcombinatie <th> een [s]-achtige klank weer in de gen. ev. van mannelijke en onzijdige woorden met een dentaal als slotfoneem -n, -d, -t: stembermanth ‘des-timmermans’, janth ‘jans’, lanth ‘lands’, sierth ‘des-eersts’, tvorseith ‘des-voreseids’.

 

Mnl. s is de voortzetting van:
Onl. s: Mnl. scalc, Onl. scalc ‘knecht’; Mnl. scamen, Onl. scamon; Mnl. verdelghdes ‘(je) verdelgt’, Onl. vardiligodos; Mnl. lives ‘van het leven’, Onl. liues ‘vitae’.
Mnl. z is de voortzetting van:
Onl. s: Mnl. sevenvout, Onl. siuonualdun; Mnl. sule ‘zuil’, Onl. sule ‘columna’; Mnl. wesen ‘zijn’, Onl. wesan.

N.B. Middelnederlands <s> in initio voor vocaal en -w-, intervocalisch en in de positie na -l-, -m-, -n-, -r- voor vocaal is [z]. Het teken <z> in anlaut komt vooral voor in het westen van Holland, Zeeland en Vlaanderen. Ter onderscheiding van de [s] wordt soms <ts> (in Vlaanderen), <ss> (in Brabant) of <c> voor <s> geschreven: tsaeftinghe ‘Saaftinge’, tsobout ‘Sobout’, ssegen ‘zetel’ (= Ofra. siege), ssone ‘geluid’ (= Ofra. son), ghessalueert ‘gegroet’, ghessolueert ‘betaald’, ciseine ‘halve penning’.

Mnl. k is de voortzetting van:
1.Onl. k: Mnl. coninc, Onl. kuninga; Mnl. coe, Onl. kuo; Mnl. soeken, Onl. -soukit.
2.Onl. (gegemineerde) [k:]: Mnl. bocke ‘bok’ dat.sing., Onl. buckin; Mnl. quicke ‘vee’ dat.sing., Onl. quiccafe (het tweede lid is fe < *feχu ‘vee’); Mnl. bedecken, Onl. betheckon ‘bedekken’.
3.Onl. g in auslaut na n: Mnl. dinc, Onl. thing; Mnl. sanc, Onl. sang ‘lied, gezang’.
Mnl. χ is de voortzetting van:
1.Onl. χ: Mnl. anevechten, Onl. anafehtan ‘bestrijden’.
2.Onl. (gegemineerde) [χ:]: Mnl. lachen, niet in het Onl. aangetroffen.
3.Onl. g in auslaut, behalve na n: Mnl. honich, Onl. honog; Mnl. berch, Onl. berg.
4.Onl. k na s in de verbinding sk-: Mnl. schieten, Onl. scietan ‘(met een pijl) schieten’; Mnl. scriven, Onl. scriuan Mnl. mussche, Onl. musca ‘mus’.
5.Onl. f voor t: Mnl. crachtich, Onl. creftih; Mnl. sucht, Onl. suft ‘ziekte’.
[p. 92]
Mnl. h is de voortzetting van:
Onl. h: Mnl. herte, Onl. herta; Mnl. honich, Onl. honog.
Mnl. g/gh is de voortzetting van:
1.Onl. g: Mnl. got, Onl. got; Mnl. graf, Onl. graf; Mnl. opstighen, Onl. upstigan ‘stijgen’.
2.Onl. gegemineerde g: Mnl. rucghe, Onl. ruggi, rukgi. Mogelijk werd in het vroegste Middelnederlands de oorspronkelijk gegemineerde g als [gg̵] gesproken.
Mnl. w is de voortzetting van:
Onl. w: Mnl. wech, Onl. uueg, uueh; Mnl. warheit, Onl. uuarheit; Mnl. tesuwe ‘rechter (hand)’, Onl. teseuua.
Mnl. j is de voortzetting van:
Onl. j: Mnl. jaghere, Onl. jagere; Mnl. jaer, Onl. jar.
Mnl. l is de voortzetting van:
1.Onl. l.: Mnl. slaen, Onl. slan; Mnl. ilen, Onl. ilan ‘haasten’; Mnl. lijf, Onl. lif ‘leven’.
2.Onl. gegemineerde l: Mnl. vallen, Onl. fallan ‘vallen’; Mnl. galle, Onl. galla ‘gal’.
3.Een syllabedragende l is aannemelijk in de gevallen waar de -l geminatie heeft veroorzaakt, dan wel de overgang van voorgaande s tot z heeft verhinderd.
a.geminatie: seggchel, zechel [zeχl] naast seghel, scuttel naast scotel.
b.behoud van s: waarschijnlijk steeds bij het suffix -sel < Onl. -isle: burgisli ‘graf’, mendisle ‘blijheid’; Mnl. garwsel ‘misgewaad’, mincsel ‘letsel’, gartsel.

Ook in schrijfwijzen als viertel naast viertle kan men een sonantische l vermoeden.
Mnl. r is de voortzetting van:
1.Onl. r: Mnl. raet, Onl. rat ‘raad’; Mnl. over, Onl. ovir; Mnl. offeren, Onl. offron ‘offeren’.
2.Onl. (gegemineerde) [r:]: Mnl. verre, Onl. ferro; Mnl. merren, Onl. merran ‘dralen’.
3.Een syllabedragende r is aannemelijk in gevallen met voorafgaande geminatie en in postconsonantische positie.
a.Mnl. libber/lever, acker/aker-, botter/boter.
b.Mnl. polr ‘polder’, moenstr ‘monster/munster = klooster’.

Mogelijk is reeds in een vroeg stadium de r na een lange vocaal verregaand
[p. 93]
gevocaliseerd, zodat hij alleen nog als naslag of rekking van de voorgaande vocaal gerealiseerd wordt en niet meer in het schrift wordt weergegeven: voeghenoemden, vo(e)seid, vozeit ‘voornoemd’, ze tugulouet = te Tugelo wert ‘in de richting van Teugelen’; ook bij persoonsnamen: bernad, gerad, everaddus.
Mnl. m is de voortzetting van:
1.Onl. m: Mnl. man, Onl. man; Mnl. mont, Onl. munt; Mnl. name, Onl. namo.
2.Onl. (gegemineerde) [m:]: stemme, Onl. stemma, stimma ‘stem’.
3.Onl.-Mnl. -mb-: Mnl. wamme, Onl. uuamba ‘buik’; Mnl. crommen, Onl. crumban ‘buigen’.
4.Een syllabedragende m is aannemelijk in gevallen met voorafgaande geminatie: Mnl. bessem/besem ‘bezem’.
Mnl. n is de voortzetting van:
1.Onl. n: Mnl. man, Onl. man; Mnl. mont, Onl. munt; Mnl. name, Onl. namo; Mnl. sneeu, Onl. sneo.
2.Onl. gegemineerde n: Mnl. kennen, Onl. kennan; Mnl. beghinnen, Onl. beginnan.
3.Een syllabedragende n is aannemelijk in gevallen van voorafgaande geminatie en in postconsonantische positie:
a.Mnl. oppenbaer ‘openbaar’, sc(h)eppen ‘schepen’.
b.Mnl. ghevaln, segheln, scuteln.
Mnl. ŋ is de voortzetting van Onl. ŋ:
De ŋ is een combinatorische variant van [n], namelijk voor [g] of [k].
Mnl. bevinghe, Onl. biuonga; Mnl. drinken, Onl. drincan; Mnl. coninc, Onl. kuninga.
Een enkele maal wordt Mnl. <ngk> gespeld: bedangken (Reg. Guid.). De occlusie van auslautend [g] na [n] verdwijnt in de jongere taal, eerst in inlaut, tenslotte ook in auslaut.
Zij blijft in een aantal gevallen voor sonant of liquida: Nnl. koninklijk, ontvankelijk.

Regionale fonemen

Limburg: affrikaten in de gebieden met klankverschuiving.

De voorbeelden stammen uit Oudenb.:

 

<c> = [ts] in: ce ‘te’: af ende ane ce gone ende satte ons (...) ce pligte (Oudenb. 204, 30-31); ce cense (Oudenb. 212, 09 en 14).

[p. 94]

<z> = [ts] in: ze ‘te’: ze Tugulouet ‘te Teugelen we(r)t = in de richting van Teugelen’; Zulpge ‘Zülpich (< *Tolbiacum)’: bruder Johan van Zulpge (Oudenb. 236, 17).

 

<ch> = /(k)χ/ in:

1.ich ‘ik’, och, ouch ‘ook’, bruch ‘broek’.
2.Mogelijk ook in: bruder Johan van Tsulpch (< *Tolbiacum), vergelijk ook Bruder Johan van Sulps (Oudenb. 207), wat zou kunnen wijzen op een sterk palatale uitspraak van de [χ] die de [š] nadert.
3.mogelijk in: kerchof, kirchof ‘kerkhof’.
4.in het suffix -lijc: igelich ‘ieghelijc’, vergelijk Hd. jeglich.

<g> = /(k)χ/of /(g)g̵/ in:

1.diminutiva: ueltgen ‘veldje’, petgin ‘paadje’, Weulfgin ‘Wolfje (toenaam)’.
2.plaatsnamen: Lutge ‘Luik’, Sasenbrog ‘Sassenbroek’.
3.persoonnamen: Lodewig.
4.in: ig ‘ik’, og ‘ook’.

Brabant: geassibileerde varianten van [s] en [z].

<ch> = [š]: derchere d.i. dersere ‘dorser’, chertoghen d.i. des-hertoghen ‘van de hertog’, cher d.i. des-her(en), bruselcher ‘Brusselse’ (Brussel 1277), quetchen ‘kwetsen’.
<g(h)> = [Ž]: wiginga lett.: wijzing, dit wil zeggen ‘uitspraak, vonnis’ (Mechelen 1292); verder jaghdenge d.i. jaghden-se ‘joegen haar’; bondenge d.i. bonden-se; vuerdeghe d.i. voerden-se, sachmenghe ‘zag men ze’. Daarnaast werd in de nom. plur. aangetroffen: so vlouwenghe gemene ‘toen vluchtten ze allemaal weg’. Alleen in de Kerstine aangetroffen bij enclitisch -se.

3.2.2.4. Leenfonemen

Een uitputtende beschrijving valt vooralsnog niet te leveren, maar aangetroffen zijn [t∫], [∫] en [dŽ], naast de gemouilleerde fonemen [ɲ] en [ļ].

Ofra. [t∫]

Mnl. <ts>, <tc>, <ch>, <c>, <s>, <sc>, <sch> geven (de opvolgers van) de Oudfranse (Oudpicardische) affrikaat [t∫] weer:

a.Voor e en i:
1.ts: tsimadze (Ofra. cymage ‘kroonlijst’); tsincsene(Ofra. Chinqueme ‘Pinksteren’ (FEW, afland. 1282)).
[p. 95]
2.tc: tcissen (vergelijk Lat. cessare ‘ophouden’); tcssinge (vergelijk Lat. cessatio ‘schorsing, opschorting, verlet’).
3.ch: chesseren (Ofra. cesser ‘ophouden’); chencsendaghe ‘pinksterdag’; cheua(u)chie ‘heerdienst’.
4.c: cesseren ‘ophouden’; cinxenen ‘Pinksteren’.
5.s: sesseren ‘cesser’; sense ‘cijns’.
6.sc: scense ‘cijns’.
7.sch: schincsenen ‘Pinksteren’; schense ‘cijns’.

Opmerking 1: Het grafeem <c> komt voor als (jongere?) weergave van [ts] < Ofra. -ce < Lat. *-icem: pumce (Ofra. ponce < Lat. pumicem ‘puimsteen’); runce (Ofra. ronce ‘braam(struik)’ < Lat. rumicem); scorce (Ofra. escorce < Mlat. excortice(m) ‘schors, huid’), ofwel als weergave van [ts] < Ofra. -ce < Lat. -cial-tia: penitence (Ofra. penitance < Lat. penitentia); unce ‘zeker gewicht’ (Ofra. once< Lat uncia); kouce ‘beenbedekking’ (< Opic. caus, Ofra. chaus < Lat. calcia).
Opmerking 2: Naast -ce wordt bij de notering van de opvolgers van Lat. -cia/-tia ook -che aangetroffen: ordinanche ‘opdracht’; sustinanche ‘onderhoud’.
a.Voor a:
1.ts: tsartere (Ofra. chartre ‘charter’); tsampenois ‘Champagnois’.
2.ch: cha(e)rtre ‘chartre’; charnatie (Ofra. charnaison ‘vleeswording’).
3.s: saertre ‘chartre’; saertruysen ‘Chartreuse’; sampenois ‘Champagnois’.
4.sc: scaertre ‘chartre’.

Ofra. [dž]

Mnl. <dz>, <ds>, <ts>, <dg>, <tg>, <g> geven de opvolgers van Oudfrans (Oudpicardisch) [dž] weer:

1.dz: tsimadze (Ofra. cymage ‘kroonlijst’); vzadze (Ofra. usage ‘gebruik’); coquinaedze (Ofra. *coquinage ‘bedelarij?’).
2.ds: peilghermaedse ‘pelgrimage’; usaedse (Ofra. usage ‘gebruik’).
3.ts: vsaetse ‘gebruik’.
4.dg: lodgieren ‘kamperen, overnachten’; bedgine ‘begijnen’, hoewel mouillering bij dit woord uitzonderlijk is.
5.tg: aetge (Ofra. age ‘leeftijd’).
6.g: usage ‘gebruik’; lestage ‘droit payé pour le poids’, priuileige ‘recht, privilege’.
7.na <n> staan <gi> en <ti>: pungiant, puntianz ‘gevecht’.
[p. 96]

Ofra. [ļ]

Mnl. <lg>, <ll> evt. voorafgegaan (en gevolgd) door <i>, geeft: de Oudfranse gemouilleerde [l] weer:

1.lg: sparmalge ‘(e)spargne-maille; zinwoord: spaar-de-penning’; baelge ‘balie’; busscaelge ‘bos’.
2.ilg: bailge ‘balie’; rabailge ‘roof?’; sparmailge, tailge ‘belasting’.
3.ilgi: bailgie ‘balie’.
4.lgi: fulgie ‘foelie’.
5.ill: robaille ‘roof?’; raspaille ‘Raspalje (plaats te Onkerzele)’.
6.illi: taillie ‘belasting’; vitaillie ‘levensmiddelen’.

Ofra. [ɲ]

Mnl. <gn>, <ng>, <ngn>, evt. voorafgegaan (en gevolgd) door een <i>, geeft de Oudfranse gemouilleerde [n] weer:

1.gn: kalegne ‘claim, vordering’; benigne (Ofra. Bénigne, vrouwelijke persoonsnaam).
2.ign: alemaigne ‘Allemagne’; calaigne ‘claim, vordering’.
3.ng: calange; araenge ‘oranje’; mortaenge ‘Mortaigne (heerlijkheid bij Ardooie)’; ronge ‘schurft’.
4.ngn: calenge ‘vordering, claim’; beningnen (Ofra. Bénigne).
5.ngi: calangie ‘vordering, claim’.
6.ing: besoinge ‘zaak, aangelegenheid’.

Ook komt <ni> = <nj>? voor:

7.ni: castanie ‘kastanje’.

3.2.2.5. Diverse verschijnselen

Meer algemene fonische ontwikkelingen

Tegenover de aangrenzende Middelhoogduitse tongvallen onderscheiden de Middelnederlandse zich door een aantal typische al dan niet contextvrije ontwikkelingen van bepaalde consonantcombinaties.

Wgerm. [χs] wordt Mnl. -ss-, tegenover [ks] in Duits en Engels:

Vergelijk de Middelnederlandse (en eventueel Onl. vormen) met, in voorkomend geval, respectievelijk Duits en Engels: as ‘as’ (Hd. Achse, Eng. ax); assele ‘schouder’ (Hd. Achsel); busse ‘bus’ (Hd. Büchse, Eng. box); das ‘das (dier)’ (Hd. Dachs); eghedisse ‘hagedis’ (Hd. Eidechse); los ‘lynx’ (Hd. Luchs); osse ‘os’, Onl. ohsson ‘ossen’ (Hd. Ochse, Eng. ox); sasse ‘Saks’, (Hd. Sachse, Eng. saxe); ses(se) ‘zes’ (Hd. sechs, Eng. six); vlas ‘vlas’ (Hd. Flachs, Eng. flax); vos ‘vos’, Onl. uusso ‘van de vossen’ (Hd. Fuchs, Eng. fox); was ‘was’, Onl. wahs ‘was’ (Hd. Wachs, Eng. wax); wassen

[p. 97]

‘groeien’, Onl. wahsan ‘groeien’ (Hd. Wachsen); wisselen ‘ruilen’, (Hd. wechseln), Onl. wihsil ‘wisseling’.

Wgerm. [sk] in initio wordt Mnl. sc(h)-, tegenover een verdere ontwikkeling tot [š] in Duits en Engels:

Vergelijk nog scade, scaep, scalc, scamel naast reeds schade, schaep, schalc, schamel.

Opgemerkt moet worden dat een spelling sc- niet steeds [sχ] representeert. In (vooral oudere) teksten treft men nog aan: sclaen, sclicht, scloete voor slaen, slicht, sloot. Spelling van sc-voor andere consonanten is zeldzaam: scmalle ‘smalle’ (Brugge), clais die scmit ‘smid’ (Reg. Guid., Utrecht 1310), scnide ‘snijde’ (Calais).

Ook komt deze spelling voor bij de combinatie [s] plus [χ] uit [g] door assimilatie: scraven = des graven ‘van de graaf’.

Dialectisch gaat ook in het Nederlands sk- over tot [š]. Waarschijnlijk een van de oudste voorbeelden hiervan is te vinden in Oudenb.: besriuen ‘beschrijven’ (232,03), besreuen (238,04), bissreuen (231,02 en 04), tenminste, indien dit werkelijk -[šr]