Het is algemeen bekend dat één van de belangrijke factoren in de standaardisering van het Nederlands (en uiteraard ook van andere talen) de uitvinding en verbreiding van de boekdrukkunst is geweest. Het aspect dat daarbij meestal als het belangrijkste naar voren wordt geschoven (cf. Weijnen 1974) is dat het gedrukte boek veel meer mensen dan voorheen met geschreven Nederlands in aanraking brengt en ook teksten uit een bepaald gebied onder de ogen brengt van Nederlandstaligen uit andere (dialect)gebieden. Dat heeft directe consequenties (waar veel aandacht naar is uitgegaan), te weten toenemend taalcontact en een sterk stijgende bewustwording van de (vooral geografische) variatie binnen de taal. Het heeft ook indirecte consequenties (waar minder systematisch onderzoek naar is verricht), te weten dat drukkers en uitgevers vooraf (als het ware profylactisch) ingrepen, met andere woorden door uniformering probeerden hun afzetgebied te vergroten, dus
om (vooral) commerciële redenen probeerden hun product voor een zo groot mogelijk publiek toegankelijk te maken.22
Aan de hand van een, voor onderhavige uiteenzetting relevant voorbeeld, wil ik op het standaardiseringsbevorderende karakter van deze praktijk nader ingaan.
Mak (1955) is een uitgave van gedichten van de Brugse rederijker Anthonis de Roovere. Zijn voornaamste bron was het zeldzaam geworden boekje Rhetoricaele Wercken van Anthonis de Roovere Brugghelinck Vlaemsch Doctoor ende gheestich Poete...’, een bloemlezing verzameld door De Rooveres 16e-eeuwse stadsgenoot en broeder in de kunst Eduwaerdt de Dene en anno 1562 door Jan van Ghelen in Antwerpen gedrukt.
Over de taal van de door hem geëditeerde gedichten wil Mak slechts één zinnetje kwijt.
‘Het westvlaams is - voorzover dit mogelijk was en verwacht kon worden in litteraire teksten, die bovendien voor het grootste gedeelte slechts in gedrukte vorm tot ons zijn gekomen - goed bewaard.’ (Mak 1955: 20)
Deze uitspraak geeft de realiteit niet weer. Niet alleen is het Westvlaams niet ‘goed bewaard’, maar bovendien is ook het uitgangspunt onterecht. Zoals ik vroeger al heb aangetoond (Willemyns 1971), mocht men in literaire Brugse teksten uit de 15e en 16e eeuw nog veel meer dan in andere, ook ambtelijke, verwachten dat de streektaal uitstekend werd overgeleverd. Een vergelijking met andere handschriften van De Roovere zal leren dat in de Rhetoricaele Wercken van de voorafgaande Westvlaamse redactie veel minder is bewaard gebleven dan Maks uitspraak laat vermoeden.
De tekstoverlevering is ongeveer als volgt:
| a. | De Rooveres oorspronkelijke tekst; |
| b. | een manuscript van een onbekende Brugse poorter, waarvan De Dene zegt dat hij ‘vele van zyne (= De Rooveres) wercken om wtscrijven van hem gheleent creech’ en dat de directe bron is van: |
| c. | de Rhetoricaele Wercken in de redactie De Dene; |
| d. | de gedrukte tekst van Jan van Ghelen (1562). |
Alleen de laatste tekst staat ons ter beschikking. Verschillen tussen a. en d. kunnen theoretisch het gevolg zijn van een ingrijpen (c.q. fouten) van bovengenoemden.
Om een en ander uit te maken hebben we een beroep gedaan op enkele andere bronnen van De Rooveres werken. Drie belangrijke tekstbronnen, te weten Hs.
Stijevoort (Lyna & Van Eeghem z.j. [1930]), Hs. Michiels (KB 's-Gravenhage # 71 E 57) en Hs. Bijns (KB Brussel # 19547) komen niet in aanmerking, omdat ze niet Westvlaams zijn. Wel belangrijk zijn vooral Hs. KB Brussel # II, 270, Hs. Everaert (Uitgave Muller & Scharpé 1920) waarin het spel Quiconque vult salvus esse van De Roovere is opgenomen en Hs. Kathedraal Brugge (beschreven in Mak 1955: 37). In deze drie bronnen komen teksten voor die ook in Rhetoricaele Wercken zijn afgedrukt.
Op grond van tien geselecteerde taalkenmerken die typische eigenaardigheden van het Brugs representeren (Willemyns 1967) heb ik de taal van Rhetoricaele Wercken met die uit de andere bronnen vergeleken. Telkens weer blijkt overduidelijk dat de taal van de drie genoemde bronnen overtuigend Westvlaams is, terwijl in de meeste gevallen die kenmerken in de gedrukte versie door ‘niet-westelijke’ vormen werden vervangen. De vraag is dus: wie heeft met De Rooveres teksten geknoeid? Theoretisch zijn er drie ‘verdachten’: de onbekende Brugse poorter en/of De Dene en/of drukker Van Ghelen.
De eerste en de tweede mogen we bijna zeker vrijpleiten:
| - | Waarom zou een Brugse poorter het werk van een stadsgenoot, dat hij voor eigen gebruik kopieerde, in Brabantse of meer algemene zin wijzigen? Bij gebrek aan een motief is de uitspraak: niet schuldig. Overigens is er één gedicht dat niet uit het manuscript van die poorter komt en waarin we identieke taalveranderingen vinden. |
| - | De Dene heeft al evenmin een motief. Bovendien pleit voor hem dat hij in zijn eigen geschriften (bijvoorbeeld zijn Testament Rhetoricael; Waterschoot & Coigneau 1975-1979) heel consequent Westvlaamse vormen gebruikt en nergens probeert een meer algemene taal te schrijven (Willemyns 1971). Bekijkt men echter van zijn Warachtighe Fabulen der Dieren , de in 1567 door Pieter de Clerck in Brugge gemaakte druk, dan komen daar veel minder zuiver Westvlaamse vormen in voor. Dit wijst ons de richting voor het vinden van de echte schuldige: |
| - | De drukker Jan van Ghelen die, zoals in die tijd gebruikelijk (zie ook De Vriendt-De Man 1958: 13-15), er zeker geen graten in zal hebben gezien de hem toevertrouwde teksten aan zijn vermeend koperspubliek aan te passen. |
Enkele voorbeelden van ‘aanpassingen’; in de tweede kolom staan vormen die uit Van Ghelens gedrukte boek zijn overgenomen, in de eerste kolom dezelfde woorden, zoals ze voorkomen in een van de drie bovengenoemde handschriften:23
| De Roovere | Druk Van Ghelen | |
|---|---|---|
| 1. | almueghende | almoghende |
| tsuens | tsoons | |
| duer | door | |
| ieudscher | Joodtscher | |
| cuenynck | coninck | |
| 2. | vul | vol |
| up | op | |
| 3. | stick | stuck |
| pit | put | |
| 4. | helighe | heylighe |
| hende | eynde | |
| verscheeden | verscheyden | |
| beede | beyden | |
| 5. | hu | u |
| hoogheblic | ooghenblick | |
| indert | hindert | |
| oe | hoe | |
| 6. | roupender | roepender |
| coucxkin | coecxken | |
| souckt | soect | |
| 7. | aenscauwen | aenscouwen |
| trauwe | trouwe | |
| 8. | met | mit |
| mesdaden | misdaden | |
| es | is | |
| selver | silver | |
| 9. | bringhen | brenghen |
| inghels | Enghels | |
| 10. | spreict | spreect |
| gheift | gheeft | |
| breict | breeckt | |
| verveilde | verveelde |
Er kan dus geen twijfel over bestaan dat De Rooveres tekst in de drukkerij van Jan van Ghelen een zorgvuldige aanpassing heeft ondergaan. Interessant is vooral, dat men wel Westvlaamse taalkenmerken heeft weggeschminckt, maar dat er geen andere ‘provincialismen’ in de plaats zijn gekomen. Typische brabantismen werden net zo goed gemeden en, met uitzondering van mit onder 8, komen alle vormen uit de tweede kolom (van de spelling afgezien) met het huidige Standaardnederlands overeen. Dat Van Ghelens boek uiteraard jonger is dan de Vorlage verklaart het verdwijnen van Westvlaamse vormen niet, want uit Willemyns (1971: 17-18) kan men afleiden dat er ‘in Brugge nog op dezelfde manier geschreven werd als in De Rooveres tijd en alle opgesomde kenmerken ook toen nog tot de Brugse schrijftaal behoorden’.
Dit brengt ons bij één van de problemen die de analyse van taalgebruik op grond van (vooral) schriftelijke bronnen aanzienlijk bemoeilijken, namelijk de relatie tussen de geschreven (en/of gedrukte) tekst en het gesproken woord, waarvan de tekst de al dan niet zo getrouw mogelijke weergave probeert te zijn. Vast staat dat de Middelvlaamse scribent een taal schreef die afweek van de taal die hij sprak. Waarom voelde hij zich genoopt een bepaald taalsegment (wij zullen het hier over klanken hebben) anders voor te stellen dan hij het sprak, dan hij zou gedaan hebben indien het zijn bedoeling was geweest ‘zuiver’ dialect te schrijven. Gevallen van spellingonzekerheid of -inconsequentie worden hier buiten beschouwing gelaten. Wat ik bedoel is dus bijvoorbeeld: waarom schrijft een scribent ‘al’, hoewel hij ‘ol’ spreekt, terwijl hij nooit ‘tat’ schrijft, omdat hij ‘tot’ spreekt?
Een van de klassieke antwoorden is ‘cultuurinvloed’. Meestal bedoelt men daarmee een van volgende verschijnselen (Willemyns 1968):
| - | Het overnemen van een vorm uit een gebied dat als cultureel, politiek, economisch enzovoort hoogstaander wordt beschouwd en waarvan men dus de ‘autoriteit’ overneemt; bijvoorbeeld een Brabander in de 13e-14e sprak ‘gruen’, maar schreef ‘groen’, omdat zulks in Vlaamse teksten gebruikelijk was (Van Loey 1937). |
| - | Het vermijden van bepaalde klanken of uitdrukkingen waarvan de auteur kennelijk meent dat ze ongepast zijn; bijvoorbeeld ‘coninck’ in plaats van ‘cueninck’.24 |
| - | Invloed van schrijftradities, waardoor een ‘nieuw’ taalverschijnsel als zodanig niet kan worden herkend, omdat de ‘vroegere’ spelling wordt behouden; bijvoorbeeld men schrijft ‘vloyen’, hoewel men [vlujǝn] bedoelt. |
| - | Het bewust vermijden van provincialismen, omdat men een meng- of eenheidstaal wil schrijven, het streven dus naar een algemenere (schrijf) taal. |
Theoretisch kunnen deze verschijnselen elk afzonderlijk of gecombineerd optreden. In de praktijk hebben we met een continuüm te maken, waarvan de twee uiterste polen als volgt kunnen worden voorgesteld:
| - | ‘... elders is reeds vastgesteld, dat wanneer een taal als schrijftaal begint op te komen, er tegelijkertijd een soort van stilzwijgende overeenkomst aangaande de orthographie ontstaat, bij zooverre dat een klank die in het hoofddialect phonetisch juist wordt voorgesteld, elders, alhoewel gewijzigd in de uitspraak, toch door diezelfde symbolen wordt voorgesteld’ (Jacobs 1911: xlvj). |
| - | ‘Onder de dialectische eigenaardigheden hier behandeld werd door geen enkele scribent afstand gedaan van...’, schrijft Van Haverbeke (1955: 93) en dan volgt een reeks typisch Brugse vormen die inderdaad bij geen enkele scribent ontbreken. |
En inderdaad, beide uitspraken zijn terecht: dat er, ondanks grote uitspraakverschillen, toch een relatief grote spellingovereenkomst bestaat, staat evenzeer vast als het feit dat vele scribenten geen afstand deden van vele typische kenmerken eigen aan hun dialect.
Ik bespreek nu kort enkele voorbeelden van wat allicht als ‘cultuurinvloed’ kan worden beschouwd.
| a. | Een van de kenmerken van een deel van het Westvlaams (met name ook van het Brugs) is de overgang a > o voor l, zoals in bijvoorbeeld ol(les) ‘al(les)’, vollen ‘vallen’ enzovoort. In Brugse teksten uit de 15e en 16e eeuw hebben we dergelijke spellingen nooit gevonden (Willemyns 1971: 257-262). Toch verwachtten we die, want voordien waren ze er wel (cf. olla in het zinnetje van Sisam; o-vormen bij Van Haverbeke (1955: 50-51) vanaf 1263) en ook in het huidige dialect zijn ze er nog altijd (zie kaart Willemyns 1971: 258).25 Het is |
| niet aan
te nemen dat die ontwikkeling na de 13e eeuw zou zijn opgehouden om dan
in onze tijd weer op te duiken. Een kort materiaaloverzicht:
|
|||||||||||||||
| b. | Een al even intrigerend geval is de ontwikkeling van de Ogm. ü:
|
|
|
|||||||
| c. | Wat scribenten in hun taal nog allemaal achterwege lieten, daarvan
wordt een tipje van de sluier opgelicht door het aandachtig lezen van de
teksten van de 16e-eeuwse Brugse ambachtsman W. Weydts.
|
|
|