|
|
|
| |
4.5. Een foneemsysteem voor het Laatmiddelnederlands
4.5.1. Inleiding
Vele structurele klankgeschiedenissen bieden de lezer gestructureerde
foneemsystemen aan, zelfs wanneer perioden behandeld worden waarvan de taal ons
slechts door reconstructie bekend is.
Goossens (1974) illustreert dat het - naar de huidige
stand van het diachronische onderzoek - nog niet mogelijk is om een exacte,
structurele beschrijving van het foneemsysteem van hét Middelnederlands te geven
en wel niet enkel omdat hét Midddelnederlands niet bestaat. Ook wanneer men het
‘slechts’ over het systeem van één Middelnederlandse dialect(engroep) wil
hebben, rijzen er nog heel wat methodologische en praktische problemen. Toch
heeft de praktijk bewezen dat over de foneemstructuur van Middelnederlandse
dialecten wel zinnige dingen kunnen worden gezegd. Ik wil echter met stelligheid
een voorbehoud herhalen, dat ik al in Willemyns (1976) heb geformuleerd, te
weten ‘dat men het huidige dialect moet kennen om over de voorstadia ervan
zinnige dingen te zeggen’.
Op grond van het materiaal waarover we beschikken en van de gebruikelijke | | | | methodologie en technieken kan men bijvoorbeeld van het
Laatmiddelbrugs een foneemsysteem opstellen waar maar weinig twijfelgevallen
overblijven. In principe kan men dat voor elk gebied met een voldoende
tekstoverlevering, dat wil zeggen eigenlijk voor zo goed als elk
Laatmiddelnederlands dialect; alleen is het nog vrij zelden gebeurd. Omdat het
niet de bedoeling van de auteurs van een taalgeschiedenis kan zijn dat soort
vooronderzoek zelf te verrichten - en op grond van het in de vorige alinea
geformuleerde voorbehoud - moeten we ons hier met een paar voorbeelden tevreden
stellen.
| |
4.5.2. Voorbeschouwingen
Een vergelijking tussen bijvoorbeeld Brugge en Oudenaarde leert hoe er
substantiële, dat wil zeggen structureel relevante verschillen voor kunnen
komen tussen schrijfdialecten die tot hetzelfde dialectgebied worden
gerekend, onder meer op grond van de invloed van het Brabants. Hoebeke (1968) toont Brabantse invloed zowel in de
ontwikkeling van het vocalisme als van het consonantisme aan:
‘Herhaaldelijk verschijnt het Oudenaardse als een grensgebied
tussen Westvlaamse en Brabantse dialektkenmerken... Daarbij bleek het ook,
dat de ‘stad’ Oudenaarde nog het meest aan Brabantse kant heeft gestaan:
zelfs worden autochtone westelijke verschijnselen te Oudenaarde door
Brabants gerichte vervangen.’ (Hoebeke 1968: 615)
Oudenaarde blijkt overigens met alleen receptief, maar ook expansief te zijn
geweest: het heeft heel wat oostelijke kenmerken niet alleen overgenomen,
maar nadien zelfs verder naar het westen doorgestuurd.
Het is dus gevaarlijk zonder degelijke voorstudies geografische deelsystemen
te gaan beschrijven, laat staan een foneemsysteem van hét Middelnederlands
op te stellen. Gaat men anderzijds niet op details in34, dan is het resultaat een
soort modelsysteem dat zo algemeen is, dat het voor tientallen (en allicht
zelfs voor honderdtallen) talen en dialecten dienst kan doen.
Men houdt er vaak weinig rekening mee dat ook vroegere taalfazen
communicatiesystemen voor bepaalde groepen waren en die waren, net als nu,
zoals Marchand (1973: 127) terecht opmerkt ‘social, racial, generation
oriented, job oriented, religious, or conditioned by any number of factors
which affect group behavior’. Hun belangrijkste eigenschap is dat zij ‘offer
other dimensions to lan- | | | | guage which cut through those of time
and space’ (ib.). Zoals onder meer Weinreich, Labov & Herzog (1968)
aangetoond hebben, is het zo dat de factoren die vandaag taalverandering
veroorzaken, dat ook vroeger hebben gedaan en waar hedendaagse linguïsten
heel veel aandacht schenken aan het eerste, wordt het al te vaak
verwaarloosd in het laatste geval.
Het probleem is natuurlijk dat over het bestaan van sociale taallagen, dat
ons uit de sociolinguïstische onderzoekingen van hedendaagse dialecten
bekend is, veel minder bekend is waar het vroegere perioden betreft. Toch
zijn er natuurlijk bruikbare aanwijzingen. In mijn studie over het
Laatmiddelbrugs (Willemyns 1971) ben ik op drie geledingen gestoten die
facetten van sociale taalgeleding weerspiegelen:
| a. | De taal van ambtelijke stukken waarin weliswaar geen echte pogingen
worden gedaan om een meer algemene taal te schrijven, maar die toch te
stereotiep en te statisch is om alle ontwikkelingen van de taal, zoals
die door het volk werd gesproken, nauwkeurig weer te geven. |
| b. | De taal van de rederijkersspelen van onder meer Cornelis Everaert, die een hoge mate van dialecticiteit
bezitten, vermoedelijk omdat ze direct op het bewustzijn van de Brugse
toeschouwer in willen werken. |
| c. | Het Brugse ‘plat’, de taal van de gewone man in de straat, zoals die
ons enigszins is overgeleverd in bijvoorbeeld de geschriften van Willem Weydts. |
In geen enkele van de handboeken wordt, naar aanleiding van de systematische
beschrijving van klanksystemen of -ontwikkelingen, rekening gehouden met een
onderscheid tussen Vroeg- en Laatmiddelnederlands. Dat maakt het werk van de
twee auteurs over het Middelnederlands in onderhavig boek er natuurlijk niet
eenvoudiger op en houdt impliciet in dat de specialisten in kwestie die
indeling eigenlijk niet relevant vinden. Na de nu volgende bespreking van
het Middelnederlandse foneemsysteem zal ik daar verder op ingaan.
| |
4.5.3. Foneemsystemen in forma
De enigen die zich aan de opstelling van een vocaalfonemensysteem in forma hebben gewaagd zijn Van
Loey (1970) en Goossens (1974), de tweede
overigens zonder zijn systeem expliciet met dat van de eerste te
vergelijken, ook al beweren beiden een zuidwestelijk systeem te
beschrijven.
| |
| | | |
4.5.3.1. Goossens (1974)
In Goossens (1974: 40vv) vinden we onder ‘Das mnl.
Vokalsystem’ het volgende schema:
| | | |
Lange vocalen en diftongen
| i |
|
|
[ü] |
|
|
ie |
[üe] |
oe |
| |
ê |
|
|
|
ô |
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
ei |
öü |
ou |
| |
|
ē |
ö |
ō |
|
|
|
|
| |
|
|
a |
|
|
|
|
|
Als ‘voorbeeldwoorden’ voor dit systeem geeft Goossens35 op: i (rike), ü (suur, vuul), e (een), o (root), e (eten), ö (dore), o (sone), a (vader), ie (kiesen, vieren), oe (broeder, boec), ei (geit),
ou (sout).
Goossens' commentaar hierbij luidt, samengevat, als volgt:
| a. | Over de precieze klankwaarde kan niets met zekerheid worden
gezegd. |
| b. | Het staat vast dat zowel in het korte als in het lange systeem de
plaats van de velair in de gesloten rij niet bezet was. |
| c. | Het korte systeem is drietrappig, het lange viertrappig (het heeft
dus een trap meer dan het Onl. lange systeem). Het is echter
mogelijk dat ē en ê, ō en ô zich niet door de openingsgraad onderscheiden,
maar door de tegenstelling monoftongisch versus diftongisch; ē en ō werden wellicht als e + ǝ, o + ǝ gerealiseerd en ê en ô als lange monoftongen. |
| | | |
| d. | Daar staat tegeaover dat het diftongisch karakter van ie, [yǝ] en oe niet vaststaat:
| - | ie opponeerde zeker met i, |
| - | yǝ en y waren complementair verdeeld, |
| - | het is onwaarschijnlijk dat oe het lege
vakje opvulde. |
|
Over de basis waarop dat systeem is opgebouwd lezen we het volgende:
‘Wir wählen für unsere Zwecke ein System das sich - von
kleineren Abweichungen abgesehen - in zahlreichen literarischen Texten
aus dem Westen des Sprachgebiets findet. Zu Hause ist es vor allem im
Südholländischen Bereich, doch weichen flämisch-seeländische Texte von
ihm nur verhältnismäßig geringfügig ab.’ (Goossens 1974: 19)
Enige toelichting over die talrijke (vooral) Zuidhollandse teksten zou
wel op zijn plaats zijn geweest, maar is er niet. Dat is des te meer
jammer, omdat een vergelijking met het Laatmiddelbrugse systeem
verschillen aan het licht brengt die allesbehalve ‘verhältnismäßig
geringfügig’ zijn:
| a. | Een eerste precair probleem is dat van de gesloten rij, die
problematisch was (en nog is). We weten dat y was
ontstaan door palatalisering van Ogm. u en dat de
plaats van de u daardoor uiteraard vrij kwam. Daar
de rekking in open syllabe van Ogm. ŭ een o opleverde, werd het lege vakje ook daardoor niet
opgevuld, De ie was uit io, de
oe uit ou ontstaan. De i was de normale voortzetting van Onl. i. De ontwikkeling in het zuidwesten (onder meer
Brugge) kan men echter heel anders zien:
| - | De Onl. lange i en y
werden verkort (wanneer precies weten we niet). Men kan dus
beide fonemen naar de korte rij laten verhuizen.36 Hun
plaats werd ingenomen door de zogenaamde diftong ie, de plaats van de geronde palataal
bleef echter open. De oe (/u/) kwam op de
plaats van de gesloten velair. Een korte /u/ ontstond echter
enerzijds uit al, ol + dentaal (oud, goud; [ut], [gut] uitgesproken),
anderzijds uit Wgm. ō voor velair (bouck, douck enzovoort). Daar de lange /u/
slechts voor dentaal voorkwam (bloed, voet
enzovoort) zou er tussen die laatste twee een comple- |
|
| | | |
|
| mentaire verdeling bestaan hebben, die echter
werd verbroken door de [u] uit al, ol +
dentaal. Het resultaat van dit alles zou dan een 16e-eeuwse
gesloten rij zijn die er als volgt uitziet: i y u ī ū
|
| De opvulling van het /u/-vak door de splitsing van Ogm.
ō naargelang van de omgeving komt zo
mooi uit, dat men in een taalteleologisch raam die
systeemdwang zelfs als oorzaak van die splitsing voor zou
kunnen stellen. Alleen is dan natuurlijk de vraag waarom dit
niet is gebeurd in andere dialecten waar ook zo'n ‘hole in
the pattern’ bestond. In Oudenaarde zou men, volgens Hoebeke
(1968: 394-401), die ‘Westvlaamse’ oppositie wel hebben
gekend, maar later weer opgegeven. Vanaf ± 1450 worden oe en ou in alle
posities door elkaar gebruikt, op grond van een andere
oppositie en zelfs een andere uitspraak dan in het
Westvlaams. |
|
| b. | Vragen kan men ook stellen bij de opvatting dat de zachtlange e en ō een grotere openingsgraad
hebben dan de scherplange. In iedere uiteenzetting over westelijke
vocaalsystemen kan men namelijk - en mijns inziens terecht - precies
het omgekeerde lezen (ook bijvoorbeeld bij Van Haverbeke (1955) op
grond van 13e-eeuws Brugs materiaal en in het hieronder weergegeven
systeem van Van Loey). Het is op zijn minst vreemd, dat Goossens er
niet bij vertelt hoe hij tot die afwijkende opinie is
gekomen. |
| |
4.5.3.2. Van Loey (1970)
Van Loey (1970: § 85) presenteert een systeem ‘dat
we onder alle voorbehoud voor het zuidelijke Westmiddelnederlands mogen
onderstellen’:
| | | |
Lange vocalen
| î (wijn) |
|
|
uu (huus) |
|
|
oe /u:/ (broeder) |
| |
ē (eten) |
|
eu (heuvel) |
|
ō (genomen) |
|
| |
|
ê (steen) |
|
ô (lopen) |
|
|
| |
|
a |
|
|
|
|
| | | |
Van Loeys commentaar daarbij luidt:
| - | het blijft onzeker of de ie in lief al dan niet diftongisch was, evenzo de umlaut-uu (gruun § 41); |
| - | onzeker is ook of een oudere oppositie ie /i/
(lief): i /i:/ (lijf)
overging in een oppositie lief/i:/: lijf/ei/ (§ 76, §62,); |
| - | de twee klinkers e: ê
opponeerden blijkbaar nog (§ 63), maar de oppositie ō: ô tendeerde naar neutralisatie, althans in de rijmparen
uit de literatuurtaal (§ 66); |
| - | de Ogm. e en de umlaut-e
opponeerden in sommige gewesten nog, in andere niet (§ 66). |
Hierbij wil ik stellen dat de opmerking, dat de oppositie ō: ô naar neutralisering tendeerde vreemd is,
alleen al op grond van het feit dat die oppositie vandaag nog in de
meeste dialecten bestaat en het dus ongeloofwaardig is dat ze tussenin
een tijdje zou zijn verdwenen. Bovendien is mijn ervaring (Willemyns
1971: 48-51) dat in 15e-16e eeuws Brugs, in precies literaire teksten,
ō en ô nooit rijmen. Toch is het
zo dat er in de verhouding tussen zachtlange ō en
scherplange ô op een gegeven moment veranderingen zijn
opgetreden, die onder meer afgeleid kunnen worden uit variatie die
bestaat in de hedendaagse Westvlaamse dialecten en die ik in Willemyns
(1973: 158-160) heb beschreven. We kunnen in West-Vlaanderen grosso modo
vier gebieden onderscheiden:
| a. | Een gebied met zuiver historische distributie, dat wil zeggen dat
uit Ogm. au steeds een scherplange (dat wil zeggen
diftongisch [Ɔǝ] of [oǝ]
uitgesproken) ô is ontstaan, terwijl rekking van
Wgm. ŭ, ǒ steeds een zachtlange (monoftongische)
ō opleverde (dit is in het zuiden van
West-Vlaanderen het geval). |
| |
| b. | Een gebied waar de historische voor een gemengd
historisch-complementaire verdeling plaats heeft gemaakt: rekking
levert er steeds ō op bij Ogm. au daarentegen blijft de scherplange uitspraak alleen voor
dentaal bestaan en valt in andere posities de vocaal met de
zachtlange ō samen (dit is in het noorden van
West-Vlaanderen, met onder meer Brugge, het geval). |
| |
| c. | Een gebied waar de historische verdeling helemaal voor een
complementaire plaats heeft gemaakt. Voor dentaal krijgen we steeds
een scherplange ô (dus zowel uit au als door rekking ontstaan), in andere posities steeds een
zachtlange (dit is in het westen van West-Vlaanderen en een deel van
het aansluitende Frans-Vlaanderen het geval). |
| |
| d. | Ten slotte een gebied waar de situatie dezelfde is als in het
Standaardneder- |
| | | |
| lands, dat wil zeggen dat in beide
gevallen en in alle posities een zachtlange ō is
ontstaan (in een smalle kuststrook van Oostende tot
Nieuwpoort). |
In een overzichtelijke tabel ziet dat er zo uit:
|
brood
|
boom
|
doos
|
boven
|
| a. |
ô |
ô |
ō
|
ō
|
| b. |
ô |
ō
|
ō
|
ō
|
| c. |
ô |
ō
|
ô |
ō
|
| d. |
ō
|
ō
|
ō
|
ō
|
Ook Van Loey zegt niet voor welke tijd of voor welke plaats(en) zijn
systeem geldt. De aanduiding ‘zuidelijk Westmiddelnederlands’ helpt ons
nauwelijks verder, omdat we niet weten welke bronnen eraan ten grondslag
liggen. Omdat ik die fout wil vermijden, zal ik slechts een systeem
beschrijven dat duidelijk gelokaliseerd en gedateerd is.
| |
4.5.4. Een case study: het foneemsysteem van het 15e-eeuwse
Brugs
Als voorbeeld van ‘een’ Laatmiddelnederlands foneemsysteem bespreek ik het
systeem van het 15e-16e-eeuwse Brugs. Op grond van de vele en zoveel
mogelijk naar stijlsoorten gediversifieerde bronnen die ik heb geëxcerpeerd
en van een vergelijking met de vroegere en latere fasen van dit dialect
(Willemyns 1971) kunnen de belangrijkste punten als volgt worden samengevat.
De spelling der lange vocalen leert onder meer dat:
| - | het lengteteken e verdwijnt (alleen bij de lange a wordt het nog gebruikt. Lange vocalen in gesloten
syllabe worden door vocaalverdubbeling weergegeven; |
| |
| - | het Vroegmiddelnederlandse gebruik lange vocalen in gesloten syllabe
met een enkel teken aan te duiden helemaal is verdwenen; |
| |
| - | tussen scherp- en zachtlange e en o heel duidelijk onderscheiden wordt (ze rijmen nooit); |
| | | |
| - | de ei-spelling van de zachtlange e
scherp moet worden onderscheiden van de onder meer bij Jacobs (1911) en Van
Haverbeke (1955) geattesteerde en besproken ei-spellingen. In het Laatmiddelbrugs wordt de ei-spelling gebruikt om het resultaat van vocaalverkorting weer te
geven. |
De spellingdifferentiëring oe >< ou voor de representant van Ogm. ō, naargelang
van de omgeving (oe voor dentaal, ou
voor labiaal en velair), berust op een uitspraakverschil. Voor dentaal
hebben we een gerekte (eigenlijk licht gediftongeerde) [uǝ], in het andere geval een kort gesproken [u]. Dit verschil is ook
fonologisch distinctief geworden. Het betreft hier een jongere ontwikkeling,
aangezien we voor de 13e eeuw nog van een lange [o.]-klank uit mogen gaan
(zie ook Willemyns 1973). Volgde op de Ogm. ō een i of een j, dan
bleef de [o.]-uitspraak langer bestaan. Het is niet uit te sluiten dat in de
15e-, 16e eeuw de [o.j]- en de [u.j]-uitspraak nog naast elkaar voorkwamen.
De ontwikkeling van de Ogm. ŭ was verschillend naargelang
de syllabe open of gesloten was. In het laatste geval speelt ook het al of
niet voorkomen van umlautsfactor een rol.
| - | In gesloten syllabe, zonder umlautsfactor, wordt de Ogm. ŭ gepalataliseerd (dunder, vul, wulle). In
de positie voor gedekte nasaal vinden we, in de hedendaagse dialecten,
een /u/ ([duŋkǝr], [juŋk],
[munt]).37 Uit de teksten kan niet
duidelijk genoeg worden afgeleid of dit ook in het Laatmiddelbrugs zo
was. (zie 4.4.2.) |
| |
| - | In gesloten syllabe met volgende umlautsfactor krijgen we ontronding
(dinne ‘dun’, pit ‘put’, rik ‘rug’). Waarom die ontronding echter in bepaalde
woorden achterwege blijft kon niet worden opgehelderd. |
| |
| - | In open syllabe treedt meestal de zogenaamde ‘spontane palatalisering’
op (vueghel ‘vogel’, wuenen ‘wonen’,
zuele ‘zool’). De oorzaken zijn nog onopgehelderd
(zie echter Taeldeman 1971). Het al of niet
weergeven van die palatalisering in de teksten blijkt van cultuurinvloed
af te hangen. |
De vocaalontwikkelingen voor r + consonant zijn in het
(Middel)nederlands vrij complex. In het Vroegmiddelbrugs blijkt Ogm. ă in deze positie (meestal) tot [a:] en Ogm. ě tot [æ:] te
zijn gerekt. Beide fonemen zijn nooit samengevallen. In het Laatmiddelbrugs
vindt men voor Ogm. ă a- of e-spelling
en bij rekking ae. Voor Ogm. ě vindt men
e-spelling en ee bij rekking. In het
huidige dialect zijn de als <ae> geschreven klanken tot [Ɔ:]
gevelariseerd. De hedendaagse representanten | | | | van Ogm. ě, te weten [æ] en [æ:] mogen ook voor het Laatmiddelbrugs
worden aangenomen. De ontwikkeling van de Ogm. ă is echter
gecompliceerder, aangezien zowel hedendaags [stærk] ‘sterk’ als [art] ‘hard’
en [bɔ:rt] ‘baard’ erop terug te voeren zijn. Het blijkt dat:
| - | in bepaalde woorden nooit rekking is opgetreden (bijvoorbeeld hard, zwart); |
| |
| - | palatalisering naargelang van de fonologische omgeving heeft gewerkt; |
| |
| - | ze voor velair altijd optrad: erg, sterk, zerk; |
| |
| - | ze voor dentaal achterwege bleef: we vinden uitsluitend korte a of gerekte a (later tot [ɔ:]
gevelariseerd); |
| |
| - | ook labiale omgeving de palatalisering bevorderde (bijvoorbeeld berm, derm, scherp), die echter in bepaalde woorden
achterwege bleef (bijvoorbeeld warm, karpel, arm) of
eerst veel later optrad (zwerm). |
Hoewel dat uit de spelling niet altijd even gemakkelijk af te leiden is, mag
ervan worden uitgegaan dat het systeem van de vocaalverkorting in het
Laatmiddelbrugs ongeveer met dat van het huidige Brugs overeenstemde. In de
vervoeging, de samenstelling en afleiding en bij diminutie en de trappen van
vergelijking werd verkort wanneer de stam, c.q. het eerste lid op een
occlusief uitgaat. Bij spiranten, liquida en nasalen vinden we, van een
enkele uitzondering afgezien, geen verkorting.
Enkele andere verschijnselen die de aandacht verdienen:
| - | a voor o (of,
ambocht, dochte, brochte, olles); |
| |
| - | de overgangen e > i en i > e (inghel ‘engel’, bringen ‘brengen’; rebbe ‘rib’, strec ‘strik’); |
| |
| - | ronding en ontronding (wulghe ‘wilg’, pupe ‘pijp’, wuuf ‘wijf’; vier ‘vuur’, stieren ‘sturen’); |
| |
| - | de epenthetische r (neurs ‘neus’,
bersten ‘beesten’). |
| | | |
Samenvattend kan men dan voor het Laatmiddelbrugs een systeem der lange
vocalen als volgt voorstellen:
Met opzet worden hier de ‘grammaticale’ tekens ê en ô gebruikt, omdat ik geen
preciese klankwaarde wil suggereren, al geloof ik wel dat ze diftongisch
(ongeveer als [ɛǝ], [Ɔǝ] hebben
geklonken, net als i en u overigens
([Ιǝ], [uǝ]).
Het korte systeem ziet er dan, op grond van het bovenstaande als volgt uit:
Tot slot kan men zeggen dat het Laatmiddelbrugs het beeld geeft van een,
dialect dat zich geconsolideerd heeft. Vroeger ingezette vernieuwingen
hebben zich doorgezet, belangrijke nieuwe veranderingen konden nauwelijks
worden aangetoond. De overeenstemming met het hedendaagse dialect is zeer
groot.
Wanneer we vergelijken met het 13e-eeuws van Van Haverbeke (1955), dan is er
zeker een evolutie, maar geen opzienbarende. De volgende, daar gegeven
conclusie (p. 93), kunnen we ook voor het Laatmiddelbrugs overnemen:
‘Onder de dialectische eigenaardigheden hier behandeld werd door
geen enkele scribent afstand gedaan van: de spontane palatalisering in
busch, vul, dul, wulle; de ontronding in dinne, hille, cric, pit, stic, ric
en in evele en crepele; de algemene overgang a > o in ambocht,
brocht, e > i in bringhen, inghelsen...; de overgang ft > cht
in vichtiene...’
Het is zelfs zo dat de ei-spelling erop wijst hoe, in
plaats van een pas in de 14e eeuw in het Brugs opgekomen vernieuwing te
proberen te verdonkeremanen, men integendeel naar een orthografische
mogelijkheid zocht om dit typische verschijnsel zo adequaat mogelijk weer te
geven. Tegenover die beginselvastheid, de wil om ‘Brugs’ te schrijven, was
er echter ook een opponerende beweging, die in hypercorrecties resulteerde
of bepaalde ontwikkelingen verdoezelde (cf. cultuurinvloed). Toch was het
resultaat een betrekkelijk soepel geheel, dat het Laatmiddelbrugs toeliet
zijn eigen aard en zijn originaliteit te bewaren.
| |
| | | |
4.5.5. Gerundium
Veranderingen kunnen natuurlijk ook in andere segmenten dan het fonologische
optreden. Een voorbeeld op het morfologische gebied is allicht het door
Gerritsen (1989) geconstateerde ‘verval van het gerundium’ in het Brugs, een
proces dat door Van Marle (1994) samengevat en vooral becommentarieerd
wordt.
Bij reguliere -en-werkwoorden (type werken,
lezen) ‘viel de gerundiale uitgang gemakkelijk ten prooi aan het
proces van ǝ-apocope’, terwijl bij -n-verba (type doen, gaan, zien) ‘dezelfde uitgang een opmerkelijke
standvastigheid aan de dag legde’ (Van Marle
1994: 16). Gerritsen heeft; het historische
verloop als volgt berekend:
| - | in de 13e eeuw treedt bij beide groepen verba nog in 100% van alle
relevante vormen het gerundium op; |
| |
| - | in de 14e en 15e eeuw vertoont het voorkomen van de gerundiale vorm
bij de -en-werkwoorden een geleidelijke afname: het
gerundium komt in respectievelijk 91% en 82% van alle relevante vormen
voor, terwijl er bij de -n-werkwoorden van een
dergelijke afname nog geen sprake is; |
| |
| - | pas in de 16e eeuw valt ook bij de -n-werkwoorden
een lichte achteruitgang van het gebruik van het gerundium te
constateren (gebruik in 95% van de gevallen), bij de -en-werkwoorden wordt in deze periode het gerundium echter al in
niet meet dan 20% van alle relevante gevallen gebruikt (Gerritsen 1989:
109; samengevat in Van Marle 1994, 16).38 |
De gerundiumvorm is in (sommige) hedendaagse Westvlaamse dialecten nog
aanwezig, maar - zo is mijn indruk39 - in snel
tempo aan het verdwijnen. Mijn (ook weer op subjectieve, dat wil zeggen niet
op kwantificeerbare gegevens berustende) indruk is dat de gerundiumvorm
inderdaad bij de n-werkwoorden langer is blijven bestaan
(te doene, te gane, te ziene).
| |
| | | |
4.5.6. Laatmiddelnederlandse taalverandering
Taalverandering in het algemeen en klankverandering in het bijzonder is een
proces dat meestal een vrij lange tijdsruimte in beslag neemt. Het proberen
te onderkennen van verandering die zich quasi onder onze ogen afspeelt
(‘ongoing change’ of ‘change in progress’; Labov 1972) heeft onder meer
geleid tot de opvatting dat klankveranderingen zich via lexicale diffusie
door het lexicon verbreiden en dat concurrerende ‘oude’ en ‘nieuwe’ vormen
(dat wil zeggen op grond van geografische, sociale, functionele, leeftijds-
en andere variabelen gebruikte varianten) eeuwenlang naast elkaar voor
kunnen komen. Een mooi voorbeeld is dat van Aitchison (1981), waaruit blijkt
dat een klemtoonverandering die in het Engels van de 16e eeuw is begonnen
tot op vandaag voor een verandering in ongeveer 15% van het lexicon heeft
gezorgd en nog niet in het stadium van ‘gaining momentum’ is gekomen, zodat
het nog vele eeuwen kan duren vooraleer deze ‘klankwet’ volledig zal zijn
uitgewerkt, dat wil zeggen de ‘oude’ vorm nog slechts in enkele residuele
vormen zal blijven bestaan.
De vraag hoe het zit met taalverandering die tussen het zogenaamde
‘Vroegmiddelnederlands’ en de ‘late’ fase is opgetreden moet in het licht
daarvan worden bekeken. Een verandering die bijvoorbeeld in de 13e eeuw zou
zijn ingezet hoeft in de 15e eeuw nog niet eens in teksten bemerkbaar, laat
staan afgesloten te zijn. Heel dikwijls mag men zich dus gelukkig prijzen
wanneer men er überhaupt sporen van in teksten kan ontdekken. Dat kan een
van de redenen zijn waarom vele geleerden van mening zijn dat de
Laatmiddelnederlandse periode er eigenlijk een van consolidatie is, dat wil
zeggen dat de belangrijke veranderingen in de Vroegmiddelnederlandse periode
(c.q. zelfs het einde van de Oudnederlandse) zijn opgetreden en er dan een
hele tijd lang (dat wil zeggen de Laatmiddelnederlandse tijd lang)
nauwelijks nog iets is gebeurd (zie 4.5.2.3.).
Toch worden in de literatuur natuurlijk ook wel verschijnselen opgesomd, die
de overgang van Vroeg- naar Laatmiddelnederlands linguïstisch zouden kunnen
onderbouwen. Deze komen in de hierna volgende paragrafen aan de orde.
Het terugdringen van de ingweonismen:
‘Auf jeden Fall darf also für Flandern, auch für den westlichen
Teil, vor allem seit dem 14. Jahrhundert eine drastische Fränkisierung einer
vorwiegend ingwäonischen Unterschicht angenommen werden. Je weiter man ins
flämische Binnenland vordringt, desto früher und intensiver wurde diese
Fränkisierung durchgeführt. Das Gesamtergebnis war die obengenannte
flämische Staffellandschaft’.
schrijft Taeldeman (1982: 287), die op p. 285 al gepreciseerd had dat men als
symbolisch keerpunt voor de ‘Entingwäonisierung Flanderns’ het einde van de
14e eeuw aan kan nemen, dat wil dus zeggen de periode van overgang van
Vroeg- naar Laatmiddelnederlands.
| | | |
Van Loon (1986: 92) bespreekt onder
‘Nieuwnederlandse ontwikkelingen’ de apocope van de auslautende sjwa,
waarvan de eerste sporen ‘in het Hollands, Utrechts, Zuid-Gelders en
Limburgs omstreeks 1300 en in her Brabants iets daarna’ zouden zijn
opgetreden.
Geen enkele van de door Van Bree (1987)
samengevatte veranderingen, die in het Middelnederlands (p. 199), noch die
in her Nieuwnederlands (p. 202-203) heeft met een indeling Vroeg-Laat te
maken.40 Hetzelfde geldt voor Van Loey (1970b) en Goossens (1974).
Van Loey (1970) bespreekt in zijn samenvatting
verandering in de 13e-14e eeuw en besluit: ‘later schijnt weinig meer te
zijn veranderd’ (§86). Ten aanzien van het consonantisme echter vermeldt hij
de overgang van dentale r naar uvulare R, van bilabiale naar labiodentale w en van [ŋg] naar [ŋ]. Niet alleen gaat het hier
hoe dan ook om extrafonologische variatie in een deel van het taalgebied,
maar bovendien vindt men in de paragrafen waar die zaken in detail behandeld
worden, geen enkele aanduiding dat deze veranderingen in het
Laatmiddelnederlands zouden zijn begonnen.
| |
4.5.7. Diftongering
Eén klankwet is om vele redenen bijzonder interessant, te weten de zogenaamde
diftongering van Wgm. ī en ū tot [ɛ.i] en [œ.y] (in het laatste geval na een
bijkomend en complicerend palataliseringsproces):
| - | het verschijnsel speelt zich (vrijwel) volledig in de hier te
behandelen Laatmiddelnederlandse periode af; |
| - | het biedt alle ingrediënten die we op grond van de lexicale
diffusietheorie kunnen verwachten; |
| - | het is een bijzonder goed gedocumenteerd en vaak besproken
verschijnsel, waarover dus de normaal te verwachten verschillen in
opvatting bestaan; |
| - | van de expansiologische over de taalteleologische tot de
sociolinguïstische zijn zowat alle klankveranderingstheorieën erop
uitgeprobeerd. |
| | | |
Ik zal mij van een bespreking ervan bedienen als voorbeeld van change in progress in het Laatmiddelnederlands.41
Vroeger was het de gewoonte om de beide diftongeringen gezamenlijk te
bekijken en werd er bijna automatisch van uitgegaan dat informatie in
verband met de ene ook gebruikt kon worden om over het verloop van de andere
iets te zeggen. Strikt genomen is daar geen aanleiding toe, omdat niet
onomstotelijk aangetoond kan worden dat beide fenomenen in dezelfde tijd en
dezelfde streek zouden zijn ontstaan en dat hun opmars door het taalgebied
en door het lexicon op dezelfde manier zijn verlopen. Dat kan een verklaring
zijn voor het feit dat in meer recente uiteenzettingen vaak slechts één van
beide diftongeringen wordt behandeld en dat ervan af wordt gezien conclusies
in verband met de ene automatisch ook op de andere te projecteren (Ryckeboer 1973; Van
Reenen & Wijnands 1990; Howell
1991). Anderzijds is er ook geen bewijs dat de twee niet samen te beschouwen
zijn: er is mij geen geval bekend van een Nederlands dialect waar de ī wel
en de ū niet zou zijn gediftongeerd, of omgekeerd, al is het wel zo dat in
het geval van de ū het voorkomen van drie types ([u:], [y(:)] en een of
andere vorm van diftong) een vergelijking van dialectische situaties
bemoeilijkt. Ook Ryckeboer (1973: 61) wijst erop dat beide diftongeringen
‘zowel chronologisch als geografisch meestal parallel verlopen’ en citeert
een aantal auteurs die daar eveneens op wijzen.
Kloekes bekende expansiologische theorie (Kloeke
1926) werd vrijwel onmiddellijk aangevallen (zie voor een overzicht van de
oudere literatuur Van Loey 1970) en ook de meer recente studies pleiten
iedere keer weer voor een autochtone (aanzet tot) diftongering in Holland en
eventueel andere gebieden en een datering die veel vroeger ligt dan die van
Kloeke. Zowel vroeger als nu is het sterkste argument steeds weer een
combinatie van enerzijds vindplaatsen die een vroegere en niet alleen in
Brabant ontstane diftongering aannemelijk maken met de groeiende twijfel aan
het prestigekarakter van het Brabants van de zuidelijke immigranten in
Holland na de val van Antwerpen. Een voorbeeld
daarvan is te vinden bij Howell, die tot de volgende conclusie komt:
‘Given the evidence presented above it seems reasonable to assume
that the diphthongization of MDu. i originated in Holland in the late 15th
century. This diphthongization has a specially Hollands character which is
reflected in the earliest textual indications of diphthongization and
survives in its original form through the period of southern imigration
(sic) and, dialectically, to the present day. There is little reason to
believe that the spread of the diphthongization resulted from attempts to
imitate the more highly differentiated diphthong characteristic of the
speech of many imigrants (sic) from Brabant. Whatever prestige the spoken
language of the South enjoyed after the fall of Antwerp quickly evaporated,
only to be replaced by distinct anti-southern feelings. As a result of the
fleeting nature of | | | | southern prestige, few enduring linguistic
innovations in the northern Netherlands can be directly and solely
attributed to the effects of the southern imigrants in the cities of
Holland. For all of these reasons, we should be extremely cautious in
placing too much importance on the ultimate influence of Brabants speech on
pronunciation of northern Dutch in the late 16th century.’ (Howell 1991: 82)
Ondersteuning voor de twijfel aan Brabantse invloed op de Hollandse
uitspraak42 is te vinden bij Van Leuvensteijn
(in dit boek), waarbij echter opgemerkt moet worden dat beiden zich laven
aan dezelfde bron, dat wil zeggen hun argumenten putten uit Briels (1978).
Van Leuvensteijns beschrijving van de sociale situatie van de zuidelijke
immigranten lijkt min of meer plausibel, maar is natuurlijk ook slechts een
interpretatie43. Uitgaande van de volgende ‘feiten’:
| - | ‘zou het bepaald onjuist zijn te veronderstellen, dat de immigranten
zich direct met de autochtone bevolking hebben gemengd’; |
| - | ‘ook woonden de Zuidnederlandse immigranten soms in wijken bijeen’; |
| - | ‘De Hollandse bevolking liet zich niet door de immigranten
wegdrukken... Immigranten werden niet alleen bij het verwerven van een
inkomen tegengewerkt door de gildebepalingen en het
regentenoptreden’. |
komt Van Leuvensteijn tot de volgende conclusie:
‘Immigranten waren gedoogde medeburgers van het tweede plan en dat
moest zo blijven. Met deze instelling van de Hollanders ligt het niet voor
de hand dat zij hun dagelijkse spreektaal in de richting van het Vlaams of
het Brabants zouden buigen. Het omgekeerde proces mag men bij integratie wel
verwachten.’
Een zwak punt in beider redenering is ongetwijfeld het ook door Van
Leuvensteijn toegegeven feit dat heel wat zuiderlingen in hoge posities,
onder meer als predikanten werkzaam waren. In onderhavig boek (zie 5.1.4.1.)
wijst hij erop dat in de gereformeerde kerken de Vlaamse en Brabantse
immigranten de harde kern vorm- | | | | den en dat zij, hoewel ze
slechts 13% van het totaal uitmaken, vooral in gemeenten in Holland en
Zeeland werkzaam waren.
‘Aangezien de predicatie... de centrale plaats in de eredienst
inneemt, heeft het kerkvolk, dat naast de lidmaten een brede stroom van
‘liefhebbers’ telde, het evangelie niet alleen in Noordnederlandse, maar ook
in Vlaamse, Brabantse en Nederduitse tongval horen verkondigen.’
Op die manier zullen ze, met of zonder sociaal prestige, toch wel invloed op
het taalgebruik van ‘het kerkvolk’ hebben uitgeoefend, zodat men niet zomaar
de invloed van het ‘religieuze’ kan beperken tot de indirecte invloed van de
taal van de statenbijbel op de calvinistische gelovigen, die inderdaad niet
verder zal zijn gegaan dan vooral lexicale invloed. Maar natuurlijk waren
veel van die predikanten Vlamingen, die allicht niet diftongeerden... Er is,
hoe men het ook bekijkt, voor bijna elk sociolinguïstisch argument een
tegenargument en dat maakt de discussie weliswaar boeiend maar zelden
‘conclusive’.
Dezelfde twijfels en meer op interpretatie dan op eenduidige gegevens
steunende argumenten, maken het gebruik van aanwijzingen bij de zogenaamde
spraakkonstenaars zo moeilijk.
Meer aandacht moet dus worden besteed aan het andere argument, te weten
gedocumenteerde vindplaatsen die als contra-argumenten voor de
expansietheorie dienst kunnen doen. Maar ook hier ligt ‘conclusive evidence’
niet zomaar voor het oprapen. Het interpreteren van Middelnederlandse
grafieën is zo al geen gemakkelijke zaak en wordt helemaal problematisch
wanneer men denkt bepaalde grafieën als aanduidingen van ‘een beginnende
neiging tot lichte diftongering’ te kunnen beschouwen. In principe zou dat
in elk geval makkelijker moeten zijn bij de i dan bij de
u44 en het is daarom op zijn minst verrassend
dat de uitvoerige en op vele vindplaatsen steunende studie van Van Reenen
& Wijnands (1990) integendeel over de u handelt.
Zij hebben met de computer het uitgebreide, zogenaamde VU-corpus45 onderzocht en zich
vooral voor de Middelnederlandse spelling uy
geïnteresseerd. Uitgaande van de vaststelling dat Middelnederlandse
scribenten in de 14e eeuw de reflexen van W germ. ū anders
spellen in open (huse, dusent) dan in gesloten syllabe
(hues, huis of huus) formuleren ze
de hypothese dat de uy-spelling (die in de 13e eeuw zelden
en in de 14e vrij vaak zou voorkomen) ‘does not denote length but a change
in vowel quality, i.e. die diphthongization [y:] > [yj]’ (o.c.: p. 8). Daar nu deze spelling ‘geographical and
chronological patterns in | | | | 14th-century charters of Middle
Dutch’ (p. 17) vertoont, menen ze te kunnen besluiten:
‘that the pronunciation [yj] started independently in two areas:
The Hague, Delft and Leiden (South Holland) and Belgian Limburg. It was
followed by the Hanseatic cities of Kampen, Zwolle and Deventer in
Overijssel and by Brabant. The rest of Holland (Amsterdam, Gouda, Dordrecht
etc.), Utrecht and the Veluwe (Gelderland West) adopted the new spelling
later. During the 14th century the spelling UY was absent
in the Northern and Eastern part of the Netherlands (Gelderland East,
Overijssel East, Drente, Groningen)’. (o.c., p. 18)
Deze conclusie wordt niet alleen gehypothekeerd door het feit dat West- en
Oost-Vlaanderen en Zeeland helemaal niet en (wat zij noemen ‘Belgisch’)
Brabant slechts heel zijdelings in het corpus was vertegenwoordigd46, maar natuurlijk ook door het feit dat het uitgangspunt
(spelling uy duidt op diftongering) niet bewezen wordt. We
hebben in een vroeger hoofdstuk al gezien hoe moeilijk het voor Middeleeuwse
scribenten vaak was voor ‘nieuwe’, dat wil zeggen door aan de gang zijnde
klankverandering ontstane klanken een teken te bedenken en hoe
onvoorspelbaar het resultaat was. Duidelijk is ook dat, indien verschillende
scribenten dat onafhankelijk van elkaar proberen, men in geen geval kan
verwachten dat ze met dezelfde oplossing naar voren komen of dat een teken
dat door meerderen wordt gebruikt ook voor dezelfde klank staat.
Howells (1991) argumentering ‘that MDu. i had been
diphthongized in parts of Holland, most notably in Amsterdam, at least a
century before the first wave of southern immigrants arrived in the north’
berust vooral op vindplaatsen die hij in Berteloot (1983: 88) heeft
genoteerd. Hij verbindt daarmee, op grond van excerpten uit Vangassen (1965:
7), de vaststelling dat in hetzelfde Amsterdam en rond dezelfde tijd het
eerste element van de bestaande diftong /ei/ (in meisje, beide,
klein, gheleit enzovoort) geopend werd tot /a/ en dus tot een
[a.j]-achtige diftong werd en poneert de structuralistische verklaring dat
door de evolutie [Ι:] > [e.j; ɛ.j] de evolutie [e.j] > [a.j] plaatsgreep (of omgekeerd). Als
supplementaire steun voor de stelling dat dit alles vóór 1585 al gebeurd
was, refereert ook Howell naar de bekende plaatsen in Spiegels
Twe-spraack
, die inderdaad zegt ‘de ey word als ay uitghesproken’, maar wiens
uitspraak over de [i] veel minder duidelijk is. Dat die klank ‘na de e
treckt’ en ‘benaast als ei’ klinkt, is volgens Spieghel karakteristiek voor
‘eenighe zonderling in Brabant’. Hoewel men daar inderdaad uit afleiden kan
dat, naast vooral de Brabanders, ook anderen dat soms doen, is er geen
enkele reden om aan te nemen dat met die anderen per se Amsterdammers en/of
andere Hollanders worden bedoeld.
| | | |
Ryckeboer (1973) is een bijzonder uitvoerig en uitstekend gedocumenteerd
artikel, dat stricto sensu slechts de evolutie van de klank in het woordje
uit behandelt, maar waar niet alleen de diftongering
van i en u, maar ook de voorafgaande
palatalisering van de u in besproken wordt en een handig
overzicht wordt gegeven van de state of the art anno 1973.
Hij haalt allereerst Gysseling (1961: 51) aan, die
de palatalisering in Vlaanderen dateert als ‘hoogstwaarschijnlijk in de 12de
eeuw’ en het bijzonder aannemelijk acht, dat de palatalisering uit het
Picardisch (waar ze volgens hem in de 12e eeuw plaatsvond) binnendrong in
het aangrenzende Vlaams en hieruit weer in het Hollands en Brabants.47
Ook de fonologische verklaring van Van Wijk (1950,
in Ts. 67: 161-208) komt aan de orde, evenals die van
Beyer (1964: 211 vv.), die in zoverre van
alle andere afwijkt, dat hij de palatalisering in het Nederlands niet los
van die in de andere Germaanse talen ziet; Baden en de Elzas zijn, met de
Nederlanden, relicten van een groot gebied dat ooit aan een algemene,
spontane medialiseringsneiging onderhevig was.
Vervolgens gaat Ryckeboer (o.c.: 57-58) in op de
hoofdthesis van Kloekes expansietheorie, dat [y] in Holland is in- en
uitgevoerd: in het zuidwestelijk gebied is de [y] een relict van de
Vroegmiddeleeuwse toestand. In het noorden en oosten is de substitutie van
[u] door [y] de nog steeds voortwerkende reflex van de Hollandse expansie in
de 16e-17e eeuw. Voor de polemiek Kloeke - W. de Vries volstaat Ryckeboer met een verwijzing
naar Hellinga (1938: 150-158).
Kloekes theorie staat of valt met de datering van de [y] >
[œ.y]-diftongering in Holland zelf. Er zijn heel wat aanduidingen voor een
vroeger (14-15e eeuw) autochtone diftongering in Holland aangehaald door W.
de Vries en Salverda de Grave en die worden hier niet nog eens opgesomd.
Wel gaat Ryckeboer in op de door Vangassen (1965:
14) aangevoerde bewijsplaatsen en hij citeert diens conclusie met
kennelijke, zij het niet expliciet vermelde, instemming.
‘De praediftongerende periode van de wgm. i, mnl. i was
hoogstwaarschijnlijk [i:]/ε:/, dateert waarschijnlijk uit de XIV-XVe eeuw en
is autochtoon. De diftongering van de ‘ij’ kennen de Amsterdammers reeds in
de tweede helft van de XVe eeuw (dialekt-spelling: ‘ey’ en ‘eij’). Zij is
hoofdzakelijk autochtoon. In de XVIe eeuw zijn de nl. ‘ei’ en de ‘ij’ reeds
samengevallen als [ε.i] (en varianten) en [ɑ.i] (en varianten).’
| | | |
De samenvattende conclusie van Caron (1947: 138) lijkt Ryckeboer overtuigend
genoeg om ook als zijn laatste woord over het historisch verloop van de
palatalisering-diftongeringskwestie dienst te doen:
‘Met Salverda de Grave kunnen we het begin van de diphthongering
van ij en ui aannemen reeds in de late middeleeuwen. Hieruit ontwikkelde
zich zowel een monophthong als een sterkere diphthong. Erasmus toont ons in
ui een licht gediphthongeerde klank. De Heuiter eveneens, als hij voor
Holland melding maakt van ui naast uu. Doorlopend wordt de ij door de
grammatici, zelfs tot aan Ten Kate als een ongedissimileerde klank
beschreven. Voor de ui geven vele grammatici tot ver in de 17de eeuw een
monophthong. andere een (lichte) diphthong; het is te verstaan dat deze
eerder als zodanig herkend kon worden. Verschijnselen als het samenvallen
van de ui1 en ui2 wijzen er ook op,
dat de ui eerder neiging tot diphthongering toonde dan de ij. De beide
ongedissimileerde Hollandse klanken ij en ui stelle men zich niet voor als
heldere, ‘hoge’ ie- en uu-klanken. Amstelland (Amsterdam!) en het Rijnland
zijn het eerst tot diphthongering overgegaan, waarbij van dissimilatie der
componenten sprake is. Met Salverda de Grave denke men aan autochtone
ontwikkeling, niet aan import uit Brabant. Hiervoor is ook geen steun te
vinden bij de grammatici. Amsterdam is voorgegaan bij het doorzetten der
diphthongering; dat het als hoofdstad invloed heeft uitgeoefend, ligt voor
de hand. Zo kan de uitbreiding der diphthongering in het overige Holland en
Utrecht een redelijke verklaring vinden.’
In zijn eigen bespreking gaat Ryckeboer uit van het kaartbeeld
‘Het uitgangspunt van de diftongering’, zegt hij (o.c.: 63) ‘staat vast: de Middelnederlandse ‘uu’ [y:]. De beschaafd
Nederlandse ui noch de andere palatale of velaire diftongen kunnen echter
direkt uit de [y:] zijn ontstaan zonder voorafgaande vergroting van de
openheidsgraad van deze [y:]... De eerste fonetische variatie die de
Middelnederlandse [y:] onderging was dus een verwijding van de openingsgraad
tot [ʌ:] of [œ]. Die fase is in sommige dialekten bewaard, in andere het
uitgangspunt van verdere klankevolutie.’48
Ryckeboer bespreekt dan uitvoerig vijf evoluties:
| | | |
| A. | Verwijding van de openingsgraad: ‘In België
vormen de ʌ en œ-realisaties a.h.w. een gordel rond het Brabantse
diftongeringsgebied en wat de Kempen betreft, ook een reliktstrook
tussen de Nederlandse en de Belgische diftongeringsgebieden’ (o.c.: 65) |
| B. |
Secundaire variant
| 1a. | ʌ/œ > ε |
| 1b. | ʌ/œ > ɑ⊢/æ - ɑ |
| 2a. | ʌ/œ > ʌǝ/œǝ |
| 2b. | ʌǝ/œǝ < εǝ |
|
| C. |
Diftongering met palataal vocalisme
| 1. | ʌ/œ > œ
y ‘waar de ʌ/œ zich niet verder monoftongisch ontwikkelde
tot een zeer open palatale vokaal, ging ze in een volgend
stadium de weg van de diftongering op’ (o.c.:
68). |
| 2. | œ y < œ/ʌ: secundaire monoftongering. |
|
| D. |
Medialisering van de [œy], wisselende dissimilatie
œ
y > œ⊣
y > ɔ⊢i > ɔi
‘In het zuidelijk West-Oostvlaams overgangsgebied en in een
westelijk gebied tussen en tegen de grote rivieren (grosso modo
binnen de lijn die Rotterdam, Utrecht, Den Bosch en Breda verbindt)
en in mindere mate ook in Noord-Holland is de [oey] duidelijk aan
verschuiving toe: de palatale diftong [oey] ontwikkelt naar een
velaire, gedissimileerde diftong ɔi, via de tussenstadia œ ⊣y of œ⊤y of œc/ǝy en Ɔ⊢i.’ (o.c.: 69).
|
| E. |
Diftongering met velair vocalisme
| |
|
|
|
Ɔ⊥ |
|
|
| œ > |
œ⊤(ǝ) > |
Ɔi > |
Ɔǝ > |
|
℧ |
|
| |
|
|
|
℧ǝ > |
|
o |
| |
|
|
|
|
oǝ > |
|
| |
|
|
|
|
|
u(⊤)ǝ |
|
| | | |

(5.1) (Naar Ryckeboer 1973)
Ryckeboer gaat nu op zijn beurt op zoek naar
argumenten en begint met het volgende citaat uit Van
Loey (1937: 161-163 en 217-218):
‘de vroegste, op diftongering in de volkstaal wijzende spellingen
zijn te vinden in Brabant vanaf de 136 eeuw, alhoewel tot in de 14e eeuw
daarnaast en daarboven in de meer beschaafde kringen, mede onder Vlaamse
invloed, de monoftong geldt’.49
Uit Vangassen (1954) citeert Ryckeboer (1973:
72-73) de volgende vindplaatsen die ‘kunnen wijzen op de veranderde
fonetische waarde, of de onzekerheid illustreren van de scribent die de
gebruikelijke uitspraak fonetisch wil spellen’:
| | | |
| - | ‘spellingen ue, ui, ey, oey in hetzelfde woord vuil
te Brussel 1482-1490 of oe, oi, u in. vuist te Leuven,
1421-22 of oe, ou, ouy te Zoutleeuw in 1351-1363 en ouy, oeu, eoy in de
periode 1470-1490’; |
| - | ‘Het enige stuk dat echter een relatief duidelijke aanwijzing geeft
over de klankwaarde, is de Mechelse rekening der visverkopers van 1597.
De representant van wgm. ū wordt daar ‘au’ of, in de meerderheid der
gevallen ‘aü’ gespeld net zoals de representant van de moderne
Nederlandse [ɔu]’. Als voorbeelden geeft hij baütten ‘buiten’, haüs ‘huis’;
verkorting: huskens), kaüper
‘kuiper’, naast benhaüers, kabeliaüwen, vraüwen,
aütar; |
| - | ‘Vooral de spelling van wat we als verkorting voor cluster of geminaat
mogen interpreteren zijn revelerend: kasschen
‘kuisen’, rammen ‘ruimen’. Dit bewijst duidelijk dat
in Mechelen tegen het einde van de 16e eeuw de Middelnederlandse uu
geëvolueerd is naar een velaire diftong met waarschijnlijk een /ɔ/
of/a/-achtig eerste element. Meer oostelijk treffen we ook
‘ou’-spellingen aan, bv. sporadisch in Diest in de 14e eeuw, in Tienen
vrij konsekwent in de 15e eeuw en in Zoutleeuw in de 14e eeuw naast ‘oe’
en ‘oey’.’ |
Vangassen (1958) heeft voor de vier Dendersteden (Dendermonde, Aalst, Ninove
en Geraardsbergen) gepoogd aan de hand van de uiteenlopende middeleeuwse
grafieën een beeld op te hangen van de vermoedelijke tussenstadia van de
fonetische evolutie. Daaruit blijkt dat, alhoewel de eerste
ontwikkelingsfase van de [y:] overal [œ:]/[ʌ:] is geweest, de huidige
uitspraak in die vier steden onderling verschillend is.
Samenvattend: hoewel het duidelijk is dat de door Ryckeboer vermelde
varianten niet (alle) in Middelnederlandse teksten aangetroffen worden,
hebben we hier te maken met een uitstekende demonstratie van internal evidence en een overtuigende illustratie van het
‘geographisches Nebeneinander des historischen Nacheinander’. Er is zeker
geen aanleiding om daar, zoals Van Reenen & Wijnands (1990),
denigrerend over te doen.
Verder hebben we uiteraard met lexicale diffusie te doen: de geografische en
sociale verbreiding en de verbreiding door het lexicon. Dit besef moet
duidelijk maken hoe futiel discussies zijn over dé
diftongering is dan en daar begonnen!
Bovendien speelt dat hier strikt genomen ook geen rol: de diftongering wordt
hier aangehaald als een fonetisch-fonologische vernieuwing die in de
Laatmiddelnederlandse periode zo niet ontstaan, dan in elk geval
doorgebroken is en het fonologische systeem ingrijpend heeft gewijzigd
(althans in een deel van het taalgebied). Waar en wanneer ze is begonnen is
dan eigenlijk bijzaak, maar het is duidelijk dat we bij de diftongering met
polygenese te maken hebben, dat wil zeggen dat er in verschillende delen van
het taalgebied diftongering is opgetreden, die zich lang- | | | | zaam
heeft voortgezet (zowel fonetisch geëvolueerd als geografisch verbreid) en
waarvan niet goed begrepen wordt wat die ontwikkelingen gemeenschappelijk
hebben. Toch wijst het ontstaan van zo vele verschillende diftongen mijns
inziens onmiskenbaar op polygenese. Sociolinguïstische factoren, die
diftongen van het ene gebied naar een ander zouden hebben gevoerd, kunnen,
wanneer men Briels' (1978) visie op de zuidelijke immigratie overneemt,
eigenlijk niet worden gevonden.
Twee sterke diftongeringshaarden, Brabant en Holland, hebben wel het
omringende gebied, maar niet elkaar beïnvloed. Dat we in het
Standaardnederlands de palatale diftongen van het Hollandse type aantreffen,
behoeft geen andere verklaring dan de vele andere Hollandse kenmerken die de
Standaardtaal hebben gehaald.
| |
4.6. Syntaxis
4.6.1. Algemeen
De syntaxis van het latere Middelnederlands is niet goed af te grenzen van
die van het vroege Middelnederlands. Veranderingen die in de 13e eeuw gaande
zijn, werken nog door in de 15e eeuw, en wat in de 15e eeuw plaatsvindt, is
meestal in zekere mate ook al in de 13e eeuw te vinden. Dat neemt echter
niet weg dat het totale beeld van de 15e eeuw aanzienlijk verschilt van dat
der 13e eeuw, want ook al zijn er betrekkelijk weinig absolute verschillen,
de verhoudingen en de frequenties zijn wel heel anders. De verschillen met
het Engels en het Duits zijn in de 15e eeuw aanzienlijk toegenomen; de
verschillen tussen de diverse Middelnederlandse dialecten daarentegen nemen
af: meestal is syntactisch verschil daar een kwestie van eerder of later een
bepaalde verandering ondergaan.
| |
4.6.2. Naamvallen
Er is in het latere Middelnederlands nog steeds een naamvallensysteem, maar
veel vormen zijn samengevallen, in nominale groepen krijgt vaak alleen het
lidwoord of het adjectief nog casusflexie, en steeds vaker verschijnen ook
vormen zonder enige flexie.
| |
4.6.3. Lidwoorden
In de loop van de Middelnederlandse periode verschijnt het lidwoord het. Het vroege Middelnederlands kende slechts die/de en dat/'t. Bij de vervanging van
de | | | | zwakke vorm 't door een vollere vorm koos
men, door verwarring met 't uit het
(pronomen) ook bij het lidwoord wel het (MNW III: 409;
Koelmans 1975b). Van Loey (I 1980: 45) noemt als oudste vindplaatsen 1370 en
1380.
| |
4.6.4. Volgorde in nominale groepen
Combinaties als een sijn oude vrient en gepostponeerde
adjectieven en bezittelijke voornaamwoorden komen in het latere
Middelnederlands nauwelijks meer voor. Naast elkaar komen nog voor om borghemeyster to wesen in Roelofs stede van Nyenvelt;
Adriaens huys van Ryn; en: Lubbert de
Walen hoghe huys; Henric van Gheer huys, maar aan
het einde van de Middelnederlandse periode zijn de constructies als Adriaens huys van Ryn toch vrijwel verdwenen (vergelijk
Van den Berg 1989 en 1990; Sassen 1990 en Van der
Horst 1991).
Attributieve voorzetselgroepen, in de 13e eeuw nog heel schaars, treden in de
15e eeuw steeds vaker op, in de eerste plaats met van,
maar ook met andere voorzetsels: ende wert ritmeister van die
stat van Utrecht; veel van dese voersz. personen;
een deel van die ridderscap; die van
Amersfoort; die ballinghen uyt Hollant; des Saterdaghes na sunte Sixtusdach; 't
clooster te Braemdolen.
| |
4.6.5. Perifrastische werkwoordstijden
Het vroege Middelnederlands kende reeds perfecta met hebben
en zijn, maar ze werden veel minder gebruikt dan in later
tijd. In de 15e eeuw zien we dat al veel vaker Van der Wal (1992: 151) geeft
als voorbeelden uit de Renout van Montalbaen (13e eeuw) en het daarop
gebaseerde volksboek van de Vier Heemskinderen (15e eeuw): ‘Wie
deit’, sprac hi naast Hi vraechde wiet gedaen
hadde; en Als Yewe de bodscap verstoet naast Als Yemijn den brief ghelesen had ende dat inhouden daer of
verstaen. Het voltooid deelwoord van comen, brengen,
worden, vinden en brengen, in de 13e eeuw steeds
zonder ghe-, treffen we in de 15e eeuw heel geregeld aan
als gekomen, gebracht, enzovoort, waardoor ook de
uiterlijke gedaante van het perfectum gelijkgetrokken wordt (Stoett 1923:
205-209; Pijnenburg 1982; Duinhoven 1988a: 168). De vervanging van hebben door zijn in de vervoeging van
zijn (van heb geweest naar ben geweest) gaat langzaam: beide combinaties komen nog
volop voor (De Rooij 1988).
| |
4.6.6. Passief
De systematiek van het passief verandert in de loop van de Middelnederlandse
periode. In het vroege Middelnederlands bestond geen aparte constructie voor
pas- | | | | sieve voltooide tijden, en zowel sijn +
voltooid deelwoord als werden + voltooid deelwoord werden
gebruikt voor nog aan de gang zijnde gebeurtenissen; sijn
+ voltooid deelwoord was frequenter dan werden + voltooid
deelwoord. In de 15e eeuw is dit anders: sijn + voltooid
deelwoord wordt dan gebruikt voor het perfectum terwijl werden/worden + voltooid deelwoord voor het imperfectum
overblijft. Dit gaat gepaard met een aanzienlijk grotere frequentie van de
werden-constructies, zowel relatief ten opzichte van
sijn als absoluut (Van der
Wal 1986). De handelende persoon in passieve constructies wordt in
deze periode aangegeven met van of bi;
door komt pas in het Vroegnieuwnederlands op (Van der
Wal 1992: 280).
| |
4.6.7. (te) + infinitief (gerundium)
In constructies van werkwoord + infinitief zet de toename van te zich voort. De verandering was in het vroege Middelnederlands al
volop gaande en rond de 15e eeuw zien we hoe weer nieuwe werkwoorden
gecombineerd gaan worden met te + infinitief, en dat
andere die eerst beide mogelijkheden kenden (met en zonder te), nu nog uitsluitend met te + infinitief
optreden. Werkwoorden als dunken, schijnen, weten en wanen krijgen in het latere Middelnederlands soms te + infinitief; begeren en beginnen verliezen de mogelijkheid om nog met een infinitief
zonder te op te treden (Van Helten 1891).
Een in het hedendaags Nederlands gebruikelijke constructie als hij is aan het schrijven, die in de 17e eeuw ook al voorkomt
(Van Gestel 1985), is in de 15e eeuw nog niet
beschikbaar. Wel treffen we dan soms zinnen aan als Item die
hertoch van Oestenryck was in die Veluwe jaghen. Constructies met
staan, zitten, liggen en lopen plus
ende plus tweede werkwoord, zoals in Amand, die sijn ghetiden sat ende las (‘zat te lezen’) komen ook
in het latere Middelnederlands nog geregeld voor. Het is pas in de loop van
de 16e eeuw dat zij langzaamaan plaatsmaken voor het modernere zat te lezen, stond te praten (MNW II, kol.638 s.v. ende 4; Van Helten 1892; Stoett 1923: 12-13; Strengholt 1970; Van
den Toorn 1975; Paardekooper 1993b).
| |
4.6.8. Onpersoonlijke constructies
Onpersoonlijke constructies, zoals we die uit het vroege Middelnederlands
kennen, met datief en met genitief of voorzetselgroep, dies
words mach ons wel behagen, worden in het latere Middelnederlands
schaarser. Meestal zien we dat bij de betreffende werkwoorden een nominatief
of althans ongeflecteerd nomen optreedt waarmee het werkwoord congrueert, en
in plaats van de genitief zien we steeds vaker een voorzetselgroep. Dikwijls
is het de persoon die de gewaarwording ondergaat, die de subjectsrol krijgt,
maar ook de zaak die de bron der gewaarwording is, kan subject zijn;
vergelijk Hij verwondert zich daarover en Dat
verwondert
| | | |
hem. In een aantal gevallen heeft zich een
reflexieve constructie ontwikkeld: zich verwonderen, zich
verbazen, zich ergeren, zich ontfermen. De mogelijkheid om met een
subject in de nominatief geconstrueerd te worden, heeft overigens bij deze
werkwoorden steeds bestaan, ook in het vroegste Middelnederlands. De
verandering is dan ook niet de opkomst van een nieuwe mogelijkheid maar het
afnemen van een oude mogelijkheid. Het langzaam verdwijnen van
onpersoonlijke constructies is een van de gevolgen van de deflexie. (Van der
Horst 1985; Fischer & Van der Leek 1983 en 1987; Van den Berg 1985
en 1986; Weerman 1988). We zien tot in de 17e en 18e eeuw nog allerlei
restanten van de onpersoonlijke constructie.
| |
4.6.9. Plaats van de persoonsvorm
De positie van de persoonsvorm komt in het latere Middelnederlands reeds
grotendeels overeen met die in het Moderne Nederlands. Echter komen vrijwel
alle afwijkingen die we bij het Vroegmiddelnederlands bespraken, ook in het
Laatmiddelnederlands nog wel voor, doch minder vaak. Expletieve elementen
tussen eerste zinsdeel en persoonsvorm vooral als het eerste zinsdeel lang
is of een ingeleide bijzin is, zijn nog gemakkelijk te vinden (en ook heden
ten dage nog mogelijk met bijvoorbeeld dan en toen): Doe dit aldus overdragen was, doe wert dit den
borchgrave (gemeld); Ende terwylen dat die borchgrave
ter Plaets waert liep, so liepen veel goeder borgher tot die
Tollenstegherpoert waert; Item die dat regement hadden binnen Utrecht,
die lieten maken een blochuys in der stat. Maar we komen ook tegen:
Ende doe dat volc bestelt was, traden sy gemeenlic in die
scouwen (Burridge 1993). Na conditionele bijzinnen die beginnen met
een finiet werkwoord, kan een ander zinsdeel volgen vooraleer de
persoonsvorm van de hoofdzin komt, of er staat so: mer woude myn heer scicken syn rade (...), sy wouden hem
geleyde verwerven; wordet vrede, so is dat gebot of. De frequentie
van conditionele Vf1-zinnen is in de 15e eeuw minder dan in de 13e eeuw;
veelal gebruikt men zinnen met als. Imperatieven
voorafgegaan door een zinsdeel komen ook nog voor. Evenals allerlei
zinsdelen in de uitloop die daar thans niet meer kunnen staan. Bijna al deze
verschijnselen zijn zelfs in de 16e en de 17e eeuw nog wel in zekere mate
aan te treffen (Koelmans 1975a). Maar de tendens dat het finiete werkwoord
in bijzinnen meer en meer naar achteren geplaatst wordt, is onmiskenbaar.
Alleen hoofdzinnen met de persoonsvorm achteraan van het type Ferguut ten coninc orlof nam, die we in 13e-eeuwse rijmende
teksten nog geregeld aantreffen en in de 14e eeuw nog een enkele keer, zijn
in de 15e eeuw verdwenen (Van der Horst 1984).
| |
| | | |
4.6.10. Relativa
Het vroege Middelnederlands kende als betrekkelijk voornaamwoord slechts die, dat en wie, waarvan wie alleen in casus obliqui en na voorzetsels. Welc als relativum komt pas op in de loop van de Middelnederlandse
periode. De opkomst van w-vormen (wat
als betrekkelijk voornaamwoord, waar als betrekkelijk
bijwoord en in voornaamwoordelijke bijwoorden) vindt eveneens pas plaats in
de 14e en 15e eeuw (Ponelis 1986; Van der Horst 1988; Van der Horst
& Storm 1991; Schröbler 1982: 342). Constructies zonder relativum
zoals we die uit de 13e eeuw wel kennen: een dorper, heet
Lamfroit, woont hier bi; een voghel, heet fullica worden in het
latere Middelnederlands steeds schaarser.
| |
4.6.11. Voornaamwoordelijke bijwoorden
Het gebruik van voornaamwoordelijke bijwoorden neemt in de Middelnederlandse
periode sterk toe; combinaties van voorzetsel + pronomen als an
dat, uut dat enzovoort, die in de 13e eeuw nog veel voorkomen,
worden schaarser, en in plaats daarvan zien we meestal daaraan,
daaruit enzovoort. Het betrekkelijke voornaamwoordelijk bijwoord,
in de 13e eeuw steevast gesplitst, komt in de 15e eeuw ook wel ongesplitst
voor. Daarnaast ondergaat het ook de d/w-verandering: in
de 15e eeuw duiken de eerste w-vormen op bij de relatieve
voornaamwoordelijke bijwoorden (Van der Horst & Storm 1991).
| |
4.6.12. Onderschikkende voegwoorden
Een belangrijk complex van veranderingen in het late Middelnederlands betreft
de onderschikkende voegwoorden. Vergeleken met het vroege Middelnederlands,
dat een betrekkelijk kleine groep voegwoorden kende, valt in het latere
Middelnederlands onmiddellijk de enorme variatie aan formaties op als ter wilen dat, na der wilen dat, binnen der wilen dat, so drade
als, ten waere, te dien dat, daaromme dat, bi dien, teersten dat, tote
dier tijt enzovoort (zie een lang niet complete lijst bij Stoett
1923: 220-224). Het zou in de meeste gevallen onjuist zijn deze formaties al
voegwoord te noemen; het zijn veelal nog betrekkelijk vrije woordgroepen.
Maar het is wel uit deze formaties dat zich gedurende het late
Middelnederlands en daarop volgende periodes tal van nieuwe voegwoorden
ontwikkelen: vergelijk eer die wile quam dat hi starf; binnen der wilen dat Agolant es gheweken; terwilen alsmen
goidsdienste doet; terwilen dat men tot Enchusen lach;
terwijlen dit besit voir Gendt was. En: si
vervolghdent also drade ende alsoe langhe (...), dat die hertoghe (...)
den heere van Diest beval...; also drade als dat
gesciet was.
Het procédé waarlangs de nieuwe voegwoorden ontstaan is telkens anders: ter- | | | |
wijl uit ter wilen dat (voorzetselgroep + dat), zodra uit so drade als (bijwoordgroep +
als), tenzij uit het en
zij dat(subject + zijn + negatie + dat), indien uit in dien dat
(voorzetsel + pronomen + dat), voordat,
nadat enzovoort uit voor + dat (voorzetsel + dat), aangezien uit aangezien + dat (voltooid deelwoord + dat),
enzovoort. Gemeenschappelijk is echter dat de oorsprong een aanvankelijk
vrije combinatie was met meestal dat (soms als of of). Later wordt dat
dan weggelaten, ook al komen we het nog ver in de 19e eeuw en in dialecten
ook tegenwoordig nog vaak tegen (De Rooij 1965).
Belangrijker nog dan dat er zo veel nieuwe onderschikkende voegwoorden in het
latere Middelnederlands ontstaan, is echter het feit dat ze zich ontwikkelen
tot exclusieve voegwoorden. Vroegmiddelnederlands onderschikkende
voegwoorden zijn bijna altijd ‘geleend’, ‘gedetacheerd’, vanuit andere
categorieën: doe, bedi, daer, so, dan nu, also en eer zijn ook en vooral bijwoord; sint, tote,
onthier, ont en hent zijn ook en vooral
voorzetsel; des en dies zijn ook en
vooral pronomen; want en en(de) zijn ook
en vooral nevenschikkend voegwoord. Alleen of/jof, als en
dat zijn al zeer vroeg enkel onderschikkend voegwoord
(Bouman 1918). De Laatmiddelnederlandse doorbraak zorgde voor een
aanzienlijke aanwas van juist exclusieve onderschikkende voegwoorden. Deze
ontwikkeling heeft zich in later eeuwen voortgezet: hoewel,
schoon, ofschoon, dewijl, niettegenstaande, zogauw, zolang, zover
enzovoort.
Tevens zien we dat in het Middelnederlands veel inleiders van bijzinnen dat krijgen toegevoegd: doe dat, want dat,
wie dat, hoe dat enzovoort: die goede ne mesdoet een
twint/ want dat hi dueghet mint; nie sint dat hi van
huus sciet; sine slechten niet te gader, wat dat gheen
wonder en was; dits deerste bedwanc daer dat Vrieslant
ie in quam; die bisscop die dat een deel van Mechelen
toebehoorde; ic wille weten, wie ghi sijt/ (...) ende
hoe dat u vader hiet. Dit valt gedeeltelijk te verklaren als
analogie naar de vele formaties met dat zoals ter wilen dat, aangesien dat enzovoort: dat
wordt welhaast bijzinskenmerk. Inderdaad is het verschijnsel van toegevoegd
dat in de 14e en 15e eeuw frequenter dan in de 13e
eeuw. Echter komt het ook in de 13e eeuw al voor (maar nog niet in de
Oudnederlandse Leidse Willeram), zodat waarschijnlijk ook andere oorzaken
dan alleen analogie gewerkt hebben. Misschien moet gedacht worden aan een
toenemende behoefte bijzinnen als zodanig aan te geven. Het verder naar
achteren brengen van de persoonsvorm in bijzinnen (zie boven), waardoor
eveneens een bijzinskenmerk geprononceerder werd gemaakt, kan daarmee
samenhangen. (Vergelijk Kivimaa 1966; Admoni 1990: 118).
Er is wel eens overwogen (bijvoorbeeld MNWII, 227) of wellicht ook doe en so cum suis op deze manier de
uitbreiding van bijwoord naar tevens onderschikkend voegwoord gemaakt
hebben, dat wil zeggen via een stadium met doe dat, so
dat. Dit is echter niet juist. Wanneer doe en so cum suis geregeld gecombineerd worden met dat, in het vroege Middelnederlands soms en in het latere
Middelnederlands pas vaak, hebben zij al lang de mogelijkheid om (zonder dat) als onderschikkend voegwoord op te treden. In het
Oudnederlands werden ze niet met dat gecombi- | | | | neerd. Hun weg naar voegwoordelijk gebruik is een heel andere geweest,
onder andere via zinnen met twee keer (correlatief) doe,
so enzovoort: dat zijn constructies die in de Leidse Willeram schering
en inslag zijn. In het Vroegmiddelnederlands worden ze ook nog wel vaak
aangetroffen: doe si voor dat cloester quam doe vant si die
poorte open staen. Restanten van deze constructie manifesteren zich
in het verdere Middelnederlands nog door de zogenaamde expletieve elementen
so, doe enzovoort (zie boven). Het procédé waarmee in
het latere Middelnederlands (en nadien) voegwoorden ontstaan, is bepaald
anders, namelijk via woordformaties met dat, als en of(à la terwilen dat, so drade als). De
toevoeging van dat na doe en so moet daarom gezien worden hetzij als analogie naar de
talrijke voorbeelden van het type terwilen dat, hetzij als
extra markering van de bijzin, en staat dus op één lijn met de toevoeging
van dat bij wie, want, hoe, daar
enzovoort (vergelijk Schröbler 1982: 458; Mitchell 1984).
Het oude bijwoord en onderschikkend voegwoord bedi
verdwijnt in de loop van de Middelnederlandse periode; en/ende als onderschikkend voegwoord wordt schaarser en zijn betekenis
beperkt zich meer en meer tot ‘indien’ (Paardekooper 1993a); nevenschikkend
of / ofte en onderschikkend of / jof
vallen vormelijk samen (Duinhoven & Riem Vis 1986; Mulder 1991); want blijft ook in het latere Middelnederlands
combineerbaar met zowel hoofdzinsvolgorde als bijzinsvolgorde; hent (‘totdat’) houdt moedig stand.
| |
4.6.13. Samentrekking
Bij samentrekking in het Middelnederlands valt op dat de regels naar het
schijnt anders zijn dan tegenwoordig. Met name de volgende twee types hebben
de aandacht getrokken: samentrekkingen waarbij het element waarop
samengetrokken is, in voor- en nazin niet syntactisch gelijk is, en
samentrekkingen die schijnbaar tussen een bijzin en een hoofdzin
plaatsvinden; so dat hi hem rovede/ die meeste helt vanden
hovedel/ ende viel doet uten ghereide (N.B. het geïmpliceerd
subject van viel is de ‘hem’ uit de voorzin); van sinre scoenheit es boven mate te sprekene ende es onseggelike;
so dat si dat habijt altemalen wttoech ende leydet opt
outaer voer onser liever vrouwen beelde; dat sie
scoen/ ghemaect hebben, die si aendoen/ ende bindense an hare been;
dat dese ruter krygen souden ende brenghen se tot
Utrecht (N.B. dese is subject en ruter is object; se verwijst terug naar ruter); sy mosten eerst the huys varen ende gevent
hoer vrienden te kennen; mer hy woude syn huysfrou geern ontbieden ende
segghent hoer (Van der Horst 1981b; Weerman 1988; Van Gestel en
anderen 1992: 201-220).
|
34Goossens zegr bijvoorbeeld dat ‘die Komplexität der
sprachhistorischen Wirklichkeit (vereinfacht wird): Ausnahmen werden
nicht besprochen, auf sprachgeographische Diversität wird nicht
eingegangen...’ (Goossens 1974: xi).
35Niet in Goossens (1974), maar in een van hem door de
Leuvense Universiteit onder de titel Inleiding tot het
Middelnederlands (klankleer) uitgegeven syllabus. N.B. [üe]
en [öü] ontbreken in het daar afgedrukte systeem.
36Devos & Taeldeman (1974: 38) zijn
van mening dat ‘de systematisch verkorte lange gesloten
monofcongen i, y en u slechts fonetisch kort zijn.
Aangezien zij echter dezelfde distributiekenmerken
hebben als de vokaalfonemen die nog fonetisch en
fonologisch lang zijn, wensen we ze toch nog tot het
lange vokalensysteem te rekenen’. Dat lost echter het
door Goossens aangesneden probleem niet op.
37Deze zal wel als een allofoon van
de /o/ beschouwd mogen worden.
38Interessant is ook de bedenking in verband met de manier waarop
taalverandering zich voor kan doen en verklaard kan worden die Van
Marle hieraan vastknoopt: ‘Als de hierboven geschetste benadering
juist is (en mijns inziens is ze dat, RW) dan illustreert het
wegvallen van het gerundium in het Mnl. dat taalverandering, zoals
zo vaak het geval is, niet noodzakelijkerwijs primair wordt gestuurd
door eigenschappen van het abstracte regelsysteem (i.c. de
grammaticale systematiek), maar door de, vanuit taalsystematische
optiek bezien, min of meer ‘toevallige’ eigenschappen van ‘de
output’ van dit systeem’. (Van Marle 1994: 21)
39Deze mening
wordt overigens gedeeld door Taeldeman (1982: 286).
40Dit geldt hier, zoals bij alle anderen,
echter met uitzondering van de diftongering die in 4.5.7. ter sprake
komt.
41Zie ook de bespreking in 5.2.1.3.
42‘On the contrary, the reaction of the
native Hollander to the southern immigrants seems consistently to
reflect feelings of envy, contempt and scorn rather than respect and
admiration.’ (Howell 1991: 68)
43Het is overigens vreemd hoe
weinig aandacht besteed wordt aan de rol van de Vlaamse immigranten, die
de diftongering met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet
kenden en er toch zeker voor moet hebben gezorgd dat diftongische
uitspraak niet als een kenmerk van ‘de’ zuidelijke immigranten kon
worden beschouwd.
44Dit omwille van meer
maskerende grafieën.
45Dit corpus bevat ongeveer 1500 charters van 1301 tot 1400,
afkomstig uit Drenthe/Groningen, Overijssel, Gelderland, Utrecht,
Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord Brabant en Belgisch Limburg. Er
ontbreken dus West- en Oost-Vlaanderen, ‘Belgisch’-Brabant (inclusief
Antwerpen), Zeeland en ‘Nederlands’ Limburg.
46De opmerking op p. 16 ‘The diphthongization did not
originate... in Brabant and Flanders’ is daardoor wel heel erg
boud.
47Eigenlijk is dat soort dateringen hogelijk
verbazend; dat een ontwikkeling die in Picardië in de 12e eeuw
plaatsvindt in dezelfde eeuw nog de grens over kan steken en een vreemde
taal zo aantasten dat ze bijna onmiddellijk veralgemeend optreedt en wel
in die mate dat het gebied vrijwel onmiddellijk daarna zelf expansief
naar andere dialecten optreedt, lijkt mij in tegenstelling te zijn tot
elk rationeel denken over taalverandering en de manier waarop die zich
verbreidt.
48Hoewel
Ryckeboer het verder uitsluitend over de ui heeft, is
het duidelijk dat ook aan de diftongering van de Mnl. i een fase van ‘Senkung’ moet zijn voorafgegaan.
49Het blijft toch
altijd een mij zeer intrigerende vraag welke ‘minder beschaafde kringen’
in die tijd dan wel konden schrijven en het ook hebben gedaan.
|
|