De periode van 1550 tot 1650 is al veelvuldig bestudeerd en beschreven, vaak weer met nieuwe inzichten en benaderingen. Het is dankzij het grote aantal studies op dit terrein mogelijk een globaal overzicht te geven van de belangrijkste veranderingen die in het taalgebied met al zijn variëteiten toen plaatsvonden en de standaardisering van het Nederlands kenmerkten of begeleidden. Het overzicht blijft echter meer een weergave van de resultaten van het onderzoek met betrekking tot het zich ontwikkelende klankstelsel van het ‘Nederlands’ dan een precieze weergave van de toenmalige zeer gevarieerde en zich telkens veranderende realiteit. Voor wij deze veranderingen aan de orde stellen, willen we een beknopte schets van de beoefening van de historische klankleer geven.
Op het begin van de ‘moderne’ historische linguïstiek26 in de 19e eeuw, met het vastleggen van gegevens en de ontwikkeling van de klankwetten, volgde een periode waarin de resultaten in talrijke handboeken en overzichten werden verwerkt. Deze handboeken worden nog steeds geraadpleegd, maar nieuwe stromingen in de taalkunde hebben tevens gezorgd voor nieuwe wijzen van waarnemen en beschrijven van de verschillende taalfasen. De onderzoeksmethode in de eerste periode berustte vooral op de comparistiek en gebruikte deze bij de oplossing van problemen op fonologisch en morfologisch terrein om de ontzaglijke reeks gegevens te verwerken. De volgende fase (eind vorige, begin deze eeuw) bracht de interne reconstructie, die mede het verdere verwerken van de gegevens uit vroegere taalfasen vormde. De periode die daarop volgde combineerde de uitgebalanceerde onderzoeksmethoden met typologische en later met sociolinguïstische onderzoekingen. Met name de sociolinguïstiek heeft het taalsysteem uiteindelijk weer nadrukkelijker aan mensen gekoppeld: de verandering van klanken in een systeem is niet puur klanktechnisch te verklaren: klanken worden gerealiseerd door mensen, groepen taalgebruikers met onderlinge loyaliteiten en met de keus uit verschillende spreekregisters. Daardoor konden oudere noties als golftheorie en expansie nauwkeuriger worden bestudeerd. Ook voor de beschrijving van de groei naar standaardisering van het klanksysteem voor de periode 1550-1650 is een aantal sociolinguïstische uitgangspunten van belang. Een al te strenge scheiding van in-
terne en externe taalgeschiedenis, of een tweedeling in autonome taalkunde en geschiedenis van de taalgemeenschap, zou aan een verantwoorde beschrijving van deze periode afbreuk doen.
Historisch taalkundigen hebben zo langs verschillende wegen getracht zich een beeld te vormen van de toenmalige klankverhoudingen. Daarbij combineerden zij waarnemingen, verkregen door onder meer:
| - | de kennis van de fonetiek en fonologie; |
| - | de kennis van schrijftaal en spreektaal en hun wederzijdse beïnvloeding, waarbij rekening wordt gehouden met de sociale gelaagdheid van de bevolking; |
| - | het volgen van de diachrone lijn van het Indo-europees tot aan het hedendaagse Nederlands en zijn dialecten; |
| - | taalvergelijking; |
| - | de specifieke kennis van het Middelnederlands en Vroegnieuwnederlands, dat wil zeggen van de streektalen in vroegere tijd; |
| - | het bestuderen van literaire en later ook niet-literaire teksten, met speciale aandacht voor rijmparen, schrijf- en zetfouten, hypercorrecties en dergelijke; |
| - | de discussies van grammatici uit de 16e en 17e eeuw over spelling en uitspraak uit die tijd.27 |
Met ‘spelling en uitspraak’ zijn wij aan een cruciaal punt met betrekking tot dit tijdvak en dit onderwerp gekomen: wij kunnen pas over klanken en klankveranderingen spreken, als wij een goed inzicht in de toenmalige spelling hebben. Voor het tijdvak 1550-1650, het Vroegnieuwnederlands, hebben wij immers in rechtstreekse zin alleen de beschikking over de geschreven taal; via teksten en commentaren moeten wij dus zicht zien te krijgen op de daadwerkelijke realisering van de lettertekens oftewel op de verhouding klank-teken. Daarbij zijn de discussies en getuigenissen van de literaire en grammaticale bronnen een onmisbare steun.
De situatie in de 16e eeuw was er een van vrij intensieve handelscontacten en politieke en religieuze contacten, waardoor de leden van de verschillende taalgemeenschappen deelnamen aan streek- en dialectoverstijgende activiteiten. De Hollandse steden bezaten in die periode de economische en politieke macht om hun cultuurdialect een grotere invloed te geven. De Hollandse elite, nieuw opgekomen, onwennig nog in het prestige dat hun toeviel, had op haar beurt nog groot respect voor de Brabanders en hun cultuur. Dat blijkt uit alles: van denigrerende
opmerkingen tot onverbloemde eerbied rijken de opmerkingen jegens de Brabanders (en ook Vlamingen), van eerlijk bewustzijn hoe ‘bot’ het Hollands nog was en hoe blij men kon zijn met de ‘inwijkelingen’ uit het zuiden, tot opscheppen over hoeveel zeggingskracht de Hollandse taal door haar ‘kortheid’ had en afgeven op het al te zwierige Brabants en Vlaams. De hier genoemde dialectgroepen, die geografisch en qua invloed het meest betrokken zijn geweest bij de vorming van de standaardtaal, noemt men wel de centrale dialecten.
De verheffing van de volkstaal, de plaats die deze moest innemen in stad en staat en in alle gemeenschappelijke gebieden daarin, de beregeling en normering die daarvoor vereist waren (zie 5.2.4.), dat alles vormde overigens in de besproken periode voornamelijk een zorg voor de ‘liefhebbers’ van onze taal. Dwingen konden de ‘taalbouwers’28 niet, ook andere maatschappelijke factoren oefenden invloed op de taalontwikkelingen uit. Bovendien was de diversiteit aan spreektaal niet direct om te smeden tot een prestigevariant die in de gehele Republiek, laat staan in het taalgebied als geheel, een hoge mate van homogeniteit zou kunnen bereiken. Als eerste noodzakelijke (politieke) stap op weg naar eenheidstalen werd in verschillende centraal bestuurde West-Europese landen dan ook het streven naar eenheid in de schriftelijke taal gezien. Als men eerst maar één schrijftaal had, dan had men tenminste een gemeenschappelijke grond om op te staan. In de Republiek met haar gewestelijke soevereiniteit was dit streven echter nog in aanmerkelijk geringere mate aanwezig (zie 5.1.1. en 5.1.2.).
De geschreven taal voor algemeen gebruik bleef in eerste instantie beperkt tot een heel klein deel van de bevolking: niet het ‘gewone’ volk dat dialect sprak en soms ook kon schrijven, en niet het hof en de adel, die Frans georiënteerd waren, maar de breder opererende boven- en middenlaag van vooral de Hollandse steden, redelijk ontwikkeld en werkzaam in bestuur, handel en nijverheid (zie hierboven overzicht (5.5) ‘Klassen, loyaliteiten en vorming in de Republiek’ onder 1a en 1b). De Hollandse dialecten begonnen door deze ontwikkelingen, maar waarschijnlijk nog meer door de invloed van de schrijftaal, verschillen te tonen met het in de steden, met name in Amsterdam, opkomende beschaafde Hollands en werden daarmee op den duur - net als de andere dialecten - een ‘verkeersmiddel in de ondercultuur’ (Weijnen 1966: 51).
Algemeen werd in de hierboven aangeduide kringen de noodzaak gevoeld tot een beregeling van een en ander te komen en gezaghebbende auteurs, zoals later Hooft en Vondel, te hebben, die de taal konden verrijken en navolging zouden krijgen.
De wens daartoe is ver voor de bekende pleidooien van onder meer Van Heule al te vinden in Johan Radermachers aanzet tot een grammatica uit 1568.29 Men kan wel stellen dat naast (en via!) de literatoren schrijvers van orthografieën en grammatica's, en vertalers en drukkers een moeilijk te traceren, maar niet te onderschatten invloed hebben gehad op het verloop van het proces van standaardisering. Maar daarover straks meer.
Waar voor het Middelnederlands het dialect praktisch gelijk met gesproken taal staat (Weijnen 1966: 21), waarbij men in het verkeer met dialectsprekers van elders lokale verschillen laat vallen, komt in de loop van de 16e eeuw dus een streven op naar een algemene, beschaafde taal, die haar basis vindt in de schrijftaal; mèt Hellinga kan men spreken van een ABS, een Algemeen Beschaafde Schrijftaal (Hellinga 1968: 268, 276). Die schrijftaal is, zoals uit het bovenstaande naar voren is gekomen, Zuidnederlands getint beschaafd Hollands.
Gedurende de Middeleeuwen waren de woorden fonetisch gespeld, waardoor de spelling net als de gesproken taal per dialect, streek en schrijver verschilde, al zien we ook al tamelijk vast regionaal spellinggebruik in scriptoria en kanselarijen ontstaan. In de 16e eeuw ging men de systematiek voorop stellen en streefde naar behoud van hetzelfde woordbeeld, bijvoorbeeld in inclinaties als kheb - ik heb en metten = met den. Een dergelijk spellinggebruik werkte woordreductie tegen en bevorderde spellinguitspraak.
Met betrekking tot het grammaticale kader waarbinnen de auteurs werkten moeten wij uitgaan van de humanistische grammatica, de overlevering van het klassieke beschrijvingsmodel. Deze klassieke grammatica hanteert het begrip littera, letter, als een begrip met een onderverdeling in:
nomen, de naam van de letter (a, be, ce);
figura, het letterteken;
potestas, de fonetische waarde of klankwaarde.
Het is een indeling die bij het achterhalen van het klanksysteem voor ogen gehouden moet worden. Vooral het onderscheid van klank(waarde) en teken is voor ons van belang. In die klankwaarde lag de weg naar eenheid besloten: het letterteken vormde het vaste voornemen daartoe, in de woorden van de Twe-spraack (1584: A4r): de spelling is als een grondvest (...) van een welgheboude spraack.
Voor de spelling was men aangewezen op de Latijnse orthographia, die men zo goed mogelijk op de volkstaal toepaste. Daarmee wordt de inschatting van de fonetische waarde van de letters niet per se eenvoudiger, want ook de precieze realisering van de Latijnse letter valt niet gemakkelijk te bepalen.
De grammatici gebruikten bij de beschrijving van de letter niet alleen de spraakklanken, maar ook andere klanken en geluiden (akoestische methode), zij vergeleken de spraakklanken met die uit andere talen (vergelijkende methode), of zij omschreven de wijze waarop de klank gearticuleerd wordt (genetische methode). Als wij daarbij de rijmposities, verschrijvingen en notaties van voorgaande en volgende klankperiodes betrekken, dan kan toch een zeker inzicht in het klanksysteem dat men begon te gebruiken, bereikt worden.
In het zoeken naar gemeenschappelijkheid en beschaafde taal is de geschreven taal als gemeenschappelijke grond gevoeld, èn als uitgangspunt, zoals onder meer blijkt uit de opmerking in de Twe-spraack (1584) over het feit dat
[...] de Zeewen niet te beschuldighen zyn als zy Jaet maet qualyck uyt spreken. dewyl wyt al t'samen qualyck schryven. (p. 35)
De discussie over de algemene schrijftaal wordt, evenals de verschillende schrijfconventies die er feitelijk per regio bestonden, zichtbaar in de verschillende spellingtraktaten die er in de periode 1550-1650 verschijnen. De eerste opbouwperiode culmineerde in de genoemde Twe-spraack (1584), waarin de Amsterdamse Kamer poogde het spellen (...) des Nederduitschen taals (titelblad) een aanvaardbare grondslag te geven. Wat hield dit in? De ‘Toe-eyghenbrief’ spreekt van een zo fonetisch mogelijke spelling, maar nochtans in zich selven eenpaartigh en ghelyckformigh (A4V), dat is ‘regelmatig’ en ‘gelijkvormig’. De fonetische spelling had haar monopoliepositie verloren. Men moest krabt schrijven omdat het van krabben komt. Ook streefde men naar meer consistentie tussen klank en teken in de beschaafde taal, onder meer bij de spelling van de lange vocalen: de verlenging door toevoeging van e of i werd vervangen door het ‘dubbeld schryven’ van de korte vocaal.
Wat niet bediscussieerd wordt in de Twe-spraack is de aansluiting bij het Latijnse alfabet vanuit de wens byt oude te blyven (25), en daarmee zit men algemeen met het probleem dat een taal als het Nederlands een andere fonologie heeft dan het Latijn, waardoor het fixeren van klanken in lettertekens een lastige, verschillend op te lossen zaak wordt, gesteld al dat men het over dezelfde klanken heeft. De keuzes die de Oude Kamer maakte hangen samen met de reeds gevestigde (Zuidnederlandse) schrijftraditie, de uitspraaktraditie van het Latijn en met de richtlijnen en besprekingen van vooraanstaande geleerden. In zijn Inleiding tot de Twe-spraack wijst Dibbets (1985: 326-vv) op de invloed van Goropius Becanus als grote inspirator (zie Twe-spraack A2vo) en Erasmus als kenner bij uitstek van de orthographia (De recta Latini (...)). Voorts kenden de Amsterdamse auteurs van de Twe-spraack -en zij niet alleen - ook veel literatuur op dit gebied in andere landen.
Dibbets geeft aan dat de negatieve reacties op het een-op-een-tekensysteem van de Fransman Ramus er de Amsterdammers zeker van heeft weerhouden te ver af te wijken van de traditie (Inleiding, 331). Spellingwerkjes als dat van Sexagius (1576), bedoeld om vast in het Nederlands de spelling van het Latijn goed te leren en dus de lettertekenuitspraak volkomen aan de Latijnse uitspraak van toen te laten aansluiten, hebben zeker nog extra bijgedragen tot aansluiting bij de Latijnse traditie.
Lambrecht (1550) is een van de bronnen van de Twe-spraack (Inleiding, 341/2) en natuurlijk geldt dat ook voor Pontus de Heuiter, aan wiens werk uit 1581 de auteurs van de Twe-spraack een aantal voorschriften hebben ontleend. Daarnaast moeten we niet vergeten dat de Latijnse grammatica van bijvoorbeeld Valerius toentertijd een zeer veel gebruikte grammatica was, hetgeen ook zijn invloed deed gelden.
Samenvattend kunnen wij stellen dat de auteurs van geschriften die gezag genoten op spellinggebied, zoals zeker met de Twe-spraack het geval was, qua gebruik en beschrijving van lettertekens aansluiting zochten bij de Latijnse orthografieën, en Erasmus' aanwijzingen omtrent de lettertekens en dat zij de bijbehorende uitspraak ter harte namen bij de notatie van Nederlandse klanken. Extreme pogingen tot een één-op-één-systeem of zelfs een puur fonetisch schrift konden eigenlijk al niet slagen, omdat de verscheidenheid van uitspraak zich moeilijk liet combineren met die andere wens: een zuivere weergave van de klank. Hoe zuiverder men immers de gesproken klanken zou weergeven, hoe minder de droom van een eenheidstaal bewaarheid zou worden.
Het standaardiseringsproces vond plaats vanuit de elites in de Hollandse steden. In die steden werd een Hollands in verschillende variëteiten gesproken dat meer naar elkaar toe trok dan het geval was met de naaste (plattelands) omgeving. Globaal bezat het Hollands klankeigenaardigheden die het weer onderscheidden van de taal in andere gewesten. Wij doelen hier dan op klankverschillen, die rijm onmogelijk maakten of de klank in de nabijheid van een foneemrealisering van een ander dialect brachten, homoniemen veroorzaakten en in ieder geval over een groter gebied hun verspreiding hadden.
Het standaardiseringsproces wordt over het algemeen beschreven aan de hand van bepaalde kenmerkende klankverschuivingen, die de opkomende standaardtaal doen verschillen van de Hollandse dialectvariëteiten van de lagere sociale klassen en een nieuwe verhouding kweken tot de andere zogenaamde centrale dialecten, het Vlaams en het Brabants. De nieuwe klanken konden best in een van de streektalen al bestaan: dan vielen de klanken samen. Soms kende men die realise-
ring nog niet, dan was er sprake van een nieuwe foneemrealisering. In aansluiting op die gewoonte is ervoor gekozen vanuit de opmerkelijkste klankveranderingen de nieuwe fase van het Nederlands te benaderen. Daarbij maken wij, waar mogelijk, gebruik van diverse schema's van klankontwikkelingen.30
De Middelnederlandse dialecten kenden een korte, dat wil zeggen ongespannen a ([α]), die al vanaf de Oudnederlandse fase in open lettergrepen gerekt werd. Deze gerekte vocaal viel in de zich ontwikkelende standaardtaal in Holland wegens te kleine verschillen samen met de vanouds lange, gespannen â (die in West- Vlaanderen, ten tijde van Maerlant, zeker voor de r als [æ] geklonken heeft: bij Maerlant rijmen beide a's dan ook op elkaar). Wellicht heeft de klank in een groot deel van Holland (zie Van Bree 1987: 115) een æ-achtige realisering gehad. Dat laatste was overigens ook het geval in Zeeland; in andere dialecten ging het meet de o-kant op.
In Amsterdam ontwikkelde zich uit deze lange a-klank een heldere aa ([a]). Thans zijn we het geluid in Amsterdam wat donkerder gewend (meer oa-achtig), maar de heldere aa, die de geleerden behoorlijk heeft beziggehouden,32 werd in datzelfde Amsterdam een deel van het klanksysteem dat zich verwijderde van het plaatselijke dialect en een eigen leven ging leiden als Beschaafd Hollands, later A(B)N geheten.
Het is overigens niet zozeer de helderheid, zo moeten wij achteraf opmerken, die de aa tot Hellinga's ‘kenmerk van stand en deftigheid’ maakt, maar de distinc-
tie ten opzichte van andere realiseringen. De beschaafde Middelburger prefereerde immers weer de uitspraak jòar boven het jaer van het verdere Zeeuwse dialect, zoals Hellinga zelf aanhaalt (uit Te Winkels Inleiding (...)).33 En misschien nog meer hebben wij te maken met aansluiting bij de schrijftaal, waarin beide a's uiteindelijk hetzelfde teken hebben. En tot slot moeten wij er zeker rekening mee houden dat er vele klankverschillen achter één spelling, in dit geval de a(a), schuilen, waarmee de eenheid dus nog een overwegend schriftelijk karakter zal hebben gehad.
Over de precieze klankwaarde van die a(a) kunnen wij natuurlijk de oude taalbeschrijvers en grammatici raadplegen. Van Erasmus weten wij dat hij een voorkeur had voor de Italiaanse aa: een heldere aa, die articulatorisch omschreven wordt als te produceren met een wijdopen mond, de tong recht en vrij in de mond, dus niet tegen het verhemelte of tegen de tandkassen of tussen de tanden gedrukt, de lucht diep uit de luchtpijp komend naar het verhemelte.34 Lambrecht (1550) (‘wat wydachtigh ghapende’ en ‘de tonghe los’), De Heuiter (1581) en de Twe-spraack (1584) volgen, zoals Dibbets (1985: 379) en Hellinga eerder (311vv) laten zien, Erasmus. Over de lengte komen wij weinig aan de weet.35
Gezien het gezag dat de Twe-spraack genoot, is het niet verwonderlijk dat de heldere aa vaste voet heeft gekregen in de ‘beschavings’gedachte, in weerwil van de alom vertegenwoordigde æ-sprekers (en spellers), die overal hun woordje hierover doen. De ‘volle ende harde uytsprake vande dobbele aa’ (Ampzing) was eerst en vooral een Amsterdamse klank binnen de beperkte kring der beschaafd sprekenden. In en rondom Amsterdam komt men de aa aanvankelijk niet tegen, maar de aa-spelling en in haar kielzog de [a] wint het op den duur van het te dialectisch gevonden æ of e, en ook å aan de andere kant. Het is het gevolg van de prestigewerking van de taal van een kleine machtige bovenlaag in de steden. Tot in de 17e eeuw had het Hollands voor het overige de reputatie een ‘blètende’ taal te zijn, om met Ampzing te spreken: de mensen die wèt tegen wat zeiden.36 Welke klank bij de vele discussianten achter de spelling aa of ae schuilging, daaraan wagen de meeste onderzoekers zich niet echt. De overwinning van de heldere aa staat echter vast en men is het erover eens dat de spelling daar zeker toe heeft bijgedragen.
De beschaafd Hollandse aa werd geleidelijk door sprekers van andere dialecten
overgenomen en werd qua spreidingsgebied deel van een algemener gehanteerde uitspraak, die van de standaardtaal. Toch kent men nog steeds het verschil tussen deze twee lange aa̓s: niet alleen in de dialecten (het Noord-Hollands bijvoorbeeld), maar ook in de standaardtaal als een Groninger die spreekt.37
De Middelnederlandse monoftongen [i], [y] en ook [u] worden in het zich ontwikkelende A(B)N tot diftongen. Dat gaat niet zomaar ineens: er moet eerst een tweetoppige uitspraak zijn geweest, dus een [i] met een j-klankje erachter. Daarna volgt een dissimilatie (uiteengroeien) van beide elementen en de slotfase is een tweeklank: de wiin [wi.n] is zo uiteindelijk de moderne wijn geworden, en de muus werd onze muis, met een klankwettige restrictie voor de [r]: geen muir dus. Ook in expressieve woorden als piepen en beduvelen werkte de klankwet niet door en verder is er een aantal niet-gediftongeerde woorden, dat in die vorm vermoedelijk uit gebieden komt waar niet werd gediftongeerd (West-Vlaanderen, Zeeland, Oost-Nederland en Oost-Limburg, zie Van Loon 1986: 103). Voorts moet men bedenken dat dergelijke diftongen daarnaast in andere woorden al bestonden (de reeds aanwezige <ei> en <ui>1).
Achter deze betrekkelijk eenvoudige mededeling, die in ieder geval opgaat voor het A(lgemeen) N(ederlands) van later tijd; gaat alleen al door de grote regionale verschillen een ingewikkelde geschiedenis schuil, waarop wij maar zeer ten dele greep kunnen krijgen. De diftongeringskwestie heeft onder de taalgeleerden talloze discussies teweeggebracht en niemand zal beweren dat de rust die er ten aanzien van deze kwestie is neergedaald, er een van eensgezindheid of zekerheid is.
Allereerst is daar de kwestie van de plaats van handeling. Het diftongeringsproces vond eerst in Brabant plaats, in de 14e eeuw, en daarna in Holland, waar al vanaf begin 16e eeuw sporen van diftongering te vinden zijn. Dat het proces in Brabant autochtoon was, daarover verschilt men nauwelijks van mening. Maar was de Hollandse diftongering van [i] en [y] nu ook autochtoon of een gevolg van Brabantse expansie? Onbelangrijk was dat verschil niet. Als de diftongen door de Brabanders naar Holland waren gebracht, dan zouden zij via de hogere standen hun beslag in het beschaafde Hollands hebben gekregen. In het andere geval kwam de diftong van onder op en is sprake van een eigen ontwikkeling.
Wellicht is een tussenstandpunt in deze, onder meer verwoord door Van Bree (1987: 127) nog het verkieslijkst: een reeds gevestigde gediftongeerde [i] en [y] in het Brabants, een licht gediftongeerde Hollandse pendant, die doorzette onder Brabantse invloed. Daarmee wordt overigens wel impliciet het idee gesteund dat de diftongering telkens een autonome aanzet had, wat een zekere bevestiging kan vinden in de telkens geconstateerde beginnende diftongering in de gemeenzame taal. Het zou ook kunnen verklaren waarom naar het Brabants betrekkelijk weinig
verwezen wordt. De spreiding van de gediftongeerde ij heeft plaatsgevonden vanuit Amsterdam, zoals uit de realisering van de klank in de verschillende dialecten dichter bij en vender van Amsterdam op te maken valt.
De diftongering is een zogenaamde vrije variatie: zij wordt niet veroorzaakt door de directe klankomgeving, zoals de alternanties in het verleden-tijdsuffix (-de/-te) of de langere klinkervariant voor de r. Nu nog, maar in de opbouwtijd van het Nederlands zeker, had de klank daardoor een duidelijker sociale significantie. De discussies in de toenmalige kringen van taalliefhebbers waren dan ook niet van de lucht. Theoretisch bleven vele taalbeschouwers - tot zelfs Bilderdijk toe38 - de mening toegedaan dat de ij een dubbele i was, zoals ook de grammatici uit de 17e eeuw hadden geschreven. De laatsten vermeldden daarnaast als naam van de letter een aantal malen oy, oije en dergelijke (zie onder meer Ampzing en Van Heule 1625), wat op diftongering lijkt te wijzen.
Afgezien van enige verwarring over de interpretatie van het laatste komt uit de vele opmerkingen daarover het beeld naar voren dat diverse taalbeschouwers èn taalgebruikers uit de 17e eeuw bezwaren hebben gehad tegen de gediftongeerde uitspraak van [i, y, u] en in het verlengde daarvan de ai-uitspraak van de ei. Daardoorheen valt ook een discussie over de spelling van deze klanken (<ii> of <ij>, <uu> of <ui>) te lezen. De sociale gevoeligheid rondom de diftongering heeft waarschijnlijk ook voorkomen dat de diftong zo ver ging als in sommige dialecten of in het Duits of Engels.
Als er bezwaren zijn tegen een bepaalde uitspraak, dan mogen wij ervan uitgaan dat die uitspraak er is. Neem nu de gediftongeerde realisering van de [i]: al Erasmus (1528: 53)39 vermeldt de uitspraak, maar dan als Brabants. De Twe-spraack (1584: 20) heeft het over enighe zonderling in Braband die een uitspraak in de richting van een ei bezigen. Voor Ampzing (1628) was de ii/ij nog een monoftong, voor Van Heule (1625/1633) eveneens en wellicht geeft Ten Kate een goede tussenstand uit 1699 als hij de ij omschrijft als een ‘zachte e, die onmiddellijk tot de i overgaat’ ( Verhandeling over de klankkunde ). Hij plaatst een en ander overigens wel in het stedelijke gebied bezuiden het (gediftongeerde?) Y en geeft ook aan dat de beschaafde Amsterdammer de monoftong ii hoog in het vaandel zou moeten blijven dragen, iets dat onder meer Vondel ook nastreefde. Een betrekkelijke zekerheid is dat omstreeks 1700 woorden als hei en zei rijmen op hij en zij. De verschillende dialecten bleven natuurlijk juist in de klankkleur aanwezig, vergelijk
het Amsterdamse bleycken naast het Haarlemse bliecken (Westerbaen: 1655).
De gediftongeerde [i] rukte onverbiddelijk op in het 17e-eeuwse Hollands en de spelling speelde daarbij op den duur ook een ondersteunende, zo niet sturende rol. De tegenstand van beroemde taalkundigen en dichters, die zich hielden aan de deftiger uitspraak î, zoals in het middeleeuwse Brabant bepaalde bovenlagen dat ook gedaan hadden, geeft ook de moeilijkheid bij het beschrijven van het Vroegnieuwnederlandse klankstelsel aan: de diverse taallagen hebben een eigen tijdpad.
De realisering van [i] en [y] bewoog zich met deze ontwikkeling echter in de richting van de al bestaande <ei> en <ui>2, die op hun beurt blijkens diverse bronnen en getuigenissen in vele gevallen gedissimileerd waren geraakt tot ai- en oiklanken. Deze al te ver gaande dissimilatie werd door de beschaafd Hollands sprekenden als een onbeschaafde klank ervaren en teruggedrongen, en kwam daarmee in de onmiddellijke nabijheid van de nieuwe diftongen. Zo vielen die twee paren diftongen onder druk van een groeiende gedisciplineerde uitspraak uiteindelijk samen. De onderscheidene schrijfwijzen houden de herinnering aan deze geschiedenis levend en heeft tot nu toe de bedoeling gehad de aanwezigheid van te veel homografieën te vermijden.
Het is, suggereert Van Bree (1990: 248), beter de diftongering van de [i] en de [y] als verruiming van de invoer van eenzelfde verschijnsel te zien, als één klankwet te beschouwen voor twee klanken die de kenmerken +hoog en +voor hebben. De diftongering van de [u] is ouder en heeft betrekking op de niet-gepalataliseerde Onl. [u] voor een velair of w: berouwen. Aangezien dit ook in het Westmiddelnederlands gebeurd is, kwam deze diftongering eveneens in het A(B)N. ‘Nieuwe’ u- realiseringen als in boec, groen deden hieraan niet meer mee en werden waarschijnlijk dus nog als gesloten [o] of met een kleine naslag gerealiseerd (Van Loon 1986: 105). Ook Hellinga (1968: 41vv) wijst op de betrekkelijk late verschuiving van de [o].
Bezien vanuit de structurele samenhang van het klanksysteem is het wonderlijk dat bij de diftongering van de [i] geen merkbare homonymievermijding is geweest. Dat was, behalve een hedendaagse verwachting, namelijk ook het bezwaar van onze oude grammatici, maar omstreeks 1700 moeten de gecultiveerde ai/oi en de gediftongeerde [i] en [y] toch wel ongeveer zijn samengevallen. Het brengt Hellinga (1968: 419) tot de opmerking dat het klanksysteem van het beschaafde Hollands veel eenvoudiger was dan dat van de volkstalen, dat ruimer gezegd in het algemeen bij de standaardisering van een taal veel ‘zinloos’ fonetisch materiaal geweerd wordt. Na de schets van het ontstaan van de heldere gestrekte aa en die van de matiging van de diftongen kan men hem nauwelijks tegenspreken (zie onder meer Van Bree 1987: 66).
De veelvormige werkelijkheid van de streektalen, waarbinnen allengs het A(B)N werd gestuurd en gekoesterd, hoefde in de 17e eeuw overigens nog weinig
homonymievrees te hebben, want nog in 1679 moppert Oudaen over de toenemende diftongering, waardoor <ei> en <ij> samen dreigden te vallen. Hij prijst in zijn Lykgedachtenis van Vondel 40 Vondel, omdat deze niet behoort tot de dichters die basterdyen produceren die
Dit laatste vestigt ook nog eens de aandacht op de sociale acceptatie. De diftongering heeft ondanks alle bezwaren in het ontstaansgebied in de 17e eeuw verder doorgezet en de gematigd gediftongeerde klanken zijn zo deel geworden van het Algemene Nederlands, maar niet zonder strijd en niet zonder weer een verdere afstand te kweken tot verdere dissimilaties in de dialecten en monoftongen om Amsterdam en om Holland heen. Ook deze verandering werd door alle taalliefhebbers weer uitbundig bediscussieerd, maar met enigzins andere argumenten, want in tegenstelling tot de aa werd deze verandering terughoudender bejegend, zeker door de beschaafd sprekende kringen.
In de heldere aa mondden eerder samengevallen klanken uit. De diftongering had er al voor gezorgd dat de nieuwe diftongen <ij> en <ui> op den duur samenvielen met de reeds bestaande diftongen.
Er zijn echter nog meer klanken gaan samenvallen op de weg naar een eenvoudiger klanksysteem (convergentie). Zo was er een verschil tussen de scherplange ê (<ai), veelal geschreven als <ee>, en de zachtlange ē, gespeld <e>, die door rekking uit [ε] of [ i ] was ontstaan. In het Middelnederlands (Vlaams) rijmden deze klanken niet op elkaar. In het latere Hollands, hoewel niet in alle Hollandse dialecten, waren deze klanken al samengevallen: voor de Twe-spraack is er geen verschil meer tussen hêlen ‘genezen’ en helen ‘verbergen’, maar het zijn woordonderscheidende klanken geweest, zoals grammatici als Van Heule ook aangeven. De spelling van De Vries en Te Winkel heeft dit onderscheid in de vorm van <heelen> en <helen> voor het latere AN nog kunstmatig instandgehouden. Schönfeld (1964: 76) spreekt van een ‘onechte diftong’ ê (<ai), met als varianten [εǝ], [eǝ] of [iǝ], wat in ieder geval aansluit bij het gien, miest voor ‘geen, meest’ in Hollandse kluchten en daarnaast in het Vlaams, Brabants en Zeeuws. Deze klanken werden in de beschaafde taal gemeden en gerealiseerd als [e].
De Germ. ē en ō bleven in de kustdialecten lang bewaard, veel langer dan in de meer naar binnen gelegen dialecten, die in het Middelnederlands al diftongen kenden ([iǝ] en [uǝ], wat de spelling <ie> en <oe> zou kunnen verklaren). In het AN zijn zij respectievelijk [i] (geschreven <ie>) en [u] (geschreven <oe>) geworden. Over de <oe> (Vlaamse spelling <ou>) is veel geschreven.41 De verdieping van de ō is onder meer uit de spelling <ue> af te lezen, maar de eenheidsspelling <oe> is er een die, afkomstig uit Brabant, samenhangt met de verbreiding via de standaardtaal. Daarmee is echter nog allerminst zekerheid verkregen over de uitspraak, die afhankelijk van het dialect meer naar de [o] of meer naar de [u] toeging.
In de standaardtaal verdween ook het verschil in uitspraak tussen de scherplange ô (<au, waaraan in bepaalde posities de Duitse klank nog steeds beantwoordt) en de zachtlange ō (<ò en ù). De ô is eveneens een ‘onechte diftong’ geweest, ongeveer [uǝ]. Het niet meer worden onderscheiden van de twee klanken (bômen ⇔ gebōgen) gold nog niet voor de Twe-spraack 1584, die aan deze ô de schrijfwijze <ó> meegaf. Dat deden ook andere grammatici, zoals Van Heule (1625, 4). Pas in de achttiende eeuw schijnt het verschil echt weggevallen te zijn. De spelling van De Vries en Te Winkel poogde ook hierin een etymologisch onderscheid te maken door <boomen> en <gebogen> te schrijven. In het Vlaams, Brabants, Zeeuws en enkele Hollandse dialecten is het verschil nog te horen.
De Middelnederlandse diftongen âw, veelal geschreven als <aeuw>, en ou <ou> zijn eveneens samengevallen, hoewel ook later dan in het hier besproken tijdvak. Hier zien wij, net als in de spelling van De Vries en Te Winkel, een poging tot etymologisch onderscheid in de hedendaagse spelling.
De ongestrekte e [ε] en a [α] komen beide voor in het AN, met de eigen herkomst van zuid en noord op de achtergrond. Voor -r moet de klank als æ geklonken hebben, gezien rijmen als bij Vondel star + Jupiter. De schrijftaal was in dit geval gedifferentieerder dan de gesproken taal.
Een ander typisch verschijnsel dat de opkomst van de standaardtaal kenmerkt of op zijn minst begeleidt, betreft het wegvallen van de toonloze of stomme ě, in en aan het einde van een woord, waarbij vooral het laatste verschijnsel (in vaktermen de apocope van de auslautende sjwa) kenmerkend voor de standaardtaal werd. Het verschijnsel kende al een zekere ontwikkeling aan het einde van de Middeleeuwen: omstreeks 1300 was het al waarneembaar in het Hollands, Utrechts, Zuid-Gelders, Limburgs en wat later het Brabants (Van Loon 1986: 97). De uitbreiding in de centrale dialecten leidde ertoe dat het een verschijnsel van het AN werd.
De apocope is het einde van een ontwikkeling die wetmatig is in zwak betoonde lettergrepen, die zich in het Germaans aan het einde van het woord bevinden:
lange klinkers worden korter, de kortere klinkers worden verder gereduceerd tot sjwa (ě), waarna de gereduceerde klank zelfs helemaal kan wegvallen (syncope en apocope). Dat laatste gebeurt natuurlijk alleen in die omstandigheden, waarin de -e geen morfologische waarde bezit of een semantische differentiatie aangeeft (genusdifferentiatie of betekenisverschil), zoals wij bij tal van Laatmiddelnederlandse substantieven kunnen waarnemen: zie bijvoorbeeld putte > put, vrouwe > vrouw. De aan- of afwezigheid van de -e was voordien bepalend was voor de meervoudsvorming (+n of +e in het meervoud), maar steeds meer wordt sjwa+n als uitgang ervaren. Bij de adjectieven verdween de -e waar hij geen duidelijke taak meer had (bijvoorbeeld bij het onbepaalde gebruik van substantieven als in een hovesch(e) wijf).
In het werkwoord konden zo de eerste persoon enkelvoud en de imperatiefvorm afslijten van geve naar geef, terwijl de -e in de verleden tijd van de zwakke werkwoorden bewaard moest blijven om de oppositie met de tegenwoordige tijd aan te kunnen geven (maakte tegenover maakt). De verdwijning van de -e in het enkelvoud en de eerste persoon van respectievelijk het zelfstandig naamwoord en het werkwoord had op den duur ook gevolgen voor de onderscheidende functie van de -n in het meervoud: deze verdween in het westelijke Nederlands met als belendend verschijnsel soms rekking van de korte stamvocaal.
De apocope kent zo nogal wat morfologische condities, waarmee wij in feite in het zogenaamde morfofonologische gebied zijn terechtgekomen, het niet altijd even gemakkelijk in subdisciplines te ontleden samenspel van het klank- en het vormsysteem, waarbij de gevolgen van klankveranderingen voor de vormleer door de morfologie in kaart worden gebracht (zie 5.2.2.). De deflexie is natuurlijk een al veel langer durend proces en treft in mindere of meerdere mate alle Indo-europese talen (zie hiervoor onder meer Van Bree 1990: 176vv); een uiterst opvallende klankwet als de e-apocope markeert echter mede de vorming van het Standaardnederlands.
In het zuidwesten en het noordoosten van het taalgebied bleef de sjwa bewaard, onder fonetisch gezien dezelfde condities als de centrale dialecten hadden. Dat roept toch enige vragen op, bijvoorbeeld hoe de tijdgenoten op deze ook in de geschreven taal merkbare ontwikkeling reageerden. Een korte rondgang langs onze oudste taalbeschouwers en grammatici is enigszins verrassend.
In de 16e eeuw ziet men in de literatuur over het algemeen de niet-geapocopeerde vorm. In de 17e eeuw, waarin de positie van het Hollands ook geprononceerder is en de taalbeschouwers in overgrote meerderheid ook uit het noorden komen, is de situatie fundamenteel anders. De voorkeur van de Bruggeling Simon Stevin voor de noordelijke korte taalvormen houdt verband met zijn stelling dat het Nederlands mede door de vele eenlettergrepige woorden zo'n vooraanstaande plaats inneemt onder de talen in de wereld. In het algemeen zien wij bij de zuidelijke schrijvers de -e meer aanwezig, maar ook zij wisselen soms af.
De Hubert (1624) stelt zich pragmatisch op en zet een apostrof achter vrouwelijke woorden, ten teken dat men eijgentlicker deze woorden met -e zou uitspreken (4) en acht, mits een adjectief is toegevoegd, den goeden God sij lof heel aanvaardbaar.
Ampzing (1628) stelt dat onse Hollandsche sprake... tot verkortinge, ende uytbijtinge der zilben, ende letteren sonderling genegen is: als een vroome vrouwe, ofte vrou; een goede sake ofte saek: voor eene vroome vrouwe: eene goede sake (10). Hij oordeelt dat het eygentlijker ende zierelijker (32) is om de woorden met een -e uit te spreken, constateert vervolgens dat wy Hollanders liever also ingetrocken spreken (32) en dat samenstellingen uiteindelijk totstandkomen vanuit de geapocopeerde vorm (eer-sucht, school-dienst) en geeft zelf geregeld beide vormen aan zonder verder commentaar. Het geeft de Hollandse signatuur van de apocope goed aan.
Van Heule (1625) neemt een duidelijk standpunt in, nadat hij overigens heeft vastgesteld dat men in Holland de woorden zeer verkort, zonder E (116) uitspreekt: hij vindt dat deze verkortingen strijden tegens des spraekx natuyre (117). Daarentegen vindt hij de Vlaamse verbuiging van de infinitief (Loopene, Draegene) weer te ver gaan (117). In zijn grammatica van 1633 zegt hij in de ‘Voor-reden’ het volgende.
‘1. Het gemeyn Spreken, trekt altijt na kortheyt der woorden, en zoetvloejentheyt der silben, en is om des veel-voudigen gebruyx wille den gemeynen ooren alder aengenaemst.’ (A3vo)
Op bladzijde 106 spreekt hij naar aanleiding van de buiging van adjectieven van een kortheid die weliswaar bevallikheyt heeft, maar het in zich heeft eene gansche Tael-verwoestinge te veroorzaken. Het allesoverheersende besef van de noodzaak tot differentiatie weerhoudt hem er dus niet van in de spreektaal de ‘verkorting’ als behorend tot het Hollands eigen in positieve zin te beoordelen.
Kók (1649) gebruikt zelf veelal de geapocopeerde vormen (Ik heb (32), Ik mind (35)) en reserveert de vorm met -e voor de aanvoegende wijs (Ik hebbe (33), Ik minde (35)).
Leupenius (1653) schaart vervolgens de aangenaame kortheid, waarin onze taal groot behaagen heeft (ik leer voor ik leere), onder soetvloeijentheid, althans zo kan men de tekst interpreteren (26/27); in het officiële paradigma van de werkwoorden staat echter weer ik leere, in de samengestelde tijden treffen wij evenwel ik hebb aan. Dat de taalpraktijk voor Leupenius doorslaggevend is, laat hij blijken in de volgende passage:
‘Doch veele naamen worden in het eerste gevall gebruikt met een e op het einde / daar sy de selve gevoeuglyker souden naalaaten / en tot beeter onderscheid in de andere gevallen aanneemen / als soon voor soone (...).’ (39)
De ontwikkeling in de zuidelijke dialecten verloopt anders: zij behouden voorlopig de ě in vrouwelijke grondwoorden en in werkwoordsuitgangen, maar ook daar slijt het naamvallensysteem ongemerkt, getuige de onverbogen vormen na het voorzetsel ‘van’. Ook staande uitdrukkingen en archaïsche taal ondersteunen vooralsnog het aanblijven van de sjwa.
De grote schrijvers en dichters gebruiken dikwijls beide vormen, hetgeen gezien de zuidelijke inslag van de geschreven taal opmerkelijk mag heten. Misschien laat de titel van Coornherts beroemde werk, Zedekunst, dat is Wellevenskunste , in dit verband al goed zien dat de taalbeschouwers en schrijvers zelf al in een vroeg stadium beide vormen gebruikten, vaak ook in dienst van ritmiek en stijl, zoals Van Heule de dichters aanraadt de adjectieven te verkorten als dat nodig is in het waernemen der voeten en in den rijm (146). De gesproken Hollandse vormen waren daar al sedert de Middeleeuwen aan voorafgegaan, en het schriftelijke taalgebruik zou nog eeuwen de niet-geapocopeerde vormen gebruiken, om stilistische redenen in het noorden, om redenen van taaleigen in het zuiden.
Een klankverandering, zoals het ontstaan van de heldere aa, is toch een andere zaak dan de reductie en uiteindelijke verdwijning van een klank en dan nog een klank in de positie van naamwoords- en werkwoordsuitgangen. Voor de sprekers is wellicht de diftongering significanter geweest dan de apocope van de e; voor het taalsysteem als geheel is de laatste in ons taalgebied van welhaast nog groter belang. Woorden als bedde en hebbe krijgen door de apocope van de -e namelijk ook te maken met de reeds lang bestaande Auslautverscherpingsregel: de d en de b worden in eindpositie respectievelijk een t en een p in de uitspraak. Dat een en ander een behoorlijke uitwerking op het verbuigings- en vervoegingssysteem heeft, behoeft geen betoog.
Wij kunnen ook constateren dat er ongemerkt iets anders gebeurt: de schrijftaal, die de motor was van de bovenregionale ontwikkeling van het beschaafde Hollands, krijgt gezien de hiervoor beschreven getuigenissen van taalbeschouwers nu ook al in sommige opzichten een - in onze ogen herkenbare - afstand tot de spreektaal. Men schrijft officieel kennisse, men zegt onder meer in het beschaafde Hollands reeds kennis. De invloed van het Zuidnederlands lijkt in deze ontwikkeling te verdwijnen en het prestige van het gesproken beschaafde Hollands lijkt genoeg gevestigd om de reductie van onbeklemtoonde lettergrepen op dit punt op schrift te laten verschijnen.
Maar de spellingontwikkeling vraagt anderzijds weer om de volledige vorm van de woorden op schrift, waar zij in het mondelinge taalgebruik procope, syncope en apocope ondergaan: dees man, mijn vrouw en tis laat krijgen op schrift de vorm <deze man>, <mijne vrouw(e)> en <het is laat>. Vandaar dat deze deletieprocessen weer gedeeltelijk worden gekeerd.
In de algehele reductie van onbeklemtoonde vocalen past natuurlijk ook de teruggang van de vocaal in <-lijk> en soortgelijke achtervoegsels. De reductie is in
veel dialecten niet verder gegaan dan verkorting tot [i] of [ i ], maar is in het AN [ǝ] geworden.
Verwarrend, maar een goede waarschuwing tegen een al te simpele voorstelling van de ontwikkelingsgang, blijven rijmparen als bij Huygens (zie Hermkens 1973: 33): schipp, en x lippen, wicht, en x lichten, of wonderlijck x dijck, al moet hieraan wel worden toegevoegd dat de literaire taal en omgeving weer eigen facetten kan tonen.
Het standaardiseringsproces is vooral een wijziging en structuurverandering van het vocaalsysteem gebleken. Dat betekent echter niet dat er geen veranderingen in het consonantisme hebben plaatsgevonden. Vaak waren deze het gevolg van veranderingen in het vocalisme en vaak betrof het ook ontstane vrije varianten.
Achter de in de Middelnederlandse periode onduidelijk geworden sjwa viel in verschillende dialecten, ook in het beschaafde Hollands, de -n (na een periode met genasaliseerde -e) weg, met restrictie van en binnen de stamgrens (reken, met uitzondering van stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden op -en, die veelal met -e gerealiseerd werden) en van hiaatvermijding (zij liepe-n-een uur lang).42 Het verschijnsel betrof in eerste instantie de meervoudsvormen van zelfstandige naamwoorden en werkwoorden. Op schrift bleef de -n doorgaans gehandhaafd - vandaag de dag zelfs nog stringenter dan in de zeventiende eeuw!-, maar in brieven en vergelijkbare documenten en in beoogde (voor)leessituaties drong de n-apocope door (met gevolgen voor de morfologie, zie 5.2.2.), zodat zelfs bij Hooft haghen op jaghe kon rijmen. De uitgesproken -n is nadien een zuidwestelijke en noordoostelijke zaak geworden, waardoor het A(B)N twee varianten kent. Opnieuw blijkt de Hollandse en ook Brabantse invloed van doorslaggevend belang.
Een gevolg van de apocope van de sjwa is de auslautverscherping die de stemhebbende medeklinkers die daaraan voorafgingen, ondergingen. Als bedde tot bed afslijt en de d dus slotmedeklinker wordt, valt in de Nederlandse fonologie de stemhebbendheid weg, daarmee blijft overigens de d de onderliggende vorm. Deze klankwet trof de stemhebbende occlusieven en fricatieven, dus de b, d, v, z, У <g>, die in auslaut alsnog respectievelijk, p, t, f, s, χ <ch> werden.
De assimilatie van de [ŋg], in auslaut [ŋk], tot alleen de velaire nasaal [ŋ] (waarbij de occlusief verdween) heeft gedurende het Middelnederlands plaatsgehad. Toch rijmt nog bij Vondel klanck op langk. Behoudens wat restvormen als sprinkhaan en koninklijk is er in het latere AN geen occlusief na de velaire nasaal te bekennen. Wel in de dialecten natuurlijk.
Een andere velarisatie, die van de n tussen een achterklinker en een dentaal, was zeer populair in de zeventiende eeuw bij de grote schrijvers om plat sprekende burgers te karakteriseren: gedangst, honckt, hongderd. Hoewel wijdverbreid - in het Hollands, Zeeuws, Vlaams, Brabants - gold deze realisering evengoed als plat; zij bestaat nog steeds in de dialecten en in enkele namen, zoals de Angstel (zie Schönfeld z.j.: 102). Ook hier blijkt dat de door Hellinga (1968: 419) gememoreerde zinloze fonetische varianten in de standaardtaal verdwijnen.
De syncope van de d (deletie in het woord) is vooral ingebracht door het Brabants en het Hollands. De precieze klankwet luidt (zie onder meer Goossens 1974: 85): de Middelnederlandse d na een lange vocaal of een diftong en voor een sjwa wordt gesyncopeerd, met enkele functionele restricties natuurlijk. Als de sjwa nu in de auslaut stond, verdween dikwijls de hele laatste lettergreep: koude > kou.
De intervocalische -d- ging veelal over in -j-; als de oorspronkelijke vorm bleef bestaan, ontstonden er dus nevenvormen (kwade <-> kwaaie). Aangezien de intervocalische <d> zich in de spelling handhaafde (zie Van Bree 1987: 168), valt er stijlverschil tussen beide vormen te constateren, waarbij de schriftelijke vorm traditioneel hoger werd en wordt aangeslagen. De overgang d->j is van oorsprong Brabants/Limburgs, vergelijk Lingua Teutonica Exexlex (1666: 2): ‘tussen twee vocalen wordt de d in het Brabants uitgestoten en soms vervangen door de letter i, ‘Vader’ wordt dan uitgesproken als ‘Va'j'er’’.
De ontwikkeling is niet zo overzichtelijk, aangezien diachroon-synchroon en de sociale context in het beschaafde Hollands op weg naar Nederlands hier een rol spelen. De vorm met -d werd beschaafder geacht en in de schrijftaal vastgehouden, waardoor de d-epenthesis (invoeging van de d tussen l/r/n en r, bijvoorbeeld in daalder, meerder en diender), toentertijd toch een wijdverbreid verschijnsel, in het A(B)N geen stelregel werd.43
In de herdruk van zijn Palamedes van 1652 vermijdt Vondel consequent de elisie van de zwakbetoonde e̓s voor h die in de druk van 1625 alom aanwezig waren (zie Verdenius 1946: 149) en ook bij Hooft zien wij een dergelijke wijziging. Van 1625 D'hoofdstoffen (667) maakt Vondel in 1652 De hoofdstof, en ook aan de verandering
van uw'heeren (9) in uw heeren wordt duidelijk dat er deze periode iets met de h aan de hand is, namelijk dat deze klank in de zeventiende eeuw een sterkere positie krijgt. Dat komt overeen met de algehele lijn van de sturing door de geschreven taal. Vormen als boef voor <behoef> raken beperkt tot de spreektaal en komen vervolgens in het A(B)N niet meer voor. Verdenius concludeert in alle voorzichtigheid tot een versterking van de uitspraak van de h, bevorderd door de toonaangevende kringen, schrijvers en taalbouwers uit de eerste helft van de 17e eeuw (152).
Wat zeggen onze taalbeschouwers hiervan? Zij zwijgen volgens Verdenius (1946: 152), maar dat doet hun onrecht. De Heuiter (1581) omschrijft de h als een windigen asem die door stil betrec vande kaecbenen omtrent t'ghehemelt wart geboren (49/50), althans in de positie voor vocalen en diftongen. Van der Schuere (1612) wijst vooral op het niet uitspreken van de h (of het hypercorrecte gebruik ervan) in Vlaanderen. Ampzing (1628) beschrijft de h als eene adem-halinge, ende aen-blasinge (23). Leupenius (1653) rekent de h met zijn slechte (= geringe) toeblaasinge (16) uitdrukkelijk tot de medeklinkers. Al met al genoeg getuigen voor een hoorbare h44 in het noorden en een ontbrekende h in ieder geval in anlaut in het zuiden.
Er is wel verondersteld dat een neiging tot vastere articulatie, zoals ook bij de h, de verandering van de w van bilabiaal naar labiodentaal in een aantal posities in werking zou hebben gezet. Het is een aardige gedachte, die past in het ‘opbouw’denken, maar meer dan vaststellen dat de w uiteindelijk, zeker in het beschaafde Hollands en latere A(B)N, veranderd is en dat dit proces plaatsvond vanuit de positie voor -r, kunnen wij toch niet. De Twe-spraack (1584) beschrijft de w nog als volgt:
‘Om te onderscheiden de v ende w, zó merckt dat de v met de lippen an de bovenste tanden roerende ende de w, met een open mond ende uytpuilende lippen uytghesproken worden.’ (46)
uytpuilende lippen: wij hebben wel zeker van doen met een bilabiale w. Deze w bleef in het zuiden bilabiaal, maar werd tot verdriet van de auteurs van de Twe-spraack in het noorden labiodentaal (maar bleef natuurlijk bilabiaal tussen vocalen). Voor de -r is dit proces begonnen, zoals Montanus (1635) al getuigt en zoals wij merken in spellingen als vrijven.
Hebben wij nu met de beschrijving van een aantal klanken en klankveranderingen een beeld gekregen van de uitspraak die er ongeveer geweest moet zijn in de periode 1550-1650? Dat is nog maar de vraag. Het hedendaagse Nederlands, met nog steeds alle klankschakeringen zoals wij ze kennen, is weliswaar het voorlopige eindpunt, maar daarmee kunnen wij ons geen beeld vormen van zoveel eeuwen terug.
De centraliserende tendens van de bij de standaardisering van het Nederlands nauw betrokken dialecten heeft in ieder geval haar zwaartepunt in het vocalisme gevonden. De richting waarin zich de wijzigingen in het klankstelsel bewogen, werd aangegeven door de veranderingen in het beschaafde stedelijke Hollands, waarbij spraakklanken veranderden, diftongeerden, opposities wegvielen, reducties tot wegval leidden en als globaal beeld naar voren komt dat het klankstelsel van het A(B)N uiteindelijk eenvoudiger is geworden. Deze tendens heeft te maken met het zoeken naar de grootste gemene deler, dat zich uit in vermijding van te bijzondere klanken of constructies, dàt overhouden wat distinctief is en absoluut noodzakelijk voor de overdracht.45 Die gelijkschakeling van het rijkgeschakeerde klanksysteem van de centrale dialecten kreeg een bewuste gids in de vorm van het streven naar één schrijftaal.
Achter het schriftbeeld bevond zich een niet eenvoudig te schetsen gedifferentieerde hoeveelheid klanken, die per streek en dorp verschilden. De toenmalige taalgebruikers van de centrale dialecten aan de noordzijde van de huidige staatsgrens en daarbinnen van de elite van de steden begonnen fonetisch strakkere vormen te kiezen, die aansloten bij de toen gedachte realisering van het schriftbeeld. Die realisering was gericht op verbinding en distinctie. Tot dat laatste behoorde bijvoorbeeld vermijding van extreme klanken en dus een zekere beheersing van de diftongering en vermijding van vulgaire klankvarianten.
Dat de steeds machtiger wordende klasse van hogergeplaatste burgers in Holland gebruik ging maken van dit ‘Nederlands’, en dat de mensen die bij hen in dienst waren en de contactpersonen daarbuiten zich enigszins naar hen zouden richten, is waarschijnlijk praktisch gezien het grootste wapenfeit van de hier beschreven periode.
In 1954 verscheen Van Haeringens studie Genus en geslacht, het voornaamwoordelijk gebruik in de gesproken taal . Geerts heeft in 1966 aan dit onderzoek van modern Nederlands een historisch complement toegevoegd onder de titel Genus en geslacht in de Gouden Eeuw, een bijdrage tot de studie van de nominale klassifikatie en daarmee samenhangende adnominale flexievormen en pronominale verschijnselen in Hollands taalgebruik van de zeventiende eeuw . Terecht stelt Geerts de classificering van de substantieven aan de orde in haar relatie tot enerzijds de flexievormen van de attributieve woorden en anderzijds het voornaamwoordelijk gebruik. Zo kan hij deze complexe problematiek in haar onderlinge samenhang behandelen. Ik volg hem hierin.
Vooraf moeten we enige aandacht besteden aan de te gebruiken termen, aangezien er anders gemakkelijk misvatting kan ontstaan. Onder ‘genus’ verstaan we het zogenaamde ‘grammaticaal geslacht’. Daar horen onderverdelingen van substantieven bij in masculina, feminina en neutra of in de-substantieven en het-substantieven. Wij gebruiken de term ‘commuun genus’ als het verbonden substantief geen neutrum is. Daarbinnen is dikwijls een onderscheiding in masculinum of femininum mogelijk, maar deze is niet noodzakelijk aanwezig. Onder ‘geslacht’ verstaan we daarentegen het zogenaamde ‘semantisch geslacht’, waarbij de betekenis van het substantief een sekseverschil impliceert. Hier hoort een onderverdeling bij in mannelijke en vrouwelijke substantieven. De term ‘sekse’ duidt op het zogenaamde ‘biologisch geslacht’ van wezens in het zakencomplex.
De onderscheidingen liggen dus op drie niveaus: grammatica, semantiek (‘sprachliche Zwischenwelt’) en realiteit. Ter verduidelijking geef ik enkele voorbeelden, waarin genus en geslacht volgens de zojuist gegeven omschrijving gecombineerd zijn. Wijf is een vrouwelijk neutrum en knaapje een mannelijk neutrum. Daarentegen is nicht een vrouwelijk femininum, dat gebruikt kan worden ter aanduiding van een persoon van mannelijken kunne, waarnaar men dan verwijst met hij, hem en zijn. Hier gaan geslacht en sekse dus uiteen.
Ten aanzien van de variëteiten in het oudere Nederlands vragen taalkundigen zich traditiegetrouw af waar twee-generasystemen en waar drie-generasystemen in gebruik zijn. Deze vraagstelling is echter te absoluut, want tussen een twee- en een drie-generasysteem zijn nog tal van stadia vast te stellen. De taalkundigen baseren hun onderzoek op vormverschil in het enkelvoud. In het meervoud zijn bij de substantieven en hun attributieve woorden alle genusonderscheidingen namelijk uitgewist.
Een tweede vraag die taalkundigen bezighoudt betreft de casus: behoorden de naamvalsvormen tot het levende taalgebruik of niet? Ook hier zijn tussenstadia
aanwezig. Idealiter zijn er dus vier systemen denkbaar: een twee-generasysteen met of zonder casus en een drie-generasysteem met of zonder casus. Op basis van teksten laat zich echter een veel complexer samenhang tussen genus- en casussystemen vaststellen.
Wanneer we de handboeken en andere naslagwerken voor het Middelnederlands, het 16e- en 17e-eeuwse Nededands openslaan, zien we bij de behandeling van de morfologie van het bepaalde en het onbepaalde lidwoord, de attributieve aanwijzende en betrekkelijke voornaamwoorden en de bijvoeglijke naamwoorden overzichten van drie rijtjes met elk vier vormen voor het enkelvoud en één rijtje met vier vormen voor het meervoud. In de begeleidende tekst wordt er dan wel op gewezen dat tal van onregelmatigheden optreden, maar kennelijk vormen zij voor de auteurs geen aanleiding om de consistentie van het morfologisch systeem in relatie tot zijn syntactische functie te beschrijven.
De herkenbaarheid van het genus blijkt bij bijvoeglijk gebruikte aanwijzende voornaamwoorden en bij bepaalde lidwoorden veel groter te zijn dan bijvoorbeeld bij onbepaalde lidwoorden en bezittelijke voornaamwoorden. Het is relevant vast te stellen dat een zelfstandig naamwoord soms voorkomt met attributieve woordvormen die distinctief zijn voor masculina en in een ander deel van dezelfde tekst met woordvormen die distinctief zijn voor feminina. Er zijn ook attributieve vormen die alleen maar aangeven dat het verbonden substantief een commuun genus heeft, zonder dat bepaald kan worden of het substantief een masculinum of een femininum is. Verder blijken er heel wat attributieve vormen te zijn die geen enkele informatie geven over het genus van het substantief.
In de hier volgende bespreking schets ik de classificatie van substantieven op basis van de attributieve woordvormen. Dan blijkt in hoeverre het genussysteem aan slijtage lijdt, doordat markering ontbreekt. Verder wordt het met deze werkwijze mogelijk een vergelijking te maken tussen de systemen in dialectvariëteiten in de zuidelijke Nederlanden en in Holland en in een variëteit van Standaardnederlands in opbouw. Gelet op de stand van het onderzoek kan dit echter niet meer dan een schets zijn.
Om een zuiver beeld van de genusmarkering te verkrijgen is het gewenst een onderscheiding te maken tussen naamvallen die door voorzetsels geregeerd worden en naamvallen die uit de syntactische functie verklaard moeten worden. De naamvallen in een voorzetselgroep hebben namelijk dikwijls een archaïsch karakter. Dit doet zich vooral voor in gevallen waarbij het attributieve woord enclitisch met het voorzetsel verbonden is. Gevallen als ter plaetse, huter zee en zonder enclise inder nacht, waarnaast de niet-feminiene vormen op eenen nacht en naast dyen nacht in dezelfde tekst, het Brugse Weydts-handschrift, voorkwamen.
Voorzetsels die de genitief regeren, treffen we in de periode 1550-1650 nog maar zelden aan. Het gebruik van een datief of accusatief bij eenzelfde voorzetsel kan alleen bij feminina en neutra aangewezen worden. Deze naamvalsvormen blijken echter zowel in het noorden als in het zuiden door elkaar te lopen, getuige bynnen
de stadt en bynder stadt/ste(e)de, van de zee en vander zee in het Brugse Weydts-handschrift en binnen tconvent en binnen den convent, wuyt het lant en wuyt den lande in het Goudse dagboek van Wouter Jacobsz (zie Van Leuvensteijn & Dekker 1990 en Van Leuvensteijn 1986).
Om vast te kunnen stellen welke attributieve vormen buiten de voorzetselgroepen naast elkaar voorkomen, dienen we de substantiefgroepen onder gelijke syntactische omstandigheden met elkaar te vergelijken. Dat leidt ertoe dat nominatief-, genitief-, datief- en accusatiefomstandigheid van elkaar moeten worden onderscheiden. Deze komen in zeer ongelijke mate in teksten voor. De genitief- en datiefomstandigheid leveren tezamen slechts 5 à 10 procent van de attributieve vormen. De herkenbaarheid van het genus staat of valt dus bij de aanwezigheid van distinctieve vormen in nominatief- en accusatiefomstandigheid. In variëteiten met een genussysteem, waarbij in de nominatief de zogenaamde masculiene genus-n aanwezig is, ontbreekt bij masculina, feminina en neutra elk verschil tussen de nominatief en de accusatief singularis. Bij feminiene en neutrale vormen was dit verschil al afwezig.
We schenken achtereenvolgens aandacht aan taalgebruik in West-Vlaanderen, in Holland en aan de standaardtaal in opbouw. De stand van het onderzoek van taalvariatie in de 16e en 17e eeuw is niet zodanig, dat een volledig of een representatief beeld kan worden gegeven. De uitkomsten van de voorbeeldteksten laten slechts tendensen zien. We richten ons eerst op de attributieve woorden in de enkelvoudige substantiefgroep. Uit eerder onderzoek is namelijk gebleken dat de vormen van het substantief geen betrouwbare bijdrage leveren tot de nominale classificatie (Van Leuvensteijn 1985: bd.1, 25-31). Vervolgens bespreken we in 5.2.2.2. het voornaamwoordelijk gebruik in de genoemde drie groepen van variëteiten in samenhang met de nominale classificatie op basis van de attributieve woorden.
Als voorbeeld voor taalgebruik uit West-Vlaanderen neem ik een Brugse tekst, de bekende ‘Spanje-reis (1564-1571) uit het 16e-eeuwse Weydts-hs.’ (Willemyns 1970 met de interpretatie uit Van Leuvensteijn & Dekker 1990). Als onderwerp of naamwordelijk deel (nominatiefomstandigheid) kwamen de volgende vormen voor: den, desen, dyen, eenen, de, de(e)se, die/dye, eet/het, dyt, dat, dy, een en bovendien vonden we zowel bij sterke als zwakke buiging van bijvoeglijke naamwoorden, bij bezittelijke voornaamwoorden, onbepaalde voornaamwoorden en rangtelwoorden de uitgangen o, -e, -en. Van deze vormen markeerden den, desen, dyen en eenen, alsmede de uitgangen op -en het masculiene genus. Dit zijn dus allemaal gevallen met een genus-n. Omdat er substantieven waren met attributieven met genus-n, maar ook met attributieven als de, de(e)se, die/dye en uitgangen op -e, zou het onjuist zijn te beweren dat de laatste vier vormen het feminiene genus markeren. Wel is het duidelijk dat zij geen neutra kunnen zijn. Dit leidt ertoe dat
we deze vormen als markeringen voor niet-masculien/feminien commuun genus beschouwen. Het neutraal genus is namelijk gemarkeerd door de attributieve vormen eet/het, dyt, dat. De overige attributieve vormen bevatten geen genusmarkering. Dit geldt bijvoorbeeld voor het zeer frequent voorkomende een.
Ten aanzien van de attributieve woordvormen onder accusatiefomstandigheid valt een identieke uiteenzetting te geven. Verder kan gemakkelijk worden aangetoond dat substantieven die in nominatiefomstandigheid als masculina worden gemarkeerd, in accusatiefomstandigheid eveneens met masculiene attributieve vormen voorkomen. Hetzelfde geldt voor de overige in de vorige alinea genoemde markeringen.
Vormen op -(e)r blijken onder genitief- en datiefomstandigheid geheel te ontbreken. Zij komen echter wel in voorzetselgroepen voor, overigens in slechts 4,2% van de attributieve vormen in deze groepen. Dit wijst op het archaïsch karakter ervan.
Wanneer we de markeringen door de verschillende attributieve woorden in de nominatief-, de genitief-, de datief- en de accusatiefomstandigheid onderscheiden, ontstaat voor het Brugse corpus het volgende overzicht, ontleend aan Van Leuvensteijn & Dekker (1990: 272).
(5.6) Genusmarkering in het Brugse corpus
| nom. | gen. | dat. | acc. | totaal | |
|---|---|---|---|---|---|
| omst. | omst. | omst. | omst. | ||
| a. masc. vormen | 171 | 2 | 0 | 71 | 244 (24,7%) |
| b. fem. vormen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 (0 %) |
| c. niet masc./ fem. commune vormen |
189 | 2 | 6 | 61 | 258 (26,2%) |
| d. subtotaal commune vormen |
360 | 4 | 6 | 132 | 502 (50,9%) |
| e. neutr. vormen | 69 | 0 | 1 | 37 | 107 (10,8%) |
| f. subtotaal identificerende vormen |
429 | 4 | 7 | 169 | 609 (61,7%) |
| g. niet-identificerende vormen |
148 | 14 | 24 | 192 | 378 (38,3%) |
| h. Totaal | 577 | 18 | 31 | 361 | 987 |
| 58,5% | 1,8% | 3,1% | 36,6% |
De samenhang tussen de genuscategorieën wordt in het onderstaande schema verduidelijkt.
(5.7) Genuscategorieën bij attributieve woordvormen
| a. | b. | c. | ||
| masc. | fem. | niet- | ||
| vormen | vormen | masc./fem. | ||
| commune | ||||
| vormen | ||||
| 24,7% | 0% | 26,2% | ||
| d. | e. | |||
| commune | neutrale | |||
| vormen | vormen | |||
| 50,9% | 10,8% | |||
| f. | g. | |||
| identificerende | niet-identifice- | |||
| vormen | rende vormen | |||
| 61,7% | 38,3% |
Met betrekking tot het genus kunnen we vaststellen dat in 38,3% van de gevallen de attributieve woordvorm geen informatie over het verbonden substantief verstrekt. Van de resterende 61,7% nemen de neutrale vormen met 10% een bescheiden plaats in. Dit wordt veroorzaakt doordat het neutrum alleen door middel van het bepaald lidwoord en het aanwijzend voornaamwoord gemarkeerd wordt. De commune attributieve vormen nemen 50,9% van de gevallen in beslag. Hierbinnen bestempelt 24,7% het substantief als een masculinum. Het femininum wordt niet gemarkeerd. De resterende 26,2% van de attributieve vormen geeft aan dat het substantief geen neutrum is, maar markeert het niet als masculinum of femininum.
Ten aanzien van het genussysteem moeten we echter voorzichtig zijn met onze conclusie. Genustoewijzing is immers niet uitsluitend voorbehouden aan attributieve woordvormen. Ook de coreferentieel met het substantief verbonden persoonlijke en zelfstandig gebruikte aanwijzende voornaamwoorden kunnen het genus ondersteunen. De hierboven geboden resultaten zijn gebaseerd op het voor-
komen van genusonderscheidende vormen van attributieve woorden. Als deze vormen geen aanwijzing bevatten voor het masculiene, feminiene of neutrale genus van het verbonden substantief, kan de taalgebruiker van toen het nog wel als een masculinum, femininum of neutrum hebben ervaren. Wel is het onmiskenbaar dat afwezigheid van ondubbelzinnige adnominale genusmarkeringen de herkenbaarheid van het genus van het betrokken substantief schaadt. Het bovenstaande overzicht van genusmarkering in het Brugse corpus toont de mate van herkenbaarheid van het oude drie-generasysteem en de mate van samenval van adnominale genera. Het feminien genus blijkt dan zwak te staan en het percentage van de woordvormen die geen enkele indicatie voor welk genus dan ook bevatten, blijkt verrassend hoog te zijn. En dan moeten we nog bedenken dat de attributiva bij meervoudige substantieven buiten de tellingen zijn gehouden. Die zouden het percentage niet-identificerende vormen nog aanmerkelijk verhogen.
Het casussysteem blijkt uitermate zwak te staan, doordat de vormen onder nominatief- en accusatiefomstandigheid per genus identiek zijn. Deze omstandigheden komen samen in ruim 95% van de gevallen voor. Eventuele vormverschillen bij genitief en datief vormen numeriek slechts een perifeer verschijnsel. In het Weydts-handschrift blijken alleen de uitgangen op -(e)s in de genitief distinctief voor een naamval te zijn en in de datief zijn de vormen op -(e)n zowel bij masculina als neutra te verwachten. Zij markeren dus niet een van beide genera en zijn niet onderscheidend voor de datief ten opzichte van de accusatief of de nominatief. Er kwamen geen genitief- en datiefvormen op -(e)r voor.
Uit het bovenstaande kan de conclusie worden getrokken dat het Brugse corpus buiten de genitief, die in minder dan 2% van de gevallen voorkomt, geen systematisch casusonderscheid toont.
In het dagboek van Wouter Jacobsz (1572-1579) uit Gouda blijken de markeringen voor masculina en feminina door middel van attributieve woordvormen sterk door elkaar te lopen, doordat in een flink aantal gevallen beide bij eenzelfde substantief voorkomen. Enkele voorbeelden: in der kercken naast den heylige kercke, deser werlt naast nae den werlt, die gemeent en onder die gemeent(e) naast den gemeente en onder den gemeent, van de grave naast den grave, die hope naast grooten hoope, die coninck naast den coninck (beide meewerkend voorwerp). Masculina en feminina zijn in de Goudse tekst samengesmolten tot één categorie, de commune substantieven. Dit wordt ook veroorzaakt, doordat in nominatiefomstandigheid vrijwel geen vormen met genus-n voorkomen. (Jacobsz/Van Eegen 1960; Van Leuvensteijn 1986).
De ongewisheid met betrekking tot het gebruik van vormen op -(e)n is ten gevolge van de n-apocope in de Delftse kluchten van Van Santen zo groot, dat de auteur deze vormen gebruikt om emfase uit te drukken. Deze komen dan ook voor onder omstandigheden die niet gunstig zijn voor het behoud van de -n, dus in ge-
vallen waarbij geen vocaal, h, d, t, b, of r volgde. Enkele voorbeelden: dien Grasduivel, desen soppert (Van Santen/Crena de Iongh 1959: 109).
In het Goudse corpus blijkt in genitiefomstandigheid de vorm des zelfs bij vrouwelijke substantieven voor te komen, zoals in des gesturven vrouwe (haer man). De vormen der en deser vinden we bij oorspronkelijke feminina als accusatie, maent, misse en werlt. De genitief is goed herkenbaar ten opzichte van de drie overige naamvallen. In datiefomstandigheid troffen we de vormen op -(e)r niet aan, wel enkele keren in voorzetselgroepen, maar dan als archaïsmen: in deser vougen, ter plaetse en dergelijke.
Dit overziende concludeer ik dat het casussysteem in het levende taalgebruik buiten de genitief niet betrouwbaar functioneert. Crena de Iongh komt ten aanzien van het genussysteem bij Van Santen tot de slotsom dat er in het algemeen nog wel resten zijn aan te tonen van een systeem ‘dat zijn grond vond in een vroeger onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk, maar levend was dit waarschijnlijk toch niet meer’ (Van Santen/Crena de Iongh 1959: 94, de auteur bedoelt hier masculien en feminien in onze terminologie). Hermkens houdt voor het Zuid-Hollands vast aan een functionerend drie-generasysteem (Hermkens 1964 en 1981). Geerts concludeert mijns inziens terecht dat slechts de beschouwer en niet de taalgebruiker in het af en toe opduiken van de -n een genusindicatie kan herkennen (Geerts 1966: 171).
De flexionele morfologie van de standaardtaal in opbouw is door de taalkundigen uit de 16e en 17e eeuw naar het voorbeeld van het Latijn en rekening houdende met deels archaïsch vormenmateriaal met name uit de zuidelijke dialecten nieuw leven ingeblazen. Waar het systeem zwakte vertoonde, formuleerden de taalkundigen hun eigen voorstellen. Soms lieten ze een keuzemogelijkheid open.
Het is verrassend dat de Twe-spraack (1584), waarin de Oude Kamer blijkens de enquête uit 1583 rekening heeft willen houden met de drukkers in de noordelijke en zuidelijke gewesten, bij de behandeling van het bepaalde lidwoord geen verschil maakt tussen masculiene en feminiene vormen. Ook bevreemdt de vrijheid in de accusatief, waardoor het onderscheid tussen nominatief en accusatief niet consequent wordt gehandhaafd. Bij een latere taalkundige als De Hubert, die grote invloed gehad heeft op de Statenvertalers, is het femininum in de datief en accusatief duidelijk van het masculinum onderscheiden. Het casusonderscheid nominatief - accusatief is bij hem alleen bij de masculiene vormen duidelijk. Het onderstaande overzicht uit Van Leuvensteijn (1992) maakt dit duidelijk. Zie over de Twe-spraack Dibbets (1975) en (1989).
(5.8) Paradigma voor het bepaald lidwoord enkelvoud in de Twe-spraack (1584) en bij De Hubert (1624)
| Twe-spraack (1584) | De Hubert (1624) | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| masc. | fem. | neutr. | masc. | fem. | neutr. |
| de | de | het | de | de | het |
| des | des | des | des | der | des |
| den | den | den | den | de(r) | den/het |
| de(n) | de(n) | het | den | de | het/den |
| vande(n) | vande(n) | van het/ | van den | van de(r) | van |
| vant | het/den |
Als voorbeeld voor taalgebruik in de standaardvariëteit in opbouw kies ik niet een elitaire literaire tekst, maar een fragment uit de Statenvertaling, die in brede kring gebruikt werd, te weten het Johannesevangelie. De Statenvertalers spitsen het verbuigingssysteem van De Hubert nog toe voor de datief en accusatief enkelvoud neutrum: den, het. Wanneer we ons even beperken tot de bepaalde lidwoorden, die 53,3% van alle attributieve woordvormen leveren, zien we dat het masculiene genus in accusatiefomstandigheid gemarkeerd wordt, het feminiene genus door der in genitiefomstandigheid, door der of de in datiefomstandigheid en door de in accusatiefomstandigheid. Het neutrale genus blijkt door het. De toevoeging van een diversiteit aan casusvormen in vergelijking met het gangbare systeem in Holland, leidt ertoe dat het vrijwel verdwenen onderscheid tussen masculina en feminina en de daardoor gegroeide samenval in commuun genus ten behoeve van het schriftelijk taalgebruik opnieuw moest worden aangeleerd. Dit is een duidelijk staaltje van tegennatuurlijke taalopbouw. Het onderstaande overzicht op basis van het Brugse corpus, het Goudse corpus en het corpus van het Johannesevangelie, waarin de voorzetselgroepen in alle drie de corpora buiten de tellingen zijn gehouden, laat dit duidelijk zien. Vergelijk voor de categorieën a tot en met g het schema ‘Genuscategorieën bij attributieve woordvormen’.
(5.9) Genusmarkering in Brugge, Gouda en in het Johannesevangelie (naar Van Leuvensteijn 1992: 140)
| Brugge | Gouda | Johannes- evangelie |
||
|---|---|---|---|---|
| a. | masc. vormen | 24,7 % | 4,3 % | 13,5 % |
| b. | fem. vormen | 0,0 % | 1,2 % | 11,3 % |
| c. | niet-masc./fem. vormen | 26,2 % | 46,5 % | 25,1 % |
| d. | totaal commune vormen | 50,9 % | 52,0 % | 49,9 % |
| e. | neutr. vormen | 10,8 % | 4,4 % | 12,7 % |
| f. | totaal identificerende vormen | 61,7 % | 56,4 % | 62,6 % |
| g. | niet-identificerende vormen | 38,3 % | 43,6 % | 37,4 % |
| h. | totaal | 100 % | 100 % | 100 % |
Een van de interessantste onderwerpen op het terrein van de voonaamwoorden betreft de poging van Marnix en anderen om het gebruik van du in de 2e persoon enkelvoud van het persoonlijk voornaamwoord weer ingang te doen vinden, zodat de oorspronkelijke oppositie du - ghy voor respectievelijk enkelvoud en meervoud zou worden hersteld. Aangezien deze problematiek echter alleen goed kan worden beoordeeld, wanneer we tegelijkertijd de voorstellen van grammatici voor corresponderende persoonsvormen aan de orde stellen, vindt de behandeling plaats in 5.2.2