terug  begin  verderprepost
[p. 455]

7. Nieuwnederlands (circa 1880-1920)
door H. Hulshof

7.1. Externe taalgeschiedenis

Dit hoofdstuk behandelt de overgangsperiode van onnatuurlijke schrijftaal naar ABN (de beschaafde spreektaal). Deze overgang werd voorbereid door Gezelle, Busken Huet en Multatuli, na circa 1880 versneld door de ideeën van de Tachtigers met De nieuwe Gids (letterkunde) en de mannen rond Taal en Letteren (taalkunde en taalonderwijs). De periode van circa 1880 tot 1920 vormt zonder enige twijfel een hoogtepunt in de discussie over de verhouding spreektaal-schrijftaal en direct daaraan gekoppeld over de spellinghervorming: ‘Schrijf zoals je spreekt’ en ‘De Nederlandse taal = de beschaafde Nederlandse spreektaal’ gelden als belangrijke deviezen van de toonaangevende taalkundigen. In de literatuur werd radicaal gebroken met traditie en conventie: een ware revolutie in de taal. Gorter, Kloos, Van Looy en Van Deyssel droegen daartoe bij in hun streven naar het ongewoon-individuele, Heijermans en Querido in hun weergave van de werkelijk gehoorde, levende taal (soms zelfs van stadsdialect).

Daarnaast vindt er een sterke taalonderwijsvernieuwende ‘cultuuromslag’ plaats, geïnstigeerd door de tijdschriften Taal en Letteren (1891-1906) en voortgezet door De nieuwe Taalgids (vanaf 1907). Er zijn nieuwe impulsen vanuit de taalwetenschap: er is een toenemende belangstelling voor onderzoek naar alle levende dialecten, naar alle in het taalleven werkzame psychologische en sociologische factoren. De taal wordt primair gezien als middel waardoor het individu zich uitspreekt. De taalwetenschappelijke probleemstelling verschuift van puur historisch naar eigentijds, waarbij de verbinding naar het onderwijs gelegd wordt.

Elke vorm van taalontwikkeling of taalverandering in deze periode wordt door het bovenstaande bepaald. De tegenstellingen zijn in deze tijd dermate groot - vrijwel iedereen neemt een positie in - dat het moeilijk is precies na te gaan hoe de gewone taalontwikkeling verloopt. Alles wordt in de bronnen namelijk geplaatst in een bepaald kader met betrekking tot de verscheidenheid in gesproken taal, gekoppeld aan een vermeende (inherente) conservatieve of progressieve houding. Daarbij speelt ook nog een rol de oude tegenstelling tussen logica en waarneming:

[p. 456]

de regels tegenover het beschrijven (en accepteren) van het alledaagse taalgebruik als object van de taalkunde, het deductieve tegenover het inductieve denken. Daarmee komen de meningen ten aanzien van de taal soms in een wat overbelicht perspectief te staan.

De Vooys (1931) stelt dat de befaamde kloof tussen een algemene spreektaal en een algemene schrijftaal voor een groot deel overbrugd is in de periode sedert circa 1885. Hij beschouwt de omkeer in de taal van de letterkunde, naast de democratisering van de maatschappij en het gewijzigd taalinzicht, als belangrijke factoren om de stijfheid van de schrijftaal voor een natuurlijker toon te doen wijken.

Niet lang na de strijd tegen de conventionele taal ontstond onder invloed van de Junggrammatiker onder taalkundigen verzet tegen het overwicht van de schrijftaal in de taalwetenschap en bij het taalonderwijs. Tot dat moment werd de grammatica vrijwel uitsluitend beoefend door onderwijzers, die de schrijftaaleenheid wilden handhaven. De oprichting van Taal en Letteren was een ‘teken des tijds’. Onder invloed van de Tachtigers, het taalkundige respectievelijk taalpedagogische werk van Duitsers als Paul en Hildebrandt, namen Buitenrust Hettema en Van den Bosch in 1891 het voortouw. Zij kozen positie tegenover de ‘grammaire raisonnée’ en de onderwijzersstudie op de kweekschool, die zich daarop baseerde. De Vooys zou hen daarin weldra steunen. Hij werd de grote bestrijder van het verkeerde taalbegrip in het taalonderwijs Nederlands.

Een eerste gevolg was te constateren met betrekking tot de spelling. Kollewijn gaf in 1891 met zijn artikel ‘Onze lastige spelling’ de stoot tot de vereenvoudiging van de spelling. Het gaf hem zelfs aanleiding tot het stichten van de Vereniging tot Vereenvoudiging van onze Schrijftaal in 1893.

Voor het onderzoek naar toch vooral de gesproken taal van zo'n eeuw geleden is men sterk afhankelijk van geschreven materiaal uit de periode 1880-1920. Een dergelijke haast paradoxale situatie is hier bepalend. Spreektaal vind je vooral in de kleine letters in de spraakkunsten van rond de eeuwwisseling (Den Hertog, Van Wijk, Hasselbach, de Proeve van een Nederlandse Spraakleer van Talen en anderen, Holtvast): daar doen de auteurs soms mededeling over het actuele taalgebruik en bepalen ze hun standpunt daartegenover. De meeste gegevens hebben betrekking op vormelijke zaken (flexie, woordvorming). Zo biedt Den Hertog (1897/1898) een schat aan morfologische gegevens. Ook in de schoolboeken is vrij veel materiaal te vinden, vooral wanneer de auteur zich op de beschaafde spreektaal baseert (zoals Van Wijk 1906) of in de taaloefeningen bewust spreek- en schrijftaal onderscheidt (zoals Leffertstra 1911). Deze bronnen zijn op zichzelf ook weer ‘gefilterd’ en geven niet steeds de werkelijke situatie weer. De norm voor wat spreektaal is, is bij Den Hertog anders dan bij Buitenrust Hettema of Kollewijn. Van de schrijftaal uit de periode rond de eeuwwisseling kunnen we een tamelijk goed beeld krijgen, de spreektaal zal veelal gereconstrueerd moeten worden. Een belangrijk hulpmiddel daarbij vormen de literaire werken (zie ook Muller 1891), vooral die waarin zo reëel mogelijk spreektaal en volkstaal wordt weergegeven, zoals in het werk van

[p. 457]

Multatuli, Heijermans, De Haan en Querido. Het gebruikmaken van deze bronnen dient echter wel met enige terughoudendheid te gebeuren (vergelijk Van Haeringen 1972). Ook uit boekbesprekingen van taalboeken en uit woordenboeken zijn uiteraard gegevens te halen. Een goede bron vormen enkele taalkundige artikelen uit de periode 1880-1920 die specifiek op het gehoorde taalgebruik ingaan. Ook het Handboek der Nederlandsche taal van Van Ginneken (1913-1914, twee delen) bevat een schat aan informatie, vooral waar hij sociale taalkringen behandelt, zoals jodentaal, Bargoens, jagerstaal en zeemanstaal. Elke vorm van volledigheid blijft echter een illusie. Er is een duidelijk gebrek aan voorstudies met betrekking tot het taalgebruik in deze periode.

In dit hoofdstuk worden eerst enkele aspecten van de externe taalgeschiedenis belicht: het historisch kader, het zich vernieuwende taalonderwijs, de plaats van de grammatica daarin. Vervolgens wordt ingegaan op de interne taalgeschiedenis, de specifieke kenmerken van het Nederlands in deze periode. Uiteraard bestaat er een direct verband tussen de twee onderscheiden gebieden, soms is de grens tussen extern en intern moeilijk te trekken: het hoofdstuk moet daarom als eenheid gelezen worden. Ten slotte volgt een korte samenvatting.

7.1.1. De algemene situatie rond de eeuwwisseling

De tweede helft van de 19e eeuw is in algemeen historische zin te karakteriseren met de termen industriële bloei en modern imperialisme. Er heerste een sterk optimistische geest, een onwrikbaar vertrouwen in de toekomst, in de ‘vooruitgang’. De enorme groei van wetenschap en techniek zou de mensheid beter en gelukkiger maken. In nauw verband hiermee stond het sterk ontwikkelde individualisme en rationalisme. Verder was er een dorst naar nieuwe indrukken te constateren, een sterk ‘opnemende’ geest (impressionisme).

Omstreeks 1900 kwam de kentering: de verzadiging kwam, een nieuwe tijd tekende zich af. Tegenover onbeperkte vrijheid en individualisme kwam steeds vaker het gevoel naar voren een integrerend onderdeel te zijn van een groter geheel. Dat vereiste een nieuwe maatschappijvisie. Er was een steeds toenemende democratisering op velerlei gebied: door de leerplichtwet van 1900 en de invoering van het middelbaar onderwijs, door het opkomen van de arbeidersbeweging en door de uitbreiding van het aantal kranten en tijdschriften namen steeds meer mensen deel aan het schriftelijk taalverkeer. Ook mondelinge gedachtewisselingen vonden steeds meer plaats op vergaderingen en congressen. Door het bijna uitsluitend gebruiken van een algemene spreektaal als voertaal op school en in de pers leerden veel dialectsprekers ook de standaardtaal beheersen, aanvankelijk passief. Na circa 1920 zou de radio hierop van grote invloed worden, daarvóór was de film dat al enigszins.

De natuurwetenschappen gaven de toon aan (elektronentheorie, draadloze te-

[p. 458]

legrafie, röntgenstralen, radioactiviteit) en leverden vele nieuwe woorden op in het Nederlands. Het zich sterk ontwikkelende verkeer voorzag met de fiets, de auto en het vliegtuig in een uitbreiding van de woordenschat.

De invoering van de leerplicht, de ontwikkeling van het verkeer, de groeiende deelname aan het sociale leven en het taalleven, het gebruik van ABN op school en door de pers, het waren stuk voor stuk oorzaken van de bevordering van het algemene gebruik van de standaardtaal door de Nederlandse bevolking. De Vooys (1931) stelt dat de Nederlandse jeugd door de leerplicht enkele jaren in aanraking komt met de algemeen-beschaafde taal, met als direct gevolg het terugdringen van de dialecten. Zie voor het ontstaan van de term ABN ook De Vooys (1955).

In vele opzichten is Nederland sedert het midden van de 19e eeuw en vooral na 1870 zowel economisch als intellectueel sterk vooruitgegaan. De bevolking nam in aantal snel toe: van 4 miljoen in 1880 tot 8 miljoen in 1930; de gemiddelde levensduur verdubbelde in deze periode van 30 tot 60 jaar. De maatschappelijke veranderingen waren ingrijpend en hadden naast positieve natuurlijk ook negatieve kanten.

Vanaf circa 1890 begon de positie van de Nederlandse arbeider te verbeteren: de lonen stegen en de prijzen bleven ongeveer gelijk. Onderwijs, wetenschap en kunst ontwikkelden zich voorspoedig. Toch bleef de deelname aan het middelbaar onderwijs (de Hogere BurgerSchool) nog lang beperkt tot de ‘hogere standen’, maar zeker in de grote steden kwamen er meer en meer leerlingen van daarbuiten in het begin van de 20e eeuw.

7.1.2. Het taalklimaat rond de eeuwwisseling

Er bestond in de tweede helft van de 19e eeuw al een algemene geschreven taal. Wat de spreektaal betreft bestond er naast de dialecten vooral in Holland een Algemeen Beschaafd Hollands, dat zich telkens weer aanpaste aan de schrijftaal en dat waarschijnlijk nog een beperkt aantal plaatselijke varianten kende. Slechts een tamelijk kleine kring beheerste deze algemene spreektaal op dat moment: de aanduiding ‘beschaafd’ slaat dan ook op de kleine bovenlaag van de maatschappij. Het pleidooi voor het gebruik van de ‘gewone’ omgangstaal (zonder dialectische en schrijftaaltechnische kleuring) moet in dat licht bezien worden en had dus, paradoxaal genoeg, een elitair karakter. In de lagere sociale milieus trachtte men via de ‘deftige’ en archaïserende schrijftaal ook in de spreektaal indruk te maken naar buiten, ‘erbij te horen’, terwijl thuis dialect werd gesproken. Onderwijzers deden hun best kinderen uit mindere milieus te verheffen tot het schrijftaalpeil en dat betekende onder andere veel normatieve spraakkunst met onder andere kunstmatige naamvallen, kunstmatige conjunctieven en een kunstmatig voornaamwoord (gij) met nasleep: gij zoudt, gij kondt, enzovoort, met onbeheersbare regels voor spelling van sch in versch, voor oo en ee in loopen en heeren, enzovoort. Dit werd echter wel

[p. 459]

gewaardeerd, ofschoon critici als Multatuli en later De Vooys hier een averechtse vorm van socialisatie in zagen, vanuit een volstrekt verwerpelijke taalvisie. Vergelijk de ‘geleerdheid’ van meester Pennewip uit de Geschiedenis van Woutertje Pieterse , geschreven circa 1865. Hoewel de genoemde kritiek op onnatuurlijke boekentaal eind 19e eeuw manifest werd, bleef de praktijk vrijwel onberoerd: de discussie over spreektaal en schrijftaal vond veelal plaats in de vaktijdschriften, en paste qua streven in het tijdbeeld.

Aan het eind van de 19e eeuw veranderde ook het taalklimaat grondig. Dit uitte zich in verzet tegen de schrijftaalnorm, opkomen voor taalindividualiteit, verdedigen van de leuze ‘taal is klank’ en kritiek op het normatieve schrijftaalonderwijs. Het was in deze tijd voor het eerst dat de term Algemeen Beschaafd Nederlands werd gehanteerd om het streven naar natuurlijker taalgebruik te benadrukken. Deze ontwikkelingen vonden voornamelijk plaats in de kring van het tijdschrift Taal en Letteren (vergelijk Noordegraaf 1991). Het tijdschrift zou tot 1906 bestaan, om daarna vanuit dezelfde visie voortgezet te worden door De nieuwe Taalgids vanaf 1907. Zo bestonden er vanaf 1891 twee tijdschriften naast (en in zekere zin tegenover) elkaar met dezelfde doelgroep maar met een verschillende taalvisie: Taal en Letteren (‘taal is klank’) en Noord en Zuid (‘taal is teken’), met de Amsterdamse hoofdonderwijzer en grammaticus C.H. den Hertog tot 1894 in de redactie (zie Hulshof 1985). De taalpedagogen van Taal en Letteren lieten zich taalwetenschappelijk gezien vooral leiden door de Principien der Sprachgeschichte van Hermann Paul (1880), waarin gesteld was dat de gesproken taal primair ten opzichte van de geschreven taal is.

In zijn artikel ‘Uit de spraakleer’ zette Buitenrust Hettema in 1895 uiteen wat veranderd was in de taalwetenschap en wat daardoor ook in het taalonderwijs zou moeten veranderen. De oude spraakkunst (Den Hertog) decreteerde slechts normen: ‘schrijftaal is Allah! - en de grammaticus is zijn profeet!’ (Buitenrust Hettema 1895: 51). Hij verwees voor zijn visie naar taalkundigen als Lambert ten Kate, Grimm en Paul en hield een pleidooi voor het ‘beschaafd gesproken Nederlands’. Met grote ijver en bezetenheid hield Van den Bosch lezingen in het land, waarin de nieuwe gedachten werden uitgedragen c.q. gepropageerd. Een van die lezingen, ‘Over het Oude en het Nieuwe Taalonderwijs’, in 1895 letterlijk in Taal en Letteren gepubliceerd, zou de andere partij (Den Hertog) prikkelen tot een felle reactie. In zijn lezing noemde Van den Bosch de Nederlander in het gebruik van zijn eigen taal een lummel en raadde het gehoor aan alle op school gebruikte stijlleren op te nemen om er de pijpen aan op te steken. Volgens hem hield het nieuwe moedertaalbegrip ongeveer het volgende in: taal is klank, taal is iets in de mens, taal en gedachte zijn één, taal is een product van het leven, van ieders eigen leven. Iemands moedertaal is de taal van het milieu waarin hij is opgevoed. Juist dat laatste was voor het moedertaalonderwijs problematisch.

Als alleen de schrijftaal en niet de spreektaal de zo fundamentele eenheid vormt, dan moet men de spreektaal naar de schrijftaal richten. Pas als de taaleen-

[p. 460]

heid ongeveer bereikt is (Algemeen Beschaafd Hollands) en niet verder aanpasbaar is aan den tuinman, gij bleeft, vers/versch, loopen/komen is het ogenblik gekomen om - omgekeerd - de onleerbare dingen uit de schrijftaal te verwijderen, door een spellingwijziging en door aanpassing in woordgebruik: geheele wordt hele, doch wordt maar, enzovoort. Het Algemeen Beschaafd Hollands wordt echter door weinig mensen gesproken, aangezien de schrijftaal en de verschillende dialecten nogal verschilden en de overbrugging van spreek- en schrijftaal via het ABH/ABN behalve een ware cultuuromslag ook nog het leren van een nieuwe taalvariëteit betekende voor velen. De leuze ‘Schrijf zoals je spreekt’ was daarom nog niet goed realiseerbaar. Bovendien werd binnen het bestaande taalonderwijs (onder anderen door Den Hertog) het principe gehuldigd dat de norm voor goed Nederlands in de verzorgde schrijftaal was te vinden, zonder overigens de verscheidenheid in de spreektaal daarmee te ontkennen of te minachten. Den Hertog reageerde zoals gezegd fel op de lezing van Van den Bosch met zijn ‘Reactie van de laatste der Mohicanen’ in Het Schoolblad van 4 juni 1895.

Aangezien de directe vertegenwoordiger van de oude opvatting, zoals men Den Hertog beschouwde, in 1902 was overleden, richtte De Vooys zich in zijn Nieuwe Taalgids behalve postuum tegen hem (zie De Vooys 1907) evenals eerder Van den Bosch (1893) vooral tegen het verouderde taalonderwijs van onderwijzers die een verkeerd taalbegrip bijgebracht kregen in hun opleiding met alle gevolgen van dien. Hij stelde dat de grootste ‘remmende macht de allertreurigste taalstudie van de onderwijzer’ was, aangezien elke kwekeling werd volgepropt met de oude taalwijsheid. Bij ‘taal’ werd uitsluitend gedacht aan ‘spraakkunst’ en bij ‘spraakkunst’ aan een boek. Er was volgens hem vooral inzicht vereist in 1. de verhouding van taal en teken en 2. de noodzakelijke verscheidenheid van taal (De Vooys 1912). Deze twee punten bleven als zijn criteria gelden in de kritiek op de oude taalopvatting, waarin de schrijftaal (de letter) het volgens hem verfoeilijke uitgangspunt was. Voor het taalonderwijs betekende dit ruime aandacht voor klankleer, dialect en kindertaal.

In 1914 zette De Vooys in zijn artikel ‘Het gezag van een algemeen beschaafd’ nog eens alles op een rij, sprak daarin van ‘de fetischdienst van de letter’ en verwees instemmend naar de afstraffing door Theo Thijssen aan het adres van ‘Mevrouw de Spraaklerares’ uit De Nieuwe School van 1907. ‘Van de spraakleraar mag naast kennis van de spreektechniek geëist worden dat hij werkelik taal-kundig is, en dus de taal niet aanziet als groepen van ‘uitgesproken’ letters.’ (De Vooys 1914: 78) De uitspraak van ‘Het sonnetje’ en ‘Het fogeltje’ werd door de spraaklerares als ‘slordig’ afgedaan, tot grote hilariteit van Thijssen en De Vooys. Voor de manier waarop opstellen van leerlingen beoordeeld en verbeterd werden in deze periode kan verwezen worden naar Geel (1989).

De taalkundige waarheid van ‘spreektaal primair, schrijftaal secundair’ botste in velerlei opzicht met de bestaande onderwijspraktijk, waarin het werk van grote schrijvers en gereglementeerde spelling belangrijke elementen vormden. De taal-

[p. 461]

kundigen moesten voortdurend ten strijde trekken tegen het vooroordeel dat taalgroei gelijk te stellen zou zijn met taalverarming: ‘een boom wordt niet rijker door de dode takjes en blaadjes er aan vast te spijkeren’ (De Vooys 1911 in zijn bespreking van Jan Ligtharts Schoolhervorming ).

De auteurs die publiceerden in Taal en Letteren (1891-1906) zetten zich vanuit hun individueel-expressieve paradigma fel af tegen het heersende grammaticaal-literaire paradigma, in hun ogen vooral door taalonderwijzers als onveranderbaar aangehangen. Zij keerden zich ook tegen het beeld van de leraar als geleerd vakdeskundige, die leerlingen inwijdt in de waarden en normen van het gestandaardiseerde literaire schrijftaalgebruik. Waar kwam die zogenaamde kennisdocent vandaan? In de beginjaren van de HBS (sinds 1863) sloot het voortgezet onderwijs in de moedertaal nog in hoge mate aan bij de stof van de onderwijzersopleiding. De universiteiten leverden docenten voor de Latijnse school, vanaf 1876 het gymnasium, en zij behoorden in feite tot het hoger onderwijs. De kweekscholen en later de MO-opleidingen (sinds 1863) leverden de HBS-docenten. De inhoud en de methode van het Nederlandse taalonderwijs in het nog traditieloze ‘middelbaar onderwijs’ werden grotendeels bepaald door de zelfstudie en de opleiding van onderwijzers. Dat betekende vooral grammatica met allerlei taaloefeningen en literatuurgeschiedenis, maar bovenal de sterke nadruk op kennis in de zin van weetjes, eruditie en didactische bruikbaarheid. Het 19e-eeuwse taalonderwijs was in de praktijk vooral een zaak van de lagere school en de onderwijzersopleiding (vergelijk onderwijzers/grammatici als Anslijn, Brugsma, De Groot, Terwey, Den Hertog). In het begin van de 20e eeuw werden enkele taalboekjes voor het middelbaar onderwijs afgestemd op de nieuwe richting van De nieuwe Taalgids, zoals Leffertstra (1911), dat zelfs door het gemeentebestuur van Amsterdam op de index werd geplaatst. De taalkundige Kruisinga had geen goed woord over voor de aanpak van Leffertstra in zijn bespreking ‘Tamboers der voorhoede?’ (Kruisinga 1911). Voor de onderzoeker van de taalgeschiedenis moge boekjes als van Leffertstra een schat aan informatie bieden, voor het moedertaalonderwijs in 1911 moet een en ander nogal verwarrend zijn geweest. Er verschenen wel enkele spraakkunsten op basis van de Taal en Letteren-opvattingen (Holtvast 1905; Van Wijk 1906; Talen en anderen 1908), maar echt school heeft deze richting toch niet gemaakt, afgezien van de gestarte spellinghervorming. Ook Van Ginnekens aandacht voor de kindertaal en de dialecten in een leergang voor het onderwijs kon in 1917 geen school maken (Hulshof 1996).

In 1907 richtte De Vooys samen met J. Koopmans De nieuwe Taalgids op, als taalpedagogisch tijdschrift ideologisch de opvolger van Taal en Letteren. Van Van den Bosch had De Vooys ‘overgenomen de bestrijding van het renaissancebegrip, dat spreek- en schrijftaal een afzonderlijk leven leiden; als bij Van den Bosch zal zijn taalwetenschappelijke en zijn taalpedagogische bedrijvigheid doordrongen zijn van deze grondwaarheid: dat spreken en schrijven in een hoogere veelvuldig geschakeerde eenheid, de ‘Hochsprache’, hun tegenstellingen opheffen. (...) Ook

[p. 462]

voor De Vooys is zich losmaken van 't gezag van ‘het Boek Spraakkunst’ eerste vereischte van een gezonde spraakkunst-beschouwing’ (De Vos 1939: 299). Dat laatste kwam tot uiting toen De Vooys in de eerste jaargang van het nieuwe tijdschrift nog een programmatische aanval deed op de veel gebruikte spraakkunst van Den Hertog, onder de titel ‘Kanttekeningen bij Den Hertog's Nederlandsche Spraakkunst’ (De Vooys 1907). Pas toen het werk van Den Hertog eind jaren zestig van de 20e eeuw taalkundig gezien op z'n ware merites beoordeeld werd, zou daarmee tevens de visie van De Vooys pas goed in historisch perspectief geplaatst kunnen worden. Zie hiervoor Hulshof (1985).

Problematisch bleef de geringe concretisering van zowel ‘Algemene taal’ (Den Hertog) en ‘Algemeen beschaafd’ (Van den Bosch, De Vooys). Vooral omdat de discussie over taalkundige principes werd vermengd met de discussie over onderwijsdoelstellingen en terecht kwam in het spanningsveld van de mens als individu (Van den Bosch, De Vooys) en de mens als lid van de maatschappij (Den Hertog) of van liberaal en socialistisch, zo men wil. In een tijd waarin het pedagogisch klimaat werd beheerst door het emancipatoire uitgangspunt ‘Kennis is macht’ moest de voorkeur wel uitgaan naar de opvattingen van Den Hertog c.s.

prepostterug  begin  verder