terug  begin  verderprepost

8.2. Interne taalgeschiedenis

8.2.1. Fonologie en spelling

8.2.1.1. Vocalen

Veranderingen in de uitspraak van het Nederlands zijn de laatste halve eeuw vast te stellen door vergelijking van opnamen van gesproken taal; sinds de ontwikkeling van radio, grammofoon, film en televisie beschikken we in toenemende mate over materiaal, waarbij opgemerkt moet worden dat voor de oudste opnamen de geluidskwaliteit nogal eens te wensen overlaat. Bovendien werden in de beginjaren van de radio over het algemeen sprekers opgenomen die een verzorgde spreektaal gebruikten. Pas ruim na de Tweede Wereldoorlog zijn er, vooral in televisie-uitzendingen, steeds meer opnamen bewaard gebleven waarop sprekers uit allerlei bevolkingsgroepen te beluisteren zijn, sprekers bovendien die dikwijls onvoorbereid spreken.

De verschillen tussen de oudste en de jongste opnamen zijn niet erg opvallend: het gesproken Nederlands uit de jaren twintig en dertig is nooit zo afwijkend van nu dat het onverstaanbaar zou kunnen heten; hoogstens klinkt het soms wat boekentaalachtig, doordat uiteraard nogal wat sprekers geschreven teksten voorlazen. Het valt op dat iemand als Colijn in toespraken de buigings-n liet horen, wat heel goed kan teruggaan op het voorlezen van een tekst.

Opmerkelijk bij de uitspraak van klinkers is het veld winnen van de diftongische uitspraak van /e:/ en /o:/. Door Van Haeringen (1924) werd deze uitspraak als een vulgarisme beschouwd, speciaal wanneer het verschijnsel zich voordeed in de Hollandse steden. Tegenwoordig heeft die uitspraak in woorden als gekeiken en gebouden zoveel prestige, dat ze vrij algemeen is geworden in de omgangstaal

[p. 495]

(Hinskens 1985; Stroop 1992) en niet meer negatief stigmatiserend werkt.

Een verandering in het klinkersysteem die ongemerkt tot stand is gekomen, is de zogenaamde ontfonologisering van /ò/ en /ó/, zoals die in de uitspraak van de woorden bok en hok tot uiting kwam (en nog tot uiting komt in de noordelijke provincies van Nederland) (zie Van Haeringen 1924; Van Haeringen 1946). De foneemwaarde van deze klanken is gelijk geworden; ze onderscheiden geen woorden meer en er zijn geen posities meer te vinden waarin deze klanken onderscheidend werken. Dat neemt niet weg dat nog vele decennia deze klinkers grafisch onderscheiden werden op Hoogeveens verbeterde leesplank, een leermiddel dat op ontelbare lagere scholen in gebruik is gebleven, ook in die delen van het land waar het onderscheid tussen de ò van bok en de ó van hok niet gehoord werd.

8.2.1.2. Consonanten

De opmerkelijkste verandering in het systeem van de consonanten is het vervagen van het onderscheid tussen stemhebbend en stemloos bij fricatieven (Van de Velde, Gerritsen, Van Hout 1995). Steeds wint daarbij de stemloze realisatie: er is bij veel Nederlanders geen verschil meer te horen bij de beginklanken van gas en chaos (vergelijk 7.2.1.1.), zout en sok, vel en fel. Kennelijk als reactie daarop ontstaat hypercorrecte uitspraak, vooral van de s die als z gerealiseerd gaat worden. Op radio en televisie, waar sommige presentatoren hun uitspraak extra willen verzorgen, zijn gevallen als de volgende te horen: dezember, zommige, een hifi-zet van Zony, Rotterdam-Zentraal, een voto, vraai, velle concurrentie. Ook bij de telwoorden zestig en zeventig, waar op historische gronden de beginklank stemloos werd uitgesproken, begint de uitspraak met stemhebbende realisatie van de anlaut door te zetten (wat neerkomt op spellinguitspraak).

Een geval van clustersimplificatie is op te merken bij de uitspraak van de d en de t, gevolgd door r. Vooral in gezongen teksten van populaire liedjes is een lichte sjwa te horen: dromen, treurig. Het is niet te voorspellen of deze tendens door zal zetten. Een andere klankwijziging bij de t in onset was in de jaren vijftig waarneembaar: vooral bij jonge vrouwen was een lichte affricaat hoorbaar: tsomatsen. Het lijkt erop dat dit verschijnsel verdwenen is.

Sterk aan verandering onderhevig is de uitspraak van de r. Meer dan een halve eeuw geleden was de apicale r al goeddeels op de terugtocht ten gunste van een velare of uvulaire r (Van Haeringen 1924). Daarnaast zijn echter andere varianten gekomen, tot zelfs in clusters een non-realisatie toe (vergelijk Damsteegt 1969). Er zijn Nederlanders die programma uitspreken als pogamma. Het meest verrassend is voor de meeste taalgebruikers het veldwinnen van de zogenaamde Gooise r. Hierbij wordt een sterk retroflexe positie van de tong ingenomen, enigszins vergelijkbaar met de Amerikaanse uitspraak, maar toch niet identiek daarmee. De benaming Gooise r is te danken aan het veelvuldig voorkomen van deze uitspraak

[p. 496]

bij de media radio en televisie, vooral bij vrouwen, in aankondigingen, interviews en reclameboodschappen. Daarnaast komt de variant voor waarbij de r als j gerealiseerd wordt na klinkers: spojt, voor sport, jaaj voor jaar.

8.2.1.3. Accentuering

Op de regels van het Nederlandse woordaccent gaan we hier niet in; daarvoor zij verwezen naar de desbetreffende literatuur (Trommelen & Zonneveld 1989; Neijt 1991). In dit bestek wordt alleen opgemerkt dat van die regels tegenwoordig nogal eens afgeweken wordt, een constatering die alleen voor het moderne Nederlands gemaakt kan worden: het Nederlands dat we in onze dagen horen en dat door middel van geluidsdragers bewaard is gebleven. Voor ouder Nederlands - ruim genomen van voor 1940 - zijn veel moeilijker conclusies te trekken. Het meest opvallend zijn de verschuivingen in de accentpatronen die te horen zijn in radio- en televisie-uitzendingen, onder andere in nieuwsberichten. Ze trekken de aandacht van veel Nederlanders, worden gesignaleerd (meestal in afkeurende zin); onbepaalbaar is of ze zullen blijven (Michels 1946; Zandvoort 1959). In bijna alle gevallen gaat het om verplaatsing van het accent naar de eerste syllabe. De volgende gevallen kunnen zich voordoen:

1.bij tweelettergrepige inheemse woorden: 'ontvangst, 'althans;
2.bij drielettergrepige inheemse woorden: 'vasteland, 'koningin Beatrix;
3.bij tweelettergrepige niet-inheemse woorden: 'massaal, 'soelaas, 'premier Lubbers;
4.bij drielettergrepige niet-inheemse woorden: 'absoluut, 'cultureel, 'utopie, 'automaat, 'financieel, 'exclusief, 'ideaal, 'kwaliteit, 'diverse;
5.bij vierlettergrepige niet-inheemse woorden: 'alternatief, 'incidenteel.

Voor een aantal van deze woorden is beginaccent normaal geworden (bijvoorbeeld 'diverse, 'absoluut); bij andere is het incidenteel. Verschuiving van de klemtoon naar achteren is veel zeldzamer, maar komt ook wel voor: si 'filis (Battus 1981).

Bij het voorlezen van teksten, bijvoorbeeld in nieuwsberichten, valt op dat het zinsaccent de neiging heeft naar het eind van de zin te trekken, vooral naar werkwoordelijke vormen: Er worden maatregelen overwogen om tot een beperking van de uitgaven te 'komen. In spontaan gesproken Nederlands is dit verschijnsel minder merkbaar (Tros 1988).

[p. 497]

8.2.1.4. Spelling

In de jaren vanaf 1920 is over de spelling steeds veel te doen geweest. De spelling van De Vries en Te Winkel werd bij het onderwijs als verre van ideaal beschouwd, maar onderwijskrachten die het liefst zelf in hun eigen geschriften de spelling-Kollewijn toepasten, mochten deze eenvoudiger spelling niet in hun lessen gebruiken. Inmiddels waren ook andere geluiden te vernemen: voorstanders van de gevestigde spelling zagen in de school van Kollewijn ‘taalbederf’ binnensluipen (Wille 1935) en er ontstond van lieverlee een spellingstrijd, waarbij voor- en tegenstanders van spellingwijziging elkaar vooral met artikelen en brochures in de haren vlogen. Voorstanders van Kollewijns ideeën geloofden in ‘taaltucht’ in plaats van ‘taalbederf’ (Bockwinkel 1937).

Ook regeringsbemoeienis met de spelling zorgde voor veel commotie. Pas onder het bewind van minister Marchant kwam er tijdelijk rust: hij slaagde er namelijk in 1934 in een aantal wijzingen in de spelling-De Vries en Te Winkel doorgevoerd te krijgen, die ertoe leidden dat men van de spelling-Marchant is gaan spreken. Bij het onderwijs werd deze zogenaamde nieuwe spelling ingevoerd; twee christelijke gymnasia die weigerden tot invoering over te gaan, werden verplicht de spelling te onderwijzen voor het eindexamen. Men noemde deze spelling dan ook wel ‘examenspelling’ (Daman 1941, 44). De regels van de vereenvoudigde spelling bestonden uit de volgende voorschriften:

1.De e wordt aan het eind van een lettergreep niet verdubbeld: stenen, heren. Aan het eind van een woord blijft de ee gehandhaafd: twee, zee.
2.De o wordt aan het eind van een lettergreep niet verdubbeld: zo, horen. De oo blijft gehandhaafd voor ch: goochelen.
3.De combinatie sch wordt alleen daar geschreven waar de ch gesproken wordt: schip, maar vis, mens. De uitgang -isch blijft gehandhaafd: komisch.
4.De buigingsuitgangen e en en bij het lidwoord een, bij geen en bij de adjectivisch gebruikte bezittelijke voornaamwoorden vervallen in de spelling: mijn moeder.
5.De naamsvals-n wordt, behalve in staande uitdrukkingen, alleen nog geschreven in het enkelvoud bij de namen van mannelijke personen (en dieren): van den man, van den stier.

De spelling-Marchant was dus een onderwijsspelling. In kranten en boeken werd vanouds de spelling-De Vries en Te Winkel toegepast en daarnaast waren er veel letterkundigen die de spelling-Kollewijn, al dan niet met bepaalde modificaties, bleven schrijven. Tot hen behoorden onder meer A.M. de Jong, Theo Thijssen, Garmt Stuiverling, Du Perron. Vrijwillige gebruikers van de spelling-Marchant waren onder meer Theun de Vries, Anne de Vries, Cor Bruyn, M. Nijhoff, Albert Helman, Jan de Hartog.

[p. 498]

In de bezettingstijd was de spelling-Marchant inzet van politiek gekibbel binnen de gelederen der nationaal-socialisten. De NSB was tegen de nieuwe spelling, maar op het departement van Volksvoorlichting en Kunsten achtte men die nieuwe spelling juist in het belang van het volk. Veel verder dan wat intern geruzie kwam het niet (Van der Stroom 1983).

Pas na de bevrijding werd door de overheid een spellingvrede bereikt. In 1947 werd een spellingwet aangenomen, waardoor de examenspelling van 1934 nu ook buiten de school van kracht werd. Tevens werd het schrijven van de zogenaamde ‘seksuele n’ afgeschaft: men spelde dus van nu af aan van de man, van de stier. Bij deze spellingwet werd tevens aangekondigd dat er andere regelingen moesten komen voor de schrijfwijze van de bastaardwoorden, de tussenklanken in samenstellingen, de voornaamwoordelijke aanduiding, de aardrijkskundige en de historische namen. Dat alles had tot gevolg dat in 1954 een Woordenlijst van de Nederlandse taal verscheen (naar de kleur van de band spoedig bekend als Het groene boekje), waarin een en ander nader geregeld werd op het gebied van de bastaardwoorden, de tussenklank en de pronominale aanduiding; echter niet tot ieders genoegen. Een probleem bleef de spelling van de tussenklank in samenstellingen, die bijvoorbeeld voorschreef dat men bessesap moest schrijven naast bessenjam, omdat in het laatste geval de gedachte aan een evident meervoud bessen in het geding zou zijn; een louter artificiële regel dus. Ook de spelling van de bastaardwoorden zorgde voor veel onzekerheid. De commissie die de Woordenlijst had samengesteld, had namelijk ruimte voor dubbelvormen gelaten: zo werd bijvoorbeeld naast productief ook produktief vermeld, waarbij de laatste vorm de voorkeur kreeg. Samen met enige duizenden andere bastaardwoorden werden dit soort dubbelspellingen in de Woordenlijst opgenomen met steeds een indicatie welke vorm als voorkeurspelling gold. Bij het onderwijs werd het schrijven van de voorkeurspelling regel, evenals bij de pers en in overheidsstukken. Dat alles had ongelukkige gevolgen. Veel oudere Nederlanders bleven bij bastaardwoorden de niet-voorkeurspelling - ook wel nakeurspelling genoemd - hanteren, terwijl de taalgebruikers die volgens de regel wilden spellen, gedwongen waren steeds Het groene boekje te raadplegen.

Tegen deze onbevredigende situatie rees veel verzet en er ontstonden dan ook bewegingen, verenigingen en actiegroepen die zich inzetten voor spellingverandering, waarbij de meeste veel verder reikende verlangens hadden dan een herziening van de spelling der bastaardwoorden. Vooral in de jaren zestig waren de voorstanders van spellingvereenvoudiging actief. Daarbij werden ook spellingen gehanteerd die als progressief te boek stonden: veel radicale jonge mensen - in hun tijd ook wel spottend ‘de stencilelite’ genoemd - afficheerden zich als modern door spellingen als kommunikaatsie, sosjale joenit en dergelijke te verbreiden.

Verder dan plannen kwam het niet. Het gaat te ver in dit verband de bonte geschiedenis van deze spellingstrijd te releveren (we verwijzen daarvoor naar Molewijk 1992, waarin een uitvoerige beschrijving te vinden is, die echter wel partijdig

[p. 499]

gekleurd is). Alleen moet nog melding gemaakt worden van de commissie die door de Nederlandse Taalunie werd ingesteld. Deze intergouvernementele organisatie van België en Nederland samen installeerde een commissie, die voorstellen moest doen ter vereenvoudiging van de spelling, voorstellen die dan door de regeringen van beide landen zouden moeten worden overgenomen om tot een nieuwe spelling te komen. In 1989 verscheen het Rapport van de Werkgroep ad hoc Spelling, waarin een aantal voorstellen gepresenteerd werden, die veel onrust te weeg brachten in brede kringen; met name wond men zich op over de voorstellen aangaande de spelling van de werkwoordsvormen. Te veel zag men daarbij over het hoofd dat het hier niets anders dan voorstellen betrof. Datzelfde gold voor de voorstellen van de Spellingcommissie, maar die hebben uiteindelijk geleid tot spellingwijzigingen die door de Taalunie geformuleerd zijn en die in het najaar van 1996 van kracht zijn geworden.

Inmiddels is spelling niet alleen een zaak van maatschappelijk belang; ook taalkundig gezien kan spelling wel degelijk soms invloed hebben op de ontwikkeling van de taal. In een gemeenschap waarin vrijwel alle mensen lezen, wordt het klankverloop meer en meer bepaald door de letter, wat zich uit in zogenaamde spellinguitspraak, zoals we in 8.1. al aanstipten. Zo bestaat de ‘leesuitspraak’ van het lidwoord een alsof het een telwoord ware: één. Ook de lidwoorden het en der worden in veel gevallen niet met de normale sjwa uitgesproken, maar met de klank van hek en ver (Van Haeringen 1937). Een voorbeeld van een omgekeerde spellinguitspraak vormt de uitspraak van dergelijk, waarbij veel Nederlanders in de laatste syllabe een sjwa realiseren, naar analogie van mogelijk, degelijk en andere adjectieven op -lijk.

Een hardnekkkige leesuitspraak is voorts de uitspraak van het pronomen hij in inversiepositie en na een onderschikkend voegwoord. De uitspraak in spontaan taalgebruik is hier ie: komt-ie, omdat-ie komt. Slechts een klein aantal auteurs uit de periode van het impressionisme is bij de weergave van dit enclitische pronomen overgegaan tot de spelling met -ie of -i. In de officiële spelling is altijd komt hij, omdat hij komt in zwang gebleven, wat dikwijls tot de leesuitspraak met hij leidt (zie ook Van Haeringen 1950a). Dat de uitspraak dat-ie en komt-ie al langer een strijdpunt vormde voor de voorvechters van de spreektaal, is geschetst in 7.2.1.1.

8.2.2. Morfologie

In de morfologie van het Nederlands hebben zich zowel bij de flexie als bij de woordvorming in de periode van 1920 tot heden veranderingen voorgedaan waarvan sommige ingrijpende gevolgen (kunnen) hebben. In de hierna volgende paragrafen worden deze veranderingen nader beschouwd.

[p. 500]

8.2.2.1. Flexie

In het systeem van de pronomina zijn in de 20e eeuw vrij wat verschuivingen waar te nemen. Het meest opvallende zijn de veranderingen bij de persoonlijke voornaamwooorden van de derde persoon meervoud. Volgens de grammaticale normen gelden voor de subjectsvorm respectievelijk ze/ zij en hen/ hun. De objectsvorm werd voor de schrijftaal nog onderscheiden in hen voor het lijdend voorwerp, hun of ann hen voor het meewerkend voorwerp. Het is vooral een papieren onderscheid, waarbij in de spreektaal een zekere voorkeur voor hun is waar te nemen (Kooiman 1967; De Rooij 1990; De Rooij 1991).

Naast deze vormendifferentiatie is een ander systeem in gebruik waarbij ze in alle posities bruikbaar is; ook voor zaken, wat niet geldt voor hen en hun, die alleen op personen betrekking kunnen hebben. Ten slotte is er het binnendringen van de oorspronkelijke objectsvorm hun in subjectspositie bij personen. Dit gebruik van hun is beperkt tot de spreektaal in grote delen van Nederland, maar sociaal is het niet algemeen aanvaard. De oudste attestatie van hun als subject dateert uit 1911 (Vor der Hake 1911; Karsten 1939; Kooiman 1969; Willems 1970; Van den Berg 1978), Hierbij moet opgemerkt worden dat hun een identificerende functie heeft: het verwijst naar een bekende referent, terwijl ze ook als indefiniet pronomen dienst kan doen:

(1)Hun zeggen dat er onweer komt.
(2)Die mensen zeggen dat er onweer komt.
(3)Ze zeggen dat er onweer komt.
(4)Men zegt dat er onweer komt.

In de voorbeeldzinnen hebben (1) en (2) dezelfde betekenis; (3) en (4) hebben ook eenzelfde betekenis, maar (4) kan niet in betekenis gelijkgesteld worden met (1).

Verklaringen voor het veld winnen van hun blijven speculatief. Zo is hun wel verklaard als een hypercorrectie voor ze: dialectsprekers die voor het meewerkend voorwerp in de taal van de randstad ze hoorden, gebruiken voor hun eigen endogene hun, zouden ze en hun gelijkgesteld hebben en vervolgens hun ook als subject zijn gaan gebruiken. Een andere verklaring grijpt terug op een vereenvoudiging van het systeem, waarbij een dialectisch hullie door hun vervangen werd (Van der Horst 1988a).

Met dat al zijn er drie paradigma's te geven:

  personen personen en zaken personen
onderwerp ze/zij ze hun
meew. voorwerp hun ze hun
lijd. voorwerp hen ze hun

[p. 501]

Bij de pronomina personalia van de tweede persoon, enkelvoud en meervoud, hebben zich eveneens verschuivingen voorgedaan, niet in de vormen, maar wel in het gebruik. De vormen jij en u zijn vanaf het midden van de jaren zeventig van vertrouwelijksheids-, respectievelijk beleefdheidspronomen steeds meer verschoven in de richting van solidariteits-, respectievelijk distantiepronomen. Men gaat steeds sneller over tot het gebruiken van je/ jij en jullie in situaties waarin vroeger u gebruikt werd, een trend die parallel loopt aan het gemakkelijke gebruik van de voornaam. Dit alles is uiteraard niet los te zien van sociale verschuivingen in de Nederlandse samenleving (meer gegevens in Van den Toorn 1977).

 

Bij de voornaamwoordelijke aanduiding valt een ongrammaticale voorkeur waar te nemen voor het wanneer de referent een de-woord (ook in het meervoud) is. Als voorbeeld noemen we: ‘We hebben naar de BB-kwis gekeken en gezien voor wat een goed doel het is gespeeld’ (Mikrogids, maart 1981) en: ‘Geen vrije inzage in boeken en tijdschriften, behalve als u het wilt kopen’ (stationsboekhandels 1980). Het lijkt erop dat dit gebruik, ook in geschreven taal, toeneemt (zie ook Verhoeven 1990). Als voorbeeld daarvan citeren we: ‘In het verleden heeft de Europese Commissie meerdere moties van afkeuring aan haar broek gekregen, maar alle aanvallen op haar bestaan heeft het tot nu toe overleefd’ (Ned. Staatscourant 15-12-92).

 

Bij de bezittelijke voornaamwoorden is op te merken dat de onbeklemtoonde vormen van de derde persoon z'n en d'r in spreektaal zeer gebruikelijk zijn voor het uiten van een genitiefrelatie: Jan z'n boek en Marie d'r boek in plaats van Jans boek, respectievelijk Maries boek. De constructie is al oud (bekend sinds de 15e eeuw, zie De Vooys 1947d: 293), vervolgens in de late 17e eeuw tegengewerkt door spraakkunstenaars, en tegenwoordig nog steeds niet algemeen gebruikelijk in de verzorgde schrijftaal, hoewel er voorbeelden van bekend zijn (Van der Horst & Marschall 1989: 112 e.v.). De constructie is alleen toepasbaar als de bezitters die aangeduid worden te omschrijven zijn ‘als menselijk of dierlijk voorgestelde, niet te kleine wezens, waarmee we een zekere vertrouwdheid bezitten’ (Paardekooper 1952).

Bij de voornaamwoordelijke aanduiding door bezittelijke voornaamwoorden is het toenemende gebruik van haar in gevallen waar dat als ongrammaticaal geldt opmerkelijk. Zo wordt met haar verwezen naar collectiva die niet vrouwelijk zijn en naar het-woorden, ook wanneer dat geen collectiva betreft. Het gebruik is stellig uit de schrijftaal afkomstig, waar het voorschrift geldt dat naar een aantal de-woorden met ze en haar verwezen dient te worden. Aangezien dat veelal collectiva betreft, zoals commissie, regering, vergadering, is de stap naar soortgelijke verwijzingen bij raad, bestuur en andere niet groot meer. Zo verschijnen constructies als ‘het bestuur en haar besluit’ naar analogie van ‘de commissie en haar besluit’ (zie Royen 1935; Geerts 1977).

Dit gebruik strekt zich ook uit over de pronominale verwijzing naar niet-col-

[p. 502]

lectiva aanduidende het-woorden, zowel in geschreven als gesproken taal. We geven twee voorbeelden:

(...) het Leidseplein met haar Internationale allure (...) (J. Huisman, Lelijk gebouwd Nederland, Den Haag 1991, blz. 51).
(...) dit automerk met haar spectaculaire presentatie (...) (televisiereclame, bij herhaling in 1992).

Ten slotte signaleren we bij de betrekkelijke voornaamwoorden de vervanging van het relatieve dat door wat: ‘het boek wat ik gelezen heb’. Het is een verandering in de taal die steeds verder in de schrijftaal doordringt, die in de omgangstaal volstrekt gebruikelijk is en die al sinds de Middeleeuwen aanwijsbaar is (vergelijk ook Michels 1963). Uit frequentieonderzoek is af te leiden dat het relatieve dat nog maar in 0,7% van de gevallen gebruikt wordt in gesproken taal; in geschreven taal is dat 1% (zie daarvoor Uit den Boogaart 1975). Al ouder is trouwens de vervanging van relatief daar door waar: ‘de plaats waar ik gewoond heb’ (Van der Horst 1988b; Van der Horst en Storm 1991).

Naast deze verandering, die een grote verbreiding heeft gekregen en die niet meer als ongrammaticaal beschouwd kan worden, is er onzekerheid waarneembaar bij het gebruik van relativa die naar personen verwijzen. Bij de schrijftalige vormen wiens en wier blijkt een voorkeur voor de eerste vorm, zodat constructies te horen zijn als ‘de vrouw wiens paraplu was blijven staan’ en ‘de mensen wiens huis verwoest was’. Kennelijk wordt wier als verouderd gevoeld en is dat bij wiens minder het geval.

Sterk in opmars is het gebruik van relatieve voornaamwoordelijke bijwoorden bij personen (vergelijk ook 7.2.2.1.):

(5a)   (...) die jongen waarmee ik naar het station ben gelopen.
(6a)   (...) die mevrouw waar hij tegenop liep.

Voor Nederlanders die tot een oudere generatie behoren is dit taalgebruik niet altijd aceeptabel. In verzorgde geschreven taal worden deze constructies gewoonlijk vermeden; de voorkeur hebben dan:

(5b)   (...) die jongen met wie ik naar het station ben gelopen.
(6b)   (...) die mevrouw tegen wie hij op liep.

Het aanwijzende bepalingaankondigende voornaamwoord diegene is sinds de jaren negentig bij jonge taalgebuikers in toenemende mate zonder bepalende bijzin te horen, bijvoorbeeld: ‘Als je diegene ontmoet, weet je gewoon niet wat je moet doen’.

[p. 503]

Bij de werkwoorden is er een tendens naar vereenvoudiging en efficiëntie waar te nemen, die zich uit in de gelijkmaking van de werkwoordsvormen: onregelmatige (sterke) werkwoorden worden regelmatig (zwak) gemaakt, wanneer het verba betreft die niet zeer frequent gebruikt worden. De frequent gebruikte sterke werkwoorden vertonen die tendens niet: ze bezitten een ‘taaie levenskracht’ (Van Haeringen 1941) en vertonen soms zelf nog uitbreiding van hun categorie. Naast vroeg en joeg dat in de plaats van (en ook naast) vraagde en jaagde voorkomt, zijn uit onze eeuw te noemen de vormen schee uit / uitgescheeën, vree / gevreeën, het niet standaardtalige gebreeën voor gebreid en het studentikoze foof/gefoven (Van Haeringen 1941; Van Haeringen 1950b).

Het verloop van sterke werkwoorden naar de categorie der zwakke is echter normaler te noemen. De preteritumvormen veranderen daarbij eerder dan het participium (De Vooys 1947d: 121-123). Gevallen die in de laatste halve eeuw opgetekend zijn vermelden we hieronder. Ze zijn vrijwel alle uit geschreven teksten afkomstig; sommige zijn algemeen aanvaard, zoals stootte in plaats van stiet, andere daarentegen zijn voor veel - vooral oudere - taalgebruikers niet acceptabel (gegevens bij Stutterheim 1977; 1978; 1979; 1980; Uitman 1979; Zaalberg 1981).

1. beklijven beklijfde beklijfd
  krijten krijtte  
  wijten wijtte gewijt
  aanprijzen   aangeprijsd
  splijten splijtte  
  uitwijken uitwijkte  
  belijden belijdde  
2. klieven kliefde  
  spruiten spruitte voortgespruit
  duiken duikte  
  stuiven stuifde gestuifd
  inspuiten   ingespuit
  verdrieten verdriette  
3. delven delfde (het onderspit)  
  gelden geldde  
  zwelgen zwelgde  
  dingen dingde mee afgedingd
  bezinnen bezinde  
  aanzwellen aanzwelde aangezweld
  vlechten vlechtte  
4. zweren zweerde samengezweerd
  wreken gewreekt  
  brengen brengde  

[p. 504]

5. plegen pleegde  
  meten meette  
  overwegen overweegde  
6. ervaren ervaarde  
  graven graafde  
7. stoten stootte  
  scheppen schepte (behagen)  
  dunken dunkte  
  raden raadde  
  vermalen   vermaald

De hier opgetekende vormen kunnen voor een deel als algemeen gebruikelijk gekarakteriseerd worden. Dat geldt zeker voor stootte, ervaarde, raadde. Op weg naar de normaliteit lijken ons beklijfde, verdriette, zwelgde, pleegde, dunkte, maar het is niet te voorzien wat ‘de taaie levenskracht van het sterke werkwoord’ vermag.

8.2.2.2. Woordvorming

Bij de Nederlandse woordvorming zijn globaal genomen in de laatste halve eeuw - soms al eerder, soms later - verschijnselen waarneembaar die onder de noemer ‘taalverandering’ te klassificeren zijn. Het gaat daarbij niet alleen om de uitbreiding, niet zelden explosief, van bestaande procédés, die in het Nederlands vanouds bekend zijn: bepaalde vormen van samenstelling of afleiding raken ineens in toenemende mate in gebruik, maar ook geheel nieuwe vormen van morfologie doen zich voor. Bij dat laatste denken we aan de grote toename van afkortingen en acroniemen, die op zichzelf weer de basis kunnen vormen voor nieuwe samenstellingen en afleidingen.

Het gaat, dunkt ons, niet te ver wanneer we in deze verschijnselen een teken zien van het streven naar korte, efficiënte uitdrukking. Zonder dat we dit streven willen zien als een teken van vooruitgang (zoals in het optimistische geloof van Otto Jespersen 1941), menen we in alle neutraliteit een algemene tendens tot regelmaat, eenvoud en efficiëntie waar te kunnen nemen. Het procédé tot vorming van samenstellingen is uiteraard al een taaleconomisch middel, a fortiori geldt dat voor de formaties met afkortingen en acroniemen. Opmerkelijk is daarbij nog de toename in het gebruik van niet-inheems taalmateriaal, vooral enkele suffixen, en de integratie daarvan in het inheemse taalbestand. We laten achtereenvolgens deze verschijnselen de revue passeren.

Samenstellingen

Onder de morfologische procédés is de samenstelling in het Nederlands vanouds favoriet; een samenstelling is economisch: met één woord kan een vrij complex be-

[p. 505]

grip uitgedrukt worden. Het ziet ernaar uit dat in de laatste decennia enkele nieuwe soorten samenstellingen in zwang zijn gekomen: nominale samenstellingen met een woordgroep als eerste lid, samenstellingen met verba en opmerkelijke ‘back formations’ daarbij, en samenstellingen met adjectieven en daarmee samenhangende ontwikkelingen.

Nominale samenstellingen kunnen een behoorlijke lengte bereiken: vier-, vijfen zesledige composita zijn geen uitzondering in het Nederlands. In geschreven teksten kan dat tot onoverzichtelijkheid leiden. Als oplossing komt als gevolg daarvan het niet-aaneenschrijven van samenstellingen steeds meer voor, bijvoorbeeld week reclame banket bakkers sprits of spoorstaaf las inrichting. Maar ook bij korte samenstellingen komt dit verschijnsel voor: uit rit zand auto's. De juiste schrijfwijze - aaneengeschreven of met verbindingsstreepjes - durft men kennelijk niet aan.

Bij woordgroepen als eerste lid zijn koppeltekens onontbeerlijk. Het procédé is bekend, maar was naar het ons schijnt vooral in literair taalgebruik (Van Deyssel!) te vinden: kleine-jongetjes-onder-elkaar-elite (NRC-Hbl. 29-9-83), zie-je-wel-gevoel, een waar-gaat-dat-heen-artikel (NRC-Hbl. 28-11-92).

Men denke hierbij ook aan de inventies die vooral in commercieel taalgebruik floreren zoals een zie-uzelf-ten-voeten-uit-spiegel of een Spaar-voor-Zekerheid-Plan. Maar niemand kijkt meer verbaasd op bij doe-het-zelf-winkel of zelf-sleutelen-rubriek.

Samenstellingen bestaande uit een adjectief in onverbogen vorm + een substantief zijn jarenlang bestreden als germanismen (Staverman 1939; Steenbergen 1971). Formaties als rauwkost en groothandelaar zouden onnederlands zijn, terwijl ook pogingen tot verdediging werden ondernomen: aangezien rauwkost iets anders betekent dan rauwe kost, zou het niet afgewezen mogen worden. Inmiddels is de taalontwikkeling eigen wegen gegaan: groothandel en grootbeeld zijn gebruikelijk geworden, grootstad daarentegen niet; hoogbouw en laagbouw zijn algemeen geworden, snelweg, snelbuffet, snelkassa eveneens, maar volmelk (Vollmilch) of diepbouw (Tiefbau) komen niet voor.

Samenstellingen van verba komen eveneens niet zelden op in de commerciële sfeer (klimsparen, vliegwinkelen), maar ze halen ook de algemene taal (roerbakken). Nieuwe formaties met een substantief als eerste lid zijn er in grote hoeveelheid. We noemen hier vakantiewerken, doemdenken, stoomstrijken, huisdealen, taakverdelen, vormpersen, plankzeilen, computerprogrammeren, tekstverwerken en andere.

Sommige van deze verba zijn als ‘back formations’ te beschouwen bij eerder gevormde schijnbare deverbatieven. Zo zijn grijsrijden en voordeurdelen vrijwel zeker ontstaan na de vorming van grijsrijder en voordeurdelers. Van die nieuw ontstane infinitieven worden dan weer verbogen vormen afgeleid: deelwoorden, maar ook verba finita. Zo is vrijwel zeker een lijn te trekken van hongerstaking via nog niet geattesteerd hongerstaken naar hongerstakers en hongerstakende studenten (NRC-Hbl. 18-5-89). Ook aan vormen als vakantiewerkende jongeren (NRC-Hbl. 18-5-85),

[p. 506]

nazi-groetend, gebloemleesd, een tweeverdienend echtpaar, ik thuiswerk veel (R. Campert, Vk. 11-9-86) moeten substantivische samenstellingen ten grondslag hebben gelegen die via een mogelijke infinitief tot verder liggende formaties geleid hebben.

Opmerkelijk is de vrijmoedigheid waarmee de moderne taalgebruiker samenstellingen met adjectieven als hoofd maakt. Tussen het adjectief zelf en het determinerende eerste lid zijn allerlei semantische relaties denkbaar, die kennelijk door taalgebruikers zonder moeite begrepen worden. Wanneer het eerste lid een substantief is, kan dat qua functie vergelijkend zijn (bloemfris, giroblauw), versterkend (oliedom, poeprijk) dan wel dimensioneel (gevelgroot, tafelhoog). Een succesrijke formatie van het laatste type is kamerbreed (zie Moerdijk 1985) dat aanvankelijk voor tapijt gebruikt werd, vervolgens overdrachtelijk werd toegepast op de Tweede Kamer: een kamerbrede motie (NRC-Hbl. 12-2-82). Van hieruit ontstonden: natiebreed (NRC-Hbl. 26-4-82), stratenbreed (Mulisch, De aanslag 1982, blz. 230), raadsbreed (KU-Nieuws 21-2-92), universiteitsbrede taken (Int. meded. KU, Nijmegen, dec. '92).

Er zijn echter legio andere relaties, die veelal door voorzetselconstructies te expliciteren zijn (stofvrij = vrij van stof enzovoort). Zo kennen we:

-privatieve relaties (bedrijfsvreemd, loodvrij, energiearm)
-protectieve relaties (hittebestendig, ovenvast, motveilig)
-causatieve relaties (ovenvers, bezemschoon)
-finale relaties (panklaar, tandschoon, klantgevoelig, milieuaardig)
-temporele relaties (vakantielang, stormsterk, winterwarm)
-locatieve relaties (spelonkrein, gootzindelijk (hond), sneeuwzeker)
-ruimere relaties (kostenbewust, kapitaalintensief, vuurgevaarlijk (crimineel), stadsvernieuwingsurgent, deltaveiling, autoluw)

Vooral bij de finale relaties zijn er expansieve uitbreidingen waarneembaar:

-vriendelijk: vrouwvriendelijk, gebruikersvriendelijk, diervriendelijk, budgetvriendelijk, kindvriendelijk, botsvriendelijk (auto's);
-onvriendelijk: publieksonvriendelijk, vernieuwingsonvriendelijk, man-onvriendelijk;
-vijandig: tramvijandig, vrouwvijandig, arbeidersvijandig, consumptievijandig;
-gevoelig: trendgevoelig, relgevoelig, fooigevoelig, servicegevoelig, hitgevoelig.

De laatstgenoemde gevallen laten een ontwikkeling zien in de richting van suffixvorming: -vriendelijk, -vijandig, -gevoelig zijn op weg suffix te worden en kunnen als halfsuffixen beschouwd worden (vergelijk Van den Toorn 1983). Het verschijnsel is al langer bekend uit formaties als natriumarm, alcoholrijk, loodvrij, stijlvol,

[p. 507]

gelede adjectieven die graadbepalingen en comparatie toelaten in tegenstelling tot hun correlaten die nog niet als formaties met een halfsuffix beschouwd kunnen worden. Men vergelijke:

straatarm *erg straatarm *straatarmer
zoutarm erg zoutarm zoutarmer

De nieuwvormingen op -vriendelijk en consorten vertonen dezelfde eigenschap:

hypergevoelig *zeer hypergevoelig *hypergevoeliger
lichtgevoelig zeer lichtgevoelig lichtgevoeliger

Bovendien komen deze formaties tegemoet aan het streven naar economische uitdrukkingsmogelijkheid: autovijandig is predicatief èn attributief bruikbaar, terwijl het semantisch equivalent anti-auto alleen predicatief kan voorkomen. Hetzelfde geldt voor vrouwvriendelijk tegenover pro-vrouw.

 

Het ziet ernaar uit dat door moderne reclameteksten nieuwe samengestelde adjectieven in onze taal hun intrede doen. Daarbij zijn occasionele nieuwvormingen als tintelfris, kakelverse eieren, vingerlichte besturing en dergelijke, maar ook formaties die een veel grotere verbreiding hebben gevonden: vriesdroog, motorvreemd slagvast en andere (zie Mars 1968).

 

Er bestaat in het Nederlands vervolgens een type samenstelling waarbij een voltooid deelwoord voorafgegaan wordt door een substantief, waardoor een samengesteld adjectief ontstaat; een voorbeeld is computergestuurd, waarbij de relatie tussen de samenstellende delen geëxpliciteerd kan worden door de omschrijving ‘door de/een computer gestuurd’. Het type is niet nieuw: het Middelnederlands kende al godevolen, huusbacken en andere, terwijl algemeen gebruikelijke gevallen in het moderne Nederlands te vinden zijn in doelgericht, noodgedwongen, eervergeten en andere. Wèl nieuw schijnt ons de verbreiding die dit type in de decennia sinds ongeveer 1975 vertoont. De verwachting van Den Hertog anno 1898 dat deze vormen geen grote uitbreiding zouden ondergaan (zie 7.2.2.2.) is dus niet uitgekomen.

Het betreft hier naar onze mening een type woordvorming dat in het Nederlands als Germaanse taal normaal genoemd mag worden. Met anderen woorden: men behoeft er geen germanisme of anglicisme in te zoeken, omdat dezelfde constructie ook in het Duits en Engels voorkomt (bijvoorbeeld notgedrungen, frostbitten). Niettemin is tegen dit soort formaties bij herhaling protest aangetekend (zie daarvoor uitvoeriger Van den Toorn 1984), ten onrechte. Uit recent materiaal geven we hieronder enige voorbeelden, geordend naar de omschrijvingsmogelijk-

[p. 508]

heden door middel van een voorzetsel. Veruit de meeste gevallen betreffen attributief gebruik. De voorbeelden stammen grotendeels uit de dagbladpers van de jaren 1980-1992.

door computergestuurd: door de/een computer gestuurd

KOMO-gekeurde huisvuilzak probleemgestuurd onderwijs rijkserkende diploma's kernenergie aangedreven onderzeeër

met kolengestookt: met kolen gestookt

placebo-behandelde muizen platinaveredeld scheerblad aspartaam-gezoete frisdranken fosfaatverzadigde gronden

aan tijdgebonden: aan tijd gebonden

drugsverslaafde hippie loongerelateerde uitkering

lokale relatie, uit te drukken door aan, bij, in

beursgenoteerde ondernemingen ovengebakken frites hoekopgestelde keuken, vormgegoten replica's

andere relaties, veelal uitdrukbaar met naar, volgens, wat betreft

taalvertraagde jongens lichaamsgevormd verband kinderbeveiligde sluiting Caesar geknipt haar  
vetbeperkt ijs duurgetrainde sporters (dat wil zeggen in duur) afstandsbediende televisie Nederlands gesproken video

Er blijkt onzekerheid bij de spelling: los geschreven, aaneengeschreven of met koppelteken gespelde vormen wisselen elkaar af. Naast attributief gebruik, dat overweegt, komen ook gevallen van predicatief gebruik voor (bijvoorbeeld: ‘De kinderen hielden zich spelverdiept’, V. Mahieu, Tjoek 1960, blz. 132) en substantiveringen (bijvoorbeeld een spraakgestoorde, NRC-Hbl. 14-1-84), oorlogsgetroffenen (NRC-Hbl. 23-9-86), luchtgehandicapten (brochure Kankerbestrijding 1987).

Nulderivaties

Al sinds de Middeleeuwen kent het Nederlands een morfologisch procédé waarbij van samenkoppelingen (vulgo: scheidbaar samengestelde werkwoorden) door zogenaamde nulderivatie of conversie nomina actionis gevormd worden. Naast de afleiding door middel van ablaut (ingrijpen / ingreep) en afleiding door suffigering met -ing (ophelderen / opheldering) kennen we afleidingen zonder dat daar een fonetisch waarneembaar element aan te pas komt (vergelijk Dokulil 1968; Marchand 1969: 359 e.v.): aanwassen / aanwas. Niet altijd is met zekerheid uit te maken of er sprake is van afleiding of van samenstelling. Theoretisch kan aanblik een nulderi-

[p. 509]

vatie zijn van aanblikken, maar ook een samenstelling van aan en blik, waarbij het verbum aanblikken een afleiding is. Historisch bewijsmateriaal dat uitsluitsel zou kunnen geven ontbreekt meestal (zie verder Don 1993).

Onverdacht in dit opzicht is een woord als aanhang, want hangkomt niet zonder meer in de betekenis ‘het hangen’ voor. Dat geldt eveneens voor aanhef, aanleg, aanvoer, aanwas, aanzet, afvoer en vele andere. Zoals gezegd komt het procédé al in de Middeleeuwen voor met talloze voorbeelden, ook van in onbruik geraakte formaties als de aentast ‘inhechtenisneming’ (1436), de aenticht ‘beschuldiging’ (1322), de aenwerp ‘aangeslibd land’ (1312). Steeds is sprake van afleidingen die het lidwoord de selecteren (van de door Schönfeld 1964: 204 ter sprake gebrachte nomina postverbalia als bericht, bestuur, bezoek, verzoek, vervolg, alle neutra, zien we hier af). Behalve nomina actionis (aanmaak, opbloei, uitleen) zijn er resultaatnamen (indruk, nasleep, overdruk, uitdraai) en woorden die in beide betekenissen voor kunnen komen: aankoop ‘het aankopen’ en ‘datgene wat aangekocht is’.

De indruk bestaat dat dit soort afleidingen in opmars is, zowel bij intransitieve als transitieve verba, vooral in ambtelijk taalgebruik. Uit recent materiaal, opzettelijk met bronvermelding, noemen we:

aanpak van voetbalvandalen (Tel. 11-10-82)
doorhang van de rijdraad (Op de rails 51, 1983, blz. 260)
doorsteek in noordwestelijke richting (NRC-Hbl. 7-6-82)
doorstroom van studenten (KU-Nieuws 11-6-82)
doortrek reizigerstunnel (opschrift station Dordrecht 1986)
inbreng van juwelen voor de veiling (NRC-Hbl. 16-11-84)
inhuur van personeel (KU-Nieuws 8-11-84)
instroom van studenten (NRC-Hbl. 30-11-82)
invoeg in een opera van Cimarosa (NCRV-radio 7-11-84)
dien diepen omwoel (E. Querido ± 1920)
onderduik van joden (passim)
ophaal van huisvuil (NRC-Hbl. 20-8-82)
oppas van baby's (NRC-Hbl. 20-8-82; als nomen actionis!)
opslag van elektriciteit (NRC-Hbl. 16-6-88)
tijdelijke opstap (haltebord Nijmegen)
opvang van daklozen (NRC-Hbl. 20-11-82)
overblijf aan het eind van de route (NRC-Hbl. 4-1-85)
overloop van bevolking (NRC-Hbl. 17-10-83)
terugloop aantal studenten (NRC-Hbl. 4-3-87)
toestroom van buitenlanders (NOS-Journaal 17-11-82)
toezwaai van studenten van andere studierichtingen (NRC-Hbl. 19-9-84)
uitgloei van gifgrond (NRC-Hbl. 26-6-85)
uitlui van Franz Josef Strauss (NRC-Hbl. 8-10-88)
uitruk van de brandweer (Broekman, Rotterdam brandt 1990, blz. 8, 12)
[p. 510]
uitstoot van bewindslieden (NOS-Journaal 11-11-82)
uitstoot van uitlaatgassen (NOS-Journaal 14-5-84)
uitstroom van leden (NRC-Hbl. 31-10-84)
uitval onder de eerstejaars (KU-Nieuws 24-11-82)

Ook van enkele onscheidbare werkwoorden komen dit soort nulderivaties voor:

herkraak als inzet van kort geding (NRC-Hbl. 23-10-84)
verbouw van voedselgewassen (NRC-Hbl. 5-3-86)

Verder komen samenstellingen voor met als eerste lid een substantief:

betonrot (Nws. v.d. dag 21-9-83)
bladsnoei (U-blad 8-6-84)
boekenuitreik (studenten-meded. okt. 85)
boskap (KRO-televisie 14-2-82)
houtkap (NRC-Hbl. 14-6-88)
houtrot (Huis en tuin, sept. 83)
kinderopvang (NRC-Hbl. 11-6-82)
lesuitval (NRC-Hbl. 26-6-85)
spoorherleg (Engel, De Gooische moordenaar 1981, blz. 108)
verfopbreng (cat. Holl. meesters uit Amerika 1990, blz. 229, 370)

Met als eerste lid een adjectief of adverbium:

gelijkmaak (Du Perron, Land v. herkomst 1935, blz. 488)
kaalslag (passim)
leegloop in het onderwijs (NRC-Hbl. 28-9-83)
openleg van een stad (NOS-Journaal 11-12-84)
totale platlig van een baanvak (NRC-Hbl. 1-2-90)
weglek (van gelden) (KU-Nieuws 19-9-85)

Ten slotte verschijnen ook van simplicia enkele nieuwe nulderivaties:

verbod op fok pitbulls (NRC-Hbl. 23-10-90)
de kap van teakhout (NRC-Hbl. 13-6-88)

Afleidingen op er

In de laatste driekwart eeuw is voorts een toenemende polyfunctionaliteit zichtbaar geworden bij het suffix - er en zijn allomorf - aar. Het is bekend dat -aar de oudste rechten heeft en dat -er een verzwakte vorm van -aar is, maar van modern standpunt is -er het primaire suffix en -aar een allomorf die alleen in complemen-

[p. 511]

taire distributie met - er voorkomt. Hoewel het suffix oorspronkelijk na nomina werd toegepast, heeft het zich bovenal ontwikkeld tot een deverbaal suffix tot vorming van nomina agentis (zie Van den Toorn 1988c).

De polyfunctionaliteit die we bij - er waarnemen is, als we het goed zien, een fenomeen van de laatste 75 jaar, met een toename in de laatste decennia. Een vluchtige inventarisatie levert het volgende beeld op:

1. subjectsnaam speler
2. objectsnaam bijsluiter
3. instrumentnaam opener
4. gebeurtenisnaam treffer
5. causatief giller
6. beroepsnaam wetenschapper
7. lidmaatschapsnaam CDA'er
8. herkomstnaam Hollander
9. persoonsnaam vrijwilliger
10. samenstellende afleiding eenakter

In deze nogal disparate opsomming (afkomstig van Moortgat en Van der Hulst 1981: 182-183) zijn de eerste vijf formaties deverbaal. Maar naast het normale nomen agentis (speler, werker) en het normale nomen patientis (lijder) is er uitbreiding waar te nemen van persoonsnaam (speler) tot zaaknaam (opener, wekker, treffer). Volstrekt nieuw is echter de betekenisontwikkeling die we aantreffen in bijsluiter (niet ‘persoon die iets bijsluit’, maar ‘object dat ergens bijgesloten wordt’) en giller (niet ‘persoon die gilt’ maar ‘iets dat iemand doet gillen’).

Voorbeelden van -er-afleidingen met passieve betekenis zijn onder meer:

aanrader, meenemer, meepakker, prijspakker, achterlader, voorlader, onderzetter, onderlegger, oplegger, bijsluiter, voorwielaandrijver, (Kampioen okt. 83), inruiler (‘inruilauto’ NRC-Hbl. 22-9-83), meezinger (NRC-Hbl. 9-9-83), doorstikker (‘doorgestikte jas’), aanprijzer van de week (adv. 31-1-90).

Typerend voor de sfeer waarin deze afleidingen gedijen is de diminutiefvorm die in populair taalgebruik niet makkelijk gemist kan worden: 't is maar een krijgertje; eerlijke vlotte wegdrinkertjes (wijnreclame 10-10-79).

Deverbale afleidingen met passieve betekenis van oudere datum zijn martelaar, kittelaar en gijzelaar, maar de eerste twee zijn weinig frequent en gijzelaar heeft tot zoveel verwarring aanleiding gegeven (doordat men gijzelaar begreep als ‘degeen die de gijzeling uitvoert’, dus in actieve betekenis), dat men ertoe overgegaan is te spreken van gegijzelde. Voor het daarbij behorende nomen agentis met actieve betekenis wordt tegenwoordig wel gijzelnemer gebruikt (zie ook Van den Toorn 1978).

[p. 512]

Het tweede type (type giller) heeft een causatieve betekenis, terwijl in een aantal gevallen ook sprake kan zijn van een instrumentalis-betekenis. Als voorbeelden (ook diminutiva) noemen we:

afknapper, giller, lacher(tje), doordenker(tje), dijenkletser, hanger(tje), (‘oneffen plek in grammofoonplaat), uitglijer (NRC-Hbl. 12-11-83), thuisblijver (‘pantoffel die iemand doet thuisblijven’, reclame 1986), wegwezertje, (Tros-radio 14-11-81), instinkertje (NCRV-televisie 7-11-81), instapper (‘schoen waar men zo instapt’, reclamefolder 1985), inzinger (‘lied waarmee een zanger zich inzingt’, NRC-Hbl. 16-11-84), binnenkomer (‘iets waarmee men binnenkomt’, U-blad 12-3-82), opkomertje (NRC-Hbl. 20-10-78), losmakertje, platkrijgertje (ibid.).

De voorkeur voor het procédé blijkt ook uit ‘back formations’ zoals de volgende woorden: hongerstaker (zie ook hiervoor), klassenstrijder (De Tijd 16-10-81) naast klassenstrijd, volkshuisvester (NRC-Hbl. 19-9-87) naast volkshuisvesting.

Er is trouwens al eerder op dit verschijnsel gewezen: bromfietser is ontstaan vanuit bromfiets, maar niet vanuit een-verbum *bromfietsen (Sassen 1980: 144).

Met als waarschijnlijk uitgangspunt de formatie van een nomen agentis voorafgegaan door een eerste samenstellingslid dat als argument bij het verbum kan worden gezien (verg. Booij 1985, Booij 1986a en 1986b, Booij 1988), zoals in het type diamantslijper, romanschrijver zijn veel samenstellingen van afleidingen op te merken, zoals geheelonthouder, vlotvuller (‘model inktpot’), bankzitter (Vk. 25-9-87, ‘voetballer op de reservebank’), alleskunner (reclame voor een soldeerlamp), dubbelzitter (NRC-Hbl. 26-10-83, gezegd van een auto), rijkworder (Hermans, Heilige van de horlogerie 1987, blz. 49), anti-tippelaars (NRC-Hbl. 18-3-86), ‘personen die tegen tippelen zijn’), reinlevertje (Vestdijk, Rimpels van E. Ornstein, 1959, blz. 67; afgeleid van rein leven).

Ook van werkwoordelijke uitdrukkingen kunnen soortgelijke afleidingen gevormd worden, bijvoorbeeld:

-een huik-naar-de-wind-hanger (Ter Braak, Man tegen man 1931, blz. 132)
-kat uit de boom kijkers (Buijnsters, Wolff en Deken 1984, blz. 293)
-van negen tot vijf werker (Soc. Econ. Management, 3-3-82)

Al langer zijn niet-deverbale afleidingen op -er in zwang, zoals ouders, vrijwilliger, klassieker, en afleidingen van telwoorden als tiener, twintiger, enzovoort Ook denominale derivaties waren vanouds bekend, maar uit onze eeuw dateren toch een aantal formaties met als uitgangspunt een - meestal samengesteld - substantivum: dagloner, minimumloner, wetenschapper, bouwvakker, wachtgelder, plattelander, middenstander, vakbonder, topscorer, topsporter, rolstoeler, hypotheker (NRC-Hbl. 19-9-87), aandachtsvelder (KU Zien, najaar 1984), ochtendkranter (Onze taal, april

[p. 513]

1987), directeur-tabakker (NRC-Hbl. 15-12-87), kuitbroeker (1982), groepsbelanger (1988), zelfkanter (1989) (alle in Van Santen 1992, 160-161), geboortegolver (NRC-Hbl. 19-10-87), caravanner (Kampioen okt. 87), Waterstater (NRC-Hbl. 31-3-90), binnenstadter (NRC-Hbl. 19-6-89), elflettergreper (NRC-Hbl. 17-11-88), combikaarter (NRC-Hbl. 22-1-92).

Ook van nominale woordgroepen vinden we nieuwvormingen op -er; naast het al wat oudere type Gereformeerde-Bonder troffen we aan: vrije beroeper (NRC-Hbl. 17-6-89), Algemene Letteraar (U-blad 17-5-90), wilde-busser (Goudriaan, Vriend of vijand 1961, blz. 47), rock-en-roller (NRC-Hbl. 22-1-88), anti-kruisraketter (Hermans, Door gev. gekken omringd (interview 1985), blz. 126), woonwerker (Vast en zeker, maart 1987; denkelijk afgeleid van woon-werkverkeer).

Afleidingen van woordgroepen zijn er legio, vooral sinds het in zwang raken van acroniemen die als nevenschikkende woordgroepen - een reeks namen van letters immers - fungeren. Als voorbeelden geven we links-affer (Vk. 22-1-87), doe-het-zelver, 65-plusser, AOW'er, VVD'er.

Een nieuwe betekenisontwikkeling bij de afleidingen van geografische namen (speciaal stedenamen) is de overdracht van inwonersnaam op de naam van een vervoermiddel: Amsterdammer kan de betekenis hebben ‘trein naar of van Amsterdam’, Noordwijker ‘blauwe tram naar Noordwijk’. Iemand kan zeggen: ‘Ik neem in Breda de Arnhemmer en in Den Bosch stap ik over op de Zandvoorter.’

Naast -er voor masculiene afleidingen wordt -ster steeds vaker toegepast in formaties waar men dat niet zou verwachten: wetenschapster (U-blad 3-6-88), hockeykeepster (NRC-Hbl. 14-10-85), ras-entertainster (AVRO-radio 30-11-82). Dat -er gesubstitueerd wordt door -ster bewijzen spellingen als aanvoerdster (Vestdijk, Fantasia 1949, blz. 109).

Samenvattend menen we te kunnen stellen dat -er als deverbaal suffix voor voorwerpsnamen met passieve of causatieve betekenis in opmars is en ook dat denominaal -er veld wint. Het is de vraag of de constatering in de ANS dat het denominale -er niet productief is, gehandhaafd kan worden (Geerts e.a. 1984: 85). Het ziet er veeleer naar uit dat -er zijn ruime toepassingsmogelijkheid te danken heeft aan het betekenismoment dat wel omschreven is als ‘persoon die geclassificeerd wordt op grond van de conceptueel significante betrokkenheid met de zaak waarnaar het ongelede of minder gelede correlaat dat de basis van de afleiding vormt verwijst’ (Van Santen & De Vries 1991: 117). Het denominale -er is succesrijk door de vaagheid van zijn betekenis, een succes dat slechts geremd wordt door de volop aanwezige mogelijkheid tot samenstelling, die een ernstige concurrent vormt (De Caluwe 1992; Van Santen 1992b).

Het gemak waarmee het denominale -er wordt toegepast valt te demonstreren aan twee verschijnselen. Het eerste is de zogenaamde overkarakterisering: het in feite hypercorrecte toepassen van het onderhavige suffix waar dat overbodig is. Dat heeft ervoor gezorgd dat naast Franciscaan de vorm Franciscaner ontstond (meer voorbeelden bij Van Haeringen 1954b) en dat in recente tijd de afkorting

[p. 514]

UHD (voor Universitair hoofddocent) vervormd werd tot UHD'er (zie ook Van Marle 1987).

Het tweede verschijnsel waarop we doelen is net floreren van het denominale -er in vaktaal, althans taalgebruik waarin sprake is van een zekere vertrouwdheid met het gedenoteerde begrip. Dat gaat stellig op voor de toepassing van het suffix na N+N-samenstellingen, die door hun beperkter betekenis (i.e. beperkter dan die van het simplex) geschikter zijn om het in wezen vage -er toe te laten (Van Santen 1992a: 164). Zo zijn vaktaaltermen als vierasser, drieruiter (‘tramrijtuig met aan weerskanten drie ruiten’), tweepijper (‘schip met twee schoorstenen’) te begrijpen. Ze vallen in de sfeer van spoorwegtermen als dubbeldekker, wadloper, koploper, sprinter, zelflosser en andere.

Maar -er hecht zich ook aan ongelede nomina (type sporter). ‘Slang is rich in -er words’ is al opgemerkt voor het Engels (Marchand 1969: 275), maar ook in het Nederlands vinden we juist in de spreektaal woorden van het type kuster (vergelijk Damsteegt 1961). Ook al zou het woord een anglicisme zijn, naar het Engelse coaster, dan geldt a fortiori dat Engelse invloed begunstigend kan werken op het Nederlandse procédé. Niet alleen kent het Nederlands namen voor scheepstypen als logger, kotter, lichter, trawler, kruiser, tanker, maar ook buiten het terrein van de vaktaal zal kennis van het Engels die veel Nederlanders in meerdere of mindere mate bezitten, een rol kunnen spelen bij de toepassing van -er, ook na woordgroepen waarvoor two-seater, teenager, en oldtimer voor ieder doorzichtige voorbeelden leveren. Marchands vaststelling ‘The suffix -er can be tacked on to almost any basis’ (Marchand 1969: 279) kan zonder bezwaar worden overgenomen voor het Nederlands, waar men het procédé ook op Engels materiaal toepast: blind dater (KU-Nieuws 17-1-92 ‘iemand die een blind date, een afspraak met een onbekende maakt’).

Er zijn ook minder opvallende verschuivingen waarneembaar bij de woordvorming. Zo is er een toename vast te stellen van afleidingen op -baar, dat een concurrent gaat vormen van het suffix -lijk (voorzover het adjectieven betreft die een zogenaamde objectslezing hebben). Formaties op -baar hebben vanouds een objectslezing en zijn dientengevolge parafraseerbaar door middel van worden: eetbaar = ‘gegeten kunnende worden’, bewaarbaar = ‘bewaard kunnende worden’ (Van Marle 1988). Die lezing is niet mogelijk bij leefbaar, dat in de laatste decennia gebruikelijk is geworden. Opmerkelijk is ook een formatie als de studeerbaarheid van de universiteit (NRC-Hbl. 28-11-92).

Acroniemen

Hoewel vele vormen van afkortingen en letterwoorden of acroniemen al sinds eeuwen in verschillende talen voorkomen (Zumthor 1951), is in de 20e eeuw een opvallende toename te bemerken, vooral in de tweede helft van de eeuw. Ook daarvoor was echter al een toenemend gebruik van afkortingen te constateren in de dagbladpers. Om redenen van efficiëntie en zuinigheid werden in annonces in

[p. 515]

dagbladen sinds de jaren dertig vooral in personeelsadvertenties steeds meer afkortingen aangewend, die door hun grote frequentie begrijpelijk bleven. Een voorbeeld is b.b.h.h. voor bezigheden buitenshuis hebbend, z.g.a.n. voor zo goed als nieuw en vele andere. Zijn dit nog lees-afkortingen, van lieverlee worden sommige van die lettersequenties ook als afkorting uitgesproken, zoals s.v.p., a.u.b., t.z.t. Daarnaast zijn er de afkortingen die vooral in de omgangstaal makkelijk uitspreekbaar zijn, zoals loc (locomotief), prof (professor of professional), lab (laboratorium) en die een zekere familiariteit bezitten (zie Wells 1965).

Over het algemeen kunnen we onderscheid maken tussen twee types acroniemen: die waarbij de initialen van afgekorte woorden elk afzonderlijk met hun letternaam worden uitgesproken (NCRV - Nederlandse Christelijke Radio-Vereniging), en die waarbij de initialen als fonemen in een nieuw ontstaan woord worden uitgesproken (AVRO - Algemene Vereniging voor Radio-Omroep). Niet toevallig nemen we hier als voorbeeld gevallen van artificiële, subsidiair commerciële naamgeving, want juist daar komt de benoeming door middel van acroniemen veelvuldig voor. Maar ook in de algemene taal komen deze types van woordvorming beide voor: AOW (= Algemene Ouderdoms-Wet) en VUT (= Vervroegde Uit-Tredingsregeling) kunnen als voorbeelden genoemd worden.

De hier genoemde typen acroniemen hebben al vroeg de aandacht van taalbeschouwers getrokken en er zijn verschillende benamingen en indelingen voorgesteld (Linnebank 1921; Linnebank 1925). Een door Linnebank voorgestelde benaming (‘puntletters’) heeft nooit ingang gevonden, maar de gevallen die hij in het begin van de jaren twintig vermeldt, zijn nog altijd gebruikelijk, zowel in het algemene als in het commerciële taalgebruik.

Er is nog een derde type acroniem en het is niet uitgesloten dat de eerste toepassing daarvan bij de commerciële naamgeving te vinden is. Een voorbeeld daarvan is de naam AMRO, die gevormd is uit stukken van Amsterdam-Rotterdam-Bank. Het opmerkelijke daarbij is dat niet van initialen alleen gebruik is gemaakt, ook niet van volledige morfemen, maar van stukken of splinters van morfemen. Dit procédé is bij de commerciële naamgeving zeer gefavoriseerd en het is met zekerheid al in de vorige eeuw vast te stellen (Van den Toorn 1988a). Behalve in de commercie komt deze compositie van splinters ook in de algemene taal meer en meer voor; als voorbeelden geven we:

horeca < hotel + restaurant + café
vlizo(trap) < vliering + zolder(trap) (Van Dale 1984)
sofi(nummer) < sociaal + fiscaal (nummer)
minco < minderwaardigheidscomplex (Van Dale 1984)
jabo < jachtbommenwerper
trafo < transformator
motel < motorist + hotel (Engelse ontlening)
doka < donkere kamer (voor ontwikkelen van foto's)
infotainment < informatie + entertainment

[p. 516]

Het procédé is ook in de Angelsaksische talen en in het Duits bekend en wel onder verschillende namen (Baum 1962). Verbreid is ook het gebruik van tweeletttergrepige afkortingen op -o; vooral de trochee op -o is sinds de jaren tachtig van deze eeuw in de mode gekomen. We noemen

mayo < mayonaise
limo < limonade
demo < demonstratie
arro < arrogant persoon

Er zijn er vele tientallen (zie Kuitenbrouwer 1987; Van den Toorn 1987) en ze ontstaan vooral in populair taalgebruik (bijvoorbeeld wispo voor wintersport) en in de commercie (ergomeubels voor ergonomisch verantwoorde meubels). Al langere tijd voor de oorlog hadden firma- en productnamen op -o een sterke voorkeur (Premsela 1940) en ook buiten de sfeer van handel en industrie zijn trocheeën op -o in zwang. Ze blijven echter niet alleen beperkt tot slang, maar dringen ook door in de dagbladpers en in de algemene omgangstaal.

Een andere ontstaansgeschiedenis hebben vergelijkbare formaties die een (neo)klassieke oorsprong hebben. Het beteft hier splinters die afkomstig zijn uit buitenlandse leenwoorden van klassieke herkomst. Daarbij is dan vaak een stuk behouden gebleven dat geen echte splinter is, maar toevalligerwijze in het Latijn of Grieks een gangbaar voorzetsel of bijwoord, zoals infra-, inter-, intra-, super-, trans-, maar er zijn ook echte splinters onder zoals maxi-, mini-, multi- en Griekse stammen als macro-, mega-, neo-, tele- en andere. Interessant is dat veel van deze elementen dusdanig in het Nederlands geïntegreerd zijn dat ze optreden als eerste lid van composita met inheemse woorden. Als voorbeelden noemen we hier:

mega-geleerde (NRC-Hbl. 20-5-89), mega-leider (NRC-Hbl. 18-6-90), ultraloper (NRC-Hbl. 8-5-89), post-verzorgingsstaat (Zijderveld in Het spoor 1989, blz. 291), non-kunstwerk (cat. Entartete Beeldhouwkunst 1991, blz. 19), anti-geluid (NRC-Hbl. 15-9-89), neo-bruinhemd (NRC-Hbl. 6-1-92), intergeslachtelijk (NRC-Hbl. 3-1-92), minikliniek (NRC-Hbl. 10-12-91), telewerken (NRC-Hbl. 7-8-89).

Daarnaast zijn er de composita met een splinter van uitheemse herkomst als eerste lid:

culi-slager (NRC-Hbl. 25-1-90) (culinair)
eco-voeding (NRC-Hbl. 9-3-89) (ecologisch)
reli-park (NRC-Hbl. 20-3-91) (religieus)

Speciaal met een eerste lid op -o zijn er veel samenstellingen te vinden, zoals anar-

[p. 517]

cho-burgerlijk (NRC-Hbl. 11-11-89), narco-dollars (NRC-Hbl. 28-5-88), lesbopulp (NRC-Hbl. 8-1-91) en vooral met Euro: Euroverkiezingen, Euro-ambtenaar, Eurogeld, Eurovlag en honderden andere. Ze passen alle in het streven naar verkorting: Europarlement is korter dan Europees parlement. (Meer materiaal in Van den Toorn 1988b.)

Het gebruik van afkortingen kan tot inherent pleonasme leiden, wanneer één van de afgekorte woorden zelf weer herhaald wordt:

NLO-opleiding = Nieuwe Leraren-Opleiding-opleiding
BOM-moeder = Bewust Ongehuwde Moeder-moeder
APK-keuring = Algemene Periodieke Keuring-keuring

In het laatste kwart van de 20e eeuw is bovendien een toenemende neiging merkbaar met niet-inheemse suffixen nieuwe woorden te creëren. Vooral in de commerciële sfeer bloeien nieuwe vormingen op, waarvan sommige blijvend succes hebben, andere tot de randverschijnselen van de morfologie gerekend kunnen worden. Internationalisering is merkbaar bij naamgevingen als croissanterie, saladerie, bedderie, pulloveria, de vele hybridische vormingen met -boetiek, -taria (uit cafetaria), -theek (uit bibliotheek, bijvoorbeeld artotheek, spelotheek), -rama (uit panorama, bijvoorbeeld autorama, aviorama, vergelijk Södergård 1963; Hamans 1988) en -burger (uit hamburger, bijvoorbeeld biefburger, poestaburger). Een aantal daarvan heeft ook de woordenboeken gehaald.

Tamelijk spectaculair is het succes van -ette, een niet-inheems suffix dat favoriet is bij commerciële naamgeving, maar ook daarbuiten in de algemene taal verbreiding heeft gevonden in woorden als wasserette, majorette, restorette, bungalette, stomerette, peuterette, waardoor steeds een connotatie van ‘klein formaat en/of luxe uitvoering’ teweeggebracht wordt.

 

Een ander niet-inheems suffix, dat in enigszins intellectueel taalgebruik voorkomt is -esk, dat in de plaats van -achtig vooral na eigennamen van personen gebruikt wordt: chaplinesk, chopinesk, duperronesk, haydnesk, napoleonesk, raeganesk, schumannesk en vele andere. Minder algemeen verbreid, maar evenzeer kenmerkend voor een zekere internationalisering is zeker de toepassing van enkele niet-inheemse suffixen na inheemse woorden. Voorbeelden zijn: -isme (arbeiderisme, padvinderisme, hervormisme), -itis (aanstelleritis, bestselleritis, hollanditis), -iseren (veralgemeniseren, Finlandiseren, Libaniseren (NRC-Hbl. 24-12-91), manhattaniseren (NRC-Hbl. 14-12-87), horecalisering (NRC-Hbl. 13-12-90)).

Veel van de hier gesignaleerde verschijnselen zijn samen te vatten onder de termen ‘rationalisering en efficiency in taal’, waarvoor Van Haeringen (1956) aandacht vroeg. Hij wees op de vele verkortingen van eigennamen, letterwoorden en verkortingen van zinnen. Daarbij kan ook gewezen worden op de ‘woordwording’

[p. 518]

van affixen (Michels 1957): affixen worden geïsoleerd en krijgen een functie en betekenis als woord. Een voorbeeld is bedrijfisschap, waaruit het suffix -schap een eigen leven is gaan leiden als schap: een schap krijgt de betekenis van ‘een commissie of een publiekrechtelijk lichaam’. Al ouder is trouwens het gebruik van secundaire adjectieven uit versterkende prefixen: smoor, dol, reuze, stapel. Een recente nieuwvorming is tig, dat als betekenis heeft ‘een flink aantal’ (geïsoleerd uit twintig, dertig enzovoort) (Van Marle 1985). Er valt ook nog te wijzen op goog en loog, die - voorlopig nog schertsend, maar allengs ook serieus - gebruikt worden ter aanduiding van pedagoog, agoog, psycholoog en dergelijke.

Het omgekeerde van deze verkortingstendens, waarbij affixen tot woorden worden, is het weglaten van, kennelijk overbodig geachte, suffixen. Dit verschijnsel doet zich voor bij woorden als fanaat, chaoot, neuroot, diabeet, mathemaat, agnost, waarbij telkens het suffix -icus is vervallen (Sassen 1981a en b). Op het voetspoor van therapeut is waarschijnlijk techneut ontstaan (zie ook Backhuys & Zonneveld 1993).

8.2.3. Syntaxis

8.2.3.0. Inleiding

In de syntaxis van het Nederlands hebben zich in de laatste driekwart eeuw zeker veranderingen voorgedaan, maar van veel van die veranderingen is niet precies vast te stellen wanneer ze begonnen zijn. Syntactische veranderingen voltrekken zich langzamer en minder in het oog springend dan morfologische vernieuwingen. Voor het vaststellen van wijzigingen is dan ook materiaal over een lange periode vereist en dat ontbreekt heel vaak. Daar komt nog bij dat er verschillen tussen spreektaal en schrijftaal bestaan: veel constructies die bij informeel of onvoorbereid spreken normaal zijn, worden nooit geschreven. In geschreven bronnen ontbreken ze dan ook en pas sinds de ontwikkeling van akoestische opname-apparatuur is er onderzoek ondernomen naar gesproken Nederlands. Wat ons niet verbaast is dat in dat gesproken Nederlands veel ongrammaticale zinnen voorkomen; vergissingen, versprekingen, hervattingen zijn niet van de lucht, er komen