De traditionele zinsontleding begint met het zoeken van de persoonsvorm (voortaan afgekort als pv). Dat is dat deel van de zin, dat in een andere ‘tijd’ overgebracht kan worden. Wanneer in een zin een gebeuren wordt voorgesteld als plaatshebbend in het heden, kan door verandering van deze pv dit gebeuren worden voorgesteld als plaatsvindend in het verleden. In de volgende voorbeelden is de pv telkens cursief gedrukt:
| (1a) | De zandauto's rijden af en aan. |
| (1b) | De zandauto's reden af en aan. |
| (2a) | Het is een prachtige zomer geweest. |
| (2b) | Het was een prachtige zomer geweest. |
De pv is zo'n belangrijk element dat men het als criterium voor de zin beschouwt. Vinden we in een taaluiting meer dan één pv, dan is er sprake van evenzovele zinnen. In de volgende voorbeelden zien we dan ook telkens twee zinnen:
| (3) | Duitsland viel Polen binnen en de Tweede Wereldoorlog nam een aanvang. |
| (4) | Toen Duitsland Polen binnenviel, begon daarmee de Tweede Wereldoorlog. |
Dit lijkt in tegenspraak met onze dagelijkse ervaring: men zal zeggen dat (3) en (4) elk één zin zijn en de schrijfwijze is in overeenstemming met deze opvatting; aan het begin staat een hoofdletter, aan het eind een punt. Toch beschouwen we (3) en (4) elk ook als een verbinding van twee zinnen en daarmee wordt duidelijk dat de term ‘zin’ in twee betekenissen gebruikt kan worden: in een alledaagse betekenis, die iedere volwassen Nederlander begrijpt, maar die allesbehalve gemakkelijk te definiëren is, en in een technische betekenis, waarbij het voorkomen van een pv het criterium voor zinzijn is. Ook deze laatste betekenis is verre van eenvoudig te omschrijven; we gaan er hier niet dieper op in. In het vervolg zal vanzelf blijken in welke betekenis de term gebruikt wordt. Het is door deze terminologie mogelijk te zeggen dat de ene zin deel kan uitmaken van de andere zin.
De naam ‘persoonsvorm’ is toe te schrijven aan het feit dat in deze vorm tot uitdrukking gebracht wordt of er sprake is van een eerste persoon (ik),
een tweede persoon (jij, je) of een derde persoon (hij, zij, het of een woord dat door hij, zij of het vervangen kan worden). In veel gevallen is echter niet hoorbaar - en in de spelling soms zelfs niet zichtbaar - welke persoon uitgedrukt wordt (bijv.: jij komt, hij komt; ik was, zij was). Wel is over het algemeen het verschil tussen het enkelvoud en het meervoud (resp. wij, jullie, zij) formeel herkenbaar (komt, komen; was, waren); in enkele gevallen niet hoorbaar (zette, zetten; brandde, brandden).
Ogenschijnlijk in tegenspraak met de eis dat we pas van een zin spreken als we de pv gevonden hebben, is de traditionele opvatting dat er ook zinnen zonder pv voorkomen. Men noemt zulke zinnen ellipsen; ze zijn zonder veel moeite tot zinnen met een pv te vervolledigen:
| (5a) | Wat een prachtige zomer! |
| (5b) | Wat een prachtige zomer is het! |
Een merkwaardig soort pv is de gebiedende wijs of imperatief. Het is niet mogelijk de imperatief in een andere tijd over te brengen (6a en b), een zin met een imperatief kan niet zonder meer door en verbonden worden met een zin met een ‘gewone’ pv (7a en b), en er kan alleen langs een omweg bewezen worden dat de imperatief de persoonsvorm is van de tweede persoon (8a en b).
| (6a) | Loop maar vlug door! |
| (6b) | *Liep maar vlug door! |
| (7a) | Jij loopt door en hij kijkt recht voor zich uit. |
| (7b) | *Loop door en hij kijkt recht voor zich uit. |
| (8a) | Was jezelf goed. |
| (8b) | *Was mezelf goed. |
Uit de zinnen (8a) en (8b) blijkt dat hier alleen de tweede persoon jezelf gebruikt kan worden; alle andere personen (mezelf, hemzelf, haarzelf, onszelf, enz.) zijn uitgesloten. Bovendien blijkt dat alle gebiedende wijzen aangevuld kunnen worden met jij of jullie:
| (9a) | Loop door! |
| (9b) | Loop door, jij! |
| (9c) | Loop door, jullie! |
| (10a) | Doorlopen! |
| (10b) | Doorlopen, jij! |
| (10c) | Doorlopen, jullie! |
| P.C. Paardekooper, De imperatief als grammatische categorie in het ABN, NTg 44 (1951), 97-107. |
| P.J. Merckens, De plaats van de persoonsvorm: een verwaarloosd codeteken, NTg 53 (1960), 248-254. |
| A.W.P. van der Ree, Wetmatigheid of relativiteit? NTg 54 (1961), 258-263. |
| P.C. Paardekooper, Persoonsvorm en voegwoord, NTg 54 (1961), 296-301, of in: Woorden over woorden, uitg. J. Berits, Groningen 1964, 140-146. |
Wanneer we de pv van een zin kennen, is het mogelijk het onderwerp (voortaan afgekort OND) te vinden: het is dat zinsdeel dat in getal (enkelvoud of meervoud) overeenstemt met de pv. In de volgende voorbeelden zijn de onderwerpen cursief en de persoonsvorm in hoofdletters gedrukt:
| (1a) | De zeehond WAS al van verre te horen. |
| (1b) | De zeehonden WAREN al van verre te horen. |
| (2a) | Frank KWAM die avond laat thuis. |
| (2b) | Frank en Gijs KWAMEN die avond laat thuis. |
Een gebruikelijke methode om het OND te vinden is ook vóór de pv wie of wat te plaatsen. Het antwoord dat dan moet volgen, is het OND:
| (2c) | Wie kwam die avond laat thuis? Frank. |
| (2d) | Wie kwamen die avond laat thuis? Frank en Gijs. |
Deze methode faalt echter wanneer het OND reeds een vragend woord is; dan moet men zich op de getalsproef verlaten. Slechts in een enkel geval is er geen directe overeenstemming tussen OND en pv; bij de behandeling van het naamwoordelijk gezegde komt dat ter sprake.
In enkele gevallen is de vraagstelling met wie of wat zinloos. Dat is het geval bij de volgende zinnen:
| (3a) | Het stormt vandaag flink. |
| (3b) | *Wat stormt vandaag flink? |
| (4a) | Het spookt daar. |
| (4b) | *Wat spookt daar? |
| (5a) | Het ontbrak Japie aan geld. |
| (5b) | *Wat ontbrak Japie aan geld? |
In zulke zinnen noemt men het wel ‘loos onderwerp’. Het is niet vervangbaar door enig ander woord (bijv. dit, dat, wat) en de betekenis van het laat zich niet omschrijven. Het wordt voornamelijk gebruikt om natuurverschijnselen aan te geven (het hagelt, het waait), om werkingen te vermelden waarvan men de oorzaak niet kent (het lekt hier, het spookt) of wanneer men geen onderwerp wil of kan aangeven (het is nog donker, het loopt hem weer tegen).
Het onderwerp kan een zeer uitgebreid zinsdeel zijn: grote woordgroepen, waarin zelf weer persoonsvormen voorkomen, kunnen als OND dienst doen. In de volgende voorbeelden zijn de onderwerpen weer cursief gedrukt:
| (6) | Het feit dat Elvira met Jacques die avond al weer uit wandelen ging, verontrustte Albert. |
| (7) | Reiskosten die een bedrag van vijfentwintig gulden niet te boven gaan, worden niet vergoed. |
| (8) | Op het gras lopen en bovendien nog allemaal rommel neergooien mag niet. |
| (9) | Wat je nou gedaan hebt, is wel erg dom. |
| (10) | Dat hij van die nieuwe ontwikkelingen niet op de hoogte is, is wel duidelijk. |
Wanneer, zoals in zin (10), een zeer lang en gecompliceerd OND de zin opent, is het ook mogelijk met het te beginnen en het OND naar achteren te verplaatsen:
| (10a) | Het is wel duidelijk, dat hij van die nieuwe ontwikkelingen niet op de hoogte is. |
| (11) | Het is nog niet zeker, of de voorzitter die avond wel kan komen. |
In deze gevallen noemt men het ‘voorlopig onderwerp’; de gecursiveerde woordgroepen die met dat of of beginnen vormen het (eigenlijke) onderwerp.
Bij een lang en gecompliceerd OND als in (10) en (11) is ook een constructie mogelijk waarbij de lange woordgroep voorop staat en het OND in de vorm van dat herhaald wordt:
| (10b) | Dat hij van die nieuwe ontwikkelingen niet op de hoogte is, dat is wel duidelijk. |
Naast het eigenlijke OND benoemen we dat in zulke gevallen als ‘herhalend onderwerp.’
Wanneer het OND een zin opent, wordt het (behoudens enkele spaarzame uitzonderingen) direct gevolgd door de pv, die dus de tweede plaats in de zin bezet. Wanneer echter een ander zinsdeel aan het begin van de zin staat, komt op de tweede plaats de pv en het OND komt dan pas daarna. Daarbij kan het veel verder van de pv verwijderd raken.
| (12) | In de achtertuin stonden de hele winter twee armetierige heesters. |
| (13) | Vanuit Hilversum vertrok die avond om elf uur de laatste bus al. |
Wanneer er de zin opent, hebben we daarvoor een aparte naam: ‘plaatsonderwerp’; er staat dan op de plaats van het OND en moet direct door de pv gevolgd worden. Het eigenlijke onderwerp (dat verderop in de zin komt) heet dan ‘getalsonderwerp’, omdat het in getal overeenstemt met de pv. We danken deze termen aan Paardekooper.
| (14a) | Er stond de hele dag een agent voor de ambassade. |
| (14b) | Er stonden de hele dag agenten voor de ambassade. |
| (15a) | Er was die avond veel volk op de been. |
| (15b) | Er waren die avond veel mensen op de been. |
De getalsonderwerpen zijn in deze zinnen cursief gezet.
Het is niet altijd nodig dat er aan het begin van de zin staat. Ook een ander zinsdeel kan voorop staan, waardoor er na de pv komt. Het getalsonderwerp volgt dan daarna, soms op enige afstand:
| (16) | Gisteravond stond er een agent voor de ambassade. |
| (17) | Gisteravond stond er een paar uur lang een agent voor de ambassade. |
Het is ook mogelijk dat het getalsonderwerp ontbreekt in een zin. Dat komt voor wanneer niet uitgedrukt moet of kan worden door wie de handeling verricht wordt. Meestal is in zulke zinnen het plaatsonderwerp er nodig:
| (18) | Er werd die avond flink gelachen. |
| (19) | Er wordt gedanst. |
| (20) | Gisteren is er bij de buren ingebroken. |
Tenslotte moet nog melding gemaakt worden van zinnen zonder OND. Dat is het geval bij imperatieven, zoals in de paragraaf over de pv uiteengezet is, bijv.:
| (21) | Ga onmiddellijk aan je werk! |
| (22) | Doorlopen daar achteraan! |
| P.C. Paardekooper, Beknopte ABN-syntaksis,4 Den Bosch 1971, hoofdst. 2.5. |
| D.M. Bakker, Onderwerp en gezegde, in: Reflexies. Bundel opstellen aangeboden aan Prof. Dr. J.P.A. Mekkes, Amsterdam 1968, 11-41. |
| E. Nieuwborg, De distributie van het onderwerp en het lijdend voorwerp, Antwerpen z.j. (1968). |
| T. Pollmann, Passieve zinnen en het geïmpliceerd logisch subject, SN 1970-2, 34-50. |
| R.S. Kirsner, The problem of presentative sentences in Dutch, Amsterdam 1979. |
We hebben in de vorige paragraaf het onderwerp als zinsdeel beschouwd, dus in technisch-taalkundige zin. Het is echter ook een term uit de logica, die in het dagelijks spraakgebruik is binnengedrongen: daar betekent ‘onderwerp’ of ‘subject’ eenvoudigweg ‘datgene waarover men spreekt’. Wat men over zo'n onderwerp of subject zegt, is het predikaat. Zo'n predikaat kan heel klein zijn, maar het kan ook een uitvoerige mededeling behelzen. In de volgende zinnen zijn de predikaten cursief gedrukt:
| (1) | De baby huilde. |
| (2) | Liesbeth speelde de hele middag op straat. |
| (3) | Couperus had de voornamen Louis, Marie, Anne. |
| (4) | Tot op hoge leeftijd bleef de oude man helder van geest. |
| (5) | Bellamy was helemaal voor niets van Utrecht naar Maartensdijk komen lopen. |
| (6) | Als je denkt dat je me daarmee intimideert, vergis je je sterk. |
| (7) | Dik had Flipsen een mooie poets gebakken. |
Zoals uit deze zinnen af te lezen is, maakt de pv altijd deel uit van het predikaat; soms vormt hij het hele predikaat, zoals in zin (1), maar meestal is het predikaat veel uitgebreider: (2) t/m (7).
Bij een verdere analyse van het predikaat onderscheiden we nu allereerst het werkwoordelijk gezegde (ww. gez.). Zo'n gezegde bestaat altijd uit een pv, al dan niet vergezeld van andere werkwoordelijke vormen. In de volgende zinnen zijn de ww. gezegdes gecursiveerd:
| (8) | Karel sliep de hele nacht aan één stuk door. |
| (9) | De poes kwam onmiddellijk aangelopen. |
| (10) | Hij heeft nog tweeduizend gulden voor die oude auto gekregen. |
| (11) | Zal je nu eens ophouden met dat gehamer? |
| (12) | Ik had dat allang moeten doen. |
| (13) | Wilma zat stomverbaasd te kijken. |
| (14) | Er werd vanuit de zaal iets geschreeuwd. |
De werkwoordelijke vormen waarvan hier naast de pv sprake is, zijn voltooide deelwoorden of participia (9) (10) (14) en infinitieven of onbepaalde wijzen (11) (12), soms voorafgegaan door te (13). Werkwoorden zijn die woorden, waarvan altijd een pv gemaakt kan worden (voor nadere kenmerken en termen verwijzen we naar de woordleer 5.5.).
De combinatie pv + te + infinitief vormt als geheel een ww. gez. als die pv een vorm is van de werkwoorden zitten, liggen, staan, lopen en hangen. Bijv.:
| (15) | De rector zat gezellig te praten. |
| (16) | Hij liep maar te piekeren over die kwestie met zijn collega. |
| (17) | De was hangt in de tuin te drogen. |
In andere gevallen van pv + te + infinitief moet de ontleding anders verlopen. Dat blijkt duidelijk wanneer te + infinitief vervangen kan worden door andere woorden (geen werkwoorden):
| (18a) | Anton beloofde te komen. |
| (18b) | Anton beloofde beterschap. |
| (19a) | Hij weigerde dat kleine briefje te schrijven. |
| (19b) | Hij weigerde mijn verzoek. |
Een dergelijke vervanging is onmogelijk in (15), (16) en (17). Het ww. gez. van (18) is alleen beloofde, van (19) alleen weigerde.
Tenslotte wijzen we hier op het voorkomen van ww. gezegdes waarin toch nog één of meer woorden voorkomen die zelf geen werkwoord zijn. Dat is het geval bij vaste uitdrukkingen, zoals in zin (7). Dergelijke ‘werkwoordelijke uitdrukkingen’ vormen in hun geheel een ww. gez.; laat men het nietwerkwoordelijk gedeelte weg, dan verandert hun betekenis of het geheel wordt zinloos:
| (7) | *Dik had Flipsen ... gebakken. |
In de volgende zinnen zijn de gezegdes, die uit werkwoordelijke uitdrukkingen bestaan, gecursiveerd:
| (20) | Toen Dik terugkeerde, hadden de jongens het hazepad gekozen. |
| (21) | Door dat geschreeuw verloor Bulle Bas steeds meer het hoofd. |
| (22) | Hij had het voortdurend op dezelfde persoon gemunt. |
| (23) | Met die opmerking heb ik wel een flater geslagen. |
Het spreekt in dit verband wel bijna vanzelf dat we ook onderdelen van zgn. scheidbaar samengestelde werkwoorden (zoals binnenlopen, boekhouden, wegkwijnen, e.v.a.) tot het ww. gez. rekenen:
| (24) | Joop liep plompverloren de slaapkamer binnen. |
| (25) | Van alle uitgaven en ontvangsten hield hij nauwkeurig boek. |
| (26) | Eline kwijnde weg. |
Ook zogenaamde wederkerende voornaamwoorden (reflexieve pronomina), woorden die terugwijzen naar het OND van de zin, worden tot het ww. gez. gerekend, wanneer weglating van deze reflexieven uit de zin of vervanging door een ander woord onmogelijk is:
| (27a) | Ik herinner het me niet goed meer. |
| (27b) | *Ik herinner het niet goed meer. |
| (28a) | Hans heeft zich in dat bedrag vergist. |
| 28b) | *Hans heeft in dat bedrag vergist. |
Wanneer een reflexief pronomen vervangbaar is door een ander woord of een woordgroep, hoort het niet meer tot het ww. gez., maar is het een afzonderlijk zinsdeel:
| (29) | Was jezelf goed. |
| (30) | Was je handen goed. |
| (31) | De kapper schoor zich met een ouderwets scheermes. |
| (32) | De kapper schoor zijn klanten met een ouderwets scheermes. |
| P.C. Paardekooper, De ‘tijd’ als spraakkunstgroep in het ABN, NTg 50 (1957), 38-45 of in: TiA, 282-289. |
| F.G. Droste, Het temporele stelsel in het moderne Nederlands, NTg 51 (1958), 305-312, of in: TiA, 290-297. |
| C.L. Ebeling, A semantic analysis of the Dutch tenses. Lingua 11 (1962), 86-99, of in: TiA, 298-311. |
| F.Ch. van Gestel, De omschrijving van spreekwoord, zegswijze, uitdrukking en gezegde, NTg 56 (1963), 214-219, of in: TiA, 312-317. |
| D.M. Bakker, Onderwerp en gezegde, in: Reflexies. Bundel opstellen aangeboden aan Prof. Dr. J.P.A. Mekkes, Amsterdam 1968, 11-41. |
| J.G. Kooij, Idioom en syntaxis, Gastenboek, 85-90. |
Naast het werkwoordelijk gezegde onderscheiden we ook een naamwoordelijk gezegde (naamw. gez.). Zo'n gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel met een van de werkwoorden zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken of voorkomen, die koppelwerkwoorden heten. Bij zo'n werkwoordelijk deel volgt dan altijd een aanvulling bestaande uit een zgn. naamwoord of een woordgroep die daarvoor in de plaats kan komen. Die aanvulling heet naamwoordelijk deel van het naamw. gez. In de volgende zinnen staan de naamw. delen cursief:
| (1) | Hij is leraar aan een pedagogische akademie. |
| (2) | Leo was ziek. |
| (3) | Koos wordt nu eindelijk wat hij altijd heeft willen worden: zeeman. |
| (4) | Dat we niet meer droog thuis zouden komen, scheen wel zeker. |
Veelal is het werkwoordelijk deel alleen een pv, zoals in de zinnen (1) t/m (4), maar wanneer het werkwoordelijk deel uit meer werkwoorden bestaat, bevat de pv een hulpwerkwoord en het koppelwerkwoord staat in de rest van het werkwoordelijk deel. In de volgende zinnen is het koppelwerkwoord cursief gedrukt:
| (1a) | Hij is leraar aan een pedagogische akademie geweest. |
| (1b) | Hij moet leraar aan een pedagogische akademie geweest zijn. |
| (2a) | Leo zal wel ziek zijn. |
| (2b) | Leo was ziek geweest. |
Als naamwoordelijk deel kunnen verschillende woorden of woordgroepen optreden:
| 1. | een zelfstandig naamwoord (substantief), al dan niet met nadere bepalingen:
|
||||||
| 2. | een zelfstandig voornaamwoord, al dan niet met nadere bepalingen:
|
||||||
| 3. | een bijvoeglijk naamwoord (adjectief) al dan niet met nadere bepalingen:
|
||||||
| 4. | een zgn. nominale vorm van een werkwoord (d.w.z. geen pv):
|
| 5. | een infinitief van een werkwoord voorafgegaan door te:
|
||||
| 6. | een zgn. bijwoord (hierbij slechts beperkte mogelijkheden):
|
||||
| 7. | een woordgroep beginnend met een voorzetsel:
|
||||
Het is in deze gevallen mogelijk de voorzetselgroepen te vervolledigen tot een ‘normaal’ naamwoordelijk deel:
|
|||||
| 8. | een woordgroep (veelal met een voorzetsel beginnend), die een vaste uitdrukking vormt:
|
Van de hierboven genoemde koppelwerkwoorden zijn eigenlijk alleen zijn, blijven en worden echte koppelwerkwoorden. De andere (door de traditionele grammatica ook koppelwerkwoorden genoemde) verba kunnen altijd gevolgd worden door te zijn, wat dan het echte koppelwerkwoord is:
| (25a) | Pim leek goed in zijn humeur. |
| (25b) | Pim leek goed in zijn humeur te zijn. |
| (26a) | Die uitvlucht kwam mij heel verdacht voór. |
| (26b) | Die uitvlucht kwam mij voor heel verdacht te zijn. |
In de zinnen (25a) en (26a) worden de persoonsvormen traditioneel als koppelwerkwoorden beschouwd. In de zinnen (25b) en (26b) is zijn het koppelwerkwoord en de persoonsvormen zijn hier zgn. hulpwerkwoorden van modaliteit. Dat kan duidelijk gemaakt worden door de persoonsvormen van de b-zinnen op te nemen in de sjablone Het + pv + dat ...:
| (25c) | Het leek dat Pim goed in zijn humeur was. |
| (26c) | Het kwam mij voor dat die uitvlucht heel verdacht was. |
Deze laatste mogelijkheid ontbreekt bij zijn, worden en blijven.
Soms kunnen in plaats van koppelwerkwoorden andere verba optreden, die krachtens hun functie dan ook als werkw. deel van het naamw. gez. beschouwd mogen worden:
| (27) | In leiden zat hij vaak om geld verlegen. |
| (28) | Dat staat nog te bezien. |
| (29) | Het viel hem moeilijk die beslissing te nemen. |
Dergelijke vervangende koppelwerkwoorden zijn altijd te vervangen door vormen van zijn.
Een apart geval vormt raken, dat in de betekenis 'in een bepaalde toestand komen' als koppelwerkwoord beschouwd kan worden. Het treedt vooral op wanneer worden niet gebruikt kan worden: naast ik ben in de war en ik blijf in de war bestaat niet *ik word in de war, maar wel ik raak in de war. Andere voorbeelden zijn:
| (30) | De voorraad raakt op. |
| (31) | Het schip raakte weer vlot. |
| (32) | Hij raakte in Afrika verzeild. |
| (33) | Door dat drukke werk raakte Henny uitgeput. |
In een aantal gevallen, zoals in zin (34), kan twijfel rijzen of we nu met een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde te doen hebben. Zo kan de volgende zin:
| (34) | Fons is getrouwd. |
een naamwoordelijk gezegde bevatten, wanneer Fons al sedert jaren getrouwd is: het gezegde geeft dan een toestand aan. Maar wanneer zin (34) gebruikt wordt om aan te geven dat net gisteren het huwelijk van Fons voltrokken is, dan spreken we van een w.w. gez.: het gezegde geeft dan een resultaat van een handeling aan. Gewoonlijk laat de spreeksituatie of de context weinig twijfel aan wat er bedoeld wordt, maar toch moeten we een proef kunnen toepassen om de bedoelde verschillen duidelijk te maken. We bouwen daartoe de zin in in de sjablone Ik weet dat ... en letten op de plaatsing van de pv: als deze alleen maar aan het eind van de zin kan staan, hebben we een naamw. gez. voor ons. Vergelijk:
Werkwoordelijk gezegde: twee mogelijkheden:
| (35a) | Ik weet dat Jan toch nog gekomen is. |
| (35b) | Ik weet dat Jan toch nog is gekomen. |
Naamwoordelijk gezegde: één mogelijkheid:
| (36a) | Ik weet dat Leo ziek is. |
| (36b) | *Ik weet dat Leo is ziek. |
| (37a) | Ik weet dat het terrein geaccidenteerd is. |
| (37b) | *Ik weet dat het terrein is geaccidenteerd. |
Deze proef is van belang bij het voorkomen van zgn. pseudo-deelwoorden in het gezegde, zoals belust, onderlegd, behept, bereid, geneigd.
De werkwoorden zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen kunnen ook zonder naamwoordelijk deel voorkomen en zelfstandig een ww. gez. vormen; ze heten dan zelfstandige werkwoorden. Bijv.:
| (38) | Hector was in de voortuin. |
| (39) | Wat niet is, kan worden. |
| (40) | Wie de dader was, bleek al spoedig. |
In dergelijke gevallen kunnen deze werkwoorden geparafraseerd worden: zijn is ‘zich bevinden,’ ‘bestaan’, worden is ‘ontstaan’, blijven is ‘vertoeven’, blijken is ‘duidelijk worden’, enz. Maar soms lijkt een ww. gez. met een nadere aanvulling erg op een naamw. gez.:
| (41a) | De zon schijnt fel. |
| (42a) | De zon schijnt groot. |
| (43a) | Emmy bleef lang. |
| (44a) | Emmy bleef ziek. |
In (41a) en (43a) geven fel en lang een nadere toelichting op het door het werkwoord uitgedrukte gebeuren, terwijl groot in (42a) en ziek in (44a) iets van het onderwerp meedelen. Dat blijkt duidelijk wanneer we deze gezegdes nominaliseren, d.w.z. het werkwoord van de pv in een infinitief gebruiken, voorafgegaan door het. Het oorspronkelijk naamw. deel dat dan voor het genominaliseerde werkwoord komt te staan, is dan onverbuigbaar; in het andere geval is dat niet zo:
| (41b) | Het fel schijnen van de zon. |
| (41c) | Het felle schijnen van de zon. |
| (42b) | Het groot schijnen van de zon. |
| (42c) | *Het grote schijnen van de zon. |
| (43b) | Het lang blijven van Emmy. |
| (43c) | Het lange blijven van Emmy. |
| (44b) | Het ziek blijven van Emmy. |
| (44c) | *Het zieke blijven van Emmy. |
Een aparte moeilijkheid doet zich voor wanneer de aanvulling bij het gezegde in ieder geval onverbuigbaar is, zoals bij de woordgroepen in zin (38) en (45):
| (38) | Hector was in de voortuin. |
| (45) | Hector was in z'n knollentuin. |
In dit geval blijkt dat we naar het naamwoordelijk deel kunnen verwijzen d.m.v. dat en naar een zinsdeel dat een plaatsbepaling omvat d.m.v. daar:
| (38a) | Hector was in de voortuin; daar was-ie. |
| (45a) | Hector was in z'n knollentuin; dat was-ie. |
Vergelijk ook nog
| (46) | De postbode was aan het verkeerde adres; daar stond hij te bellen. |
| (47) | Hij was helemaal aan het verkeerde adres; dat was-ie. |
Bij zulke zinnen kunnen we proberen voor de verdachte woordgroep zó te plaatsen en erachter een aanvulling met dat ... Als dat lukt, hebben we met een naamwoordelijk deel te maken:
| (48) | *Hector was zo in de voortuin, dat ... |
| (49) | Hector was zo in z'n knollentuin, dat hij knorde van plezier. |
We geven hieronder nog enkele voorbeelden die voor zichzelf spreken:
| (50) | Frans was achter met z'n werk. |
| (51) | Frans was zo achter met z'n werk, dat hij mij niet meer kon inhalen. |
| (52) | Frans was achter in de tuin. |
| (53) | *Frans was zo achter in de tuin, dat ... |
| (54) | Jan was in mineur. |
| (55) | Jan was zo in mineur, dat je hem niet kon opbeuren. |
| (56) | Jan was in Utrecht. |
| (57) | *Jan was zo in Utrecht, dat ... |
Soms bestaan er twee mogelijkheden bij één woord of een uitdrukking, die dan dus twee verschillende functies kan hebben:
| (58) | Klaas was thuis met het weekend. |
| (59) | *Klaas was zo thuis met het weekend, dat ... |
| (60) | Klaas was thuis bij de buren. |
| (61) | Klaas was zo thuis bij de buren, dat hij er in en uit liep. |
De aanvulling met zo ... dat is ook mogelijk wanneer het naamw. deel een substantief in het enkelvoud zonder lidwoord is; bijv.:
| (62a) | Co is toneelspeler. |
| (62b) | Co is zo (op en top) toneelspeler, dat hij altijd een rol speelt. |
Dergelijke nominale vormen zonder lidwoord vertonen een duidelijke overeenkomst met het adjectief: evenals het adjectief blijkt dit lidwoordloze substantief bij een meervoudig onderwerp onveranderlijk. Men vergelijke:
| (63a) | Frits was ziek. |
| (63b) | Frits en Truus waren ziek. |
| (64a) | Frits Wardland was een lastige jongen. |
| (64b) | Frits en Bob waren lastige jongens. |
| (65a) | Mijnheer Tip is de dikste mijnheer. |
| (65b) | Tip en Ferry zijn de dikste mijnheren. |
| (66a) | De ene zoon van de buren is sergeant. |
| (66b) | Twee zoons van de buren zijn sergeant. |
Bij constructies als in de zinnen (64a) t/m (65b) kan als onderwerp ook dit, dat of het dienst doen. Blijkens de meervoudige persoonsvorm kan dit, dat of het dan naar een persoon of zaak in het meervoud verwijzen. Dat kan alleen bij een naamwoordelijk gezegde; het is de uitzondering op de getalsregel van OND en pv, die in paragraaf 1.2. over het OND gegeven werd. Ook wanneer de pv uit een hulpwerkwoord bestaat en het koppelwerkwoord in een infinitiefvorm optreedt, komt dit verschijnsel voor:
| (67) | Dat zijn kooplieden. |
| (68) | Het blijken soldaten. |
| (69) | Dat waren de mariniers. |
| (70) | Het kunnen wel spionnen zijn. |
| (71) | Dat hoeven nog geen misdadigers te worden. |
Wanneer de persoonlijke voornaamwoorden van de 1e, 2de en 3de persoon enkelvoud als naamw. deel gebruikt worden, komen ze voor in de vormen mij, jou en hem, 'm (resp. hen of hun voor de 3de pers. mv.):
| (72) | Als ik jou was. |
| (73) | Dat is 'm nou. |
| (74) | Als jij mij nou es was. |
Het is niet altijd gemakkelijk vast te stellen wat het OND en wat het naamwoordelijk deel is. Veelal moet uit de situatie blijken welke van twee mogelijkheden de bedoeling van de spreker of de schrijver weergeeft, bijv.:
| (75) | (Geraffineerd) dat zijn kooplieden. |
| (76) | (Die lui daar) dat zijn kooplieden. |
Blijkens de tussen haakjes voorgevoegde verduidelijkingen is dat in (75) een naamw. deel, maar dat in (76) is OND. Het verschil tussen OND en naamw. deel is niet meer vast te stellen als beide identiek zijn:
| (77) | Hebben is hebben en krijgen is de kunst. |
| (78) | Een vrouw blijft een vrouw. |
Taalkundig is bij dergelijke identiteitsgezegdes niet uit te maken of het eerste zinsdeel OND is.
Het is gebruikelijk geworden ook in enkele andere gevallen van naamwoordelijke gezegdes te spreken, met name wanneer de gebruikte werkwoorden de functie hebben van één van de ‘echte’ koppelwerkwoorden zijn of worden. Dat geldt bijv. voor de volgende zinnen:
| (79) | Dat valt hem zwaar. |
| (80) | Ik zit om geld verlegen. |
| (81) | Hoe komt hij zo vrolijk? |
| (82) | Piet staat bekend als een serieus man. |
Tot slot wijzen we hier op de twee gebruiksmogelijkheden van het koppelwerkwoord heten, zoals die tot uiting komen in de volgende zinnen:
| (83) | De jongen heet Appie. |
| (84) | De jongen heet een mislukkeling. |
In (83) is een aanvulling met te zijn uitgesloten en heten (in de betekenis ‘een eigennaam dragen’) behoort daardoor tot de ‘echte’ koppelwoorden. In (84) is de aanvulling met te zijn wel mogelijk en heten (in de betekenis ‘de reputatie hebben van’) kan dan benoemd worden als hulpwerkwoord van modaliteit:
(84b) De jongen heet een mislukkeling te zijn.
In de beide gevallen (83) en (84) noemen we heten koppelwerkwoord.
| M.A.F. Ostendorf, Functie en accent. NTg 46 (1953), 274-281. |
| P.C. Paardekooper, Wijlen ons koppelwerkwoord? LT 1958, 115-122, of in: TiA 202-209. |
| H. Roose, Wijlen ons koppelwerkwoord? LT 1958, 342-345, of in: TiA 210-213. |
| P.C. Paardekooper, Koppelwerkwoorden met iemand hebben, LT 1958, 536-543, of in: TiA 214-221. |
| L.C. Michels, Op de grens van copula en hulpwerkwoord, TT 11 (1959), 206-212, of in: TiA 224-230. |
| A.W. de Groot, Een nieuwe Nederlandse grammatica, NTg 52 (1959), 141-144, vooral blz. 143, of in: TiA 222-223. |
| H.Th. Kok, Afdoende argumenten? NTg 54 (1961), 210-212, of in: TiA 238-240. |
| Mevr. G.F. Bos, Dat zijn kooplieden, NTg 54 (1961), 23-27, of in: TiA 241-245. |
| P.J. Merckens, Zijn dat kooplieden of zijn kooplieden dat? NTg 54 (1961), 152-154, of in: TiA 246-248. |
| F.G. Droste, Kooplieden in het geding, NTg 54 (1961), 154-156, of in: TiA 249-251. |
| A. Sassen, Endogeen en exogeen taalgebruik, NTg 56 (1963), 10-21, of in: TiA 341-352. |
| M.C. van den Toorn, Het naamwoordelijk gezegde, LT 1965, 629-640, of in: TiA 252-263. |
| P.C. Paardekooper, Een heilige spraakkunstkoe: het koppelwerkwoord, LT 1967, 189-198, of in: TiA 264-273. |
| M.C. van den Toorn, Koppelwerkwoord en naamwoordelijk gezegde; een antwoord aan Paardekooper, LT 1967, 199-206, of in: TiA 274-281. |
| R. Vos, Over het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde, NTg 61 (1968), 217-231. |
| T.J.M. Versteeg, ‘Zijn’ + voltooid deelwoord, NTg 62 (1969), 422-424. |
| M.C. van den Toorn, Over de functies van het werkwoord zijn, SN 1970-1, 26-36. |
| J. de Rooy, Onzijdige voornaamwoorden en het naamwoordelijk gezegde, NTg 63 (1970), 181-186. |
| F.L. Zwaan, Naschrift bij ‘Een Nederlandse accusativus cum infinitivo’. LT 1971, 133-135, of in: Zwaanzinnigheden, 33-34. |
| A. Sassen, Syntactisch-semantische eigenschappen van het werkwoord blijven, in: Lexicologie. Een bundel opstellen voor F. de Tollenaere, uitg. P.G.J. van Sterkenburg, Groningen 1977, 231-239. |
| E.T.G. Nuijtens, Hoe heet heten?, NTg 71 (1978), 565-568. |
| M. Moortgat, What's in a name, Glot 1 (1978), 71-91. |
| A. Sassen, Over een vergeten koppelwerkwoord komen, NTg 71 (1978), 582-593, of in: Tkb, 110-121. |
| S. de Vriendt, (Hij is) communist, nominale of adjectivische constituent?, NTg 71 (1978), 622-630. |
Wanneer we in een zin het onderwerp en het gezegde gevonden hebben, gaan we zoeken naar mogelijke andere zinsdelen. Eén daarvan (dat we alleen kunnen aantreffen bij een ww. gez., en dus nooit bij een naamw. gez.) is het direct object of lijdend voorwerp (LV), waarvan men wel zegt dat het iets is dat de handeling van het onderwerp ondergaat. ‘Ondergaan’ kan ook opgevat worden als ‘in een andere toestand gebracht worden’ of als ‘voortgebracht worden’. Een belangrijk kenmerk is dat het LV altijd een - al dan niet nader bepaald - substantief of een zelfstandig pronomen moet zijn, of een woordgroep die daardoor vervangen kan worden. Het begint nooit met een voorzetsel. In de volgende zinnen is het LV telkens cursief gedrukt:
| (1a) | Aan de lunch weigerde Jan een appel. |
| (2a) | Wim schreef het ene boek na het andere. |
| (3a) | Mijn collega heeft tegenwoordig een bouvier. |
| (4a) | Aan de lunch weigerde Jan een appel te eten. |
| (5a) | Dat ze met datzelfde kaartje ook over Hollandse Rading naar Utrecht had mogen reizen, wist ze niet. |
| (6a) | Hij kwam maar niet te weten hoe dat vervelende geborrel in die verwarmingsradiator ontstond. |
| (7a) | De agent die de hele morgen bij de ambassade had gestaan, had niets gemerkt. |
Om na te gaan of we inderdaad met een LV te maken hebben, passen we de volgende proef toe: we kloven de zin in twee delen, waarbij we ervoor zorgen dat het vermoede LV geheel achteraan komt te staan. Op de volgende wijze:
Wie/Wat + OND + pv (+ eventueel rest van het predikaat), pv van zijn + ...;
op de plaats van de puntjes moet dan het oorspronkelijke LV komen te staan. We passen dit toe op de zinnen (1a) t/m (7a):
| (1b) | Wat Jan aan de lunch weigerde, was een appel. |
| (2b) | Wat Wim schreef, was het ene boek na het andere. |
| (3b) | Wat mijn collega tegenwoordig heeft, is een bouvier. |
| (4b) | Wat Jan (aan de lunch) weigerde, was een appel te eten. |
| (5b) | Wat ze niet wist, was dat ze met datzelfde kaartje ook over Hollandse Rading naar Utrecht had mogen reizen. |
| (6b) | Wat hij maar niet te weten kwam, was hoe dat vervelende geborrel in die verwarmingsradiator ontstond. |
| (7b) | Wat de agent die de hele morgen bij de ambassade had gestaan, gemerkt had, was niets. |
Wanneer we weten dat er geen naamw. gez. in de zin aanwezig is, geeft deze proef met gekloofde zinnen duidelijk uitsluitsel over de vraag of iets een LV is of niet. We vergelijken bijvoorbeeld de volgende zinnen, met daarnaast de gekloofde zinnen die ervan gevormd kunnen worden:
| (8a) | Diks vrienden hadden het hazepad gekozen. |
| (8b) | *Wat Diks vrienden gekozen hadden, was het hazepad. |
| (9a) | Voor het presidentschap had de meerderheid Nixon gekozen. |
| (9b) | Wie de meerderheid voor het presidentschap gekozen had, was Nixon. |
| (10a) | Irmgard hoestte de hele avond. |
| (10b) | *Wat Irmgard hoestte, was de hele avond. |
| (11a) | Irmgard bedierf de hele avond. |
| (11b) | Wat Irmgard bedierf, was de hele avond. |
| (12a) | De dikke groenteboer woog 130 kilo. |
| (12b) | *Wat de dikke groenteboer woog, was 130 kilo. |
| (13a) | De groenteboer woog voor mij een kilo spinazie. |
| (13b) | Wat de groenteboer voor mij woog, was een kilo spinazie. |
| (14a) | Hij heeft een hekel aan honden. |
| (14b) | *Wat hij aan honden heeft, is een hekel. |
In de zinnen (9a) (11a) en (13a) staat blijkens de b-zinnen een LV. De woordgroepen die de plaats van het LV innemen in (8a) (10a) (12a) en (14a) zijn echter geen LV: Het hazepad in (8a) is evenals een hekel in (14a) een deel van een werkwoordelijke uitdrukking en behoort dus tot het gezegde; de hele avond in (10a) is een bepaling van tijdsduur; en 130 kilo in (12a) is een zgn. maatconstituent (waarover meer in 1.9, afd. 12).
De gekloofde-zinproef is belangrijk wanneer een zin verschillende werkwoordelijke vormen bevat. Wat maximaal aan het eind van de gekloofde zin kan staan, was dan LV. Bijv.:
| (15a) | Ik hoor een symfonie van Brahms spelen. |
| (15b) | Wat ik hoor, is een symfonie van Brahms spelen. |
| (16a) | Hij hoorde de zieke een zucht slaken. |
| (16b) | Wat hij hoorde, was dat de zieke een zucht slaakte. |
| (17a) | Maurits kan zeven meter onder water zwemmen. |
| (17b) | Wat Maurits kan, is zeven meter onder water zwemmen. |
| (18a) | Maurits kan wel eens laat thuis komen vandaag. |
| (18b) | *Wat Maurits wel eens kan, is laat thuis komen vandaag. |
| (19a) | Johan durft al van de plank te duiken. |
| (19b) | Wat Johan al durft, is van de plank te duiken. |
Dat zin (18b) ongrammaticaal is, komt doordat kan hier een hulpwerkwoord van modaliteit is en bij het ww. gez. behoort; in (17a) is dat niet zo: hier is kan een zelfstandig werkwoord met een LV. Zin (19b) toont aan dat durven eveneens als een zelfstandig werkwoord met een LV beschouwd kan worden.
Alleen wanneer het LV het (of een ander onbeklemtoond pronomen als 'm, d'r, zich of een ander reflexief pronomen, of een vragend woord als wat, wie, welke) bevat, gaat de gekloofde-zinproef niet op. We kunnen in zo'n geval het, zich, enz. vervangen door een ander woord of een andere woordgroep en vervolgens de proef toepassen:
| (20a) | Bob had het laten liggen. |
| (20b) | *Wat Bob had laten liggen, was het. |
| (20c) | Bob had het schrift laten liggen. |
| (20d) | Wat Bob had laten liggen, was het schrift. |
| (20e) | Bob waste zich. |
| (20f) | *Wie Bob waste, was zich. |
| (20g) | Bob waste de auto. |
| (20h) | Wat Bob waste, was de auto. |
Wanneer het onmogelijk is het op zinnige wijze te vervangen, m.a.w. wanneer het nergens naar verwijst, spreekt men wel van loos lijdend voorwerp. In ieder geval maakt het dan deel uit van het ww. gez.; het is geen zelfstandig zinsdeel:
| (21) | Bruin Boon zette het op een lopen. |
| (22) | De heer Bruis kreeg het warm. |
| (23) | Ze heeft het lelijk verbruid bij de directie. |
Dit gebruik van het mag niet verward worden met het als voorlopig lijdend voorwerp:
| (24) | De raad bewonderde het, dat de burgemeester ontslag nam. |
Hier is het een voorlopige verwijzing naar het LV dat nog komt: dat de burgemeester ontslag nam.
Naast een voorlopig lijdend voowerp is ook een zgn. ‘herhalend lijdend voorwerp’ mogelijk; vooral wanneer het ‘echte’ LV uit een wat langere woordgroep bestaat, kan in de vorm van dat daarnaar teruggewezen worden:
| (24a) | Dat de burgemeester ontslag nam, dat bewonderde de raad. |
We benoemen het tweede dat hier als ‘herhalend lijdend voorwerp’.
Er is nog een tweede manier om het LV te vinden: dat is het overbrengen van de zin in de zgn. lijdende vorm. Daarbij wordt het OND van de zin vervangen door een bepaling met door, het ww. gez. wordt veranderd in een gezegde met een vorm van worden of zijn en het oorspronkelijke LV wordt dan OND van de lijdende zin. Bijv.:
| (25a) | Carla haalde onmiddellijk een dokter erbij. |
| (25b) | Door Carla werd onmiddellijk een dokter erbij gehaald. |
Dit overzetten van de zgn. bedrijvende vorm (25a) in de lijdende vorm (25b) geeft echter niet voldoende informatie als we met een bepaling van tijds-
duur te maken hebben. Zo wordt zin (10a) bij overzetting in de lijdende vorm onvoldoende onderscheiden van een dito overzetting van (11a):
| (10c) | Door Irmgard werd de hele avond gehoest. |
| (11c) | Door Irmgard werd de hele avond bedorven. |
Bovendien zijn er werkwoorden met een LV, die toch geen overzetting in een lijdende vorm toelaten, zoals hebben, bezitten, krijgen, bevatten, behelzen. Een universelere proef is dan ook de zgn. nominalisering van het ww.: vervanging van de pv door een infinitief, voorafgegaan door het. In dat geval verschijnt het oorspronkelijke LV als een woordgroep die met van begint:
| (26a) | De aannemer bouwde een rij statige herenhuizen. |
| (26b) | Het bouwen van een rij statige herenhuizen (door de aannemer). |
| (27a) | Zij heeft een angorakat. |
| (27b) | Het hebben van een angorakat. |
Werkwoorden die altijd een LV bij zich hebben, noemt men transitieve werkwoorden; ze kunnen niet zonder LV voorkomen, bijv.:
| (28a) | De leeuw Basra verslond een gazelle. |
| (28b) | *De leeuw Basra verslond. |
| (29a) | De omgekantelde trailer belemmerde het verkeer. |
| (29b) | *De omgekantelde trailer belemmerde. |
Daarnaast komen werkwoorden voor die wel een LV bij zich moeten hebben, maar niet altijd is dat LV uitgedrukt. Het LV is dan een geïmpliceerd object. Dergelijke verba heten pseudo-transitief:
| (30a) | Karola at een bordje nasi goreng. |
| (30b) | Karola at. |
| (31a) | Hannes las een tijdschrift. |
| (31b) | Hannes las. |
Tenslotte zijn er werkwoorden die geen LV bij zich kunnen hebben. Dit zijn intransitieve werkwoorden:
| (32) | De Marokkanen werkten in het plantsoen. |
| (33) | De zon verdween. |
Niettemin worden soms, tegen alle verwachting in, intransitieve verba met een LV gebruikt. Dat kan wanneer voor zeggen een ander verbum in de plaats treedt; het wordt dan een verbum dicendi (‘zeg’-werkwoord) en het bijbehorende LV is een uitlating in directe rede. Vooral in impressionistisch proza en in meisjesboeken uit de dertiger jaren was dit procédé heel gebruikelijk, maar ook buiten het gebied van de verba dicendi blijkt een grote speelruimte in het werkwoordgebruik te bestaan:
| (34) | ‘Een ratelslag’, joelde Bertus alsof hij er blij om was. |
| (35) | ‘Hè ja, Mams’, kwam Miep tussenbeide. |
| (36) | Champion Bougies vonkten de winnaar naar de finish van de zware Tulpen-Rallye. |
Bovendien kunnen intransitieve werkwoorden door voorvoegsels transitief gemaakt worden, bijv. aflopen naast lopen, binnenvaren naast varen, e.v.a. In de volgende zinnen is dan ook, blijkens de gekloofde-zinproef, telkens een LV voorhanden:
| (37) | Margaretha liep de helling af. |
| (37a) | Wat Margaretha afliep, was de helling. |
| (38) | De kapitein voer het schip binnen. |
| (38a) | Wat de kapitein binnenover, was het schip. |
In (39) hebben we met een ander geval te maken dan in (38):
| (39) | De kapitein voer de haven binnen. |
Niet voor iedereen is de gekloofde zin hier normaal:
| (39a) | Wat de kapitein binnenvoer, was de haven. |
Het verschil tussen de zinnen (38) en (39) wordt echter pas duidelijk, wanneer het gezegde in een voltooide tijd wordt gezet.
| (38b) | De kapitein heeft het schip binnengevaren. |
| (39b) | De kapitein is de haven binnengevaren. |
Nu blijkt ook dat sommige zinnen in twee lezingen begrepen kunnen worden. Zo kan door (37) worden uitgedrukt dat Margaretha de helling tot het einde toe afliep of dat Margaretha naar beneden liep langs de helling. In de tweede betekenis wordt de voltooide tijd met hebben gevormd, in de eerste betekenis met zijn:
| (37b) | Margaretha heeft de helling afgelopen. |
| (37c) | Margaretha is de helling afgelopen. |
In (39) benoemen we de haven binnen als een bijwoordelijke bepaling van richting; in (39b) noemen we is binnengevaren ww. gez. en de haven de bepaling van richting. Soortgelijke gevallen doen zich voor bij scheidbare werkwoorden als inlopen, uitrijden, uitkomen, overwandelen, induiken, e.v.a. Bijvoorbeeld:
| (40) | Bertus dook z'n bed in. |
| (40a) | Bertus is z'n bed ingedoken. |
Tenslotte wijzen we hier nog op een merkwaardige vorm van het LV, die schijnbaar in tegenspraak is met de regel dat een LV nooit met een voorzetsel kan beginnen. Men beschouwe de volgende zinnen:
| (41) | Melkboer, hebt u nog van die lekkere yoghurt? |
| (42) | Geef me es even van die klein kopsijkertjes. |
De woordgroepen die hier beginnen met van zijn LV. Het zijn vaste verbindingen met van + die (of dat of zulk(e)) + (eventueel nader bepaald) substantief; ze kunnen verklaard woorden als ellipsen van een fles van die
lekkere yoghurt, een paar van die kleine kopspijkertjes, enz. die als regelmatige LV beschouwd kunnen worden.
Misschien ten overvloede vermelden we dat een LV ook met een voorzetsel kan beginnen, wanneer dat LV een titel, een uitroep, een citaat of iets dergelijks is, bijv.:
| (43) | Hans las ‘Over lichtende drempels’ van Couperus. |
| W.J.H. Caron, Wat is een lijdend voorwerp? FdL 8 (1967), 1-13. |
| E. Nieuwborg, De distributie van het onderwerp en het lijdend voorwerp, Antwerpen z.j. (1968). |
| F.K.M. Mars, Nog een grammaticale vergissing?, LT 1968, 206-208. |
| G.F. Bos, Object en passivum. Notities betreffende enkele subcategorieën van het werkwoord, LT 1969, 87-95. |
| F.L. Zwaan, Het vinnich stralen van de son, LT 1970, 353-357, of in: Zwaanzinnigheden, 28-30. |
| P.C. Paardekooper, M'n broer heeft het heel erg warm, NTg 67 (1974), 147-154. |
Vervolgens kunnen we nagaan of er ook nog een naam of een andere aanduiding (meestal van een persoon) voorkomt, die noodzakelijk is om de handeling van het gezegde mogelijk te maken. Dat is dan een indirect object of meewerkend voorwerp (MV), dat vaak formeel kenbaar is doordat er aan voor kan staan. In de volgende voorbeelden is het MV cursief gedrukt:
| (1) | Frits gaf zijn hospita een mooie bos bloemen. |
| (2) | Ik vertelde hem de hele geschiedenis. |
| (3) | De verkoper toonde de klant het nieuwste model. |
| (4) | Wie telkens ezelsoren in de boeken maakt, moet je verder maar niets meer uitlenen. |
| (5) | De directeur overhandigde een oorkonde aan de jubilaris. |
| (6) | Ieder die klachten over het remventiel heeft, levert de fabriek gratis een nieuwe nippel. |
In de zinnen (1) t/m (4) en (6) is aan voor het MV toevoegbaar; in (5) is het weglaatbaar wanneer het MV aan het LV voorafgaat:
| (5a) | De directeur overhandigde de jubilaris een oorkonde. |
Wanneer we het gezegde nominaliseren, moet aan voor het MV komen te staan, bijv.:
| (1a) | Het geven van een mooie bos bloemen aan de hospita door Frits. |
| (5b) | Het overhandigen van een oorkonde aan de jubilaris door de directeur. |
Dat dit voorwerp ‘meewerkend’ genoemd wordt, vindt zijn oorzaak in het feit dat het ‘meewerkt’ de handeling van het gezegde mogelijk te maken. Dit wordt nog duidelijker wanneer we het MV tot onderwerp van de zijn maken en een ww. gez. kiezen dat de omgekeerde betekenis heeft van het oorspronkelijke verbum (een zgn. converse); het OND komt dan in een bepaling met van te staan. Voor de zinnen (1) t/m (6) ontstaan dan (7) t/m (12):
| (7) | De hospita KREEG bloemen van Frits. |
| (8) | Hij VERNAM de hele geschiedenis van mij. |
| (9) | De klant KREEG het nieuwste model TE ZIEN van de verkoper. |
| (10) | Wie telkens ezelsoren in de boeken maakt, KRIJGT van jou niets meer UITGELEEND. |
| (11) | De jubilaris ONTVING van de directeur een oorkonde. |
| (12) | Ieder die klachten over het remventiel heeft, KRIJGT van de fabriek gratis een nieuwe nippel GELEVERD. |
In dit licht is het begrijpelijk dat een MV vooral optreedt bij werkwoorden die intermenselijke relaties aangeven: er is een groep in de sfeer van ‘geven’ of zijn converse, zoals:
lenen, betalen, geven, overhandigen, weigeren, beletten, ontnemen, afstaan, bezorgen, brengen, bieden, gunnen, leveren, onthouden, schenken, toedienen, toereiken, vergoeden.
en er is een groep van zgn. ‘taaldaden’, zoals:
zeggen, schrijven, berichten, telegraferen, aanraden, afraden, aanbevelen, antwoorden, bewijzen, bevelen, inboezemen, meedelen, opdragen, smeken, verzoeken, zweren.
Wanneer in een zin slechts één object voorkomt is dit gewoonlijk een LV; zodra er een tweede object bij komt, kan dat een LV zijn, waarbij het eerst aanwezige object ‘opschuift’ tot MV:
| (13a) | Hij betaalt zijn medewerkers. |
| (14a) | Hij betaalt een hoog loon. |
| (15a) | Hij betaalt zijn medewerkers een hoog loon. |
De ware aard van deze objecten blijkt bij nominalisaties:
| (13b) | Het betalen van zijn medewerkers. |
| (14b) | Het betalen van een hoog loon. |
| (15b) | Het betalen van een hoog loon aan zijn medewerkers. |
Ook bij omzetting in de lijdende vorm manifesteren zich soortgelijke verschillen:
| (13c) | Zijn medewerkers worden betaald (door hem). |
| (14c) | Een hoog loon wordt betaald (door hem). |
| (15c) | (Aan) zijn medewerkers wordt een hoog loon betaald (door hem). |
Men vergelijke nog:
| (16) | Hij wordt betaald. |
| (17) | Hem wordt een hoog loon betaald. |
Het is echter ook mogelijk dat er niet meer dan één object in een zin staat, dat toch MV genoemd moet worden, meestal op grond van de aanwezigheid of toevoegbaarheid van aan:
| (18) | Marie geeft nooit aan collectes. |
| (19) | Karel schreef aan zijn meisje. |
Het gebruik van aan voor een MV is aan beperkingen onderhevig. Zo kan aan veelal niet gebruikt worden wanneer het LV niet concreet is of niet letterlijk genomen moet worden. Zodra de zin genominaliseerd wordt, verschijnt aan wel:
| (20a) | Guus gaf de president een hand. |
| (21a) | De verbolgen flatbewoners gaven de voyeur een flink pak slaag. |
| (22a) | Ze gaf de kamer een goeie beurt. |
| (20b) | Het geven van een hand aan de president. |
| (21b) | Het geven van een flink pak slaag aan de voyeur. |
| (22b) | Het geven van een goeie beurt aan de kamer. |
Zoals uit zin (18) en (22) al blijkt, is het MV niet altijd een persoon. Bij uitbreiding kan het MV ook de aanduiding van een zaak zijn (niet zelden een publiekrechtelijk lichaam):
| (23) | De vereniging stond een flink bedrag af aan het Rode Kruis. |
| (24) | Hij gireerde een som aan de Stichting 1940-1945. |
| (25) | Marianne had De Nieuwe Taalgids een andere plaats gegeven. |
| W. van Langendonck, Het meewerkend voorwerp van de aktieve zin als onderwerp van de passieve zin, Leuvense bijdragen 57 (1968), 101-118. |
| F. Balk-Smit Duyzentkunst, Het meewerkend voorwerp, een grammaticale vergissing, LT 1968, 5-12, of in: TGGiA, 281-288, of in: Tkb, 121-128. |
| M.C. van den Toorn, Enkele opmerkingen over het indirect object, LT 1971, 32-41, of in: TGGiA, 289-297, of in: Tkb, 128-136. |
| G.F. Bos, Het indirect object, LT 1972, 7-18, of in: TGGiA, 298-309. |
| J.G. Kooij, Presuppositie, topic en de plaats van het indirekt objekt, Spekt. 2 (1972-73), 261-270, of in: TGGiA, 310-319. |
| J.G. Kooij, Diachronic aspects of idiom formation, LiN 1972-1973, Assen 1975, 122-127. |
| J.G. Kooij, Idioom en syntaxis, Gastenboek, 85-90. |
| Th.A.J.M. Janssen, Hebben-konstrukties en indirekt-objektkonstrukties. Nijmegen/Utrecht 1976. |
| P.C. Paardekooper, Die soep is me al te zout. NTg (1976), 24-29. |
| Th.A.J.M. Janssen, Het wel en niet omschreven indirekt objekt en de possessieve datief, Ts 93 (1977), 203-230. |
| T. Hoekstra, De status en plaats van het indirect object, in: J.G. Kooij (ed.), Aspekten van woordvolgorde in het Nederlands, Leiden 1978, 40-69. |
| T. Hoekstra, The status of the indirect object, LiN 1977-1979, Dordrecht 1980, 152-169. |
Er bestaat nog een ander indirect object, dat evenzeer als het MV ertoe dient de handeling van het gezegde mogelijk te maken. Dit zinsdeel wordt voorafgegaan door voor, dat slechts in enkele gevallen weggelaten kan worden. Men noemt het belanghebbend voorwerp (BV); in de volgende zinnen is het BV cursief gedrukt; indien voor weggelaten kan worden, staat het tussen haakjes:
| (1) | Vader kocht (voor) de kinderen een ijswafel. |
| (2) | Hij kocht ‘Paddeltje’ voor de schoolbibliotheek. |
| (3) | Ik schonk (voor) Lodewijk een glas jonge in. |
| (4) | Ze hebben een nieuwe lamp aangeschaft voor de huiskamer. |
| (5) | Ze deed boodschappen voor haar zieke buurvrouw. |
| (6) | De tekenleraar deed veel voor zijn leerlingen. |
| (7) | Voor ieder die bij die overstroming materiële schade geleden had, kwam de hulp van het Rampenfonds als redding uit de nood. |
De betekenis van het BV wordt duidelijk wanneer we voor vervangen door ten behoeve van, ten (on)gunste van; dit is een herkenningsmiddel voor het BV.
Er is nog een tweede soort BV dat uitdrukt dat het object een toestand, die met het onderwerp verband houdt, ondervindt. Het begrip ‘ondervinden’ impliceert dat dit BV altijd levende wezens aanduidt. Voorbeelden:
| (8a) | Die kwestie is hem duidelijk. |
| (9a) | Het is een heel ding voor Detlev, ineens alleen te moeten staan. |
| (10a) | Die jas is mij te lang. |
| (11a) | Niets is Herman te dol. |
| (12a) | Dat huis heeft me te veel glas. |
Deze zinnen kunnen geparafraseerd worden door het BV tot onderwerp te maken en met een pv van vinden te verbinden:
| (8b) | Hij vindt die kwestie (wat hem betreft) duidelijk. |
| (9b) | Detlev vindt het (wat hem betreft) een heel ding, ineens alleen te moeten staan. |
| (10b) | Ik vind die jas (wat mij betreft) te lang. |
| (11b) | Herman vindt (wat hem betreft) niets te dol. |
| (12b) | Ik vind dat dat huis (wat mij betreft) te veel glas heeft. |
Bij dit soort BV sluit zich aan het gebruik van me (soms ook je) in uitroepende zinnen, die een zekere emotie verraden (verbazing of verontwaardiging). Ook dit me, resp. je wordt als BV beschouwd; toevoeging van voor is onmogelijk. Bijv.:
| (13) | Dat was me daar een rommeltje! |
| (14) | Dat is je wat! |
| (15) | Daar was me de patiënt toch met 39.8 z'n bed uitgekomen! |
Een laatste soort BV - nooit met voor - wordt gebruikt om bezit of directe aanwezigheid, nabijheid uit te drukken: het duidt altijd een levend wezen aan, en het ‘voorwerp van bezit’ wordt voorafgegaan door een bepaald lidwoord. Bijvoobeeld:
| (16) | De tranen stonden Marie in de ogen. |
| (17) | Het schaamrood bedekte hem de kaken. |
| (18) | Hij speldde het hem op de revers. |
| (19) | Het angstzweet brak hem uit. |
| (20) | Het zit me tot hier! |
Verduidelijking kan geschieden door voor het BV het voorzetsel bij te gebruiken of door het BV als een bepaling te verwerken. Bijvoorbeeld:
| (16a) | De tranen stonden bij Marie in de ogen. |
| (16b) | De tranen stonden in Marie d'r ogen. |
Zie onder Meewerkend voorwerp.
Er kan nog een ander soort object voorkomen, dat de uitdrukking is van een persoon of zaak die de aanleiding of de oorzaak vormt van de handeling of de toestand waarin het onderwerp zich bevindt. Men noemt dat object een oorzakelijk voorwerp of ook - omdat het bijna altijd met een voorzetsel begint - voorzetselvoorwerp (VZV). In de volgende voorbeeldzinnen is het VZV cursief gedrukt:
| (1) | Karel wacht op zijn broer. |
| (2) | Ik twijfelde aan zijn woorden. |
| (3) | Guus verlangde naar de paasvakantie. |
| (4) | Ik dacht er ineens aan, dat ik nog steeds die brief niet gepost heb. |
| (5) | Hij schaamt zich daarover. |
| (6) | De werkster begint altijd met het schoonmaken van de voorkamer. |
| (7) | Henk ging er prat op, dat hij nog bij Kloeke gestudeerd had. |
Wanneer in een zin de verbinding er + voorzetsel + dat... als VZV voorkomt, noemen we er + voorzetsel het voorlopig VZV; het stuk dat met dat begint, is dan het eigenlijke VZV, zoals in zin (4) en zin (7).
Het VZV zou een gemakkelijk te herkennen zinsdeel zijn, wanneer we elke woordgroep die met een voorzetsel begint, zo mochten noemen. Maar er zijn veel voorzetselgroepen die een geheel andere betekenis hebben (zgn. bijwoordelijke bepalingen, waarover de volgende paragraaf handelt). Dit blijkt bijv. in de volgende zinnen:
| (1) | Karel wacht op zijn broer. |
| (8) | Karel wacht op het perron. |
| (9) | De handelaar stond op contante betaling. |
| (10) | De handelaar stond op de stoep. |
Er zijn allerlei manieren denkbaar om aan te tonen dat in de zinnen (1) en (9) sprake is van een gezegde met wachten op en staan op, elk met een object, en dat in (8) en (10) het gezegde bestaat uit wachten, resp. staan, waarbij de plaatsbepaling tamelijk willekeurig is: men kan ook wachten naast het perron, voor de stoep, enz. In (1) en (9) is echter sprake van een vast voorzetsel, dat een sterke band heeft met het werkwoord. Bij de bijwoordelijke bepaling is daarentegen het voorzetsel onlosmakelijk verbonden met de erop volgende woorden. Dat blijkt vooral duidelijk als we van onze voorbeelden gekloofde zinnen maken. We hanteren daartoe het volgende schema:
OND + ww. gez. + voorzetselgroep veranderen we in:
waar + voorzetsel (eventueel: voorzetsel + wie) + OND + ww.gez., vorm van zijn...
Op de plaats van de puntjes kan alleen een VZV zonder voorzetsel staan; mislukt de proef, dan hebben we te maken met een bepaling. Aldus:
| (1a) | Op wie Karel wacht, is zijn broer. |
| (8a) | *Waarop Karel wacht, is het perron. |
| (9a) | Waarop de handelaar stond, was contante betaling. |
| (10a) | *Waarop de handelaar stond, was de stoep. |
We geven hieronder nog een aantal zinnen; wanneer een ongrammaticale zin verschijnt na verandering tot gekloofde zin hebben we een bepaling voor ons en geen VZV:
| (11) | De apotheker vroeg om een nieuw recept. |
| (11a) | Waarom de apotheker vroeg, was een nieuw recept. |
| (12) | Esmeralda wandelde om het park. |
| (12a) | *Waarom Esmeralda wandelde, was het park. |
| (13) | Ik verlangde ernaar dat de winter eindelijk eens ophield. |
| (13a) | Waarnaar ik verlangde, was dat de winter eindelijk eens ophield. |
| (14) | Harald fietste naar St. Oedenrode. |
| (14a) | *Waarnaar Harald fietste, was St. Oedenrode. |
| (15) | De geëxalteerde man sprak van eeuwige trouw. |
| (15a) | Waarvan de geëxalteerde man sprak, was eeuwige trouw. |
| (16) | Leendert komt van Zeeland. |
| (16a) | *Waarvan Leendert komt, is Zeeland. |
| (17) | Frits gelooft er heilig in, dat er koud vuur bestaat. |
| (17a) | Waarin Frits heilig gelooft, is dat er koud vuur bestaat. |
| (18) | We logeerden in een leuk hotelletje. |
| (18a) | *Waarin we logeerden, was een leuk hotelletje. |
Bij de voorzetsels men en om treden soms complicaties op: ze kunnen namelijk in een gekloofde zin gebruikt worden, terwijl er toch geen sprake van een VZV is. Bijv.:
| (19) | Clothilde wandelde met haar oom. |
| (19a) | Met wie Clothilde wandelde, was haar oom. |
| (20) | Hij laat het om de buren. |
| (20a) | Waarom hij het laat, zijn de buren. |
We hebben in deze zinnen (19) en (20) bepalingen voor ons, waarin het voorzetsel vervangbaar is: om kan vervangen worden door wegens (met behoud van betekenis) en met kan in zijn tegendeel veranderd worden, wanneer we het vervangen door zonder:
| (19b) | Clothilde wandelde zonder haar oom. |
| (20b) | Hij laat het wegens de buren. |
Deze vrijheid kent het VZV niet:
| (21) | Kees was erg ingenomen met zijn nieuwe VW 1600. |
| (21a) | *Kees was erg ingenomen zonder zijn nieuwe VW 1600. |
| (22) | Frank geeft niet om vlees. |
| (22a) | *Frank geeft niet wegens vlees. |
In een klein aantal gevallen treffen we dit object zonder voorzetsel aan; men kan dan bezwaarlijk nog van VZV spreken en noemt het dan liefst ‘oorzakelijk voorwerp’. Dit is het geval bij naamw. gezegdes, die soms wel een object hebben, dat we dan echter per definitie nooit LV noemen. Bijv.:
| (23) | De vijand was de stad meester. |
| (24) | Jan was al z'n geld kwijt. |
| (25) | Hij is een lui leventje gewend. |
| (26) | De hoogleraar was de zwemkunst niet machtig. |
| (27) | Hij was het woord van zijn zieleherder indachtig. |
Ook hier gaat de gekloofde zin-proef op; bijv.:
| (28) | Wat hij zich terdege bewust was, was zijn verantwoordelijkheid. |
| (29) | Wat Aad van plan was, was iets heel geks. |
We hebben hiervoor al benadrukt, dat in zinnen met een VZV een sterke band bestaat tussen werkwoord en (vast) voorzetsel. Dat geldt ook bij werkwoordelijke uitdrukkingen als rekenschap geven van, recht hebben op, aandeel hebben in, een hekel hebben aan, zin hebben in, e.v.a. Bij een gekloofde zin-proef blijkt als enige object het VZV aan het eind te kunnen staan:
| (30) | Max gaf zich te weinig rekenschap van zijn gedrag. |
| (30a) | Waarvan Max zich te weinig rekenschap gaf, was zijn gedrag. |
| (30b) | *Wat Max zich van zijn gedrag gaf, was te weinig rekenschap. |
Dit bewijst nog eens dat we rekenschap, recht, aandeel, enz. tot het ww. gezegde moeten rekenen en dat we het niet als LV mogen beschouwen; het enige object is in zulke gevallen het VZV.
Bij nominalisering van een gezegde met een VZV blijft het voorzetsel behouden; bijv.:
| (31) | De zuster hoopt op spoedig herstel. |
| (31a) | Het hopen op spoedig herstel. |
| (31b) | De hoop op spoedig herstel. |
Ogenschijnlijk tegen het ‘gevoel’ in noemt men in de traditionele grammatica de voorzetselgroep in (31a) en (31b) geen VZV, maar een zgn. bijvoeglijke bepaling bij het hopen, resp. de hoop.
Een andere proef om het VZV te onderkennen, bestaat uit het veranderen van het vermoede VZV in een stuk dat met dat... begint, voorafgegaan door er + voorzetsel. Lukt deze proef, dan is er zeker sprake van een VZV.
Bijv.:
| (32a) | Paul wachtte op de komst van zijn broer. |
| (32b) | Paul wachtte erop dat zijn broer kwam. |
| (33a) | Paul wachtte op het perron. |
| (33b) | *Paul wachtte erop dat... |
Er bestaat echter een aantal werkwoorden met vaste voorzetsels, waarvan men aanneemt dat ze een VZV bij zich hebben, waarbij deze proef met een voorlopig VZV en een VZV-zin niet lukt. Dat is bijv. het geval bij: werken aan, grenzen aan, gebrek hebben aan, vergelijken bij, zich verdiepen in, ophouden met, trouwen met, heersen over, vervaardigen uit, voorzien van, onderdoen voor, enz.
| F.K.M. Mars, Over oorzakelijke en andere voorwerpen, NTg 62 (1969), 368-377. |
| M.C. van den Toorn, Het voorzetselvoorwerp als nominale constituent, SN 1971-2, 114-129, of in: TGGiA, 320-335. |
| F.L. Zwaan, Het voorzetselvoorwerp, LT 1972, 347-350, of in: Zwaanzinnigheden, 38-42, of in: Tkb, 155-159. |
| H. van Driel, M.C. van den Toorn, H.L.M. Vullings, Intuïties omtrent het voorzetselvoorwerp, Gramma 2 (1978), 37-50. |
Wanneer we bij de zinsontleding het onderzoek naar alle hiervoor behandelde zinsdelen uitgevoerd hebben, kunnen er nog woorden of woordgroepen overblijven die aan geen van de hiervoor genoemde beschrijvingen voldoen. Daartoe behoort allereerst de bijwoordelijke bepaling (Bijw. B.), die een bepaling (d.w.z. beperking of nadere omschrijving) van het door het gezegde vermelde inhoudt. In enkele gevallen wordt door een Bijw. B. de hele zin nader bepaald. We geven eerst een groot aantal voorbeeldzinnen, waarin de Bijw. B. cursief staat:
| (1) | De oude heer Takma liep over de brug. |
| (2) | Tot heel laat speelden er nog kinderen buiten. |
| (3) | Zij leefde in behoeftige omstandigheden. |
| (4) | Hij leed in ernstige mate aan aderverkalking. |
| (5) | Geraldine is veel te druk in de klas. |
| (6) | Couperus werd ernstig ziek. |
| (7) | Er kwam een krankzinnig hard rijdende BMW aan. |
| (8) | Dat was een heel dure bungalow. |
| (9) | Misschien kom ik morgen. |
| (10) | Als je kunt, bel me dan op. |
| (11) | Toen Marsman ‘De dood van Angèle Degroux’ voltooid had, was hij uitgeput. |
| (12) | In die tijd was hij uitgeput. |
| (13) | Toen was hij uitgeput. |
| (14) | Vestdijk heeft veel meer boeken geschreven dan Nescio. |
| (15) | Vestdijk heeft veel meer boeken geschreven dan Nescio geschreven heeft. |
| (16) | ‘Bint’ is geschreven door Bordewijk. |