We hebben het voorkomen van een pv leren beschouwen als een kenmerk van een zin. Bij bijna alle zinnen die we behandelden, hadden we per geval te maken met niet meer dan één pv. Zulke zinnen heten enkelvoudige zinnen. Wanneer nu twee of meer enkelvoudige zinnen met elkaar verbonden worden zonder dat er iets aan hun woordvolgorde veranderd behoeft te worden, spreken we van samengestelde zinnen, en wel door nevenschikking samengestelde zinnen. De woorden die de oorspronkelijke zinnen aaneenvoegen heten nevenschikkende voegwoorden. Bijv.:
| (1) | Lex ging dadelijk naar huis. |
| (2) | Piet liep eerst nog een straatje om. |
| (3) | Lex ging dadelijk naar huis en Piet liep eerst nog een straatje om. |
| (4) | Lex ging dadelijk naar huis maar Piet liep eerst nog een straatje om. |
De zinnen (1) en (2) zijn in (3) en (4) door de nevenschikkende voegwoorden en en maar tot nieuwe zinnen verbonden.
Wanneer drie of meer zinnen tot een nieuwe eenheid verbonden worden, wordt veelal alleen vóór de laatste zin een voegwoord gebruikt, bijv.:
| (5) | Lex ging dadelijk naar huis, Piet liep eerst nog een straatje om en Karel bleef nog wat met Loes staan praten. |
De nevenschikkende voegwoorden die dit nevenschikkend verband teweegbrengen, zijn slechts gering in aantal. Men onderscheidt aaneenschakelende: en en noch, tegenstellende: maar, doch en of, en oorzakelijke: want en dus. Van de twee laatste is want redengevend en dus concluderend. Daarnaast bestaat een groot aantal bijwoorden dat eveneens in nevenschikkingen kan optreden, zoals bovendien, zelfs, ook, daarentegen, toch, niettemin, immers, althans, trouwens, dus. Aan het begin van de zin brengt een bijwoord echter inversie teweeg, een voegwoord niet. Bijv.:
| (6) | De dahlia's waren uitgebloeid en ze hadden luis. |
| (7) | De dahlia's waren uitgebloeid, bovendien hadden ze luis. |
Duidelijk wordt dat bij het gebruik van dus dat voegwoord kan zijn of bijwoord:
| (8) | Didi bleef thuis, dus Karel ging ook niet uit. |
| (9) | Didi bleef thuis, dus ging Karel ook niet uit. |
Dat bovendien in (7) en dus in (9) geen voegwoorden zijn maar bijwoorden blijkt wanneer we er een voegwoord als en voorzetten. De zin blijft dan grammaticaal:
| (7a) | De dahlia's waren uitgebloeid en bovendien hadden ze luis. |
| (9a) | Didi bleef thuis en dus ging Karel ook niet uit. |
Deze mogelijkheid ontbreekt in zin (8).
Behalve op het niveau van de zin spreekt men ook van nevenschikking tussen zinsdelen en tussen woorden. Hieronder volgen enkele voorbeelden:
| (10) | De dokter en het lichte meisje |
| (11) | Posterijen, telefonie en telegrafie |
| (12) | Klein maar fijn |
| (13) | Geef me m'n jas en m'n hoed. |
| (14) | Bos en duin |
| (15) | Bossen en duinen trokken die dag veel dagjesmensen. |
Uit deze voorbeelden blijkt dat in nevenschikking alleen gelijksoortige zinsdelen of gelijksoortige woorden verbonden kunen worden. Onmogelijk zijn combinaties als de volgende:
| (16) | *De dokter en dikwijls |
| (17) | *Bossen en die dag trokken veel dagjesmensen. |
Ook bij zinnen doet zich dit verschijnsel voor: het is niet gebruikelijk een bevestigende zin en een vraagzin in nevenschikking te verbinden, evenmin als dit met gebiedende zinnen normaal is:
| (18) | *Is de visite weg? en nu gaan we afwassen. |
| (19) | *Haal eens een pakje sigaretten voor me en gaan we daarna eten? |
| G.F. Bos, Het probleem van de samengestelde zin, London, The Hague, Paris 1964. |
| F.L. Zwaan, Zelfcorrectie, LT 1970, 22-25, of in: Zwaanzinnigheden, 26-27. |
| G.J. Steenbergen, Gelijkschakelend verband, NTg 61 (1968), 397-403. |
| J.P. Willems, De samengestelde zin: proeve van een terminologische probleemstelling I, II, NTg 62 (1969), 272-290, 327-339. |
Zin (13) uit de vorige paragraaf geeft ons aanleiding tot nadere beschouwing. We vonden in deze zin nevenschikking van twee gelijkwaardige zinsdelen, nl. een LV en een LV: m'n jas en m'n hoed.
Het is echter ook mogelijk deze zin te zien als een nevenschikking van twee zinnen (1) en (2); in (3) hebben we dan een nevenschikking daarvan en in (4) een nevenschikking met samentrekking van de delen die in (1) en (2) en (3) identiek waren:
| (1) | Geef me m'n jas. |
| (2) | Geef me m'n hoed. |
| (3) | Geef me m'n jas en geef me m'n hoed. |
| (4) | Geef me m'n jas en ( ) m'n hoed. |
Door samentrekking wordt het mogelijk herhalingen van soms zeer grote gedeelten van een zin te vermijden. Men vergelijke bijv. (5) zonder samentrekking en (6) met:
| (5) | Van Johan vonden ze het onaardig dat hij niets van zich had laten horen bij de bruiloft van de Boswinkeltjes, maar van Freek vonden ze het niet onaardig dat hij niets van zich had laten horen bij de bruiloft van de Boswinkeltjes. |
| (6) | Van Johan vonden ze het onaardig dat hij niets van zich had laten horen bij de bruiloft van de Boswinkeltjes, maar van Freek niet. |
Samentrekkingen worden als storend of zelfs als ongrammaticaal ervaren wanneer ongelijkwaardige zinsdelen worden samengetrokken, bijv.:
| (7) | De jubilaris werd door de directeur toegesproken en een enveloppe met inhoud overhandigd. |
| (8) | Hij had zich een blaar gelopen en nu genoeg van het wandelen. |
In (7) is de jubilaris OND bij werd toegesproken, maar MV bij (werd) overhandigd; in (8) is had eerst een hulpwerkwoord bij gelopen, maar daarna een zelfstandig werkwoord in de uitdrukking had genoeg van.
Behalve op het niveau van zinnen vindt samentrekking ook plaats in woordgroepen en in woorden, bijv.:
| (9) | De invoer van sinaasappelen en de uitvoer van sinaasappelen |
| (10) | De invoer en de uitvoer van sinaasappelen |
| (11) | De in- en uitvoer van sinaasappelen |
| (12) | Fiets- en autobanden |
Een dilemma bij de ontleding vormen zinnen als de volgende:
| (13) | Jaap doet één ding graag: tuinieren. |
| (14) | Ik heb gisteren een oude vriend ontmoet: Thijs. |
Het is mogelijk om tuinieren in (13) en Thijs in (14) te beschouwen als bijstellingen, die aan het eind van de zin in de uitloop geplaatst zijn. Ze zijn duidelijk als bijstelling herkenbaar in:
| (13a) | Jaap doet één ding, tuinieren, graag. |
| (14a) | Ik heb gisteren een oude vriend, Thijs, ontmoet. |
Het is echter ook mogelijk de zinsdelen na de dubbele punt op te vatten als resten van een samengetrokken zin:
| (13b) | Jaap doet één ding graag. Jaap doet tuinieren graag. |
| (14b) | Ik heb gisteren een oude vriend ontmoet. Ik heb gisteren Thijs ontmoet. |
Het aanvullen tot volledige zinnen stuit echter dikwijls op moeilijkheden (ook de aanvulling bij (13b) is op de grens van het acceptabele). Die moeilijkheden heeft men trachten te vermijden door aanvulling met dat is of dat zijn voor te stellen:
| (13c) | Jaap doet één ding graag. Dat is tuinieren. |
| (14c) | Ik heb gisteren een oude vriend ontmoet. Dat is Thijs. |
Men vergelijke nog de volgende zinnen, waar aanvulling alleen maar op laatstgenoemde manier mogelijk lijkt:
| (15) | Er was voor hem maar één doel in het leven: (dat was) rijk worden. |
| (16) | Hij weet een goede oplossing: (dat is) een nieuw bestuur kiezen. |
De aanvullingen met een nieuw onderwerp (dat) en een vorm van het koppelwerkwoord zijn maken het moeilijk nog van samentrekking te spreken. Van samentrekking is sprake wanneer ondubbelzinnige, aanwijsbare, elders in dezelfde zin aanwezige woorden in een bepaald verband waarin die woorden opnieuw zouden moeten optreden - om herhaling te vermijden - weggelaten zijn (zoals in (4) en (6)). Dat betekent dat een samentrekking altijd uit de context van dezelfde zin (eventueel een voorafgaande zin) opgelost moet kunnen worden. Wanneer we ons buiten de context moeten begeven en weggelaten woorden vanuit het totaal van de communicatieve situatie moeten aanvullen, spreken we van een ellips. Bij het oplossen van een ellips is dan ook niet altijd één aanvulling de enig mogelijke. Zo is zin (17) blijkens (17a) t/m (17c) niet op één manier te vervolledigen en het is daardoor niet mogelijk een benoeming van zinsdelen voor te stellen:
| (17) | Koud! |
| (17a) | Het is koud |
| (17b) | Ik vind het koud hier. |
| (17c) | Ik heb het koud |
Ook zinsdelen die met een voorzetsel beginnen, kunnen in structuren als (13) en (14) optreden. Men beschouwe:
| (18) | De vuilnisman komt hier maar één maal per week: op vrijdag. |
| (19) | Je kunt hier maar op één plek fijn wandelen: in het park. |
| (20) | Hij is op één man erg gesteld: op Joop. |
De voorzetselgroepen na de dubbele punt kunnen hier benoemd worden als nadere specificerende Bijw. Bep. (18), (19), als VZV (20), als rest van een samengetrokken zin of als een ellips (in dit geval kan benoeming als zinsdeel in principe onmogelijk zijn).
| D.M. Bakker, Samentrekking in Nederlandse syntactische groepen, Leiden 1968. |
| T. Pollmann, Een regel die subject en copula deleert?, Spekt 5 (1975), 282-292. |
Wanneer in een zin met meer dan één pv een zinsgedeelte met pv vervangen kan worden door één zinsdeel (dat dan een functie vervult in het overgebleven stuk), spreken we van onderschikking. Het zinsstuk met pv dat vervangen kan worden, noemen we dan een bijzin die ondergeschikt is aan de hoofdzin: het gedeelte dat overblijft. Bij de behandeling van de enkelvoudige zin hebben we al meermalen voorbeelden gebruikt waarin een zinsdeel zelf al weer een bijzin was. Als voorbeeld diene:
| (1) | Als ik je roep, moet je komen. |
| (2) | Straks moet je komen. |
Wat hier voor de pv moet staat is een Bijw. B.; in (1) is het een bijzin, in (2) een zinsdeel. De meeste zinsdelen kunnen de vorm van een bijzin aannemen. Achtereenvolgens laten we dit zien voor OND, naamw. deel, LV, MV, VZV:
| (3) | Wie ik aanwijs, neemt de volgende beurt. |
| (4) | Kees wordt nu eindelijk, wat hij altijd heeft gewild. |
| (5) | Wat je doet, moet je goed doen. |
| (6) | Wie zijn best niet deed, gaf hij een slechte aantekening. |
| (7) | Ik ben (er) benieuwd (naar), wie er vanavond komen. |
Deze voorbeelden zijn eenvoudig, maar het is volstrekt geen uitzondering dat twee of meer bijzinnen nevenschikkend verbonden zijn (8), of dat in een bijzin weer een andere bijzin voorkomt (9):
| (8) | Hugo zei, dat hij zou komen en dat hij de blokfluit zou meebrengen. |
| (9) | Hugo zei, dat hij zou komen, zodra men hem zou opbellen. |
Soms kunnen zinnen door steeds verdergaande onderschikking hoogst gecompliceerd worden, bijv. in de volgende zin die we aantroffen in De vrouw en de universitaire studie van H.W.F. Stellwag.
| (10) | En nu zou het toch wel volkomen onbillijk zijn, en in strijd met de rechten der vrouw en met het belang der maatschappij dat de jongen, die, hoewel hij niet briljant is van intellect toch voldoende capaciteiten heeft om een universitaire opleiding tot een goed eind te brengen, en hoewel hij nooit een wetenschappelijke letter op papier zal zetten, maatschappelijk zeer geslaagd zal blijken te zijn, wèl zou gaan studeren, terwijl men voor het meisje aan de eis van uitzonderlijke begaafdheid vast zou blijven houden. |
De ontleding van deze zin noteren we op de volgende wijze:
| En... maatschappij, | hoofdzin (waarin nevenschikking) |
| resp. tot houden | |
| dat... houden | onderwerpszin |
| die... te zijn | bijvoegl. bijzin bij de jongen. |
| hoewel... intellect | 2 door nevensch. verbonden bijwoord. bijzinnen |
| hoewel... zetten | in de bijv. bijzin. |
| terwijl... houden | bijwoord. bijzin (in de onderwerpszin) |
Terminologisch komen we bij dit soort ontledingen soms in moeilijke situaties. Immers men spreekt van een zin, die eigenlijk zinsdeel is, terwijl de zgn. hoofdzin soms niet meer dan een enkele pv is. Bijv.:
| (11) | Wie hard werkt, bereikt, wat hij nooit had kunnen vermoeden. |
Het gaat niet aan bereikt hier ‘hoofdzin’ te noemen. Het voorbeeld (11) is in z'n geheel een zin, waarin de zinsdelen OND en LV zinsdeelzinnen genoemd kunnen worden.
Tenslotte wijzen we op een in spreektaal frequent type zinnen, waarin een enkele uitroep (veelal bestaande uit één woord) gevolgd wordt door een bijzin. Daarbij treffen we constructies aan die als ellipsen verklaard kunnen worden, zoals uit de b-zinnen blijkt:
| (12a) | Gelukkig dat je komt. |
| (13a) | Misschien dat we toch nog op tijd komen. |
| (12b) | Het is gelukkig dat je komt. |
| (13b) | Het is misschien zo dat we nog op tijd komen. |
Dit type moet onderscheiden blijven van uitroepende zinnen die een bijzondere nadruk geven aan het eerste woord, bijv.:
| (14) | Vuil, dat het er was! |
| (15) | Liegen, dat-ie doet! |
| (16) | 'n Bier, dat-ie dronk! |
De traditionele zinontleding voorziet niet in een oplossing voor de benoemingsproblemen die zich bij (14) t/m (16) voordoen.
Het onderschikkend zinsverband, waarvan we in deze paragraaf voorbeelden hebben gegeven, werd o.m. teweeggebracht door zgn. onderschikkende voegwoorden. Daarbij onderscheiden we:
| (a) | grammatisch verbindende voegwoorden, nl. dat ter inleiding van een afhankelijke mededeling en of ter inleiding van een afhankelijke vraag, bijv.:
|
||||||||||
| (b) | logisch verbindende voegwoorden, die een duidelijk te beschrijven betekenis hebben op temporeel, causaal en ander gebied, bijv.:
|
Behalve door voegwoorden kan onderschikkend verband ook tot stand gebracht worden door betrekkelijke voornaamwoorden: in de zinnen (3) t/m (6) en in (11) zien we als voorbeelden daarvan wie en wat, die betrekkelijke voornaamwoorden met ingesloten antecedent genoemd worden: ze zijn dan te vervangen door hij, die; resp. dat, wat. In (7) daarentegen noemen we wie een vragend voornaamwoord (in een zgn. afhankelijke vraag): het is hier te vervangen door welke mensen.
| P.C. Paardekooper, Een foute zinsbegrenzing, LT 1962, 185-188. |
| G.F. Bos, Een verwaarloosd zinstype, in: Studies op het gebied van het hedendaagse Nederlands, The Hague 1963, 174-194. |
| J.P. Willems, De samengestelde zin: proeve van een terminologische probleemstelling I, II, NTg 62 (1969), 272-290, 327-339. |
We hebben in par. 1.15 enkele opmerkingen gemaakt over woordvolgorde en we breiden dat nu uit. Een belangrijk kenmerk van een (hoofd)zin is namelijk dat bij rechte woordschikking (d.w.z. wanneer het OND de zin opent) OND en pv niet van elkaar gescheiden kunnen worden door niet. Bijv.:
| (1) | Alfred kwam die avond laat thuis. |
| (1a) | *Alfred niet kwam die avond laat thuis. |
| (2) | Karel is ziek naar huis gegaan. |
| (2a) | *Karel niet is ziek naar huis gegaan. |
| (3) | Er stonden bloemen in de vaas. |
| (3a) | *Er niet stonden bloemen in de vaas. |
Zoals we kunnen zien in (3) en (3a) blijkt dat het plaatsonderwerp evenmin van de pv gescheiden kan worden.
In een bijzin daarentegen kunnen OND en pv wel gescheiden worden, hetzij door niet, hetzij door allerlei andere zinsdelen. Men acht dit kenmerk zo belangrijk, dat men hier spreekt van bijzinswoordvolgorde. Bijv.:
| (4) | Ik hoor dat je dochter komt. |
| (5) | Ik hoor dat je dochter niet komt. |
| (6) | Ik hoor dat je dochter eindelijk volgende week weer eens een keer met man en kinderen naar je toe komt. |
Op deze regel bestaan enkele uitzonderingen, die echter alle apart te systematiseren zijn. Het betreft hier bijzinnen, waarin OND en pv niet te scheiden zijn en wel die waarin de volgorde OND-pv is (de vorm van een mededelende zin) en die waarin de volgorde pv-OND is (de vorm van een vragende zin).
Van het eerste type bijzin met hoofdzinswoordschikking (of: met rechte woordschikking) vinden we de volgende gevallen:
| (a) | De bijzin bevat een zgn. directe rede (de letterlijke weergave van gesproken woorden) (7) (9) of een zgn. ‘erlebte Rede’ (waarin tempus en persoon veranderd zijn) (8).
|
||||||
| (b) | De bijzin bevat een toegeving:
|
||||||
| (c) | Een nevengeschikte bijzin kan hoofdzinswoordschikking aannemen; in de a-zinnen geven we een voorbeeld van bijzinswoordschikking in de |
nevengeschikte bijzin, in de b-zinnen tonen we dat ook rechte woordschikking mogelijk is:
|
Van het tweede type: bijzinnen met woordschikking van de vragende zin vinden we de volgende gevallen:
| (a) | De bijzin omvat een vraag in directe rede of in ‘erlebte Rede’, bijv.:
|
||||
| (b) | De bijzin drukt een voorwaarde uit:
|
||||
| (c) | De bijzin drukt een toegeving uit:
|
||||
Het toegevend karakter van dit soort bijzinnen is niet altijd evident; er kan niet in alle gevallen een reguliere bijzin, ingeleid door hoewel, voor in de plaats gezet worden. Wel is er steeds sprake van een zekere tegenstelling tussen het meegedeelde in de bijzin en het meegedeelde in de hoofdzin. Als voorbeeld van dit tegenstellend verband citeren we:
|
|||||
De tegenstelling waarvan hier sprake is, wordt duidelijk bij parafrasering tot nevenschikkend verband; het voegwoord maar is dan op z'n plaats:
|
|||||
| (d) | De bijzin drukt een toegeving uit en wordt ingeleid door al:
|
||||
| (e) | De bijzin drukt een vergelijking uit en wordt ingeleid door als:
|
| F.Ch. van Gestel, Hoofdzin met de woordvolgorde van een bijzin?, Spekt 6 (1976-77), 429-432. |
Er bestaat ook nog een type zinsdeelzinnen (of kortweg: bijzinnen) die herkenbaar zijn door het ontbreken van een pv en een OND; het gezegde wordt erin uitgedrukt door een infinitief of een deelwoord. Bijv.:
| (1) | Na de deur dichtgeslagen te hebben, vertrok hij. |
| (2) | Alvorens zich te scheren, zocht hij met zorg een nieuw mesje uit. |
| (3) | Hij beloofde spoedig zijn verloofde voor te komen stellen. |
| (4) | Eenmaal ontmaskerd, bekende de verdachte nog een hele reeks inbraken. |
| (5) | Vertrouwende op zijn spreekwoordelijk geluk, waagde hij het en won! |
Voorwaarde voor het beknopt zijn is, dat zo'n bijzin altijd tot een zinsdeelzin met een voegwoord, een OND en een pv veranderd moet kunnen worden:
| (1a) | Nadat hij de deur dichtgeslagen had, vertrok hij. |
| (2a) | Voordat hij zich schoor, zocht hij met zorg een nieuw mesje uit. |
| (3a) | Hij beloofde dat hij spoedig zijn verloofde voor zou komen stellen. |
| (4a) | Toen hij eenmaal ontmaskerd was, bekende de verdachte nog een hele reeks inbraken. |
| (5a) | Terwijl hij vertrouwde op zijn spreekwoordelijk geluk, waagde hij het en won! |
De beknopte bijzin in (5) verschilt in functie niet van een predikatieve toevoeging, zoals we die bij de Bep. v. gest. hebben leren kennen. Gewoonlijk spreekt men van een beknopte bijzin wanneer naast het deelwoord nog één of meer hierbij aansluitende zinsdelen voorkomen. Zo noemen we het eerste zinsdeel van (6) een Bep. v. gest., het eerste zinsdeel van (7) daarentegen wordt als zinsdeelzin en wel als beknopte bijzin opgevat:
| (6) | Zingende liep Maurits de trap af. |
| (7) | Met luide stem ‘Ferme jongens, stoere knapen’ zingend liep hij de trap af. |
We wijzen er hier nog eens nadrukkelijk op dat in de beknopte bijzin geen OND staat; het geïmpliceerde onderwerp is hier identiek met dat van de pv in de ‘hoofdzin’. Bij de verandering van de beknopte bijzinnen (1) t/m (5) tot reguliere bijzinnen (1a) t/m (5a) bleek dat. Vandaar dat zinnen waarin geen
identiteit bestaat tussen het OND van de hoofdzin en het geïmpliceerd subject van de beknopte bijzin in deze constructies ongrammaticaal zijn. Niettemin komen ze voor maar ze worden als ‘stijlfout’ ervaren:
| (8) | *Luid zingend zette de bus met kinderen zich in beweging. |
| (9) | *Reminiscenties aan Kind Hearts and Coronets duiken al kijkende op. (NRC 5-3-65.) |
| (10) | *Na nog geen vijf minuten in de wachtkamer gezeten te hebben, klonk er een luid gepiep van remmen. (Mensje van Keulen, Allemaal tranen, Amsterdam 1972, blz. 71) |
Er is echter één type beknopte bijzin, waarvan het geïmpliceerde onderwerp niet identiek is met het OND uit de hoofdzin, maar met het MV. Dat kan alleen het geval zijn bij werkwoorden die een MV en een LV behoeven; het LV kan in deze gevallen in een beknopte zin staan. Bijv.:
| (11) | Hij vroeg zijn buurman een bus verf uit de stad mee te brengen. |
| (12) | Moeder zei de jongens vlug naar huis te komen. |
| (13) | Ik beval haar het eten met soda en al op te dienen. |
Parafrases van deze beknopte bijzinnen veronderstellen aanvullingen die door het werkwoord van de hoofdzin geïmpliceerd zijn:
| (11a) | Hij vroeg zijn buurman of hij (= de buurman) een bus verf uit de stad mee wilde brengen. |
| (12a) | Moeder zei de jongens dat ze vlug thuis moesten komen. |
| (13a) | Ik beval haar dat zij het eten met soda en al op moest dienen. |
Tot de werkwoorden waarbij dergelijke beknopte bijzinnen als object voorkomen, behoren zeggen, vragen, verzoeken, bevelen, gelasten, gebieden, verbieden, opdragen, overreden (met een VZV!), smeken, e.d. Een enkele keer komt in de hoofdzin een geïmpliceerd MV voor:
| (14) | De commandant beval de versperringen op te blazen. |
| (15) | Het protocol schrijft voor de vorst met ‘majesteit’ aan te spreken. |
Bij zin (14) zal uit context of situatie moeten blijken tot wie het bevel gericht is; bij (15) kan als onderwerp van de bijzin men gedacht worden.
Een afzonderlijk te vermelden soort beknopte bijzinnen vormen enkele - min of meer verouderde - zgn. absolute constructies. Hierbij is het onderwerp wèl in de beknopte zin vermeld:
| (16) | IJs en weder dienende, gaat de wedstrijd a.s. zondag door. |
| (17) | De deur gesloten zijnde, vervoege men zich op nr. 12. |
Deze constructies hebben een conditionele betekenis: (16) en (17) zijn aldus te parafraseren:
| (16a) | Als ijs en weder dienen, gaat de wedstrijd a.s. zondag door. |
| (17a) | Als de deur gesloten is, vervoege men zich op nr. 12. |
Tenslotte maken we hier melding van samentrekking in bijzinnen, waardoor de bijzin ogenschijnlijk onvolledig of elliptisch is. Met nadruk wijzen we erop dat deze bijzinnen niet beknopt genoemd mogen worden. We geven hieronder enkele voorbeelden; in de a-zinnen is telkens de samentrekking opgelost:
| (18) | Zo ooit, dan is het nu de tijd om mosselen te eten. |
| (18a) | Zo het ooit de tijd is om mosselen te eten, dan is het nu de tijd om mosselen te eten. |
| (19) | Hans is ouder dan ik. |
| (19a) | Hans is ouder dan ik oud ben. |
| (20) | Dat hoekhuis heeft evenveel kamers als dat andere huis. |
| (20a) | Dat hoekhuis heeft evenveel kamers als dat andere huis kamers heeft. |
De vervolledigingen in (19a) en (20a) zijn weliswaar begrijpelijk, maar allerminst gebruikelijk. Daarom noemt men woordgroepen als dan ik en als dat andere huis meestal zonder meer Bijw. B. van vergelijking. Als zodanig zijn ze ter sprake gekomen in paragraaf 1.9.
Duidelijk elliptisch zijn de volgende zinnen:
| (21) | Zoals bekend wordt de dienstregeling ingekrompen. |
| (21a) | Zoals bekend is, wordt de dienstregeling ingekrompen. |
| (22) | Hoewel ernstig ziek, wilde hij toch opstaan. |
| (22a) | Hoewel hij ernstig ziek was, wilde hij toch opstaan. |
| (22b) | Hoewel ernstig ziek zijnde, wilde hij toch opstaan. |
In (22b) is sprake van een beknopte bijzin met als merkwaardigheid het onderschikkend voegwoord aan het begin. Men kan (22) opvatten als een ellips van (22b), maar ook als een ellips van (22a).
Tot deze groep onvolledige zinnen kunnen we ook sommige constructies met behalve rekenen, bijv.:
| (23) | Behalve Oom Gerrit waren er meer familieleden gekomen. |
| (23a) | Behalve dat Oom Gerrit gekomen was, waren er meer familileden gekomen. |
| (24) | Behalve jij ben ik ook uitgenodigd. |
| (24a) | Behalve dat jij uitgenodigd bent, ben ik ook uitgenodigd. |
| (25) | Behalve jou heeft Hans ook mij opgebeld. |
| (25a) | Behalve dat Hans jou opgebeld heeft, heeft hij ook mij opgebeld. |
Daarnaast bestaan constructies met behalve als nevenschikkend voegwoord in de betekenis ‘maar niet’ na alle, ieder, elk, overal, etc., en in de betekenis ‘maar wel’ indien een ontkenning voorafgaat, bijv.:
| (26) | Iedereen betaalt mee aan het cadeau behalve Detlev. |
| (26a) | Iedereen betaalt mee aan het cadeau maar Detlev niet. |
| (27) | Er stond niemand meer in de straat behalve een waker. |
| (27a) | Er stond niemand meer in de straat maar wel een waker. |
Resumerend wijzen we er hier nog eens op dat het zinvol is enige zaken terminologisch streng uiteen te houden:
een beknopte bijzin is een technische term voor een bijzin zonder OND en pv. In plaats daarvan wordt het gezegde uitgedukt door een deelwoord of een infinitief met te (zie voor enkele gevallen zonder te: 3.9. IIIb);
een ellips is een zin (hoofdzin of bijzin) die door weglating van woorden niet volledig is en die alleen door bekendheid met de situatie tot een volledige zin aangevuld kan worden. Een ellips kan op verschillende manieren vervolledigd worden;
een zin met samentrekking is een zin (hoofdzin of bijzin) die door weglating van woorden niet volledig is en die aangevuld kan worden uit de context (meestal een zinsgedeelte dat aan het samengetrokken deel vooraf gaat). Een zin met samentrekking kan maar op één manier vervolledigd worden.
| P.C. Paardekooper, Behalve als zn-patroondeel, NTg 59 (1966), 171-179. |
Er is nog een apart te behandelen type bijzin met rechte woordschikking, dat dermate van de andere types afwijkt, dat men voor dit zinsverband een aparte naam heeft voorgesteld. Mevrouw G.F. Bos spreekt hier van balansschikking. We laten enkele voorbeelden volgen:
| (1) | Nauwelijks waren we thuis of het begon te regenen. |
| (2) | Het duurde niet lang of het onweer brak los. |
| (3) | Niemand is zo verstandig of hij doet wel eens domme dingen. |
| (4) | Nooit kom ik Henk tegen of hij heeft weer een gek verhaal. |
| (5) | Ik twijfel er niet aan of Charlotte zal wel komen. |
Kenmerkend voor deze bijzinnen is - behalve dat OND en pv niet uiteenplaatsbaar zijn - dat ze
| (a) | altijd na een hoofdzin met een ontkenning (niet, nauwelijks, etc.) volgen, |
| (b) | altijd met of beginnen, |
| (c) | niet zonder meer vervangbaar zijn door één zinsdeel, |
| (d) | niet vooropgeplaatst kunnen worden. |
Op grond van deze afwijkingen van het normale patroon heeft men wel geaarzeld dit zinsverband onderschikking te noemen. Toch is het duidelijk dat hier zeker geen nevenschikking in het spel is (bij nevenschikking zijn de
delen gewoonlijk omkeerbaar; hier niet). Daarom is de naam balansschikking wel gerechtvaardigd.
Vooral het onder (d) genoemde argument toont een duidelijk verschil met andere bijzinnen. Bijvoorbeeld:
| (6) | Al bel je tien keer, hij doet toch niet open. |
| (6a) | Hij doet toch niet open, al bel je tien keer. |
| (7) | Evert heeft me verteld hoe de film is afgelopen. |
| (7a) | Hoe de film is afgelopen, heeft Evert me verteld. |
| (8) | Het scheelde niet veel of de trein ontspoorde. |
| (8a) | *Of de trein ontspoorde, scheelde niet veel. |
In tegenstelling tot (6) en (7) blijkt bij (8) de bijzin niet vooropgeplaatst te kunnen worden. Toch beschouwt men de of-zinnen wel als bijzinnen, waaraan een redekundige functie wordt toegekend gelijk aan andere bijzinnen. Zo vinden we een Bijw. B. in (1) en (4), een OND in (2) en (8), een Bijw. B. in (3) en een VZV in (5). Behalve dat men deze functies intuïtief doorziet, is het ook mogelijk door parafrases de zinsinhoud te expliciteren, bijv.:
| (1a) | We waren thuis vlak voordat het begon te regenen. |
| (2a) | Het losbreken van het onweer duurde niet lang. |
| (3a) | Niemand is zo verstandig dat hij nooit domme dingen doet. |
| (4a) | Ik kom Henk nooit tegen zonder dat hij een gek verhaal heeft. |
| (5a) | Ik twijfel niet aan Charlottes komst. |
| (8b) | Dat de trein niet ontspoorde, scheelde maar weinig. |
Ter illustratie van de balansschikking geven we nu drie gevallen van woordschikking met of. Allereerst het nevenschikkend voegwoord of:
| (9) | Henk gaat met de tram naar de stad of hij fietst. |
| (10) | Henk fietst of hij gaat met de tram naar de stad. |
| (11) | Hij gaat of met de tram of met de fiets. |
| (12) | Of hij gaat met de fiets, of hij gaat met de tram. |
We zien hier de mogelijkheid tot omstelbaarheid van de nevengeschikte delen, in (10) ten opzichte van (9) en in (12) ten opzichte van (11). Bovendien kan of voor alle nevengeschikte stukken staan, ook aan het begin (12).
Vervolgens het onderschikkend voegwoord of:
| (13) | De chef kon ons niet zeggen of de trein vertraging had. |
| (14) | Of de trein vertraging had kon de chef ons niet zeggen. |
| (15) | Ik twijfel er niet aan of Gerard morgen komt. |
| (16) | Of Gerard morgen komt, (daar) twijfel ik niet aan. |
We hebben hier te maken met het zgn. dubitatieve of, ter inleiding van een afhankelijke vraag. In (13) en (14) is de bijzin een LV, in (15) en (16) een
VZV; deze bijzinnen kunnen volgen op de hoofdzin: (13) en (15), of eraan voorafgaan: (14) en (16).
Tenslotte het voegwoord of in balansschikking:
| (17) | Ik weet niet beter of de film wordt geprolongeerd. |
| (18) | Zijn werk is zo druk niet of hij heeft tijd voor je. |
| (19) | Ik twijfel er niet aan of Gerard komt morgen. |
Hier zien we de balansschikking: een negatie in de hoofdzin en een bijzin die niet vooropgeplaatst kan worden. Het verschil tussen (15) en (19) zit alleen in de woordvolgorde: in (15) zijn OND en pv schiedbaar, in (19) niet.
| G.F. Bos, Het probleem van de samengestelde zin, London, The Hague, Paris 1964. |
| M.C. van den Toorn, Balansschikking en disjunctie, NTg 65 (1972), 104-123, of in: TGGiA, 239-258. |
| P. van Hauwermeiren, Enkele opmerkingen bij M.C. van den Toorn, Balansschikking en disjunctie, NTg 66 (1973), 148-150, of in TGGiA, 259-261. |
We geven hier een overzicht van de mogelijkheden die er bestaan, dat een zin als zinsdeel in een andere zin dienst doet. Allereerst bezien we het geval waarbij de bijzin fungeert als onderwerp: de onderwerpszin:
| I. | met afhankelijke woordschikking
|
| II. | met hoofdzinswoordschikking
|
||||||||||||
| III. | in de vorm van een beknopte bijzin alleen met een infinitief, voorafgegaan door te:
|
We wijzen erop dat in de zinnen (1) (4) (7) en (10) gebruik is gemaakt van een voorlopig onderwerp: het.
Een achteraangeplaatste onderwerpszin kan met een betrekkelijk voornaamwoord bij een naamw. deel aansluiten. Bij vooropplaatsing van de onderwerpszin verschijnt echter een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent:
| (13a) | Het is de groente die 't 'm doet. |
| (13b) | Wat 't 'm doet, is de groente. |
| (14a) | Het zijn niet allen koks die lange messen dragen. |
| (14b) | Wie lange messen dragen, zijn niet allen koks. |
Veel zinsdelen kunnen in een nadrukspositie geplaatst worden als ze tot naamw. deel worden gemaakt, gevolgd door een onderwerpszin die begint met het onderschikkend voegwoord dat. Bij vooropplaatsing van de onderwerpszin moet dit dat vervangen worden door een relatieve constructie. De b-zinnen geven daarvan voorbeelden te zien, die, naar het ons voorkomt, eerder tot de gesproken dan de geschreven taal behoren. De a-zinnen daarentegen komen vooral in geschreven taal voor; door sommigen worden ze als gallicistisch gebrandmerkt. Bijvoorbeeld:
| (15a) | Het is om vier uur, dat de trein vertrekt. |
| (15b) | Wanneer de trein vertrekt, is om vier uur. |
| (16a) | Het was in Venlo, dat de politie hem inhaalde. |
| (16b) | Waar de politie hem inhaalde, was in Venlo. |
| (17a) | Het was met alcohol, dat hij de vlek eindelijk wegkreeg. |
| (17b) | Waarmee hij de vlek eindelijk wegkreeg, was (met) alcohol. |
| (18a) | Het is voor dit toestel, dat de luchtmacht belangstelling heeft. |
| (18b) | Waarvoor de luchtmacht belangstelling heeft, is dit toestel. |
| (19a) | Het is daarom, dat hij niet gekomen is. |
| (19b) | Waarom hij niet gekomen is, is daarom. |
| (20a) | Het is juist als dichter, dat ik Bilderdijk bewonder. |
| (20b) | In welke kwaliteit ik Bilderdijk bewonder, is juist als dichter. |
Wanneer de bijzin met als begint, kan daardoor een voorwaarde uitgedrukt worden (zie daarvoor 3.12., afd. 7: bijwoord. bijzin van voorwaarde). Zo'n bijzin kan echter ook als onderwerp fungeren, waarnaar door het voorlopig onderwerp het verwezen wordt. Wanneer de bijzin voorop staat, moet in de hoofdzin met dat of het naar de bijzin teruggewezen worden:
| (21a) | Het zal niet opvallen, als we te laat komen. |
| (21b) | Als we te laat komen, zal dat niet opvallen. |
De bijzin van (21) kan benoemd worden als conditionele onderwerpszin.
| T. Pollmann, Het zogenaamde presuppositionele het en causaliteit, NTg 66 (1973), 265-281. |
| S. Daalder, Over relatieve zinnen met ingesloten antecedent, Spekt 6 (1976-77), 401-407. |
Vervolgens beschouwen we de mogelijkheid dat een bijzin fungeert als naamwoordelijk deel van het gezegde, in de zgn. gezegdezin.
| (a) | ingeleid door wie, die, wat of hetgeen
|
||||||||
| (b) | ingeleid door een voornaamwoordelijk bijwoord:
|
De moeilijkheid bij het onderkennen van gezegdezinnen is dat we zo dikwijls te maken hebben met identiteitsgezegdes. Wanneer we zin (7) als een voorbeeld van een onderwerpszin beschouwen, is niet in te zien waarom we dan in (8) met een gezegdezin te doen hebben en niet met een onderwerpszin met inversie:
| (7) | Hoe dit te voorkomen was de vraag. |
| (8) | De vraag was hoe dit te voorkomen. |
Gewoonlijk moet dan de situatie uitsluitsel geven welk deel (logisch) subject is. Alleen in de zinnen (1) t/m (6) blijkt duidelijk dat we met naamw. delen te doen hebben blijkens de substitutiemogelijkheden; voor (1) en (5) kan gelden (9); voor (3) en (6): (10).
| (9) | Lodewijk wordt referendaris. |
| (10) | Het is het ellendige van de zaak. |
Voor (2) geldt als substitutie het naamw. deel in (11); voor (4), waarin het het naamw. deel aankondigt, als een soort voorlopig naamw. deel, geldt (12):
| (11) | Je blijft toch altijd een arme sterveling. |
| (12) | Hij is de lastige vrager. |
Moeilijkheden bij de ontleding geven soms zinnen van het volgende type:
| (13) | Het schijnt dat je er nogal plezier in hebt. |
| (14) | Het lijkt wel of het gaat onweren. |
| (15) | Het blijkt dat Bakels toch gelijk heeft gehad met die verzekering. |
De bijzinnen zijn hier geen gezegdezinnen (die beginnen niet met dat, resp. of), maar onderwerpszinnen, en de persoonsvormen schijnt, lijkt, blijkt bevatten zelfstandige werkwoorden en geen koppelwerkwoorden. In overeenstemming daarmee moet het als voorlopig onderwerp benoemd worden (zie 1.2.); alleen is het hier niet goed mogelijk de bijzin voor het te substitueren:
| (13a) | *Dat je er nog al plezier in hebt, schijnt. |
We wijzen hierbij ook op veelal in de spreektaal voorkomende zinnen, waarin het naamwoordelijk deel bestaat uit een beknopte bijzin die een finale betekenis heeft:
| (16) | Die appels zijn om de hele winter te bewaren. |
| (17) | Die worst is om morgen bij het ontbijt te eten. |
| (18) | Die dozen zijn om aan de vuilnisman mee te geven. |
Het is mogelijk deze naamwoordelijke delen te interpreteren als ellipsen van (bestemd) om te bewaren, (bestemd) om morgen te eten, enz.
Zeer frequent is het voorkomen van een LV in de vorm van een bijzin.
| I. | met afhankelijke woordschikking
|
|
|||||||||||||||||||||||
| II. | met hoofdzinswoordschikking
|
||||||||||||||||||||||
| III. | in de vorm van een beknopte bijzin
|
Als merkwaardigheid valt te vermelden dat de onder III(a) en (b) genoemde beknopte lijdend voorwerpszinnen nooit voorop kunnen staan. Bovendien heeft het b-type de eigenaardigheid dat de voltooide tijd wordt uitgedrukt door het hulpwerkwoord hebben gevolgd door een infinitief in plaats van een deelwoord.
Men vergelijke:
| (21) | Ik heb de zon gezien. |
| (22) | Ik heb de zon zien ondergaan. |
| (23) | Alfred had zijn buurman gehoord. |
| (24) | Alfred had zijn buurman horen piano spelen. |
De infinitief in de beknopte bijzin kan actieve of passieve betekenis hebben, zoals uit de parafrases in de a-zinnen blijkt:
| (25) | Herman zag een boer melken. |
| (25a) | Herman zag dat een boer molk. |
| (26) | Herman zag een geit melken. |
| (26a) | Herman zag dat een geit gemolken werd. |
| (27) | Alfred hoorde zijn buurman spelen. |
| (27a) | Alfred hoorde dat zijn buurman speelde. |
| (28) | Alfred hoorde de 4de symfonie van Brahms spelen. |
| (28a) | Alfred hoorde dat de 4de symfonie van Brahms gespeeld werd. |
Dat kan in een enkel geval tot dubbelzinnigheid leiden, zoals aangetoond kan worden met zin (29), waarvan twee lezingen (29a) en (29b) geldig zijn:
| (29) | Ter Braak zag vlaggen uitsteken. |
| (29a) | Ter Braak zag dat vlaggen uitstaken. |
| (29b) | Ter Braak zag dat vlaggen uitgestoken werden. |
Nog een andere merkwaardigheid van dit type bijzinnen is dat één zinsdeel erin zich naar de vorm (nl. de objectsvorm) bij het werkwoord uit de hoofdzin aansluit (verg. ik hoor hem), maar de functie van onderwerp bij de infinitief uit de bijzin vervult (hem zingen = dat hij zingt). In dit opzicht verschilt dit type dus van alle andere beknopte bijzinnen. De ontleding van de beknopte bijzin van (27) bijv. luidt dan: zijn buurman: OND, spelen: ww. gez.; verg. daarvoor (27a). Uiteraard kunnen allerlei andere zinsdelen in de bijzin verschijnen, bijv.: Alfred hoorde zijn buurman een sonate (LV) op de piano spelen.
Wanneer een lijdend voorwerpszin met een vraagwoord begint, dien deze voorop te staan, zoals bijv. in (30) het geval is. Bij gebruik van werkwoorden die een ‘menen’ of ‘zeggen’ uitdrukken, kan echter de hoofdzin voorop staan: het vragende woord (eventueel woordgroep) wordt dan in deze hoofdzin opgenomen, terwijl de rest van de lijdend voorwerpszin in een dat-zin aan het eind staat (31):
| (30) | Wie zullen er komen, denk je? |
| (31) | Wie denk je dat er zullen komen? |
Deze zinsconstructie is normaal in omgangstaal, bijv.:
| (32) | Hoeveel zei u dat dat boek kostte? |
| (33) | In welke plaats, zei die non, dat we moesten overstappen? |
| (34) | Wanneer dacht je dat we es op moesten stappen? |
| (35) | Hoe laat vind je dat ik de aardappels op moet zetten? |
Naast de conditionele onderwerspzin (zie zin (21) in 3.7.) komt ook een conditionele lijdend voorwerpszin voor, bijv.:
| (36a) | Je moet het zelf weten, als je niet komt. |
| (36b) | Als je niet komt, moet je dat zelf weten. |
| F.G. Droste, De structuur van de woordgroep in de zgn. accusativus-cuminfinitivo-constructie, Ts 76 (1959), 293-316. |
| W. de Geest, Infinitiefconstructies bij verba sentiendi, SN 1970-3, 33-59, of in: TGGiA, 343-369. |
| F.L. Zwaan, Een Nederlandse accusativus cum infinitivo, LT 1971, 131-135, of in: Zwaanzinnigheden, 31-32. |
| W.P.F. de Geest, Complementaire constructies bij verba sentiendi in het Nederlands, Gent 1972. |
De bijzin fungeert hier als MV in de hoofdzin. Aangezien het MV vooral voorkomt voor personen en gepersonifieerde zaken, is het voorkomen van de meewerkend voorwerpszin hierdoor beperkt. Frequent is hierdoor het begin met wie.
| (a) | ingeleid door een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent, waarvoor aan denkbaar is:
|
||||
| (b) | ingeleid door een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent voorafgegaan door aan:
|
Parallel hiermee is de constructie van de belanghebbend voorwerpszin. Zo'n zin wordt ingeleid door een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent, voorafgegaan door voor:
| (5) | Voor wie het niet begrepen heeft, zal ik het nog eens uitleggen. |
Ook de functie van een bezittend voorwerp kan in een bijzin uitgedrukt worden, bijv.:
| (6) | Wie het onderste uit de kan wil hebben, valt het lid op de neus. |
Gewoonlijk worden de verschillen tussen MV en BV bij de bijzinnen niet onderscheiden en noemt men alle gevallen van (1) t/m (6) eenvoudigweg meewerkend voorwerpszin.
De bijzin fungeert hier als VZV in de hoofdzin. Veelal wordt reeds naar de bijzin vooruitgewezen door een voornaamwoordelijk bijwoord beginnend met er, dat dan voorlopig VZV heet. Wanneer dit voornaamwoordelijk bijwoord weglaatbaar is in onze voorbeelden, is het tussen haakjes geplaatst.
| I. | met afhankelijke woordschikking
|
|
|||||||||||||||||||||
| II. | met hoofdzinswoordschikking
|
||||||||||||||||||||
| III. | in de vorm van een beknopte bijzin alleen met een infinitief, voorafgegaan door te:
|
In enkele gevallen vinden we een beknopte bijzin die de functie van oorzakelijk voorwerp vervult, dus zonder voorzetsel. In de hoofdzin kan dan geen voornaamwoordelijk bijwoord met er voorkomen:
| (16) | Louis was van plan, direct naar Brussel door te rijden. |
| (17) | Jan was niet voornemens, te blijven lunchen. |
Bij vervanging van de bijzin door een enkelvoudig zinsdeel: iets voornemens zijn, iets van plan zijn noemen we dat zinsdeel oorzakelijk voorwerp; geen lijdend voorwerp, aangezien het gezegde naamwoordelijk is.
De bijzin fungeert als Bijw. B. in de hoofdzin. De volgende constructies doen zich voor:
| I. | met afhankelijke woordschikking |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| II. | met hoofdzinsschikking:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| III. | in de vorm van een beknopte bijzin:
|
|
Wanneer een voegwoord ontbreekt, zoals in (24) (25) en (26), moet het betekenisverband (causaal, temporeel, etc.) uit de context begrepen worden. Bij vervanging door een volledige bijzin (met een pv) verschijnt het vereiste voegwoord: nadat (24), hoewel (25), omdat (26).
Evenals we dat voor de Bijw. B. gezien hebben, is ook hier een nadere specificatie naar de betekenis mogelijk. Aldus zijn te onderscheiden bijwoordelijke bijzinnen van:
| 1 | plaats
|
||||
| 2 | tijd
|
||||
| 3 | oorzaak
|
||||
| 4 | reden
|
||||
| 5 | gevolg
|
||||
| 6 | doel
|
|
|||||||||
Beknopte bijzinnen van doel beginnen met een niet-weglaatbaar om. Daarnaast bestaan - vooral in de omgangstaal - bijzinnen met weglaatbaar om, die dan bijv. als oorzakelijk voorwerp fungeren, of een Bijv. B. bij een voorafgaand substantief zijn:
|
|||||||||
Beknopte bijzinnen van doel kunnen vaak vervangen worden door bijzinnen met een pv, die beginnen met opdat. Zo zijn (39) en (40) vervangbaar door:
|
|||||||||
Deze omschrijving met opdat, die stilistisch beschouwd een zekere plechtigheid bezit (althans in de omgangstaal ongebruikelijk is), schijnt gebonden te zijn aan het voorkomen van zgn. handelingswerkwoorden in de bijzin, met dien verstande dat aan die ‘handeling’ de persoonlijke wil van het subject ten grondslag moet liggen. Dat blijkt uit een vergelijking van de volgende zinnen:
|
|||||||||
Een finale bijzin waarbij geen sprake kan zijn van enige wil van het subject (waarbij dus ook een omschrijving met opdat niet mogelijk is), bevat het volgende voorbeeld:
|
|||||||||
In beide lezingen op te vatten (met de persoonlijke wil van het subject of als uiting van een soort lotsbeschikking) is:
|
|||||||||
| Vervolgens maken we melding van bijzinnen van: |
| 7 | voorwaarde
|
||||||||||
| 8 | toegeving
|
||||||||||
| 9 | middel
|
||||||||||
| 10 | graadaanduidend gevolg
|
||||||||||
| 11 | omstandigheid
|
||||||||||
| 12 | beperking
|
||||||||||
| 13 | verhouding
|
Van deze bijzinnen van verhouding is (71) van opmerkelijke constructie: wanneer ook de hoofdzin met hoe begint, in plaats van met des te, zoals in (72) het geval is, neemt ook deze de bijzinswoordvolgorde aan. In beide zinnen met hoe (waarvan de eerste altijd de bijzin is) kunnen dus OND en pv van elkaar gescheiden worden:
|
|||||||||||||
Naar het model van deze zinnen zijn veel elliptische zinnen gevormd, die als vaste zegswijzen bekend zijn geworden, bijv.:
|
|||||||||||||
| Tenslotte vermelden we bijwoordelijke bijzinnen van: | |||||||||||||
| 14 | vergelijking
|
||||||||||||
| 15 | modaliteit
|
||||||||||||