Een definitie van het begrip woord is niet gemakkelijk te geven; gewoonlijk zegt men wel dat een woord de kleinste zelfstandige taaleenheid van vorm en betekenis is. Hierbij is enige toelichting nodig: met zelfstandig bedoelen wij dat een woord zelfstandig kan voorkomen in een groter geheel, dat het als ervaringsgegeven isoleerbaar en verplaatsbaar is. Dat het een eenheid is van vorm en betekenis wijst erop dat aan een woord twee aspecten te vinden zijn: een uitwendig en een inwendig. Het uitwendige aspect, de vorm, is een door de zintuigen waarneembaar geheel (een woord kan gehoord, resp. in geschreven vorm gezien worden), terwijl het inwendige, de betekenis, datgene is wat we met zo'n woord bedoelen.
Hoe belangrijk de klankvorm van een woord ook mag zijn - tenslotte identificeren we een woord door de vorm waarin we het horen of lezen -, de betekenis is in feite een even belangrijk criterium waardoor we een woord als woord ervaren. In de taalbeschouwing heeft men dat al sinds eeuwen zo gevoeld: wanneer twee gelijke klankbouwsels verschillende betekenis hebben en zgn. homoniemen vormen (bijv.: beer ‘zoogdier’ en beer ‘steunbeer in een kerk’) aarzelt men niet ze verschillende woorden te noemen. Maar evengoed onderscheidt men synoniemen: verschillende klankbouwsels met dezelfde betekenis (bijv. horizon, kim en einder), waarbij men op grond van het vormverschil tot verschillende woorden concludeert.
Tot hier toe hebben we het over de woordbetekenis gehad, waarvan iedere taalgebruiker zich bewust is: ieder ‘weet’ wat een bepaald woord dat hij hoort of zelf gebruikt, betekent. Deze betekenis noemt men wel de lexicale betekenis; het is de betekenis die in een woordenboek is opgenomen. Daarnaast echter bestaat ook nog een andersoortige betekenis, die men grammaticaal noemt. Vroeger kende men een dergelijke grammaticale betekenis bij voorkeur toe aan woorden, waarvan de lexicale betekenis lastig te omschrijven was, zoals voorzetsels en voegwoorden. Wat men daarmee wilde aangeven was niets anders dan een omschrijving van de dienst die zo'n woord verricht in de zin; tegenwoordig spreekt men dan ook wel van grammaticale waarde (in tegenstelling tot de lexicale betekenis), maar bovendien ziet men in dat deze speciale waarde niet alleen aan de voorzetsels of voegwoorden eigen is. Ieder woord bezit een dergelijk speciaal vermogen om een bepaalde functie in een zin uit te oefenen. Voor een groot deel berust daarop de onderscheiding in woordsoorten.
Dit vermogen nu om met andere woorden tot groepen verbonden te kunnen worden in het geheel van de zin, noemt men wel de syntactische valentie van een woord.
De verbindbaarheid van een woord, de mogelijkheid die een woord heeft om met bepaalde andere woorden deel uit te maken van een groter geheel, is voor iedere woordsoort of subklasse van een woordsoort verschillend. Ieder weet dat een zelfstandig naamwoord verbonden kan worden met een adjectief of een lidwoord (huis, het huis, het grote huis) of dat het deel uit kan maken van een constructie die men onderwerp en gezegde noemt (het huis wordt afgebroken), en iedereen weet ook dat bijv. een voegwoord als omdat in deze positie niet kan optreden. De gebruiksmogelijkheden van een voegwoord zijn dus totaal anders.
Behalve deze syntactische valentie kan een woord ook een bepaalde morfologische valentie bezitten, die zich aan de woordvorm zelf demonstreren laat. Een subklasse van de zelfstandige naamwoorden, de eigennamen, heeft bijv. het vermogen een genitief te vormen door middel van het suffix -s (Jan/Jans; Karel/Karels bijv. in: Karels fiets); vele bijvoeglijke naamwoorden hebben het vermogen tot comparatie (groot, groter, grootst); door middel van allerlei achtervoegsels en voorvoegsels maakt men van woorden zelfs geheel andere woorden, die tot een andere gebruiksklasse of woordsoort behoren (mens, mensheid, menselijk, onmenselijk). Deze morfologische valentie voert dus vanzelf tot een behandeling van de woordvorming, waarbij in de traditionele spraakkunst altijd onderscheiden wordt tussen samenstelling en afleiding.
Het morfologisch onderzoek van de verschillende woorden heeft er verder toe geleid dat men in het woord soms nog kleinere elementen aantrof, die een eenheid van vorm en betekenis vormden, die niet verder te ontleden was, tenzij in fonemen (dat zijn taalklanken die op zichzelf geen betekenis hebben, doch alleen betekenisonderscheidend kunnen zijn, bijv.: k en l in kat en lat). Deze kleinste elementen van ‘betekenis-met-vorm’, die zelf niet verder ontleedbaar zijn in zulk soort elementen, noemt men morfemen. Met dat al zijn er woorden die niet verder ontleed kunnen worden, zoals dus, al, misschien, huis, boter, die men woorden bestaand uit één morfeem noemt, en er zijn woorden die men in verschillende morfemen ontleden kan, bijv. huisdeuren, dat bestaat uit huis-, deur- en -en. Ook dit laatste -en [ə(n)], een zgn. suffix, mogen we een morfeem noemen, omdat het een betekenis heeft, nl. de indicatie dat we met een meervoud te doen hebben. We zouden zo'n betekenis kunnen omschrijven als ‘meer dan één’, een betekenis die ook kan worden uitgedrukt door het morfeem -s in bijv. tafels, bezems, emmers. We moeten ons ook hier ervan bewust blijven dat een dergelijk flexiemorfeem een andersoortige betekenis heeft dan huis- of -deur-, die men wel stammorfeem noemt; we zien hier hetzelfde verschil als tussen grammaticale waarde en lexicale betekenis.
We moeten dus goed uiteenhouden:
een foneem is de kleinste betekenisonderscheidende klankeenheid in de taal,
bijv.: p, b, oe, t, k, u,
bijv.: boter, vis, dus, -en, -s, -achtig,
bijv.: boter, vis, vissen, visachtig.
Een morfeem dat zelfstandig kan voorkomen kan dus altijd dienst doen als woord. Wanneer twee of meer van zulke morfemen een nieuw woord vormen spreekt men van samenstelling, bijv. huisdeur, boterpot, donkergroen.
Wanneer een morfeem dat zelfstandig kan voorkomen samen met een nietzelfstandig optredend morfeem een nieuw woord vormt, noemt men dat een afleiding, bijv. visachtig, groenig, ontgroenen, muzikantesk. Een niet-zelfstandig optredend morfeem dat alleen vóór een stammorfeem kan verschijnen zoals ont- in ontgroenen, ge- in gegeven, heet een prefix of voorvoegsel; een niet-zelfstandig optredend morfeem dat alleen achter een stammorfeem kan verschijnen, zoals -ig in groenig, -t in gewerkt, heet een suffix of achtervoegsel. Prefixen en suffixen hebben als verzamelnaam: affixen.
| A.J.B.N. Reichling, Het woord, een studie omtrent de grondslag van taal en taalgebruik, Utrecht 1935. |
| B. van den Berg, Morfeem en foneem, NTg 48 (1955) 204-207. |
| A.W. de Groot, Inleiding tot de algemene taalwetenschap2, Groningen 1964. |
| F.G. Droste, Grondbeginselen van de Nederlandse grammatica2, Den Haag, z.j. (1966). |
| P.A.M. Seuren, Het probleem van de woorddefinitie, Ts 82 (1966), 259-293. |
| A. Sassen, Over het bestaan en ontstaan van Nederlandse woorden (oratie), Groningen 1971, of in: Morf Ned, 63-76. |
| G.E. Booij, Dutch Morphology. A Study of Word Formation in Generative Grammar, Lisse 1977. |
| G.E. Booij, Wanneer bestaat een woord?, De Revisor 5 (1978), 55-61, of in: Morf Ned, 163-170. |
In de vorige paragraaf is al sprake geweest van woordsoorten, d.w.z. klassen van woorden die op grond van bepaalde kenmerken bijeenhoren. Die kenmerken kan men vinden in de verschillende valenties: we kunnen een indeling nastreven op grond van morfologische valenties, maar ook door de syntactische valenties als uitgangspunt te nemen. In bepaalde gevallen kunnen we zelfs niets anders doen dan het laatste: bij die woorden namelijk,
die geen morfologische valentie hebben. Uiteindelijk vinden we dan groepen van woorden die behalve in valenties ook in bepaalde betekenisaspecten overeenstemming vertonen. Op deze manier vinden we zeker meer woordsoorten dan de tien bekende die al sinds de Middeleeuwen - ten dele zelfs sinds de Oudheid - onderscheiden worden. Om praktische redenen echter blijven we uitgaan van deze tien bestaande woordsoorten: iedere soort heeft z'n eigen naam en aansluiting bij de traditie verdient hier de voorkeur boven een geheel nieuwe indeling met een nieuwe terminologie, waarvan trouwens veel zou neerkomen op een doublure van het oude systeem.
Door het onderzoek van de valenties als uitgangspunt te nemen zijn echter niet alle moeilijkheden uit de weg geruimd. Een merkwaardig geval, dat ons dwingt een uitzondering te maken, levert de zogenaamde zelfnoemfunctie, het gebruik van een willekeurig woord als substantivum, bijv.:
| (1) | Dat ‘hier’ op de derde regel moet je duidelijker schrijven. |
| (2) | Altijd dat vervelende ‘hè’ van jou. |
| (3) | Z'n drieën zijn onduidelijk. |
| (4) | ‘Op’ is een voorzetsel. |
Niemand zal op grond van deze gebruiksgevallen willen beweren dat hier, hè, drie en op nu altijd substantief genoemd moeten worden. Men doet er goed aan zich te realiseren dat ieder woord, ook zelfs ieder woorddeel, tot voorwerp van een beschouwing gemaakt, in zelfnoemfunctie kan optreden. Bij de beschrijving van de valenties laten we daarom deze zelfnoemfunctie buiten beschouwing.
Een tweede moeilijkheid vormt de transpositie, de overgang van de ene woordsoort naar de andere. Terwijl ziek een adjectief heet, noemt men (een) zieke een substantief; naast zuur als adjectief bestaat ook het zuur en een zuurtje, beide substantieven. In (de) hamer hebben we te maken met een zelfstandig naamwoord, in (ik) hamer met een werkwoord. Kan men hier op grond van de morfologische valenties vaak nog beslissen met wat voor woordsoort we te maken hebben, moeilijker wordt het als dit kriterium ons in de steek laat en we alleen op het kompas van de syntaxis moeten varen. In de volgende drie zinnen hebben we telkens te maken met het woord sedert:
| (5) | Sedert hij in Amerika was, is hij erg veranderd. |
| (6) | Sedert kwam hij niet meer. |
| (7) | Sedert de vakantie heb ik hem niet meer gezien. |
Traditioneel benoemd vinden we hier successievelijk in (5) een voegwoord, in (6) een bijwoord en in (7) een voorzetsel. Hebben we nu één woord voor ons of drie verschillende? Als het er één is blijkt het tot drie klassen te behoren; als het er meer dan één is, kunnen we dan één woord sedert als uitgangspunt voor het gebruik van de beide andere aannemen? Het lijkt onoplosbaar en de traditionele grammatica heeft - in vele gevallen op historisch-taalkundige gronden - de knoop doorgehakt, één woord centraal ge-
steld en de andere voorgesteld als ‘A gebruikt als B’. Zo kwam men tot formuleringen als ‘een voltooid deelwoord als adjectief gebruikt’ (gebruikte auto's; gedane zaken) of ‘een bezittelijk voornaamwoord als substantief gebruikt’ (het zijne, de jouwe). Daarbij bleef een zekere willekeur bestaan, want wat de ene spraakkunst presenteerde als ‘A gebruikt als B’ werd door de andere zonder meer ‘B’ genoemd, door een derde als ‘A’ behandeld. In het vervolg zullen we het concrete gebruik als uitgangspunt nemen en de formulering ‘A gebruikt als B’ niet toepassen.
In het hierna volgende overzicht zullen meer moeilijkheden opduiken. Dat komt ten dele doordat we onze behandeling baseren op de tien traditionele woordsoorten. Op basis van een drietal kriteria kunnen we deze tien woordsoorten in drie grote groepen onderscheiden. Deze kriteria zijn de morfologische valentie, de syntactische valentie en de produktiviteit. Onder dat laatste begrip verstaan we de voor iedere taalgebruiker bestaande mogelijkheid om door middel van een hem bekend morfologisch procédé een groot (d.w.z. niet zonder meer telbaar) aantal nieuwe woorden te maken: samenstellingen en afleidingen. In de meeste gevallen doet de taalgebruiker dat waarschijnlijk onopzettelijk, spontaan, al is dat moeilijk vast te stellen. Dat laatste verhindert ons echter niet de term produktiviteit als - voorwetenschappelijke - term te gebruiken.
Onze indeling in drie groepen wordt dan:
| 1. | zelfstandige naamwoorden | } rijke morfologie en produktiviteit |
| 2. | bijvoeglijke naamwoorden | } rijke morfologie en produktiviteit |
| 3. | telwoorden | } rijke morfologie en produktiviteit |
| 4. | werkwoorden | } rijke morfologie en produktiviteit |
| 5. | lidwoorden | } zeer beperkte morfologie; geen produktiviteit |
| 6. | voornaamwoorden | } zeer beperkte morfologie; geen produktiviteit |
| 7. | bijwoorden | } indeclinabel (d.w.z. geen morfologische valentie aanwezig); vrijwel geen produktiviteit; alleen op basis van syntactische valentie te beschrijven |
| 8. | voorzetsels | } indeclinabel (d.w.z. geen morfologische valentie aanwezig); vrijwel geen produktiviteit; alleen op basis van syntactische valentie te beschrijven |
| 9. | voegwoorden | } indeclinabel (d.w.z. geen morfologische valentie aanwezig); vrijwel geen produktiviteit; alleen op basis van syntactische valentie te beschrijven |
| 10. | tussenwerpsels | } indeclinabel (d.w.z. geen morfologische valentie aanwezig); vrijwel geen produktiviteit; alleen op basis van syntactische valentie te beschrijven |
Bij de bespreking van iedere woordsoort komen achtereenvolgens telkens ter sprake: 1. de semantische aspecten (d.w.z. betekenisaspecten), waarbij de ontoereikendheid van een definitie op grond van de betekenis duidelijk gemaakt kan worden; 2. de morfologische aspecten, voorzover aanwezig; hieronder vallen ook per woordsoort alle mogelijkheden tot samenstelling en afleiding, die hier dus niet in een apart hoofdstuk behandeld worden, zoals in de meeste spraakkunsten onder het hoofd ‘woordvorming’ geschiedt; en 3. de syntactische aspecten, waarvan er telkens slechts enkele - de meest opvallende - de revue passeren; een naar volledigheid strevende beschrijving zou de omvang van deze grammatica verre te buiten gaan.
| A.W. de Groot, Structural Linguistics and Word Classes, Lingua I (1948) 427-500. |
| H. Schultink, Produktiviteit als morfologisch fenomeen, FdL 2 (1961), 110-125 of in: TiA, 60-75, of in: Morf Ned, 47-62, of in: Tkb, 6-19. |
| H. Schultink, De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands, Den Haag 1962. |
| F.G. Droste, Betekenis als syntactisch stramien: woordsoorten en woordgroepen in het Nederlands, LT 1964, 331-350. |
| H. Roose, Het probleem van de woordsoorten, in het bijzonder van het bijwoord in het Nederlands, Paris, The Hague, London 1964. |
| A. van Santen, De morfologie van het Nederlands, Dordrecht 1984. |
Het zelfstandig naamwoord (zn) of substantivum is semantisch moeilijk te definiëren. Men beschouwt de substantiva wel als noemende woorden, waarmee de voorstelling of het begrip van een zelfstandigheid verbonden is, maar ‘zelfstandigheid’ heeft dan wel toelichting nodig. Om woorden als gat, schaduw, elfje, geluid, geur, ziel, eerlijkheid tot de zelfstandigheden te kunnen rekenen, moet men behalve mensen, dieren en dingen (en delen daarvan) ook eigenschappen, werkingen, ruimten, tijden en hoeveelheden bij de zelfstandigheden opnemen.
Meer houvast biedt de morfologische benadering: substantiva zijn de enige woorden die, behoudens enkele apart te noemen uitzonderingen, een meervoudsuitgang kunnen aannemen. Bovendien bezit een speciale groep het vermogen met een zgn. tweede naamvals -s gecombineerd te worden. - Syntactisch gezien zijn de substantiva die woorden die met een voorafgaand die of dat tot een woordgroep gecombineerd kunnen worden. De laatste omschrijving is didactisch beschouwd het handigste.
Tot de semantische aspecten van het zelfstandig naamwoord behoort de verdeling in concreet en abstract. Concreet noemt men de namen van mensen, dieren, planten, dingen en stoffen, bijv. Karel, timmerman; leeuw, hond; lelie, boom; doos, gebouw; ijzer, waterstof. Tot de concreta worden ook de namen van denkbeeldige zelfstandigheden gerekend zoals elf, kabouter, cycloop, ambrozijn, griffioen. De grens tussen concreet en abstract wordt daardoor soms moeilijk.
Abstract noemt men de namen van eigenschappen, toestanden, gewaarwordingen, werkingen, hoeveelheden, afmetingen, tijden en kortom alles wat over het algemeen niet tastbaar kan worden voorgesteld, bijv. grootte, listigheid; ziekte, hoop, verdriet, liefde; draven, draf, gedraaf, val, sprong; kilo, meter, liter, uur. Het gebruik in een zin moet hier vaak bij de benoeming de
doorslag geven. Zo is in drie kilo appels het woord kilo als naam van een hoeveelheid abstract, maar in de groenteboer zette een kilo op de schaal is hetzelfde woord concreet gebruikt: het gewicht van een kilo.
De concrete zelfstandige naamwoorden worden wel onderverdeeld in voorwerpsnamen, stofnamen en verzamelnamen. Daardoorheen loopt een indeling in soortnamen en eigennamen. Voorwerpsnamen zijn de namen van mensen, dieren, planten of dingen. Stofnamen zijn de namen van stoffen die sui generis onbegrensd kunnen zijn. Verzamelnamen of collectiva zijn de namen van een aantal gelijksoortige wezens of dingen, die tezamen een eenheid vormen, zoals volk, menigte, aantal, legioen, vee, gezin, familie. Soortnamen onderscheiden de ene soort van wezens of dingen van de andere. Eigennamen onderscheiden individuen van de soort; ze worden gewoonlijk met een hoofdletter geschreven en kunnen zonder lidwoord gebruikt worden. Eigennamen onderscheiden zich van alle andere substantiva doordat ze ‘identificeren’, waar de andere ‘noemen’.
Voorbeelden:
| Soortnaam: | Eigennaam: | |
|---|---|---|
| Voorwerpsnaam: | man, stad, land, boek, hotel, schip, vliegtuig | Kees, Rotterdam, Bellevue, Maas, Matterhorn |
| Stofnaam: | gas, zijde, zilver, zand water, andijvie, glas, bier, aspirine | Aspirin, Vim, Persil, Omo, Velpon, Heinekens |
| Verzamelnaam: | gebergte, geboomte, archipel, burgerij | Alpen, Apenijnen, Hebriden, Insulinde, Antillen |
Ook onder de abstracta vindt men eigennamen: Renaissance, Romantiek als naam van een (abstracte) cultuurstroming, januari, dinsdag als naam van een (abstracte) tijdsspanne.
Door verschillend gebruik al naar gelang een bepaalde situatie dat vergt kan betekenisverandering optreden, waardoor een substantief van de ene categorie naar de andere kan verlopen. De belangrijkste wijzigingen zijn:
| 1. | Een eigennaam wordt soortnaam
|
|
|||
| 2. | Een soortnaam wordt eigennaam wanneer met de soortnaam een bepaald individu wordt aangeduid, zonder dat van enigerlei verwarring sprake kan zijn, bijv.: moeder, broer, oom, buurvrouw, dokter, dominee, professor, meester. Het eigennaamkarakter blijkt duidelijk uit het gebruik zonder lidwoord, bijv.: Heb jij vader gezien? | ||
| 3. | Een stofnaam wordt voorwerpsnaam indien men hiermee een voorwerp aanduidt dat uit de betreffende stof vervaardigd is, bijv.: een glas, een steen, een diamant. | ||
| 4. | Een voorwerpsnaam wordt stofnaam wanneer men een niet sui generis begrensde hoeveelheid aanduidt met de naam die gewoonlijk voor een uit die stof bestaand voorwerp wordt gebruikt, bijv. brood, koek, beschuit. Ook dierennamen kunnen zo gebruikt worden, bijv.: we eten kip; we eten vis, en zelfs eigennamen, bijv.: hij leest Vondel; ik moet nog Ovidius prepareren voor morgen. |
| G.A. Nauta, Iets over eigennamen die appellatieven geworden zijn. T en L 10 (1900) 59-73 en 97-112. |
Tot de morfologische valentie van de substantiva wordt gerekend hun vermogen om een meervoudsuitgang aan te nemen, in sommige gevallen een genitief op -s te krijgen, als element van samenstellingen dienst te doen en door middel van verschillende affixen nieuwe woorden (zoals verkleinwoorden) te vormen.
De zgn. stofnamen (ijzer, hout, cacao, suiker, melk) bezitten geen meervoudsvalentie, terwijl deze bij de eigennamen slechts in bijzondere gevallen voorkomt (twee Jannen, de Pietersens).
De gebruikelijkste meervoudsuitgangen zijn -en en -s. Slechts een kleine groep bezit de improduktieve uitgang -eren (eieren, kinderen, e.a.), terwijl in sommige gevallen ook vreemde meervoudsuitgangen gebruikt worden.
De uitgang -en wordt, naar het schijnt, door de Nederlander als de normaalste vorm beschouwd en dientengevolge in de meeste spraakkunsten en overzichten als eerste genoemd. Voorbeelden: boek/boeken, straat/straten, stof/stoffen, muur/muren. Daarbij kunnen kleine veranderingen in de aan de uitgang voorafgaande consonanten optreden bij raaf/raven, baars/baarzen, bed [b ∊ t]/bedden, te stamvocaal kan veranderen, bijv.: bad/baden, stad/steden, bevel/bevelen, schip/schepen, god/goden, waarheid/waarheden, terwijl bij woorden die op een vocaal eindigen, de halfvocaal j voor de uitgang gesproken, soms ook geschreven wordt, bijv. vlo/vlooien, koe/koeien, ui/uien, zee/zeeën, harmonie/harmonieën, kolonie/koloniën.
Een volledige opsomming van al deze afwijkende gevallen laten we hier achterwege. We wijzen slechts op het verschijnsel en volstaan met een enkel voorbeeld. Een volledig overzicht is te vinden in Nederlandse spraakkunsten voor buitenlanders, waar uitvoerigheid op dit punt een gebiedende eis is.
De uitgang -s wordt gebruikt bij alle diminutiva (huisje/huisjes), de meeste substantiva op -el, -em, -en en -er (vogel/vogels, bezem/bezems, wagen/wagens, slager/slagers), substantiva op -aar, -aard, -erd en -eur (leugenaar/leugenaars, gierigaard/gierigaards, dikkerd/dikkerds, conducteur/conducteurs), substantiva op -ier, die een persoon aanduiden (juwelier/ juweliers; indien ze voorwerpen aanduiden wordt -en gebruikt: formulier/formulieren), vele woorden van vreemde herkomst (mode/modes, telefoon/telefoons, album/albums, tram/trams, piano/piano's), vele substantiva op -e die personen aanduiden (bode/bodes, typiste/typistes), enige collectiva met het prefix ge- en uitgaande op -e (gebergte/gebergtes, gesteente/gesteentes, waarnaast ook gebergten en gesteenten mogelijk zijn).
Bij enige woorden kan zowel -en als -s gebruikt worden zonder dat er verschil in betekenis optreedt, bijv. appels en appelen, wapens en wapenen, wafels en wafelen, groentes en groenten.
Verschil in betekenis treedt echter op bij de volgende meervoudsparen: vaders en vaderen, middels en middelen, tafels en tafelen (der wet), patroons en patronen, stuks en stukken, benen en beenderen, bladen en bladeren, kleden en klederen (kleren), letters en letteren.
De improduktieve uitgang -eren komt voor bij de woorden: been, blad, ei, gelid (gelederen), gemoed, goed, hoen (hoenderen of hoenders), kalf, kind, kleed, lam, lied, rad, rund en volk.
Afwijkende meervoudsvorming kunnen samenstellingen met -man vertonen, voorzover een beroep hierdoor wordt uitgedrukt, bijv. koopman/kooplui, werkman/werklui. De uitgang -lieden heeft een iets plechtiger gevoelswaarde, bijv. edelman/edellieden.
Woorden van vreemde herkomst op -um en -us hebben de Latijnse pluralis-uitgangen -a en -i bijv. museum/musea, naast museums, lyceum/lycea naast lyceums. Substantiva op -us krijgen de -i indien zij personen aanduiden, bijv. criticus/critici, musicus/musici, daarentegen het suffix -en indien ze geen personen aanduiden, bijv. cursus/cursussen, circus/circussen. Een uitzondering is catalogus/catalogi.
Een Latijnse meervoudsuitgang wordt (naast de Nederlandse op -en) ook gebruikt bij basis/bases, crisis/crises.
Substantiva die een maat of hoeveelheid aangeven, voorafgegaan door een bepaald telwoord, hebben gewoonlijk geen meervoudsuitgang, bijv. drie
meter, vijftig paardekracht, tien jaar, twee uur, drie gulden. De normale meervoudsvorm heeft hier pregnante betekenis, bijv. tien jaren, d.w.z. lange jaren, drie guldens, d.w.z. guldenstukken.
Een substantief dat alleen in het meervoud voorkomt, noemt men plurale tantum (meervoud: pluralia tantum), bijv. hersenen, mazelen, watten, omstreken, paperassen, fratsen, manen.
Een substantief dat alleen in het enkelvoud voorkomt, noemt men singulare tantum (meervoud: singularia tantum), bijv. aandenken, aanleg, kennis, hoop, begin. Ook veel stofnamen horen hiertoe.
| C.B. van Haeringen, De meervoudsvorming in het Nederlands, MKAW, Nw. R. 10, Afd. Lett. 5; ook in: Neerlandica, 186-208, of in: Morf Ned, 19-38. |
| C. Hoppenbrouwers, Regels voor meervoudsvorming in het Nederlands, in: Proeven, 197-210. |
Naamvallen kent het moderne Nederlands niet, met uitzondering van een genitief -s die achter eigennamen gebruikt kan worden om bezit of herkomst aan te duiden, bijv. Vaders fiets, Johans auto, Vondels Gijsbrecht, Mathildes tasje, Frits' handschoenen, Het is liefdes uur.
Deze genitief -s is nog volop gebruikelijk. Dit kan niet meer gezegd worden van de andere naamvalsvormen, die in vaste uitdrukkingen nog voortleven zonder dat de taalgebruiker zich dat bewust is. Voorbeelden van zulke versteende vormen zijn: ter plaatse, ten huize van, bij monde van, ten tijde van, in koelen bloede, te rade, van harte, heden ten dage, e.v.a.
| C.B. van Haeringen, Naamvallen bij eigennamen van personen en bij verwantschapsnamen, NTg 40 (1947) 250 e.v., ook in Neerlandica, 209-222. |
| Th. Janssen, Possessieve constructies, NTg 68 (1975). 1-13. |
Tot de faculteiten die het zelfstandig naamwoord bezit, behoort ook de mogelijkheid om door middel van affixen een andere betekenis aan te nemen of zelfs tot een andere woordsoort te gaan behoren. Daarbij kunnen klankveranderingen in het grondwoord optreden of een bindfoneem kan tussen grondwoord en suffix nodig zijn.
Bekende en ten dele nog produktieve suffixen zijn:
| -schap
bijv. vriendschap, vaderschap, koningschap, bedrijfschap, wetenschap |
| -dom
bijv. mensdom, hertogdom, kapitalistendom, proletendom |
| -ij, -erij, -ernij
bijv. voogdij, ruiterij, boekerij, burgerij, bakkerij, slavernij |
| -ette (speciaal bij commerciële woorden)
bijv. wasserette (<wasserij), modinette (<mode of <modiste), kitchenette (<eng. kitchen) |
| -ier
bijv. tuinier, warmoezier, scholier, koetsier, aalmoezenier, herbergier |
| -ist
bijv. fluitist, bloemist, violist, telefonist, zionist, gauilist, calvinist, klokkenist, ovenist, korist |
| -iet
bijv. mennoniet, Israëliet |
| -ing, -ling, -eling
bijv. gunsteling, stedeling, Vlaming, dorpeling, huurling |
| -aan, iaan (gewoonlijk achter eigennamen)
bijv. mohammedaan, arminiaan, hitleriaan, Indiaan, Afrikaan |
| -aar, -naar, -enaar (als afleidingen van plaatsnamen om inwoners van zo'n plaats te noemen)
bijv. Leidenaar, Hagenaar, Meppelaar, Bredaënaar (minder produktief nog in: kunstenaar, geweldenaar, molenaar, zondaar) |
| -ster
bijv. herbergierster, vliegenierster |
| -in
bijv. godin, slavin, koningin, gravin, tijgerin, leeuwin |
| -es, -esse
bijv. dokteres, lerares, dienares, meesteres, barones(se), secretaresse, profetesse |
| -e
bijv. predikante, studente, leerlinge, telefoniste, lotgenote, bloedverwante, pianiste, presidente |
Tot suffix geworden is ook -boer in: groenteboer, visboer, voddeboer, melkboer, sigarenboer, drankboer en -wezen in muntwezen, postwezen, loodswezen, bibliotheekwezen, archiefwezen.
| C.B. van Haeringen, -aar of -er, NTg 44 (1951) 260-266. |
| C.B. van Haeringen, Secretaresse, NTg 44 (1951) 332. |
| C.B. van Haeringen, Franciscaner, Benedictijner, Karmelieter, NTg 47 (1954), ook in: Gramarie 197-202. |
| L.C. Michels, Woordwording van affixen, NTg 50 (1957) 79-82, of in: Woorden over woorden, uitg. J. Berits, Groningen 1967, 60-64. |
| Th. Oudkerk Pool, Modinette, NTg 53 (1960) 159-164. |
| J.J.M. Bakker, Chambrette, NTg 54 (1961) 42-43. |
| Th. Oudkerk Pool, Nog eens -ette, NTg 54 (1961) 198-201. |
| F. Zwarts, -Aar, -arij, -sel en -te, Tabu 6 (1975), 9-23, of in: Morf Ned, 129-148. |
| A. Sassen, Het suffix -se: een geval van morfologische herstructurering (metanalyse), Tabu 9 (1978-79), 31-39. |
| H. Schultink, On stacking up affixes, mainly in Dutch words, in: Linguistic Studies offered to Berthe Siertsema, Amsterdam 1980, 229-242. |
-tje, -pje, -kje, -etje, -je, de zgn. verkleiningsuitgangen of diminutiefsuffixen. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of tweeklank of op -l, -n of -r voorafgegaan door een zwakgesneden (‘lange’) klinker of tweeklank, dan luidt het suffix -tje, bijv. uitje, slaatje, leeuwtje, banntje, aaltje, uurtje. Eindigt het grondwoord op -m na ‘lange’ klinker of tweeklank, dan verschijnt -pje, bijv. naampje, bloempje, bezempje. Eindigt het grondwoord op -l, -m, -n, -r, -b of -g of -ng voorafgegaan door een scherp gesneden (‘korte’) vocaal, dan luidt het suffix -etje, bijv. balletje, lammetje, mannetje, sterretje, ribbetje, ruggetje, ringetje, wandelingetje.
Alleen indien aan de uitgang -ing een beklemtoonde lettergreep voorafgaat wordt het suffix -kje gebruikt, bijv. woninkje, koninkje.
In de overige gevallen verschijnt -je, bijv. aapje, lusje, zeefje, lachje, bakje, zaakje.
Klinkerverandering in het grondwoord komt voor in: blaadje, daagje, paadje, gaatje, glaasje, scheepje, lootje en daakjes (naast dakje).
Minder algemeen zijn de gewestelijk gebruikelijke suffixen -ke, -eke, -ske en -sken, bijv. moeke, vrouwke, meiske, kindeke, boekske, jongsken.
Onregelmatige verkleinwoorden zijn Jantje (vgl. pannetje en niet *pantje), bloemetje naast bloempje, poppetje naast (minder gebruikelijk) popje. Een paradigmatisch bepaalde uitzondering (d.w.z. door de meervoudsvorming van het grondwoord bepaald) bieden de meervouden kindertjes en eiertjes. In plaats van -je komt ook de als onbeschaafd gewaardeerde vorm -ie voor: doosie, koekie, enz. Deze vormen verschijnen alleen indien geen -t in het suffix voorkomt: van vuist kan dus naast vuissie (zonder -t) ook vuistje (met assimilatie: vuisje) voorkomen.
Het suffix -ie geldt niet als onbeschaafd in talloze voornamen, speciaal meisjesnamen, waar men door de spelling met -i of -y een uitheems karakter tracht te suggereren, bijv. Loeki, Maxi, Riki, Fransie (geschreven als Francy), Bettie (of Betty), Miepie.
Ook bij eigennamen zijn diminutiefuitgangen in het Nederlands gebruikelijk: Pietje, Keesje, Marietje, enz. Zelfs familienamen kunnen dit suffix aannemen: de Graswinkeltjes, de Hallemannetjes.
Er dient op gewezen te worden dat de verkleinwoorden niet altijd (zoals de term suggereert) gebruikt worden voor datgene wat klein is in zijn soort. Diminutiva kunnen ook geringschatting uitdrukken (een agentje, een leraartje), bescheidenheid (een kadootje, een sigaartje), genegenheid (liefje, een schatje) of ze bezitten eufemistische kracht (een jaartje, een aardig duitje).
| E. Kruisinga, Diminutieve en affektieve suffixen in de Germaanse talen, MNAW, afd. Lett. Nw. R. 5, No. 9, Amsterdam 1942. |
| G.G. Kloeke, ‘Welluidendheid’ als factor bij de taalontwikkeling, NTg 46 (1953) 89-102 (speciaal handelend over meisjesnamen op -ie) |
| A. Cohen, Het Nederlands diminutiefsuffix; een morfonologische proeve. NTg 51 (1958) 40-45; of in: Woorden over woorden, uitg. J. Berits, Groningen 1967, 65-71, of in: Morf Ned, 39-46. |
| C.H.M. Gussenhoven, Het Nederlandse diminutief-suffix: schwa-insertie nader bekeken, NTg 71 (1978), 206-211. |
| R. van Zonneveld, Verkleinwoordvorming, in: Proeven, 279-302. |
| R. Jongen, De derivatie van het Nederlandse verkleinwoord, NTg 72 (1979), 45-57. |
Suffixen waardoor de overgang tot een andere woordsoort bewerkt wordt, zijn o.m.:
| -lijk, bijv. manlijk, vrouwelijk, kinderlijk, huiselijk, landelijk, fatsoenlijk, goddelijk |
| -zaam, bijv. deugdzaam, vreedzaam, heilzaam, arbeidzaam, minzaam |
| -loos, bijv. ouderloos, kinderloos, draadloos, smakeloos, bodemloos, machteloos, belangeloos |
| -vol, bijv. smaakvol, tactvol, eervol, roemvol, gevaarvol, waardevol, talentvol, genotvol |
| -achtig, bijv. vreesachtig, zenuwachtig, steenachtig, bergachtig, diefachtig, aapachtig |
| -haftig, alleen nog: krijgshaftig, manhaftig, heldhaftig |
| -vaardig, bijv. strijdvaardig, hulpvaardig, slagvaardig, reisvaardig |
| -ig, bijv. lustig, kunstig, moedig, kattig, vrekkig, bazig, bokkig, glazig |
| -erig, bijv. katterig, vrekkerig, winderig, gemeenplaatserig (De Gids 1966, I, 51), zanderig |
| -en, bijv. ijzeren, gouden, cementen, plastikken, bakelieten |
| -isch, bijv. despotisch, typisch, automatisch |
| -iek, bijv. periodiek, numeriek |
| -esk, bijv. romanesk, muzikantesk, Don Juanesk |
| -s (achter geografische namen), bijv. Nederlands, IJslands, Amsterdams, Haags, Arnhems, Maastrichts |
| -en (waardoor denominatieve werkwoorden ontstaan) bijv. trammen, fietsen, tafelen, filmen, voetballen |
| -éren, bijv. tamponeren, tectyleren |
| L.C. Michels, Woordwording van affixen, NTg 50 (1957) 79-82; of in: Woorden over woorden, uitg. J. Berits, Groningen 1967, 60-64. |
| M.C. van den Toorn, Produktiviteit van het suffix -esk, NTg 61 (1968), 322-328. |
| S. de Vriendt, Nogmaals -esk, NTg 63 (1970) 39-42. |
| G. Geerts, Een noteske bij ‘Produktiviteit van het suffix -esk’, NTg 63 (1970), 138-142. |
| A.J. Welschen, De morfologische valentie van -esk, NTg 63 (1970), 441-452. |
| M.C. van den Toorn, Een nieuwe esk-apade, NTg 71 (1978), 609-615, of in: Tkb, 19-26. |
Als prefixen zijn te noemen:
| aarts-, bijv. aartsschelm, aartsschurk, aartskletskous |
| on-, bijv. onzin, onmens, onweer, onbegrip |
| wan-, bijv. wandaad, wanhoop, wanklank, wangunst |
| oer-, bijv. oermens, oertekst, oertaal, oervorm |
| her-, bijv. herdruk, hergroei, herzomer, heruitgave, herexamen |
| ex-, bijv. ex-koning, ex-minister, ex-voorzitter |
| extra-, bijv. extra-dienst, extra-korting, extra-premie |
| pseudo-, bijv. pseudo-student, pseudo-dokter, pseudo-agent |
Combinaties van prefixen en suffixen komen eveneens voor:
| ge-...-te (op deze wijze ontstaan collectiva) gebergte, gevogelte, geboomte, geboefte |
| ge-...-t of -d (op deze wijze ontstaan zgn. participia praeverbalia d.w.z. adjectieven die het voorkomen van een deelwoord hebben, zonder dat daarbij een werkwoord in de infinitief te vinden is), gelaarsd, gespoord, geharnast, gejast. |
| Hiertoe behoren ook analoge formaties met be- of ver- als prefix, bijv. bemanteld, bemodderd, beslikt, |
| en de adjectiva beginnend met ge- en eindigend op -eerd, vooral ‘geleerde’ woorden: geaccidenteerd, geaffaireerd, gedesillusioneerd, gedetailleerd, gecommitteerd(e) |
| be-...-en (op deze wijze ontstaan zgn. ornatieve werkwoorden met de betekenis ‘voorzien van het door het grondwoord uitgedrukte’), beplanten, bebossen, bemannen, bedijken. |
| Tenslotte wijzen we nog op analoge formaties met ont-, onthoofden, onthalzen, ontbossen, en met ver-, verkalken, vermolmen, verstenen, verzuilen, vertrossen. |
| C.B. van Haeringen, Participia praeverbalia, NTg 42 (1949) of: Gramarie, 38-44. |
| J.H. van Lessen, Bestaan er ‘participia praeverbalia’? NTg 43 (1950) 153-159. |
| H. Schultink, De bouw van nieuwvormingen met her-, Ts 80(1964) 151-184. |
Een belangrijk woordvormingsprocédé is bij de substantiva de samenstelling. Wanneer we hierbij de gevallen nagaan waar het laatste lid substantief is en het gehele woord dus tot de woordsoort van de substantieven blijft behoren, kunnen we de volgende mogelijkheden onderscheiden:
| 1. | Het eerste lid is een substantief
|
||||||||||||
| 2. | Het eerste lid is een adjectief
|
||||||||||||
| 3. | Het eerste lid is een werkwoordsstam
bijv. dienbak, braadslee, naaimachine, gloeilamp, koopman, leesboek, scheldwoord, dorsvlegel, slaapkamer, vulpen. Slechts in enkele gevallen treedt een verbindings-s op: zegsman, leidsman, scheidsrechter of een verbindings-e: drinkebroer |
||||||||||||
| 4. | Het eerste lid is een bijwoord
bijv. achterdeur, afdak, voordeur, medestudent, namiddag, overhemd, onderofficier |
||||||||||||
| 5. | Het eerste lid is een telwoord
bijv. driepoot, negenoog, tweespraak, duizendpoot |
De samenstellingen van een substantief met een adjectief of werkwoord als tweede lid komen ter sprake bij de behandeling van de adjectiva resp. de werkwoorden.
Van ingekorte samenstellingen spreekt men wel wanneer een drieledige samenstelling door eliminatie van het middelste lid tot een tweeledige samenstelling is geworden, bijv. hulpakte <hulponderwijzersakte, kippegaas <kippehokgaas.
Evenzo: koren(bloem)blauw, stieren(houders)vereniging, thee(kopjes)doek, stof(doeken)mandje, zonne(bloem)pitten, hei(palen)koppen en vele andere. De benaming ‘ingekorte samenstelling’ duidt op een historische taalbeschouwing; synchronisch beschouwd hebben we slechts te maken met tweeledige samenstellingen.
In het moderne Nederlands bestaat een opvallende neiging samenstellingen van substantief + substantief niet aaneen te schrijven. Zo ziet men in krant en tijdschrift woorden als produktie capaciteit, massa werkloosheid, enz. Deze schrijfwijze is moeilijk te verdedigen, omdat we hier met echte samenstellingen, dus in elk afzonderlijk geval met één woord te maken hebben.
Naar hun betekenis noemt men sommige samenstellingen wel possessieve samenstellingen (of: bahuvrihi-composita); deze duiden iets of iemand aan, die het door de samenstelling genoemde bezit of erdoor gekarakteriseerd wordt, bijv. roodhuid, kaalkop, heethoofd, bleekgezicht, melkmuil, blauwkous, duizendpoot, langoor.
Een merkwaardig soort samenkoppelingen bestaande uit geïsoleerde woordgroepen met nevenschikking zijn: kop-en-schotel, lepel-en-vork, paard-enwagen. Hun woordkarakter blijkt uit de meervoudsvorming: paard-en-wagens (niet paarden en wagens).
De betekenis van samenstellingen is niet eenvoudig te beschrijven. In het algemeen kan men stellen dat het tweede lid van een samenstelling door het eerste lid bepaald wordt; de aard van dit ‘bepaald zijn’ is echter zeer verschillend van geval tot geval. Gewoonlijk draagt het bepalende deel het accent: huísdeur, chocoládemelk naast mélkchocolade, leúningstoel naast stoélleuning, enz., maar er zijn ook uitzonderingen: nieuwjaarsdág, arbeidsloón, rookvleés, stadhuís en vele andere. Een bevredigende verklaring van de accentuering van samenstellingen is moeilijk te geven.
| K. Heeroma, Klemverschuiving bij samengestelde woorden, NTg 42 (1949) 65-72. |
| B.H. Erné, Eenheidsklemtoon in samenstellingen, NTg 42 (1949) 140-144. |
| B. van den Berg, De accentuatie van Nederlandse samenstellingen en afleidingen, NTg 46 (1953) 254-260. |
Een samenstellende afleiding komt voor wanneer als eerste lid een woord fungeert dat ook afzonderlijk kan voorkomen, en als tweede lid een substantief met suffix dat niet afzonderlijk gebruikt kan worden. Zo is hardnekkig geen afleiding van *hardnek, evenmin een samenstelling van hard en *nekkig, maar een eenheid van (hard + nek) + ig.
Voorbeelden: zwakzinnig, goedlachs, achturig, loslippig, blauwbekken, stampvoeten, viervoeter.
Een aparte vermelding verdienen de samenstellingen die uit losse letters bestaan, zoals K.L.M., G.G.D., K.V.P., V.V.D., N.S., A.N.W.B., T.E.E., H.B.S.
Zulke letterwoorden zijn van andere structuur, wanneer de volgorde der letters een dusdanige afwisseling van klinkers en medeklinkers vertoont dat er één of meer lettergrepen van gevormd kunnen worden, zoals Avro, Vara, Tros, Havo, Mulo.
Dezelfde mogelijkheid doet zich uiteraard voor wanneer van de afgekorte woorden gehele lettergrepen gebruikt worden, zoals Horecaf, Benelux, Ratax, Robeco, Amro.
| W.H. Staverman, Over rauwkost en sneltreinen, groothandelaren en kleinkinderen, NTg 33 (1939) 29-34. |
| A.W. de Groot, Woord of woordgroep, NTg 38 (1945) 1-6. |
| C.B. van Haeringen, Ingekorte samenstellingen, NTg 41 (1948) en NTg 43 (1950); ook in: Gramarie, 20-24. |
| P. Zumthor, Abréviations composées, VKAW, NR dl. LVII, No. 2, Amsterdam 1951. |
| C.B. van Haeringen, Concentratie door diminuering, NTg 45 (1952), 194-199; ook in: Gramarie, 134-141. |
| G.J. Steenbergen, Letterwoord, initiaalwoord, verkorting, afkorting, NTg 60 (1967), 42-45. |
Tot de syntactische aspecten van het substantief behoort behalve de verbindbaarheid met die en dat en met de, het of een ook nog de mogelijkheid dat het een woordgroep kan vormen met andere voorafgaande voornaamwoorden (mijn fiets, ieder boek, elke week), een bijvoeglijk naamwoord (oud brood, nieuwe wijn, mooie huizen) en een telwoord (twee kilo, tien stuks, zeven dagen) of combinaties daarvan (iedere drie dagen, twee oude huizen). De vorm die de voorafgaande voornaamwoorden en/of bijvoeglijke naamwoorden aannemen hangt in het enkelvoud af van het zgn. genus van het substantief.
Onder genus verstaat men de eigenschap van een substantief om in het enkelvoud uitsluitend met de ofwel uitsluitend met het voor te kunnen komen. Men spreekt daarom ook wel van substantiva die tot de de-klasse of de het-klasse behoren. De laatste groep heet ook wel onzijdig of neutrum.
De Nederlander leert van kindsbeen af de genera van de substantiva; hij vergist zich niet (of hoogst zelden) in het genus.
Pas bij de pronominale aanduiding kan twijfel ontstaan. Naar het-woorden wordt verwezen met de pronomina het en zijn, bijv. van het boek kan men zeggen: Het ligt daar. Z'n kaft is gescheurd.
Naar de-woorden wordt in grote delen van Nederland uitsluitend met hij en zijn verwezen voorzover men niet te maken heeft met substantiva die onmisbaar vrouwelijke personen aanduiden. Slechts bij mensen blijkt de sekse te prevaleren, bij dieren al niet meer, zodat men in het westen van Nederland kan horen: de kat en zijn jongen of: de koe; hij wordt gemolken.
In de geschreven taal gelden voor de pronominale aanduiding van de de-woorden bepaalde regels. Ervan uitgaande dat de verwijzing met hij en zijn normaal is beschouwen we de volgende woorden als uitzonderingen, waarnaar met zij, ze en haar verwezen moet worden in verzorgd schriftelijk taalgebruik:
| 1. | woorden op -heid, -nis, -ing, -schap, -de, -te, -ij
bijv. waarheid, kennis, regering, wetenschap, liefde, hoogte, barbarij |
| 2. | woorden op de van oorsprong vreemde suffixen -ie, -iek, -ica, -theek, -teit, -tuur, -sis, -ade, -ide, -ode, -ude, -age, -ine
bijv. filosofie, republiek, logica, bibliotheek, autoriteit, magistratuur, crisis, olympiade, methode, amplitude, ravage, doctrine |
| 3. | de niet aan de vorm te herkennen woorden, gewoonlijk abstracta:
deugd, drift, eer, faam, haast, hoop (verwachting), hulp, jeugd, kerk (de instelling, niet het gebouw), keus, kracht, leer, macht, min, moraal, pers (dagbladwezen), pijn, praal, praktijk, rede (verstand), rust, school (figuurlijk, niet het gebouw), Schrift (bijbel), schuld, smart, spraak, straf, taal, teelt, trouw, tweespalt, vlijt, vrees, wet, wijs, wraak, ziel, zorg, zucht (neiging) en bovendien de leenwoorden algebra, fauna, flora, stoa, Vulgata |
| 4. | substantiva die onmiskenbaar vrouwelijke dieren aanduiden bijv. leeuwin, teef, merrie, zeug |
Slechts bij de de-woorden waarnaar met zij en haar verwezen moet worden, kan men in de genitief enkelvoud nog gebruik maken van de bijbehorende vormen der, dezer, wier of welker.
Sommige substantiva behoren tot de de-klasse èn de het-klasse, zoals dek-sel, toestel, schilderij, rooster, microscoop, idee.
| G. Royen, Spraakkunstige sprongen, NTg 32 (1938) 355. |
| C.B. van Haeringen, Genusverandering bij stofnamen, NTg 44 (1951) 7-14, of Gramarie 96-107. |
| P.C. Paardekooper, Het getal als grammatische categorie in het ABN, NTg 44 (1951) 203-213. |
| C.B. van Haeringen, Genus en geslacht, Amsterdam 1954. |
| H. Roose, Voorstudie tot een classificatie van substantieven, in: Studies op het gebied van het hedendaagse Nederlands, The Hague 1963, 23-68. |
De subklasse van de eigennamen bezit de mogelijkheid met andere substantiva (veelal ook eigennamen) een woordgroep te vormen, bijv. Oom Jan, Neef Karel, Vader Jacob, Meneer Pieterse, Jan Willem Friso, Frederik Hendrik, Prins Maurits.
De subklasse van de stofnamen bezit de mogelijkheid met andere substantiva (meestal maat, gewicht of hoeveelheid aangevende) een woordgroep te vormen, bijv. flessen melk, zakken aardappelen of voorafgegaan door een lidwoord of ander deiktisch (= aanwijzend) woord: een fles melk, een kilo suiker, enz.
Hoewel de verbindbaarheid met een der lidwoorden een vast kenmerk van de substantiva vormt, zijn er verschillende subklassen die gewoonlijk zonder lidwoord gebruikt worden. Dat zijn de stofnamen (bijv. goud is duur, melk is goed voor elk, we eten kip) en de eigennamen (bijv. morgen komt Jan, vader is niet thuis).
Bovendien worden sommige substantiva in vaste combinaties met andere woorden ook zonder lidwoord gebruikt (bijv. in spreekwoorden: arbeid adelt, werk maakt ons sterk en in vaste voorzetselgroepen: in bed, op school, naar huis).
| E.M. Uhlenbeck, Substantief + substantief in modern algemeen Nederlands. Een begin van syntactische beschrijving, NTg 59 (1966) 291-301; of in: TiA, 175-185, of in: Tkb, 63-74. |
| L. Rens, Over woordgroepen van het type ‘Vaders viool’, NTg 60 (1967) 373-379. |
| W.H.M. Mattens, De indifferentialis. Een onderzoek naar het anumerieke gebruik van het substantief in het algemeen bruikbaar Nederlands, Assen 1970. |
Syntactische functies van het substantief vormen voorts de gebruiksmogelijkheden als zinsdeel, bijv. als
| 1. | onderwerp, bijv. Anton gaat naar school, ijzer is een element |
| 2. | naamw. deel van het gezegde, bijv. wees man, dat is ijzer |
| 3. | lijdend voorwerp, bijv. ik vind chocolade lekker |
| 4. | meew. voorwerp, hij geeft vader een boek |
| 5. | bep. van gesteldheid, we maken hem voorzitter. |
Zodra een zelfstandig naamwoord met een lidwoord wordt gebruikt, worden de mogelijkheden groter. Behalve in de bovengenoemde gevallen (de jongen gaat naar school, wees een man, enz.) kunnen er dan ook verschillende bepalingen van gevormd worden (op een mooie dag kwam hij thuis; de klachten over die man zijn niet van de lucht, enz.).
De eigennamen hebben als extra valentie nog de mogelijkheid dat ze als aanspreking gebruikt kunnen worden, bijv. Caroline! Vader! Willemse! Gemakshalve noemt men dit vocatieven; eigenlijk was de vocatief in de latijnse grammatica een aparte vorm van het substantief. Aangezien wij een dergelijke vorm niet kennen, kan men tegen deze terminologie dus bezwaar maken.
Semantisch beschouwd is een bijvoeglijk naamwoord (bn) of adjectief een woord dat een eigenschap, kenmerk, hoedanigheid of andere bijzonderheid noemt van door andere woorden (meestal substantieven) aangeduide begrippen, bijv. hoog, Leids, zilveren, duidelijk en blij in de volgende voorbeelden: een hoge boom, de boom is hoog, hij is hoog, de Leidse academie, een zilveren horloge, een duidelijk standpunt, ieder was blij.
Morfologisch beschouwd hebben de adjectieven als meest in het oog vallend kenmerk het vermogen tot comparatie, bijv. blauw, blauwer, (het) blauwst; hoog, hoger, hoogst. Een bepaalde groep adjectieven, de zgn. stofadjectieven, mist echter dit vermogen.
Syntactisch beschouwd hebben de adjectiva de valentie, al dan niet met morfologische veranderingen, met een voorafgaand lidwoord en een volgend substantief een woordgroep te vormen, bijv. de hoge boom, een hogere boom, de hoogste boom, een zilveren horloge.
Bij een behandeling van de semantische aspecten van de adjectiva moet allereerst worden opgemerkt dat een bevredigende semantische definitie niet gegeven kan worden zonder tevens een beroep te doen op formele kenmerken van andere woorden. Immers, de vaststelling dat de adjectiva eigenschappen noemen is niet voldoende, zolang men niet de substantiva die eigenschappen noemen (hoogte, blankheid, objectiviteit, enz.) uitsluit op grond van formele criteria. Vandaar dat we ook slechts kunnen zeggen dat adjectiva eigenschappen noemen van woorden die zelf geen adjectief zijn (i.c. substantiva en pronomina).
Op grond van de betekenis onderscheidt men wel adjectiva
| 1. | die een eigenschap of kwaliteit noemen,
bijv. een hoge hoed, een zwarte kachel, een oude man, jonge jenever, een ziek kind, dronken mensen, een zwak betoog. |
| 2. | die een stof noemen, waaruit het door het adjectief bepaalde voorwerp, vervaardigd is bijv. een gouden horloge, een houten kist, een nylon onderjurk, een aluminium pan, een plastic (ook ‘plestikke’) afwasteil. |
| 3. | die een plaats (land of stad) noemen, waarmee het door het adjectief bepaalde in enigerlei verband staat,
bijv. Leidse kaas, Deventer koek, de Nieuwe Rotterdamse Courant, Haagse hopjes. |
| 4. | die een persoon noemen, waarmee het door het adjectief bepaalde in enigerlei verband staat, bijv.: Vondeliaanse klanken, Jan-Steenachtige taferelen, de Draconische wetgeving, Don-Juaneske allures. |
| 5. | die een (niet geografisch bepaalde) plaats, een richting, een tijd of een duur aangeven,
bijv. de voorste bank, de onderste plank; het toekomende jaar, de toenmalige minister, het huidige bestel; een zijdelingse sprong, een voorwaartse beweging; een jaarlijks contract |
| 6. | die als vervanger van achtergeplaatste bijvoeglijke bepalingen, bestaande uit een woordgroep (zgn. voorzetselbepalingen) beschouwd kunnen worden,
bijv. de koninklijke stallen (= de stallen van de koning of koningin), vaderlandse geschiedenis (= geschiedenis van het vaderland), een taalkundig werk (= een werk over taalkunde). |
Op grond van de betekenis spreekt men ook van zgn. indirect (of metonymisch) gebruik van een adjectief, wanneer de eigenschap door het adjectief genoemd niet in directe betrekking staat met het door het adjectief bepaalde woord, doch iets meedeelt van enig levend wezen dat in verwijderd verband met dit bepaalde woord gedacht kan worden.
Bijv.: een luie stoel (d.w.z. een stoel voor een lui mens), gezonde kost (d.w.z. kost die de mens gezond houdt), een boze brief (d.w.z. een brief van iemand die boos is), een zittend leven (d.w.z. een leven van een veel zittend mens), schreeuwende pijn (d.w.z. pijn, waarvan men moet schreeuwen) warme bakker (d.w.z. een bakker die warm brood levert).
Zoals uit de voorbeelden blijkt kunnen ook deelwoorden aldus gebruikt worden. Niet met levende wezens verbonden is het gebruik van hangend in hangend confectievervoer.
Bij stereotiep gebruik van een adjectief spreekt men wel van een epitheton ornans (versierend adjectief), bijv. het eeuwige Rome, de listige Odysseus, de roosvingerige dageraad. Vooral in de epische stijl is dit gebruik bekend geworden.
Het epitheton ornans nadert het pleonasme (een uitdrukking met een overtollig adjectief), wanneer de eigenschap door het adjectief genoemd reeds aan het bepaalde woord inherent is, bijv. het groene gras, het rode bloed, de blanke sneeuw, vaderlandslievende patriotten.
Tot de morfologische aspecten van het adjectief rekenen we in de eerste plaats het vermogen om een zgn. buigings-e aan te nemen in bepaalde syntactische posities. Eigenlijk is daarmee dus sprake van een gecombineerd syntactisch-morfologische valentie, die zich speciaal in woordgroepen, bestaande uit lidwoord-adjectief-substantief of adjectief-substantief in het meervoud, voor kan doen. Bijv. een hoge boom, groene deuren, het oude huis, grote kinderen.
Niet alle adjectiva bezitten deze valentie. Uitgezonderd zijn alle stofadjectiva, vele adjectiva op -en (veelal deelwoorden van sterke verba), van plaatsnamen afgeleide adjectiva op -er, en de adjectiva rechter en linker, volbloed, halfbloed en open, alsmede enige adjectiva van vreemde herkomst, zoals beige, timide, stupide, oranje. Bijv.: de houten brug, een stenen beeld, wollen dekens, tevreden mensen, het verloren geld, Urker vissers, Edammer kaas, de linker hand, de rechter kant, een volbloed paard, de open deur, dat timide jongetje, een oranje jurk.
Een tweede morfologisch-syntactische valentie der adjectiva vormt de buigings-s, die vooral optreedt in woordgroepen bestaande uit iets of wat (of een soortgelijk woord) + adjectief. Bijv.: iets moois, wat nieuws, wat lekkers, iets geks, iets leuks. Uitzonderingen vormen ook hier de stofadjectieven op -en en de geografische op -er.
Andere buigingsvormen van het adjectief bestaan nog in versteende formaties, zoals in koelen bloede, te juister tijd, van goeden wille, ouder gewoonte. Ze komen uitsluitend in vaste uitdrukkingen voor.
Een voor adjectiva typerende morfologische valentie bestaat uit de comparatie, het gebruik van vormen op -er (de vergrotende trap of comparativus) en -st (de overtreffende trap of superlativus). De ongeflecteerde vorm die het uitgangspunt vormt, noemt men wel de stellende trap of positivus.
| Bijv.: | groen | groener | groenst |
| oud | ouder | oudst | |
| klein | kleiner | kleinst |
Na adjectiva eindigend op -r verschijnt in de comparatief -der, bijv. raarder, helderder. De superlatief van adjectiva op -st wordt ter vermijding van -stst wel omschreven met meest, bijv. de meest robuuste gezondheid, het meest drieste antwoord.
Onregelmatige comparatie komt voor bij:
goed beter best en bij veel meer meest; weinig minder minst die op grond van hun betekenis tot de telwoorden gerekend worden (zie 5.4.1.)
Comparatief- en superlatiefvormen bezitten dezelfde morfologisch-syntactische valentie als adjectieven in de stellende trap, bijv. groenere (deuren), (de) groenste (deur), (iets) lekkerders. Opgemerkt dient te worden dat bij comparatiefvormen de buigings-e soms achterwege kan blijven, waar dit bij de stellende trap niet kan, bijv.: mooier boeken dan deze ken ik niet, na korter(e) of langer(e) tijd. Waarschijnlijk spelen ritmische factoren hierbij een rol.
De comparatief- en superlatiefvalentie ontbreekt bij de stofadjectiva en de geografische op -er, en bij adjectiva, waarvan de betekenis comparatie moeilijk toelaat, zoals bij rechter en linker, eeuwig, dood, oneindig.
Sommige superlatieven drukken geen overtreffende trap uit, doch slechts een zeer hoge graad, bijv.: met het grootste genoegen; beste vriend. Men spreekt hier wel van elativus, omdat het vergelijkende moment niet meer aanwezig is. Participia, zowel tegenwoordige als verleden deelwoorden, kunnen volledige adjectivische valentie aannemen. Men noeme ze in dat geval zonder meer adjectief, bijv.: een vervallener huis dan dit is er nauwelijks; in de drukkendste warmte liepen we verder.
Tot de morfologische valentie van de adjectiva behoort voorts het vermogen om op basis van suffigering nieuwe adjectiva (sommige met beperkingen in het gebruik) te vormen.
Tot de veel voorkomende suffixen behoren:
| -ig, bijv. groenig, grijzig, lievig, doffig, lomig, nattig, rossig, rottig, rullig, viezig, vunzig, weeïg, zwartig en vele andere. |
| -erig, bijv. bruinerig, dikkerig, gekkerig, mystiekerig, rotterig, viezerig, zoeterig, zwarterig en vele andere.
Adjectiva op -ig kunnen slechts een formatie op -erig vormen indien -ig door -erig vervangen wordt. Van deftig is niet een vorm *deftigerig mogelijk, wèl daarentegen defterig, evenzo: buitenisserig, grimmerig, slorderig en andere. |
| -achtig, bijv. bitterachtig, bruinachtig, doofachtig, geelachtig, kaalachtig, natachtig, oudachtig en vele andere. |
| -tjes, bijv. fijntjes, kaaltjes, kleintjes, nauwtjes, povertjes, schraaltjes, saaitjes, vaaltjes en vele andere. |
| Als varianten hiervan komen vormen op -kens en op -ies voor, bijv. zachtkens, stillekens, zachies, leukies. |
| -elijk, bijv. dwaselijk, ganselijk, hogelijk, lichtelijk, strengelijk, trouwelijk, vagelijk, wijselijk en vele andere. |
Ook op basis van prefigering kunnen nieuwe adjectiva gevormd worden. Tot de veel voorkomende prefixen behoren:
| on- (met ontkennende waarde), bijv. ondiep, onecht, onedel, onheus, onrein, onrijp, onsterk, onsolide, onstabiel, onzeker en vele andere. |
| en een reeks prefixen met versterkende waarde (waarvan sommige weinig voorkomen), bijv. |
| aarts-, bijv. aartslui, aartsdom, aartsgemeen |
| oer-, bijv. oergek, oerlelijk, oeroud, oersaai |
| hyper-, bijv. hypermodern, hypergek, hyperduur, hypernerveus |
| super-, bijv. superfijn, superknap, superveilig |
| ultra-, bijv. ultrakort, ultraviolet, ultrafijn, ultraradicaal |
| reuze-, bijv. reuzegroot, reuzeleuk, reuzefijn |
In hun gebruik beperkt schijnen smoor-: smoorverliefd, smoordronken, dol: dolleuk, dolkomisch, stapel-: stapelgek, stapelmesjogge, stapelidioot, poep-: poepfijn, poepdeftig, dood-: doodarm, doodgewoon.
Sommige van deze prefixen komen zelf weer als adjectief voor, bijv.: super, ultra, reuze, smoor, stapel.
| L.C. Michels, Woordwording van affixen, NTg 50 (1957) 79-82, of in: Woorden over woorden, Groningen 1967, 60-64. |
Door middel van suffixen kunnen van adjectiva substantieven afgeleid worden, bijv. op:
| -heid, bijv. blijheid, dorheid, dwaasheid, gulheid, plompheid, wijsheid, zwakheid, akeligheid, gretigheid, bangigheid, bravigheid, bozigheid, stijvigheid en vele andere. |
| -te, bijv. bleekte, diepte, donkerte, dwarste, engte, holte, hoogte, kaalte, kalmte, klaarte, laagte, ruimte, verte, vlakte en vele andere. |
| -iteit, bijv. absurditeit, anonimiteit, humaniteit, loyaliteit, sonoriteit, spontaniteit, subtiliteit. Hoewel dit suffix bij voorkeur bij woorden van vreemde herkomst gebruikt wordt, komen toch ook flauwiteit, gemeniteit, laffiteit, leukiteit, rariteit voor. |
| -isme, bijv. modernisme, liberalisme, radicalisme, objectivisme. Dit suffix schijnt uitsluitend bij woorden van vreemde herkomst voor te komen. |
Deze formaties hebben met elkaar gemeen dat ze niet-individualiserend zijn, d.w.z. ze duiden geen personen aan. Zeer vaak kan men op deze wijze abstracte begrippen aanduiden.
Vervolgens zijn er de afleidingen met suffix:
| -erd, bijv. blekerd, bangerd, dikkerd, engerd, goeierd, knapperd, lelijkerd, leukerd, lieverd, olijkerd, slimmerd, stommerd |
| -aard, bijv. gierigaard, grijsaard, luiaard, rijkaard, snoodaard, valsaard, wreedaard |
| -ling of -eling, bijv. fanatiekeling, jongeling, komiekeling, lammeling, naarling, stommeling, vreemdeling, zwakkeling |
| -erik, bijv. bangerik, botterik, dommerik, flauwerik, lomperik, luierik, slimmerik, stommerik, stouterik, valserik, viezerik |
Als suffix kan ook beschouwd worden -kop in: domkop, stomkop, stijfkop, sufkop.
Deze formaties hebben met elkaar gemeen dat ze typisch-individualiserend zijn, d.w.z. ze duiden personen aan.
Tenslotte worden ook afleidingen gevormd met -je of -tje, met individualiserende waarde zowel voor personen als concrete voorwerpen gebruikt,
bijv.: brutaaltje, kleintje, vuiltje, zuurtje, natje, droogje, blondje, apartje, blauwtje, geeltje, cursiefje, halfje, rotje, oudje, liefje, rondje en vele andere.
Met buigings-e kan transpositie van een adjectief naar de klasse der substantiva plaats vinden. Men noemt dit substantivering.
Met buigings-e vinden we o.m.
vele typisch individualiserende formaties, zoals: de zieke, de blinde, de lamme, een kreupele, een doofstomme, een armlastige, de verdachte, een Amsterdamse, een Engelse.
Vele niet-individualiserende formaties, zoals: het ware, het schone, het goede, het kwade, het bovenzinnelijke, het aardse.
Zonder buigings-e
vele typisch individualiserende formaties, zoals: de bruut, een gek, een dwaas, een groen, een zot, een pedant, een verwant, de debiel, het jong.
Vele niet-individualiserende formaties, zoals: het rood, het zuur, het kwaad, het vet, het naakt, het wild, het totaal.
We benoemen zulke woorden als substantieven.
Door middel van affigering kunnen van adjectiva ook werkwoorden afgeleid worden. En wel door:
suffigering met -en
bijv. dollen, echten, kuisen, legen, openen, rijpen, ronden, wankelen, witten, zuiveren
alsmede samenstellende afleidingen als toe-eigenen, afmatten, uithollen, opmonteren, afslanken.
suffigering met -en en prefigering met ver-
bijv. verarmen, verbitteren, verdoffen, verdoven, verduitsen, veredelen, verfijnen, verfraaien, vergroten, verheerlijken, vernieuwen, vervalsen en vele andere alsmede de van comparatieven afgeleide vergelijkbare formaties zoals verergeren, verminderen, verouderen, verslechteren, verwilderen.
suffigering met -en en prefigering met be-
bijv. bedroeven, (zich) bezatten, beveiligen, bezuinigen, bekoelen, bevreemden
suffigering met -en en prefigering met ont-
bijv. ontbloten, ontnuchteren, ontzilten, ontharden, ontronden, ontfransen
suffigering met -éren
bijv. blonderen, continueren, halveren, kalmeren, kleineren, preciseren
suffigering met -iseren
bijv. concretiseren, liberaliseren, moderniseren, radicaliseren, stabiliseren.
| H. Schultink, De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands, Den Haag 1962. |
Samengestelde adjectiva kunnen bestaan uit:
| 1. | bn + bn
bijv. bruinzwart, donkerrood, lichtblauw, doofstom, doldriftig, zuurzoet, edelachtbaar |
| 2. | zn + bn
bijv. ijzersterk, loodzwaar, stofvrij, hokvast, moddervet, ijskoud, pijlsnel, ovenvers, vuurvast, topzwaar, asgrauw, kurkdroog, peperduur, bezemschoon, broodnodig, tandschoon met bindings-s bijv.: doodsbleek, koningsgezind, hemelsblauw, bezienswaardig, lezenswaard, zielsziek, krijgslustig |
| 3. | werkwoordsstam + bn
bijv. praatlustig, weetgierig, kraakhelder, fonkelnieuw, kakelvers, spilziek, leergierig |
| 4. | prepositie (resp. bijwoord) + bn
bijv. doornat, ingelukkig, overheerlijk, overcompleet, bovenmenselijk en: aloud, opperbest, weledel, zeergeleerd, hooggeleerd |
In sommige gevallen is niet uit te maken of het eerste lid de waarde van een prefix heeft, bijv. stokstijf, maar daarnaast stokoud, stokdoof; stikvol, maar daarnaast stikdruk, stikdonker, stikbenauwd; wonderschoon, maar daarnaast wondergoed, wonderknap; doodziek, maar daarnaast doodeerlijk, doodarm, doodgewoon.
Bij de bespreking van samenstellingen moet aandacht gevraagd worden voor de zgn. copulatieve samenstellingen of samenkoppelingen van bn + bn, van het type algemeen-menselijk, algemeen-beschaafd, historisch-kritisch, vroom-
aandachtig. Opmerking verdient dat alleen het laatste lid geflecteerd kan worden, bijv. de Brits-Amerikaanse zone, in geestelijk-pastorale zin.
Blijkbaar bloeien dergelijke formaties vooral in de schrijftaal, speciaal in geleerde verhandelingen, wat een verklaring biedt voor het feit dat juist uitheemse woorden als componenten van zulke samenkoppelingen fungeren. Bijv.: literair-kritisch, officieel-politiek, cultisch-sacraal, dogmatisch-ethisch.
| G. Royen, Semi-fleksie, NTg 45 (1952) 98-102. |
Bij de syntactische aspecten van de adjectiva kan men onderscheid maken tussen attributief gebruik en predikatief gebruik.
Van attributief gebruik spreekt men wanneer het bn deel uitmaakt van een zinsdeel met een zn als kern, d.w.z. wanneer het bn een zn bepaalt en dus Bijv. Bep. is.
Van predikatief gebruik spreekt men wanneer het bn zelf zinsdeel is, bijv. naamw. gez. of Bep. v. gest.
In de woordgroepen, waarvan bij zgn. attributief gebruik sprake is, kan het bn onverbogen of met een buigings-e voorkomen, al naar gelang het voorafgegaan wordt door een bepaald of een onbepaald woord en gevolgd wordt door een zn van de de- of de het-klasse. Men kan dus het voorkomen, resp. achterwege blijven van de buigings-e beschouwen als een gecombineerd morfologisch-syntactische eigenaardigheid.
Onverbogen is het bn wanneer het gevolgd wordt door een het-woord in het enkelvoud of wanneer het voorafgegaan wordt door woorden als een, geen, ieder, elk, zulk, zo'n of menig en gevolgd door een het-woord in het enkelvoud.
Bijv.: sterk ijzer, vers vlees, oud brood
een aardig kind, geen leuk kind, ieder mooi boek, elk oud huis, zulk
oud brood, zo'n onaangenaam geval, menig lastig parket.
Met een buigings-e verschijnt het bn wanneer het gevolgd wordt door een de-woord in enkelvoud of meervoud, resp. door een het-woord in het meervoud
of wanneer het voorafgegaan wordt door een bepalend woord (lidwoord, aanwijzend vnw., bezitt. vnw., vragend vnw.) en gevolgd door een de-woord in enkelvoud of meervoud, een het-woord in het meervoud, of een het-woord in het enkelvoud voorzover niet vallend onder de bepalingen hierboven genoemd.
Bijv.: goede wijn, verse melk, witte wijnen, mooie boeken, een groene deur, de oude man, die aardige jongen, zijn nieuwe schoen, welke smalle
straat, de oude mannen, die aardige jongens, zijn nieuwe schoenen, welke smalle straten, dit aardige kind, zijn nieuwe boek, geen leuke kinderen.
In woordgroepen als bedorven melk en verse, oude auto's of nieuwe mag men de woorden verse en nieuwe als attributief gebruikt beschouwen, hoewel zij op het eerste gezicht niet aan de bovengegeven definitie schijnen te voldoen. Men kan echter een groep als oude auto's of nieuwe op goede gronden ontleden als twee door of nevengeschikte groepen, waarvan de tweede samentrekking vertoont (nieuwe< nieuwe auto's). Voor deze opvatting pleit de buigings-e die zich aansluit bij het zn uit de eerste groep. Men vergelijke nog: witte wijn en rode, maar oud ijzer en nieuw.
Samengetrokken woordgroepen kan men ook onderkennen indien ze op grotere afstand van elkaar voorkomen, bijv. Dit oude huis vind ik mooier dan dat nieuwe. Een klein boek kan belangrijker zijn dan een groot.
Stilistisch bepaald schijnt de variatie die het Nederlands bij het gebruik van de buigings-e der adjectieven toelaat in woordgroepen met een zn dat een persoon (meestal een man) in de uitoefening van een beroep of in enigerlei functie aanduidt. Indien voorafgegaan door geen, enig, zeker, welk, 'n, een, ieder, elk of menig kan in zo'n geval de -e achterwege gelaten worden. Ook bij het woord man komt deze variatie in de buiging van het adjectief voor.
Bijv.: een verstandig(e) man, ieder(e) jong(e) arts, menig(e) Nederlands(e) geleerde, een beroemd(e) schilder, een bekwaam(e) steenhouwer, een goed(e) naaister.
Het is niet zeker of het verschil tussen een verstandig man en een verstandige man meer dan stilistisch, nl. semantisch is. Zeker is er semantisch verschil tussen een groot man en een grote man.
Sommige woordgroepen bestaande uit bn + en + bn bezitten de eigenaardigheid dat alleen het tweede bn geflecteerd kan worden, terwijl het eerste onveranderd blijft, bijv. kant en klaar in een kant en klare doe-het-zelf-installatie. Evenzo dubbel en dwars(e), schots en scheef (scheve), Die geel en witte bloemen van Dryas Octopetala (W.F. Hermans, Nooit meer slapen 1966, blz. 110).
| G. Royen, Semi-fleksie, NTg 45 (1952) 98-102. |
Attributief gebruik van het bn komt ook voor in woordgroepen bestaande uit een al dan niet nader bepaald zn gevolgd door een bn. Men spreekt dan van postpositie van het bn.
Bijv.: een meisje loos, roosje rood, God almachtig.
Dit gebruik is vooral bekend uit (oudere) poëzie.
Van postpositie is ook sprake in enige vaste uitdrukkingen als: zondag aanstaande, maandag eerstkomende, de dag daaraanvolgende.
Het is zeer de vraag of samenstellingen als procureur-generaal, gouverneurgeneraal en luitenant-generaal de taalgebruiker nog bewust zijn als samenstellingen van een zn + bn in postpositie. Als meervoud is nog altijd gouverneurs-generaal voorgeschreven (men vergelijke ook Staten-generaal), maar de spontaan gevormde meervouden als luitenant-generaals wijzen erop dat men zich de status van het bn niet meer realiseert.
Aparte vermelding verdient het attributief gebruikte bn na de in postpositie bij eigennamen, bijv. Karel de Grote, Philips de Schone, Iwan de Verschrikkelijke. Deze woordgroepen worden in de flexie als eenheid behandeld, getuige genitiefformaties als Karel de Grotes regering, Karel de Stoutes dood.
Uitsluitend attributief gebruik komt voor bij de stofadjectieven. Men kan zeggen de ijzeren kachel, maar onmogelijk is *de kachel is ijzeren. Door deze beperking onderscheiden de stofadjectieven zich van alle andere adjectiva.
Naast de hierboven besproken woordgroepen zijn bij attributief gebruik verschillende andere woordgroepen mogelijk, waarvan we hier noemen:
te + bn
bijv.: te grote eer, een te brede deur, dat te dure boek
zo'n + bn
bijv.: zo'n grote eer, zo'n brede deur, zo'n duur boek
zo + onverbogen bn + een (in verheven stijl)
bijv.: zo groots een taak, zo edel een vorst
even + bn (...) + als
bijv.: een even brede deur als in jouw huis; een even brede als hoge deur.
Comparatieven en superlatieven kunnen eveneens attributief gebruikt worden,
bijv.: een hogere fiets dan die oude van jou; heb je ooit dikker(e) croquetten gezien? de dikste jongen van de klas; de grootste vliegtuigen.
Predikatief gebruikt komt het bn alleen in onverbogen vorm voor als zinsdeel en wel
| 1. | als naamw. deel van het gezegde
bijv. de melk is zuur, vader wordt oud, dat boek is duur geweest, hij schijnt ziek |
| 2. | als bepaling van gesteldheid
bijv. hij verft het hek rood, moe keerden de wandelaars terug, ik heb hem ziek naar huis gebracht. |
| 3. | als bijwoordelijke bepaling
bijv. dat meisje schrijft keurig, hij loopt hard, hij tennist goed. |
In de traditionele grammatica benoemt men keurig, hard, goed als bijwoorden; de bepaling heet ook Bijw. B. De laatste jaren echter neigen verschillende taalkundigen ertoe het hier genoemde gebruik tot de valentie van het adjectief te rekenen. Inderdaad verschillen deze woorden in valentie aanmerkelijk van onverdachte bijwoorden als altijd, nooit, soms e.a. die onverbuigbaar zijn, terwijl voor adjectivische valentie de mogelijkheid tot comparatie spreekt, bijv. hij loopt harder. Op grond van hun functie noemen we ze echter bijwoord.
| P.C. Paardekooper, Wijlen ons koppelwerkwoord? LT 1958, 115-122, of TiA 202-209. |
| H. Roose, Wijlen ons koppelwerkwoord? LT 1958, 342-345, of TiA 210-213. |
| P.C. Paardekooper, Koppelwerkwoorden met iemand hebben, LT 1958, 536-543 of: TiA 214-221. |
| H. Schultink, De morfologische valentie van het ongelede adjectief in modern Nederlands, Den Haag 1962. |
Enige adjectiva kunnen alleen predikatief gebruikt worden, zoals anders, benieuwd, handgemeen, jammer, onwel, wel, welletjes.
Bijv.: het geval is anders, ze werden handgemeen, dat is jammer, nou is het welletjes, hij is bek-af, de zaak is weer pico-bello.
Tot deze groep behoren ook adjectiva die met een koppelwerkwoord, meestal zijn of worden, een vaste uitdrukking vormen en altijd met een oorzakelijk voorwerp verbonden worden, bijv.: bestand zijn tegen, behept zijn met, deelachtig zijn aan, indachtig zijn aan, tuk zijn op, wars zijn van.
Ook oorzakelijke voorwerpen (zonder voorzetsel) kunnen bij sommige vaste verbindingen voorkomen, bijv. iets beu zijn, het spoor bijster zijn, iets gewaar worden, iets kwijt zijn, iets kwijt raken, iets meester zijn.
Een vaste uitdrukking is voorts dat is niet pluis.
Comparatieven kunnen in onverbogen vorm zonder meer predikatief gebruikt worden, bijv.: deze bloemen zijn mooier dan die van vorige week; ze ruiken lekkerder.
Superlatieven kunnen in een woordgroep bestaande uit het + (on)verbogen superlatief predikatief gebruikt worden,
bijv.: die bloemen zijn het mooist(e), die jongen schaakt het best(e).
Voor de benoeming van het in dergelijke gevallen verwijzen we naar het slot van 5.6.
| W. van Calcar, Maat en vergelijking I: De struktuur van de positief en de comparatief, NTg 67 (1974), 32-40. |
| W. van Calcar, Maat en vergelijking II: De struktuur van de superlatief, NTg 67 (1974), 119-138. |
Semantisch gedefinieerd zijn telwoorden (of numeralia; enkelvoud: numerale) de woorden die een aantal of een door tellen bepaalde plaats in een volgorde of rangorde aanduiden. De telwoorden die een aantal aanduiden noemt men hoofdtelwoorden, de andere rangtelwoorden.
Morfologisch beschouwd is het totale aantal morfemen dat als zuiver telwoord dienst doet beperkt: nul, één t/m tien, elf, twaalf, dertien, veertien, twintig, dertig t/m negentig, honderd, duizend, miljoen, miljard, biljoen (en nog enige minder gebruikelijke getalsnamen die in de astronomie gebruikt worden), alsmede eerste en derde. Alle andere zuivere telwoorden zijn morfologisch beschouwd afleidingen of samenstellingen van de bovengenoemde.
Op grond van de betekenis wordt ook beide (= twee) wel tot de hoofdtelwoorden gerekend, alsmede géén (= niet één) wanneer het nadruksaccent heeft.
Syntactisch beschouwd zijn numeralia woorden die met een volgend substantief in het meervoud een woordgroep kunnen vormen. Allen één en de breukgetallen kunnen slechts met een substantief in het enkelvoud verbonden worden.
Tot de semantische aspecten van de telwoorden behoort het onderscheid in bepaalde en onbepaalde telwoorden. Door middel van de bepaalde telwoorden kan men nauwkeurig tellen of nummeren, met de onbepaalde kan dat niet.
Tot de bepaalde hoofdtelwoorden rekent men alle gehele getallen, bijv. één, twee, tien, vijfenveertig, zeshonderdtwee, drie miljoen. Ook nul, geen en beide worden tot deze groep gerekend, alsmede de namen van breukgetallen, bijv. vier vijfde, een half, twee derde, een zestiende.
Tot de onbepaalde hoofdtelwoorden rekent men woorden die in dezelfde positie als de bepaalde hoofdtelwoorden een onbepaald aantal of niet nader bepaalde hoeveelheid aangeven. Ze vormen een tamelijk bonte groep, waaronder men aantreft: enkel, menig, enkele, enige, genoeg, sommige, verscheidene, verschillende, wat, luttele, ettelijke, veel, weinig, alle.
Tot de bepaalde rangtelwoorden rekent men de woorden die een nauwkeurig bepaalde plaats in een reeks of rangorde aangeven, bijv. eerste, derde, twintigste, vijfhonderdste, zevenhonderdachtenveertigste.
Op grond van de betekenis wordt ook ander (= tweede) wel tot de bepaalde rangtelwoorden gerekend, bijv. zijn ander ik; daarentegen beschouwt men het als adjectief in andere heersers, andere zeden, waar het geen tellend karakter bezit.
Tot de onbepaalde rangtelwoorden rekent men de woorden die een relatief bepaalde plaats in een reeks of rangorde aangeven, nl. middelste en laatste; die naar een plaats in de reeks vragen, nl. hoeveelste, of naar een plaats verwijzen zonder nauwkeurig noemen: zoveelste.
Tot de morfologische aspecten van de hoofdtelwoorden behoort hun vermogen om in een aantal gevallen een buigingsuitgang -en aan te nemen. Dit vermogen blijft beperkt tot telwoorden tot en met honderd. Bijv.: met z'n tweeën, met z'n vijven, iets in achten verdelen, met hun twaalven, met z'n veertigen kwamen ze daar aanzetten, het is over achten, jullie drieën, met ons vieren.
De grenzen tussen het mogelijke en onmogelijke zijn hier moeilijk te trekken. Menigeen zal met z'n veertigen nauwelijks toelaatbaar vinden, met z'n twintigen daarentegen wel. Anderen zullen de grens ruimer stellen. Zeker is echter wel dat men boven de honderd deze formatie niet licht meer tegenkomt.
Deze uitgang -en mag niet verward worden met de meervoudsuitgang -en die, evenals -s (beíde uitgangen zijn morfologisch bepaald) bij de telwoorden gebruikt kan worden. In dat geval echter heeft men te maken met zelfstandige naamwoorden (namen van getallen of cijfers), bijv. Hij heeft twee achten en vier zessen op zijn rapport. Die drieën moet je duidelijker schrijven. Hij gooide twee zessen (met dobbelstenen). De syntactische valentie wijst hier ook in de richting van een zn zoals blijkt uit het gebruik van een zeven, een tien, een vijfje, twee tientjes.
Ook de -en van honderden, duizenden, miljoenen kan als meervoudsuitgang beschouwd worden. Het gebruik van deze woorden in wendingen als honderden mensen, duizenden mensen, miljoenen muggen heeft de betekenis dermate vaag gemaakt dat men ze in deze meervoudige vorm tot de onbe-
paalde hoofdtelwoorden kan rekenen. Door sommigen worden ze zelfs als adjectivisch gebruikte telwoorden gevoeld, zoals blijkt uit de schrijfwijze honderde mensen.
De belangrijkste morfologische valentie van de hoofdtelwoorden is het vermogen om door middel van het suffix -de of -ste rangtelwoorden te vormen.
Na twee, vier, vijf, zes, zeven, negen, tien, elf, twaalf, dertien t/m negentien verschijnt het suffix -de. Een onregelmatige vorm is derde.
Na acht, twintig en alle telwoorden boven twintig verschijnt het suffix -ste. Een onregelmatige vorm is eerste.
Een geheel geïsoleerd staande afleiding vormt het werkwoord éénentwintigen als benaming van een kaartspel, en het moderne woord tiener ter vertaling van het Engelse teen-ager. Vgl. ook nog: een veertiger, de Tachtigers, de Vijftigers. Verder noemen we nog: getweeën, gedrieën, gevieren.
De hoofdtelwoorden bezitten een onbeperkt vermogen tot samenstelling om nieuwe getallen te vormen. De vorming van samenstellingen is echter aan regels gebonden: bij telwoorden onder de honderd gaat het kleinste getal aan het grootste vooraf; boven de twintig wordt als verbindend morfeen -en- ingevoegd: bijv. vijftien, zestien, negentien, maar eenentwintig, drieëntwintig, enz.
Bij de samengestelde telwoorden boven de duizend heerst enige vrijheid: 1205 luidt gewoonlijk twaalfhonderdvijf, maar ook (één) duizendtweehonderdvijf is mogelijk. Boven de honderd is trouwens de invoeging van -en- facultatief: naast honderdtwaalf hoort men ook: honderdentwaalf enz.
Door middel van de gesuffigeerde morfemen -voud, -voudig, -maal en -tal kunnen de telwoorden woorden van een andere klasse vormen:
| bijv. substantiva: | tweevoud, viervoud, vijftal, achttal, honderdtal; ook: veelvoud, meervoud |
| adjectiva: | viervoudig, zesvoudig (daarnaast geïsoleerd: veelvuldig) |
| adverbia: | viermaal, vijfmaal, ook: andermaal |
Ouderwets is de samenstelling met -lei en -hande die met morfeemverandering van het telwoord gepaard gaat, bijv. tweeërlei, drieërlei, vierderlei, velerlei, allerhande, velerhande.
De morfologische valentie van de rangtelwoorden is beperkt. Hoewel ze overeenkomsten met de adjectiva bezitten is een belangrijk verschilpunt het ontbreken van het vermogen tot comparatie. Slechts bij zelfstandig gebruik in het meervoud en indien gebruikt ter aanduiding van mensen verschijnt een -n als suffix; vooral bij de onbepaalde rangtelwoorden is dit het geval, bijv.: de laatsten zullen de eersten zijn.
Het vermogen tot samenstelling is hier beperkt tot de rangtelwoorden eerst en laatst die samengesteld met een zn voorkomen, bijv.: de eerstgekomene, de eerstgeborene, de laatstbijgekomene, de laatstgenoemde.
Een syntactisch aspect van het hoofdtelwoord vormt de mogelijkheid om geheel zelfstandig als LV te kunnen optreden in de volgende sjablone, die tevens een operationele definitie levert: alles wat kan worden ingevuld in
| (1) | Daarvan heb ik er... |
noemen we hoofdtelwoord bijv.:
| (2) | Daarvan heb ik er vijf. |
| (3) | Daarvan heb ik er driehonderd. |
| (4) | Daarvan heb ik er verscheidene. |
| (5) | Daarvan heb ik er genoeg. |
Alleen de breukgetallen kunnen niet na er gebruikt worden; wel als er weggelaten wordt:
| (6) | Daarvan heb ik een derde. |
We wijzen erop dat in (5) genoeg onmiskenbaar telwoord is; zonder er wordt de zin dubbelzinnig:
| (5a) | Daarvan heb ik genoeg. |
Zin (5a) kan namelijk ook betekenen Ik heb er genoeg van in de zin van ‘Ik verfoei dat’, ‘Ik wil dat niet meer’; genoeg hebben van iets is dan een werkwoordelijke uitdrukking.
Als zinsdeel kunnen deze telwoorden ook nog voorkomen als OND, en als MV, bijv.:
| (7) | Twee gingen weg, maar vier bleven nog. |
| (8) | Karel heeft er acht een snoepje gegeven. |
Als Bijv. B. maken hoofdtelwoorden deel uit van woordgroepen. Behalve één en de breuknamen kunnen ze een woordgroep vormen met een zn in het meervoud. Dit zn kan nog nadere bepalingen bij zich hebben; in dat geval geldt dan de regel dat het telwoord zover mogelijk vooraan staat. Alleen deiktische (= aanwijzende) woorden als lidwoorden en voornaamwoorden gaan daar weer aan vooraf, bijv.:
| (9) | drie huizen |
| (10) | die drie pasgebouwde grote huizen. |
Het zn kan ook ontbreken; de volgende woordgroepen zijn als ellipsen te beschouwen:
| (11) | De twee liepen hand in hand weer weg. |
| (12) | Ik heb die andere vijf al ingepakt. |
In al of niet verbogen vorm kunnen de bepaalde hoofdtelwoorden een woordgroep vormen met een voorafgaand voorzetsel, bijv. in vijven, over twee, over tweeën, bij zessen, na achten of met een voorafgaand persoonlijk
of bezittelijk voornaamwoord (veelal weer voorafgegaan door een voorzetsel), bijv. wij twee, wij tweeën, ons tweeën, met ons drieën, met z'n beiden, jullie vieren, met hun beiden.
Een apart geval vormen data, bijv.: twee januari, vijf december. Het opmerkelijke is dat de naam van de maand niet in het meervoud kan voorkomen. Misschien is deze woordgroep pas mogelijk door het schriftbeeld: 2 juni enz. We zouden dan met een soort spellinguitspraak te maken hebben. Ook achter een zn geplaatst kunnen bepaalde hoofdtelwoorden met dat zn een woordgroep vormen. Meestal (doch niet altijd!) is het zn een eigennaam, bijv. Willem één, Karel één, Willem drie, Pius tien, Emmalaan negenentwintig, bladzij vijftig, hoofdstuk zes, deel acht, lijn vier.
De functie van het telwoord omvat hier veeleer een nummeren dan een tellen. Waarschijnlijk is ook deze soort woordgroep door het schriftbeeld mogelijk: Karel I, hoofdstuk VI, Hoogstraat 24; er zou dus weer sprake zijn van spelling-uitspraak.
Geen nummerende, maar een noemende functie is aan te treffen bij enige eigennamen: Plein 1813, de Stichting 1940-1945, Laan 1940-1945.
Een relativerende betekenis krijgt een telwoord wanneer het lidwoord een eraan voorafgaat,
bijv.: een dertig tafels en een goeie vijftig stoelen.
De betekenis is te parafraseren als
ongeveer dertig tafels en ruim vijftig stoelen.
Er is hier sprake van een telwoord, in tegenstelling tot woordgroepen als een zes voor aardrijkskunde, die drie beneden aan de bladzij, waar sprake is van een zn (cijfer- en/of getalsnamen).
De syntactische valentie van de onbepaalde hoofdtelwoorden heeft grote overeenkomst met die van de adjectiva. Sommige kunnen met een zn in het enkelvoud (meestal een stofnaam) een woordgroep vormen, andere daarentegen alleen met een zn in het meervoud, bijv. weinig water, veel water, genoeg water; wat zout, verscheidene uren, sommige boeken, enige appels, veel mensen, genoeg kamers, ettelijke studenten.
Enkele van deze groepen kunnen nog uitgebried worden met een voorafgaand deiktisch woord (lidwoord, aanwijzend vnw., bezitt. vnw.), bijv. dat weinige water, dat vele water, die enkele mensen, de vele boeken, die er lagen, zijn vele boeken.
In de groep een weinig water is er reden weinig als een substantief te beschouwen; verbuiging is hier onmogelijk. Bovendien blijkt het substantivisch karakter uit de diminutief-valentie: een weinigje water.
In woordgroepen als weinig water, veel suiker, genoeg soda doet zich het merkwaardige feit voor dat een niet-telbaar substantief, een stofnaam, voorafgegaan wordt door een telwoord. Sommige grammatici rekenen daarom weinig, veel, genoeg in dat soort gevallen tot de onbepaalde voornaamwoorden (zie 5.7.6). Wanneer een telbaar substantief - in het meervoud - volgt, blijkt het telwoord-karakter van de onbepaalde hoofdtelwoorden echter duidelijk: