Gehuwd en ongehuwd


auteur: C.J.B.J. Trimbos


bron: C.J.B.J. Trimbos, Gehuwd en ongehuwd. Uitgeverij Paul Brand, Hilversum Maaseik 1967 (elfde druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 172]



illustratie

[p. 173]

Hoofdstuk 8/Homosexualiteit

De homosexualiteit is een menselijk en een maatschappelijk verschijnsel van zulk een grote en brede omvang, dat ieder mens in onze samenleving er enigszins van op de hoogte zou moeten zijn. Voorzichtige schattingen geven aan, dat ongeveer 3% van de mensen homosexueel is. Dat wil zeggen voor een stad als Amsterdam, dat er een 25.000 homosexuelen wonen (tezamen de bevolking van een kleine stad vormend!). Dergelijke percentages over het aantal homosexuele mannen en vrouwen dienen ons aan het denken te zetten.

Een tweede reden om de homosexualiteit aan de orde te stellen is het vaak onnodige leed, dat onze in dit opzicht zo hardvochtige samenleving de homosexuele mens in het algemeen berokkent. Daarom willen we pogen een meer verantwoord beeld te geven van het verschijnsel homosexualiteit en van de moeilijkheden van al die homosexuelen, die alleen en in stilte hun anders-zijn als een zware last mèt zich torsen.

Een derde reden vormen tenslotte het wanbegrip en de onkunde, die menig, ook gevormd mens omtrent de homosexualiteit nog heeft. Zoals ik onder andere bevestigd vond in een lange brief, waarin een luisteraarster haar bezorgdheid over het toenemende zedenverval uiteenzette. Een van haar punten betrof de vroegtijdige en vrijmoedige geslachtelijke omgang tussen jongens en meisjes ‘Dat is de oorzaak van de moderne ontucht’, schreef zij. ‘Dat kweekt al die homosexuelen van tegenwoordig en dat is ook geen wonder’. Kennelijk was voor deze briefschrijfster een homosexueel iemand, die op geslachtelijk gebied volkomen losgeslagen is en zich nergens aan stoort. En hoevelen mèt haar zullen daar niet hetzelfde over denken?

[p. 174]

Wat is homosexualiteit dan? Het is blijkbaar nodig dat nog eens duidelijk te zeggen. Homosexueel noemen we de instelling van iemand, wiens sexuele gevoelens gericht zijn op mensen van het eigen geslacht. Ofwel met andere woorden: onder het verschijnsel homosexualiteit vatten we alle activiteiten en belevingen samen, waarbij de geslachtelijke aantrekking voor het eigen geslacht het drijvende moment is. Een homosexuele man voelt zich sexueel aangetrokken tot de man. Hij kan er verliefd op zijn, er echt van houden ook, er al of niet sexueel contact mee hebben. Dit alles heeft voor hem eenzelfde beleving en betekenis als de verliefdheid, de liefde of het contact met een vrouw dat voor een normale man heeft. Een homosexuele vrouw voelt zich op gelijke wijze geslachtelijk gericht op andere vrouwen. Men maakt tegenwoordig wel onderscheid tussen de woorden homosexualiteit en homophilie. Dit laatste woord - homophilie -, dat vooral in de kring van deze mensen zelf gebruikt wordt, duidt dan meer de instelling op het eigen geslacht aan, terwijl het woord homosexualiteit meer de direkte sexuele activiteiten wil aangeven. Wij zullen om de zaak niet nodeloos ingewikkeld te maken, dit onderscheid hier verder niet gebruiken en alleen over homosexualiteit spreken. Welnu, daaromtrent zijn een aantal wanbegrippen en vooroordelen in omloop, die meestal nogal kwaadaardig van aard zijn. Men kan ze regelmatig beluisteren.

De volgende onjuiste meningen worden in de hiervolgende bladzijden besproken:

1.Homosexualiteit komt alleen bij mannen voor.
2.Homosexuelen zijn verwijfde, flauwe types.
3.Homosexuelen voelen zich vooral tot jonge jongens aangetrokken.
4.Homosexuelen zijn eerst en vooral sexuele lustzoekers.
5.Homosexuelen vindt men alleen in bepaalde beroepen.
6.Homosexuelen vormen groepen, die elkaar in 't geheim bevoordelen.
7.Homosexuelen trouwen nooit.
[p. 175]
8.Homosexuelen zijn vlinderachtig en onbetrouwbaar in hun onderlinge contacten.
9.Onder homosexuelen komen meer misdadigers voor.
10.Homosexualiteit is strafbaar bij de wet.

 

1] Ten eerste dus: ‘homosexualiteit komt alleen bij mannen voor, vrouwen zijn zo niet, doen zo iets niet’. Een merkwaardige misvatting, die waarschijnlijk berust op het feit, dat we de intieme omgang tussen vrouwen nauwelijks opvallend vinden. Twee vrouwen, die elkaar zoenen, elkaar publiekelijk omhelzen en zelfs twee vrouwen, die met elkaar op de dansvloer verschijnen, verbazen ons niet. Maar twee mannen zouden dat niet moeten proberen, zelfs niet als er van homosexualiteit geen sprake is. Nog niet zo lang geleden is er in de pers nogal verontwaardigd gereageerd op de spontane omhelzingen en zoenen van voetballers na een gemaakt doelpuntje. Vele T.V.-kijkers die niet zo op de hoogte waren van deze ‘voetbalmanieren’ schijnt dit geërgerd te hebben. Als hockeyspeelsters of zwemsters dat doen, vinden we het alleen maar charmant en denken we niet aan homosexualiteit.

Toch komt de homosexualiteit, die we dan Lesbische liefde noemen, ook wel degelijk bij vrouwen voor, zij het dan ook minder dan bij mannen. In het grote onderzoek van Kinsey, die de sexuele gewoontes van vele duizenden mannen en vrouwen nauwkeurig heeft onderzocht, kunnen we lezen, dat van de vrouwen, die hij onderzocht en die met 35 jaar nog ongehuwd waren, er 25%, dus 1 op de vier, een of meer vormen van homosexueel kontakt gekend had. Voor de mannen was dit getal ruim tweemaal zo groot: 51% van de ongehuwde mannen van 35 jaar bleek homosexuele kontakten te hebben gehad. Het is onjuist om deze cijfers ongewijzigd ook voor ons land van toepassing te achten; wij beschikken in ons land niet over dergelijke, door goed onderzoek verkregen cijfers. Maar het is even onjuist te menen, dat in Nederland de homosexualiteit onder vrouwen niet of nauwelijks voorkomt.

2] Vele mensen menen, dat alle homosexuelen verwijfd of flauw

[p. 176]

of onmannelijk zijn in hun gedrag en uiterlijk. Dat gepommadeerde, geparfumeerde mannen met suède schoenen en vlinderdasjes de typische homosexuelen zijn. Ongetwijfeld, er zijn een aantal homosexuele mannen, die zich opvallend kleden en gedragen, zich de wenkbrauwen scheren, zich schminken en wat dies meer zij. Toch is dit maar een kleine minderheid, die eigenlijk door hun vaak bewust opvallend en afweer opwekkend uiterlijk slechts protest wil aantekenen tegen het feit, dat men hen niet accepteert. Eenzelfde soort protest en uitdaging als bij de zich niet genomen wetende jongelui, die zich als nozem of provo opdoffen. Neen, het overgrote merendeel der homosexuele mannen kleedt en gedraagt zich net als iedereen. Persoonlijk heb ik dat telkens ervaren, wanneer een patiënt op het spreekuur als reden van zijn komst mededeelde homosexueel te zijn. Een mededeling, die door niets aan zijn kleding, houding, gebaren of wat dan ook bevestigd werd. Nog opvallender is dit, wanneer mensen, die men jarenlang in zijn kenissenkring als in geen enkel opzicht opvallend meegemaakt heeft, zich in een vertrouwelijk gesprek eens uitspreken over hun homosexualiteit.

Op dit punt zijn onderzoekingen gedaan. Een groot engels onderzoek komt tot de conclusie, dat 87% van de onderzochte mannelijke homosexuelen door niemand als zodanig herkend wordt. Wel een sprekend bewijs tegen deze foutieve opvatting omtrent de verwijfde aard en manieren van de doorsnee homosexueel.

3] Hardnekkig en kwaadaardig is de volgende opvatting: Iedere homosexueel voelt zich sexueel aangetrokken tot knapen, tot minderjarige jongens. Of nog anders gezegd: in iedere homosexueel schuilt een mogelijke kinderaanrander. Een opvatting, die door sommige misdrijven en de grote publiciteit die deze plegen te krijgen ten onrechte bij het grote publiek wordt gevestigd. Deze opvatting is geheel onjuist. Even onjuist en dwaas als het is om aan te nemen, dat in iedere niet-homosexuele volwassen man een mogelijke verkrachter van minderjarige meisjes schuil gaat. Die mannen bestaan wel. Helaas! Maar deze ernstige afwijking komt ge-

[p. 177]

lukkig maar heel weinig voor. Datzelfde geldt voor homosexuele mannen. Er is gelukkig maar een klein percentage van het grote aantal homosexuele mannen, dat zich tot kinderen voelt aangetrokken. Het is zeer waarschijnlijk, dat de sexuele knapenliefde een geheel andere wordingsgeschiedenis heeft dan de gewone homosexualiteit. Zou de weerzin en de ondoordachte afschuw voor de homosexualiteit niet juist voor een deel toe te schrijven zijn aan de hardnekkige, maar zo onware, mening dat iedere homosexueel vooral een knapenschender zou zijn?

Dat men maatregelen neemt tegen volwassenen, die kinderen sexueel misbruiken is inderdaad begrijpelijk en nuttig. Men dient dan echter geen onderscheid te maken tussen homosexuele en heterosexuele mensen, die zich aan kinderen vergrijpen. Het is een hardnekkige vorm van discriminatie om bij alle homosexuelen sexuele verlangens naar kinderen aan te nemen. Daarom is deze derde misvatting dan ook zo kwaadaardig.

4] De misschien wel meest verbreide opvatting is, dat iedere homosexueel in wezen iemand is, die er steeds weer op uit is zich sexueel lust te verschaffen op een manier, die zich van God of gebod niets aantrekt. Homosexueel en lustzoeker zijn woorden, die bij elkaar horen, vindt men. Aan deze opvatting ligt een tragisch waanidee omtrent de homosexualiteit ten grondslag. Alsof een mens bewust de richting en instelling zou kunnen kiezen, waar zijn sexuele verlangen naar uitgaat! Alsof hij het zelf voor het zeggen heeft, of hij zich geslachtelijk tot de man of tot de vrouw aangetrokken voelt! En toch, hoe vaak kan men dit niet horen, als het over een homosexueel gaat? ‘Als hij maar beter zou willen, als hij maar echt zijn best zou doen, als hij maar eens goed wilde luisteren, als hij maar meer onder meisjes zou willen komen, als hij zijn vrienden maar eens minder opzocht, als... als... als’. Waaruit men dan steeds een min of meer verholen verwijt kan beluisteren. Eigenlijk wil men er mee zeggen, dat het niet nodig is, dat iemand met een homosexuele instelling blijft rondlopen en dat goede wil en volhouden de weg naar een normale sexualiteit wel effenen.

[p. 178]

Dat is echter ten enenmale onjuist en bij enig nadenken blijkt dit ook al spoedig. Want wat zou een mens, als hij het nu werkelijk voor het zeggen had, er in hemelsnaam toe bewegen een homosexuele objectkeuze te verkiezen boven de normale sexualiteit? ‘Ja’, zegt men dan, ‘daar gaat het nu juist om: het is de onverantwoorde, perverse instelling van deze mensen om sexuele lust te zoeken, waar het maar te krijgen is. Dát maakt hen tot homosexueel’. Maar ook dit argument gaat helemaal niet op, want als werkelijk het onverantwoordelijk lustzoeken ten grondslag zou liggen aan de homosexuele ontwikkeling, dan zou het toch altijd nog heel wat gemakkelijker en minder gecompliceerd zijn dit luststreven in een normaal-sexuele, in een man-vrouw verhouding te bevredigen. Waarom dan de veel moeilijker, gevaarlijker en verachte weg van de homosexualiteit gekozen?

Nogmaals, gesteld dat men het werkelijk voor het kiezen had! Want, en dat is de fundamentele weerlegging van iedere bewering, die iemand persoonlijk verantwoordelijk stelt voor zijn homosexuele instelling, geen enkel mens is bij machte bewust de gerichtheid van zijn sexuele gevoeligheid zelf te bepalen. Niemand heeft ooit zichzelf homosexueel gemaakt. Niemand is schuldig aan het feit, dat hij zich sexueel aangetrokken voelt tot personen van zijn eigen geslacht. Deze wetenschap dient dan ook de basis te vormen van iedere beschouwing, ieder oordeel, ieder gesprek of waardering van de homosexualiteit. Als we hier niet telkens van uitgaan, kunnen we beter zwijgen over de homosexualiteit. Evenmin als we het feit, dat een gezonde jongeman zich sexueel aangetrokken kan voelen tot een meisje, hem tot schuld rekenen, evenmin mogen we dit doen, als hij eenzelfde gevoel voor een andere jongeman ondervindt. Over schuld, of liever verantwoordelijkheid gaan we zowel in het ene als in het andere geval pas spreken, als we zien wat zo iemand met zijn gevoelens, met zijn instelling gaat doen. Maar het gevoelen, de instelling zelf, is niet slecht (en is ook niet goed). Het is hoogstens een gegeven, een uitnodiging tot menselijk handelen. En daar gaat het om: wat doen we er mee? In grotere of

[p. 179]

kleinere vrijheid (dat is mede afhankelijk van onze geestelijke volwassenheid) kunnen wij, mensen, dan zelf beslissen en verantwoording nemen voor ons handelen. Maar het is een grote onrechtvaardigheid om een homosexueel verantwoordelijk te stellen voor het feit, dat hij zo is. Hij heeft zich zijn homosexualiteit niet zelf aangemeten. Als iedereen dit in zijn kontakt met homosexuelen in gedachten zou houden, zou er heel wat minder onbegrip en leed in de wereld zijn.

Als men dus zijn eigen homosexualiteit niet kiest, hoe komt het dan, dat een mens toch homosexueel wordt? Ziehier een vraag, die niet alleen vele homosexuelen zelf heeft beziggehouden, maar ook heel wat ouders, die op een goede of kwade dag tot de trieste ontdekking komen, dat een van hun kinderen homosexueel is. Het heeft ook heel wat onderzoekers beziggehouden. En laten we het meteen zeggen: een bevredigende verklaring voor dit verschijnsel bestaat er nog niet. Trouwens: de homosexualiteit bestaat ook niet. Er zijn talrijke vormen van homosexualiteit, die alleen maar gemeen hebben de sexuele gerichtheid op het eigen geslacht en daarom voor het gemak maar allemaal met hetzelfde woord benoemd worden.

Het heeft weinig zin hier de thans bekende theorieën en wetenschappelijke opvattingen omtrent de oorzaken van de homosexualiteit uiteen te gaan zetten. Dat zou een dik boek kosten en we zouden ook al spoedig in zeer specialistische medische biologische of psycholanalytische gedachtengangen verzeild raken. Bij wijze van voorbeeld echter worden hieronder uit de vele bestaande theorieën er een tweetal nader besproken: de biologische theorie van de twee-geslachtelijkheid, de bisexualiteit (a) en daarna, iets heel anders, de rol en betekenis van de verleiding bij het tot stand komen van de volwassen homosexualiteit (b).

a] Wat die eerste theorie betreft, het is allang bekend, dat de mens evenals alle geslachtelijk zich voortplantende dieren in zijn vroegste ontwikkeling zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen heeft. Na een bepaalde tijd zien we dan, dat een van de

[p. 180]

organen zich niet verder ontwikkelt en b.v. bij het mannetje de mannelijke organen verder groeien ten koste van de vrouwelijke organen en bij het vrouwtje juist andersom. Sporen van deze vroegste ontwikkeling blijven echter ook bij het volwassen individu bestaan. Ook bij de mens. Een bekend voorbeeld daarvan zijn de borsttepels bij de man, die geen enkele functie meer hebben maar nog wel op zijn oorspronkelijke twee-geslachtelijke aanleg duiden. Zo vertoont ook iedere man nog sporen van een baarmoeder. Welnu, het is begrijpelijk, dat deze gegevens over de tweegeslachtelijkheid ook bestudeerd zijn met betrekking tot de homosexualiteit. Ergens in die ontwikkeling moet dan een fout opgetreden zijn, zo redeneerde men. De mannelijke geslachtsorganen ontwikkelen zich wel maar de sexuele instelling, die daarbij past, ontbreekt en is van het andere geslacht. Deze onderzoeken hebben echter tot nu toe weinig opgeleverd en het is nog de vraag of men ook in de toekomst langs deze weg veel verder zal komen en het verschijnsel der homosexualiteit er door zal kunnen verklaren. De menselijke sexualiteit is tenslotte niet iets, dat alleen maar door onze lichamelijke aanleg bepaald wordt. De vorming in een langdurige opvoeding en de zingeving eraan in het volwassen menselijk handelen bepalen eveneens grotelijks onze sexuele activiteiten.

Ook Freud, de grondlegger der psychoanalyse, was getroffen door de tweegeslachtelijke aanleg van de mens. Hij heeft voor het eerst aannemelijk gemaakt, dat ieder mens in wezen bisexueel is. Dat wij allemaal naast onze normale sexuele gerichtheid ook een homosexuele component in ons hebben, die dan wel niet bewust en zelfs heel diep in het onbewuste verdrongen is, maar desalniettemin wel degelijk (en voor het geoefende oog ook aantoonbaar) aanwezig is. De bewijsvoering van deze opvatting wordt U hier bespaard. Velen zullen deze opvatting niet zo maar kunnen delen. Daarvoor is dit alles bij de meesten van ons veel te diep verdrongen, daarvoor is ook de weerstand ertegen te groot.

Maar misschien mag dit er nog aan worden toegevoegd: de mensen, die de grootste weerstand tegen homosexualiteit hebben,

[p. 181]

die het felst ertegen ten strijde trekken, die de diepste verontwaardiging er over koesteren, kortom die heftig en emotioneel ten opzichte van homosexualiteit en homosexuelen plegen te reageren, zijn juist de mensen, die het meest opvallend de weerstand tegen hun eigen homosexuele componenten demonstreren. Emotionaliteit en heftigheid treden op, als iets ons eigen innerlijk, ons zelf raakt. Maar, hoe dan ook, dit maakt sociaal gezien de opinievorming, de onredelijke opinievorming omtrent de homosexualiteit er niet beter op. In plaats van een grotere medemenselijke solidariteit geeft juist die diep verdrongen homosexuele wortel in ieder van ons voedsel aan de grootste en felste weerstanden.

b] Vervolgens dan een geheel ander terrein van theorievorming omtrent de oorzaken van de homosexualiteit. Welke rol speelt de verleiding tot een homosexueel kontakt in de ontwikkeling ervan? Juist onder homosexuelen zelf zijn er velen die aannemen, dat zij zo geworden zijn, omdat zij in hun jeugd door een homosexueel verleid zouden zijn. En ook elders - b.v. in de kring van rechters en juristen - ziet men juist het grote gevaar van de knapenliefde en het sexuele kontakt met jongens in de kans, die deze laatsten lopen om zelf dan ook tot homosexuelen uit te groeien. Toch is de betekenis van die verleiding allerminst duidelijk. De meeste volwassen mannen, die toch in geen enkel opzicht homosexueel genoemd kunnen worden, hebben in hun jeugd wel ervaringen van homosexuele aard: sexspelletjes met vrienden, soms veel oudere vriendjes. Zelfs hebben een aantal van hen hun eerste sexuele bevredigingsgevoelens ervaren in een kontakt met iemand van hun eigen geslacht. Het is toch geen geheim, dat juist in de eerste puberteitsjaren zeer veel jongens op sexueel gebied met elkaar experimenteren en hun eerste sexervaringen opdoen juist in kontakt met andere jongens en niet met meisjes. Toch worden dit allemaal sexueel normale volwassenen.

In Nederland is juist hierover eens een onderzoek gedaan door Dr. Tolsma, dat enige jaren geleden gepubliceerd is (1957). Hij onderzocht 133 mannen, waarvan uit dossiers bekend was, dat

[p. 182]

zij in hun jongensjaren tussen 7 en 16 jaar door volwassen homosexuelen waren verleid. Op 8 na bleken zij allemaal getrouwd te zijn en een normaal sexueel leven te leiden. Het kleine percentage homosexuelen, dat overbleef, verschilt niet veel van het percentage homosexuelen op het totaal der bevolking. Men kan hieruit concluderen, dat bij deze onderzochte gevallen, de verleiding voor het overgrote merendeel geen schadelijke gevolgen gehad heeft, althans niet wat betreft de ontwikkeling in homosexuele richting.

Mogen we hieruit nu besluiten, dat het niet van belang is, dat een minderjarige sexueel kontakt heeft met een volwassene? Allerminst! Alleen de conclusie is gewettigd, dat het weinig of geen invloed heeft op de latere gerichtheid van de sexualiteit. Dergelijke kontakten kweken dan wel geen homosexuelen, maar wel belangrijk is het feit, dat hierdoor jeugdigen ontijdig, onvoorbereid, meestal op ongewenst-emotionele wijze ingeleid worden in het volwassen sexuele leven. De stoornissen oproepende invloed, die daarvan op de sexuele ontwikkeling kan uitgaan, wordt nog vergroot, als het kontakt tot stand kwam met een figuur, waarmede het kind reeds in een zekere relatie stond: een familielid, een onderwijzer, een jeugdleider, een geestelijk leidsman. Omdat een ontijdige en onjuiste ervaring op sexgebied belangrijke schade aan een normale sexontwikkeling kan toebrengen, daarom is het zo belangrijk, dat krachtig paal en perk gesteld wordt aan de verleiding der jeugd.

Overigens is het misschien van belang hierbij op te merken, dat een ontijdige sexverleiding door een vrouw - ook dat komt voor - voor een jongen meestal een veel schadelijker effect heeft dan wanneer dit door een man gebeurt, hoe vreemd dit ook moge schijnen. Men moet niet vergeten, dat de afweer, afkeer en sexuele taboes, die wij als volwassenen hanteren, nog in veel mindere mate bij jeugdigen worden aangetroffen. En tenslotte moeten we ook niet vergeten - ieder, die ooit kinderen onderzocht heeft, zal dit kunnen bevestigen - dat kinderen, die verleid worden (en dat geldt zowel voor jongens als voor meisjes) daartoe soms zèlf aanleiding geven,

[p. 183]

als het ware er toe uitdagen. Niet bewust, zoals volwassenen dat kunnen doen, maar zij kunnen toch wel degelijk een sexueel appèl doen op bepaalde mensen. En ook dat klinkt menig lezer misschien wat vreemd in de oren. Het is er echter niet minder een telkens wederkerende ervaring om.

Om de populaire misvatting, dat de homosexueel eigenlijk alleen maar verkeerd wil recht te zetten, zijn we wat nader ingegaan op enkele achtergronden van het ontstaan der homosexualiteit. Het is in dit stadium van het wetenschappelijk onderzoek nog niet mogelijk een verklaring voor dit beslist niet zo zeldzame verschijnsel te geven. Het wetenschappelijk onderzoek is nog niet ver genoeg om ons een inzicht te geven in de werkelijke oorzaken hiervan. Men kan zelfs zeggen, dat nog slechts weinig wetenschappelijk onderzoek op dit terrein verricht is. Ook vele wetenschapsbeoefenaars ondervinden blijkbaar eenzelfde weerstand tegen de homosexualiteit als de grote lagen van de bevolking. Maar wel staat het vast, dat de homosexuele mens niet zo maar verkeerd wil en dat hij niet best anders zou kunnen. Dat hij niet tot een normale sexuele gerichtheid komt door goede wil, door kontakt met de vrouw, door hardnekkige overreding of zelfs dwang of straf, zoals het op staande voet uit een betrekking ontslaan of het oneervol uit het leger zetten (zoals b.v. het amerikaanse leger dat nog steeds doet, met als gevolg een gedeeltelijk verlies der burgerrechten). En ook niet door het opsluiten en vernietigen in concentratiekampen zoals dat in Hitler-Duitsland het geval was. Homosexualiteit is nooit een gewild anders zijn, maar een gekregen opgave, een levenskruis, dat veel leed ten gevolge kan hebben.

5] Onjuist is ook het idee, dat de meeste homosexuele mannen alleen maar in bepaalde beroepen gevonden worden. Men denkt dan aan kappers, werkers in de heren- en damesmode, aan verplegers, kellners, acteurs van toneel, film, cabaret, radio of T.V. En zo zijn er nog wel meer beroepen, die dan speciaal een aantrekkingskracht op homosexuelen zouden uitoefenen. Toch is dit een gevaarlijke mening. Op de eerste plaats is verreweg het gros

[p. 184]

van de kappers, mode-employé's, artiesten, kellners en wat dies meer zij, zeker niet homosexueel en anderzijds treft men homosexuelen ook aan in alle mogelijke andere beroepen: bankwerkers, matrozen, artsen, hoogleraren, officieren, priesters, zakenlieden, rechters, sportlieden, bakkers en kantoorbedienden. Ik noem juist deze paar voorbeelden, omdat ze uit mijn eigen ervaringsmateriaal stammen. En waarom ook zou de homosexualiteit zich alleen maar tot bepaalde beroepen beperken?

We kunnen hoogstens zeggen, dat sommige vormen van homosexualiteit, b.v. de wat vrouwelijke typen, zich iets meer tot vrouwelijke beroepen (zoals modeontwerper e.d.) voelen aangetrokken. Wie hierover wat meer wil weten en dat tevens in een voortreffelijke literaire vorm wil doen, kan de lezing van Stefan Zweig's novelle: ‘Verwirrung der Gefühle’ aanbevolen worden of het meesterlijke verhaal van Thomas Mann: ‘Der Tod in Venedig’, om er maar enkele te noemen.

In homosexuele kring hoort men wel, dat het juist de homosexualiteit is, die tot grote artistieke prestaties in staat stelt. Dat is een fabeltje, zoals het eveneens een fabeltje is, dat onder homosexuelen de misdaad welig tiert (we komen daarover nog te spreken). Inderdaad, er zijn grote kunstenaars, van wie bekend is, dat zij homosexueel waren: men denke slechts aan het dichterpaar Paul Verlaine - Arthur Rimbaud, aan André Gide, aan onze dichter Boutens of aan Louis Couperus, aan Oscar Wilde of aan Genet en nog zovele anderen. Maar het is zeer de vraag, gezien het grote aantal homosexuele mensen, of het percentage geniale of zelfs talentvolle mensen onder hen zoveel groter is dan onder de doorsnee bevolking. De wens zal hier wel de vader van de gedachten zijn.

6] Een ander punt, dat juist in onze tijd actueel is, betreft de groepsvorming van homosexuelen. Prof. Kempe noemt dit een mythe, die hij als volgt omschrijft: ‘Alle homophielen herkennen elkander onmiddellijk, spelen onder één hoedje, bevoordelen elkaar, beschermen elkaar, trekken onder alle omstandigheden tegen de buitenwereld één lijn, kortom vormen tezamen een groep,

[p. 185]

die alle kenmerken vertoont van een geheim genootschap’. Hier raken we dan een belangrijk facet, dat enig licht kan werpen zowel op de houding van sommige homosexuelen zelf als wel op die van de huidige gemeenschap. Het valt niet te ontkennen, dat vele homosexuelen onder elkaar een soort ‘wij-gevoel’ hebben: ‘wij’ tegenover de rest van de mensen. En daarin vormen zij geen uitzondering op een algemene regel n.l. het verbondenheidsgevoel, dat alle leden van een kleine minderheidsgroep ondervinden ten opzichte van de grote meerderheid, waartussen zij leven. Katholieken hebben onderling dit verbondenheidsgevoel lange tijd gehad ten opzichte van de protestantse meerderheid. De protestantse minderheid in het Spanje van vandaag ervaart het. We kennen het van de joodse minderheden. En ook de negers, die in een blanke bevolkingsgroep wonen, tonen sterk dit groepsbewustzijn. Degenen van de heersende meerderheid reageren daarop altijd min of meer kwaadaardig en negatief. Zij vertonen een soort gezamenlijk ondervonden groepshaat. Dit verschijnsel is al heel oud en overbekend: godsdiensthaat in de vorm van ketterjagerij, antipapisme, rassenhaat tegen de negers en joden etc.

Iets hiervan vinden we ook in de groepshaat ten opzichte van homosexuelen. Ook hier een minderheid, die gemakkelijk als zondebok fungeren kan en die men van alles in de schoenen kan schuiven, zoals uit bovenstaand citaat van Prof. Kempe al bleek. De reactie van die minderheid is dan - hoe kan het ook anders - een onderlinge verbondenheid en een steun zoeken bij elkaar. In ons land heeft dit na de oorlog geleid tot de oprichting van een vereniging van homosexuelen, die zich juist ten doel stelt op te komen tegen de onrechtvaardige bejegening, de sociale uitbanning en het stelselmatig doodzwijgen van de homosexuelen. In hoeverre het verenigen in clubs en societeiten het aanwakkeren van het groepsbewustzijn in verenigingsverband niet juist een averechtse uitwerking heeft en de homosexuelen als groep, maar ook als mens, niet nog verder van de overige bevolking isoleert, laten we hier verder nu maar in het midden. Het ging er hier slechts om de na-

[p. 186]

druk te leggen op dat typische facet van kleine minderheidsgroep te zijn in een grote samenleving, waardoor zowel sommige reacties van die groep en haar leden zelf als wel van de gehele samenleving wat begrijpelijker worden.

7] Vervolgens dienen we wat nader in te gaan op de misvatting, dat homo's, zowel mannen als vrouwen, niet huwen en geen kinderen krijgen. ‘Als je maar met getrouwde mannen onder elkaar bent, dan kun je rustig wat grapjes en moppen over homosexuelen vertellen, dan loop je niet het risico iemand te kwetsen’, zo denkt men vaak. Toch is dat nog zo zeker niet. Vele homosexuelen komen wél tot een huwelijk. En dat is dan ook goed begrijpelijk, al is het meestal niet aanbevelenswaardig. Vroeger - en men kan zich afvragen, was dit werkelijk alleen maar vroeger of gebeurt het vandaag ook nog? - kon men, als homosexueel, van raadgevers zoals artsen, zielzorgers en opvoeders te horen krijgen, dat het maar het beste was om spoedig te trouwen. Dan gingen die homosexuele belangstelling en wensen wel over.

Dergelijke adviezen berusten echter op een grove misvatting, die we onder punt 4 al bespraken en die de homosexualiteit ziet als iets, dat met goede wil en volhouden wel te overwinnen zou zijn. We hebben toen gezien, dat die opvatting er volledig naast is en het is dan ook geen wonder, dat de meesten van hen, die deze - vaak goed bedoelde - raad hebben opgevolgd, zichzelf, hun echtgenoten en eventuele kinderen ongelukkig hebben gemaakt. Het huwelijk - in de vorige hoofdstukken is daar al herhaaldelijk op gewezen - is geen remedie, geen oplossing, geen behandeling voor wèlke stoornissen of afwijkingen dan ook. En eerst recht niet voor de homosexualiteit. Het huwelijk, zeker het moderne liefdeshuwelijk, is gebaseerd op de geslachtelijke man-vrouw relatie. Als man en vrouw elkaar geslachtelijk niets te zeggen hebben (en dat is het geval als een der partners homosexueel is), dan ontbreekt de grondslag voor de huwelijksrelatie en ligt een mislukking voor de hand. Natuurlijk zijn er ook huwelijken, waarvan een der beide echtgenoten uitgesproken homosexueel is en die men toch zeker

[p. 187]

niet als mislukt kan beschouwen. Beide partners maken er dan blijkbaar het beste van en waarom zou dat altijd moeten mislukken? Toch zijn het juist deze echtgenoten, die ons vertellen, hoe ontzettend moeilijk dit alles is, hoe vaak het uiterste van hun geduld, liefde, bereidheid, uithoudingsvermogen en goede wil geëist wordt. Het zijn ook zij, die aangeven, hoe een dergelijk huwelijksleven slechts voor enkelen werkelijk leefbaar is.

Afgezien van de in goed vertrouwen opgevolgde adviezen om te trouwen en daarin genezing voor de homosexualiteit te vinden, zijn er nog talrijke andere motieven, die een homosexueel tot een huwelijk kunnen brengen. Zo is daar het bij de meeste homo's (en niet alleen de vrouwen onder hen) ook sterk aanwezige verlangen naar kinderen en een gezin, naar een taak in het leven, naar mensen om voor te werken, iets om er de zin van het eigen bestaan in te leggen. Er is ook de angst voor het ontdekken van de homosexualiteit. In een huwelijk loopt men heel wat minder kans om van homosexualiteit verdacht te worden. De familie kan zeer sterk op een huwelijk aandringen. Men moet die voortdurend uitgeoefende druk en aandrang van de familie niet onderschatten. Een bepaalde loopbaan kan het noodzakelijk maken, dat men getrouwd is. Bijvoorbeeld artsen, burgemeesters of openbare figuren hebben alléén voor hun beroepscarrière al een vrouw nodig. Sollicitaties van ongehuwde oudere mannen worden nogal eens wat verdacht gevonden.

De belangrijkste reden echter om ondanks een bestaande homosexualiteit toch te trouwen is wel de grote angst voor een leven in eenzaamheid, zonder warmte, zonder echte persoonlijk gerichte medemenselijkheid. En dan zijn er nog de z.g. bisexuele mensen, een kleine groep, die zich sexueel zowel aangetrokken voelen ten opzichte van bepaalde vrouwen als ten opzichte van bepaalde mannen. Zij zijn tot een normaal huwelijksleven in staat, maar kunnen op ieder moment tot homosexuele kontakten komen, vooral als het huwelijk in een krisis verkeert of als andere omstandigheden daartoe medewerken. Een beroemd voorbeeld daarvan is de grote

[p. 188]

engelse dichter Oscar Wilde, die getrouwd was en twee kinderen had, maar na een tijd normaal gehuwd geweest te zijn zich op homosexueel gebied onbeperkt te buiten ging en hierdoor waarschijnlijk een geslachtsziekte opliep, die zijn vroege dood heeft bespoedigd.

In zijn algemeenheid - en dus ook in zijn beperktheid - is het een goed advies, dat een echte homosexueel niet moet trouwen. Niet omdat hij er zijn eigen geluk niet door verwerft, maar vooral niet omdat hij dat zijn eventuele huwelijkspartner niet mag aandoen. In ieder geval lijkt het mij beslist noodzakelijk tegenover de aanstaande echtgenote, dus vóór het huwelijk, eerlijk en volledig open kaart te spelen. En meestal is het dan nog nodig zulk een openhartige en eerlijke verklaring te laten volgen door een gesprek met een op dit terrein deskundige, bij voorkeur een psychiater. Deze zal de consequenties, die aan een dergelijk huwelijk vast kunnen zitten aan beiden kunnen voorhouden en uiteenzetten. Waarna de betrokkenen zelf dan hun beslissing omtrent een mogelijk huwelijk naar eer en geweten kunnen nemen.

Jarenlang heb ik een geval van homosexualiteit kunnen vervolgen, dat met vele soortgelijke gevallen zou zijn aan te vullen. Het betrof een jongeman, die in het begin van zijn studietijd op het spreekuur kwam wegens een homosexuele belangstelling en gevoeligheid, waarvan hij zich geleidelijk bewust geworden was. In gezelschap van andere jongelui voelde hij zich tot bepaalde typen aangetrokken. Af en toe zo sterk dat een zekere verliefdheid ontstond. Ook op straat, bij heel toevallige ontmoetingen, onderging hij eenzelfde soort ervaring. Hij vond het verschrikkelijk, wilde het niet, vocht er tegen, maar hij merkte telkens weer hoe zijn aandacht als het ware gezogen werd naar deze jongemannen. Hij vermeed in dat eerste gesprek angstvallig om het woord homosexualiteit te gebruiken. Toen ik het bezigde, schrok hij en weerde het af door er op te wijzen, dat meisjes hem toch niet helemaal onverschillig lieten en hoe lief en mooi van lichaam hij hen toch wel vond. Dat hoort men trouwens vaak. Doch vragen we dan verder, dan blijkt die belangstelling voor meisjes toch vooral esthetisch en geestelijk van aard te zijn. De sexualiteit en erotiek spelen
[p. 189]
er geen rol in. Het heeft geruime tijd geduurd voor we samen het thema homosexualiteit als zodanig bespreken konden. In de loop der jaren, dat ik hem kon volgen, had hij verschillende meisjes, een enkele keer was hij ook wel eens wat verliefd, maar dat verdween spoedig, terwijl zijn sexuele belangstelling voor mannen onverminderd bleef bestaan. Met een van die meisjes heb ik ook enige malen kunnen spreken. Zij was geheel op de hoogte gesteld van de homosexuele trekken van haar vriend. En hoewel ze dit wel erg vond, zag ze er geen enkel bezwaar in om toch met hem verder te gaan en hem zelfs te willen trouwen. Enerzijds speelde de verliefdheid hierin een rol, anderzijds haar onkunde op geslachtelijk en huwelijksgebied. Het meest echter werd haar optimisme misschien wel gevoed door een grote zelfoverschatting. Er was iets van moederlijkheid en tederheid in haar gewekt door de mededelingen over de homosexualiteit en de narigheid, die dit voor haar vriend met zich bracht. Die overschatting van haar mogelijkheden als vrouw heb ik meerdere malen in soortgelijke gevallen kunnen zien. Meestal blijft er in een huwelijk (die slijpsteen van ons menselijk bestaan) van zulk een overmoed en optimisme maar weinig over.
Onlangs heb ik de betreffende jongeman toevallig weer eens ontmoet. Hij bracht thans een zekere aanvaarding van zijn anders-zijn op en hij erkende voor een huwelijk niet geschikt te zijn. De laatste jaren had hij geen nauwere betrekkingen met meisjes meer gehad. Hij had een zeer prettige werkkring, waar hij in opging en hij had een hechte vriendschap gesloten met een andere homosexuele man. Vooral dit laatste gaf hem veel steun om zijn dubbel leven te kunnen volhouden: voor vrienden en kennissen een normale, beschaafde, onopvallende en prettige jongeman, voor zichzelf en enkele ingewijden een uitgesproken homosexueel.

Het is dit dubbelleven, dit altijd moeten oppassen, dit steeds zich anders voelen dan de mensen met wie men omgaat, die het bestaan van menig homosexueel op beslissende wijze stempelen. Daarom is het voor hen soms nodig, dat zij zo weinig mogelijk mensen inlichten over hun homosexualiteit. Dit is dan helaas de enig afdoende manier om niet alle deuren in de maatschappij voor hun neus gesloten te krijgen.

[p. 190]

8] Men denkt vaak, dat homosexuelen in hun kontakten erg wisselen, slechts vluchtig en oppervlakkig zijn, omdat de enige grond voor hun kontakten het zoeken van sexuele bevrediging is. Vele mensen menen, als het over homo-sexualiteit gaat, dat vooral het tweede stuk van dit woord: sexualiteit het belangrijkste is en wel in de zin van sexuele bevrediging. Toch zijn verreweg de meeste homo's sexueel niet meer actief dan mensen met een gewone sexualiteit. Zelfs het tegendeel is waar, hun genitale sexualiteit is vaak heel wat beperkter. Even goed als er mensen met een normaal gerichte sexualiteit zijn, die een sexuele partner zoeken louter en alleen om de daaraan verbonden sexuele lust en bevrediging, zijn er ook wel homosexuelen, die dat op hun manier eveneens nastreven. Maar voor beiden geldt dat deze vorm van sexuele instelling niet typisch is voor het algemeen menselijke of anders gezegd: dat op deze wijze het specifiek menselijke aan de sexualiteit juist ontbreekt. Immers, we hebben dit hiervoor al vaak besproken, de sexualiteit wordt pas menselijk, als zij in dienst staat van ons verbondenheidsstreven, van ons zoeken naar en ons openbaren aan de ander, in dienst staat van onze sterke hang de eenzaamheid op te heffen, in dienst staat van onze liefde. De volwassen en hoogst ontwikkelde vorm van menselijke sexualiteit is die vorm, waarin de sexualiteit gebruikt wordt als de taal, de intieme uitdrukking van de liefde. Van werkelijk belang is de wederzijdse verhouding, de verbondenheid in liefde. De sexualiteit is daaraan onderworpen en dient zich daarnaar te voegen.

Welnu, eenzelfde streven naar verbondenheid, naar eenzaamheidsopheffing, naar persoonlijke vriendschap en liefde kenmerkt ook het verlangen van de homosexuele mens. Misschien zelfs nog wel meer dan van de niet homosexueel. In dit opzicht - en trouwens in allerlei ander opzicht - is er geen werkelijk verschil tussen niet- en wel homosexuelen. De homosexueel, die buiten zijn eigen wil en verlangen gedwongen is in een hem soms vijandige wereld te wonen, te werken, te hopen en te geloven, te lijden en ook lief te hebben, kent de eenzaamheid vaak als geen ander. Dit is het

[p. 191]

telkens weer gehoorde woord in gesprekken met homosexuelen: het verlangen om de eenzaamheid op te heffen in een persoonlijke hechte vriendschap. Niet het verlangen naar sexueel genot.

Over dit streven en de enige oplossing daarvoor: een hechte en oprechte vriendschap is heel wat te doen geweest. Mocht men dit, vanuit zedelijk standpunt bezien, wel toelaten? Moest men niet juist, waar mogelijk, het sluiten van dergelijke vriendschappen trachten te voorkomen? Al was een dergelijke vriendschap dan ook niet begonnen om de sexuele mogelijkheden, die zij bood, de kans was toch groot dat het, zij het dan ook maar af en toe, tot sexuele handelingen kwam. Was dit niet veeleer de homosexualiteit bevorderen en daardoor de homosexueel een slechte dienst bewijzen? Sedert we wat meer te weten zijn gekomen over de aard van deze vriendschappen, over de betekenis, die zij hebben voor de betrokkene, vooral ook sedert wij meer werkelijk inzicht gekregen hebben in de homosexuele mens zelf, zijn velen minder beducht geworden voor deze vriendschappen. Integendeel zelfs, het inzicht is ontstaan, dat hierdoor vaak een belangrijke mogelijkheid geboden wordt tot een beter, hoogstaander, volwassener, rijper en zedelijk meer verantwoord bestaan.

Door de bestaande vooroordelen en door de volstrekte geheimzinnigheid en verborgenheid waarin het homosexuele bestaan zich veelal afspeelde, zijn we pas laat tot de overtuiging gekomen, dat homosexuelen precies zulke mensen zijn als wij zelf. Even menselijk en even onmenselijk, even heldhaftig en even laf, even grootmoedig en even kleinzielig, even rijp en volwassen en even naïef en primitief. Ook zij hebben hun normen en hun verantwoordelijkheidsgevoel, ook zij kennen opoffering en inzet voor een ander, ook zij hebben een zedelijk bewustzijn. Het is juist de sterke gewetensfunctie, vaak gelouterd in veel leed, die menig homosexuele vriendschap tot een voorbeeld maakt van een goede, hoogstaande en zedelijk volkomen verantwoorde menselijke relatie. Nu is het zeer wel mogelijk, als ik dat zo schrijf - en ik meen oprecht wat er staat! - dat er lezers zullen zijn, die hier met verontwaardiging

[p. 192]

kennis van nemen. ‘Zie je wel’ zeggen ze misschien, ‘daar komt dan toch de aap uit de mouw: homosexuele verhoudingen worden niet alleen goedgepraat, maar ook nog aanbevolen, geen wonder dat de homosexualiteit zo toeneemt en je er steeds meer over hoort.’ Neen, vriendschappen tussen homosexuelen bevorderen de homosexualiteit niet, juist niet; de losse, vaak wanhopig gezochte, sexuele kontakten nemen er integendeel door af.

Reeds eerder kwam ter sprake, dat wij de gronden niet kennen, waarop de homosexualiteit zich ontwikkelt, dat wij de factoren nog onvoldoende hanteren, die een verandering in normale richting zouden kunnen geven; dat het onzin is te menen, dat door goede wil en hardnekkig volhouden de homosexuele gerichtheid wel overgaat. Niets van dat alles, helaas. Maar we weten wel, dat eerlijke en oprechte verbondenheid en vriendschap met een ander mens het beste los kunnen maken en ontwikkelen wat in ons is: opoffering, trouw, liefde, zelfverloochening. En zolang we niet bij machte zijn werkelijk iets te kunnen doen om de sexuele gerichtheid van deze groep mensen radikaal te veranderen, is de vriendschap, niet als vorm van zelfbevrediging, maar als taak en opgave, gericht op het welzijn van de ander, een groot en belangrijk goed.

Is er dan geen behandeling mogelijk voor de homosexualiteit? Tot nu toe zijn er geen medikamenten, die de sexuele gerichtheid kunnen veranderen. Wel zijn er hormoonpreparaten, die de sterkte van de sexuele drang kunnen verminderen, maar toch ook niet voor lange tijd. Ook de vooral vroeger wel toegepaste kastratie, die afschuwelijke verminking, betekent geen echte behandeling. Deze ingreep lijkt slechts verantwoord in uitzonderlijke en zeer bepaalde gevallen. Ook de psychische therapie biedt slechts in bepaalde gevallen mogelijkheid tot een werkelijke genezing van de homosexualiteit, al geven sommige psychiaters dan ook aan in vele gevallen succes geboekt te hebben. Een lange psychische behandeling is trouwens uitermate kostbaar en betekent - ook al zou zij in ieder geval succes hebben, wat zeker niet het geval is - geen oplossing voor de doorsnee homosexueel. Het verschijnsel ho-

[p. 193]

mosexualiteit is er niet mee opgelost. Dat wil overigens niet zeggen, dat psychiaters niet veelvuldig met homosexuelen te maken krijgen. Dat is ook begrijpelijk, als men ziet, voor welke grote levensmoeilijkheden de homosexuele mens komt te staan. Hulp bieden in het aanvaarden van zichzelf, in het aanvaarden van het zo-zijn, in het zoeken naar een levensvervulling en een zin in het bestaan, hulp bieden bij het zoeken van een menswaardige bestaanswijze op deze wereld, dat kan een psychiater soms wel. En waar zijn domein ophoudt, zal hij graag zijn plaats inruimen voor de zielzorger.

9] Is het waar, dat in homosexuele kring de kriminaliteit sterk zou voorkomen? Sommige politie-autoriteiten menen, dat het nuttig is af en toe razzia's te houden in buurten en gelegenheden waar men veel homosexuelen verwacht. Voor een goed begrip zij er bij gevoegd, dat dit buitenlandse opvattingen betreft. Voor zover bekend, gebruikt de Nederlandse en Belgische politie niet het voorwendsel van een hoog kriminaliteitscijfer om grote aantallen homosexuelen te arresteren en hen dan nader aan de tand te voelen. Er zullen wel ‘gangs’ en kriminele figuren onder homosexuelen voorkomen, maar of het nu juist hun homosexualiteit is, die de misdadigheid oproept, is nog zeer de vraag. En ook al zou het kriminaliteitscijfer bij homosexuelen groter zijn (wat allerminst bewezen is) dan zou dat veeleer wijzen op een slechte sociale aanpassing onder invloed van de druk, die de samenleving oplegt, dan dat het uit hun sexuele instelling als zodanig zou voortvloeien.

10] Hoevelen zijn er tenslotte niet, die menen, dat ieder, die homosexuele handelingen pleegt, strafbaar voor de wet is? Dat is n.l. niet het geval. Strafbaar is slechts hij, die deze handelingen verricht met minderjarigen of (volgens een ander artikel van het Wetboek van Strafrecht) hij die deze handelingen zodanig verricht, dat hij er de openbare eerbaarheid mee schendt, met andere woorden, als hij anderen aanstoot geeft. Wat twee volwassen mensen dus in de beslotenheid van hun eigen woning uitvoeren, is geen zaak van politie of justitie. In vele andere landen is het dat echter helaas nog wel. In Engeland bijvoorbeeld was ho-

[p. 194]

mosexueel kontakt tussen volwassenen tot voor kort (1967) strafbaar en zelfs streng strafbaar. Het was zelfs een misdrijf, dat bij vermoeden ervan opgespoord kon worden met alle ellende, ruchtbaarheid en schande van dien.

Als men de buitenlandse rechtspraak nu eens met onze verhoudingen vergelijkt, dan kunnen we ons gelukkig prijzen met onze wetgeving. Chantage en afpersing aan de lopende band, geruchtmakende processen, razzia's en homosexuele prostitutie, dat alles kennen wij nauwelijks en dat komt door onze in verhouding met vele andere landen misschien wat meer verdraagzame volksaard, maar vooral toch ook door de wetgeving. De enige smet op de nederlandse wetgeving is de discriminatie (art. 248 bis WvSt.) t.o.v. homosexualiteit met minderjarigen. Dit artikel is in 1911 met krappe meerderheid in de volksvertegenwoordiging aangenomen en past niet meer in een moderne wetgeving.

Wie vaak in aanraking komt met homosexuelen, wordt getroffen door de misère van menig homosexuele man of homosexuele vrouw; wordt getroffen door de omvang en de betekenis, die de homosexualiteit voor onze samenleving als geheel heeft. Getroffen door de gebrekkigheid van onze kennis, door de achterstand op dit gebied van het wetenschappelijk onderzoek, door de schaarsheid van hulp en zorg voor deze medemensen. We zullen nog een lange weg moeten gaan, voordat wij de vele duistere plekken in dit verschijnsel kunnen gaan doorlichten en voor we werkelijk iets kunnen doen aan dit omvangrijke probleem. Thans kunnen we alleen maar zeggen, dat de homosexuelen als groep en als persoon verwaarloosd zijn, wetenschappelijk en maatschappelijk, in medisch opzicht en in pastoraal opzicht. Het is echter geen medelijden, wat de homosexuelen van ons vragen, maar eerlijke medemenselijkheid, serieuze kontakt-mogelijkheden en een niet discriminerende aanvaarding. Iets daarvan begint gelukkig de laatste jaren op gang te komen.