
TROELSTRA - ANNO 1926
Is in het eerste deel mijner Gedenkschriften de wording mijner jonge persoonlijkheid en haar geestelijke botsing met de bestaande maatschappij geschilderd, in dit tweede deel ziet men den groei dier persoonlijkheid in haar kontakt met die maatschappij weergegeven.
Dit deel bevat de elementen van strijd en organisatie, waarin zij hare ontplooiing moest vinden. Het schildert niet slechts mijn persoonlijke ontwikkeling, maar ook die van mijn voornaamste werk: de Partij, door mij opgericht, de beweging, door mij aangevoerd. Het zuiver persoonlijke, hoewel niet verwaarloosd, treedt meer op den achtergrond. Een nieuw geestelijk milieu moet worden geschapen en verwerkt; de politieke taak moet worden begrepen en eischt groote ontwikkeling van krachten. De opgerichte partij heeft een langen tijd van konsolidatie noodig, om tot zelfbezinning te komen en geschikt te worden voor de voortdurende massale aktie, die van haar wordt geëischt. Naast den strijd tegen tegenstanders van buiten, komt de botsing der meeningen binnen de jonge organisatie. Van een chaos moet gemaakt worden een daadkrachtige politieke beweging, met perspektieven voor de toekomst. De taak van den leider, waartoe ik mij langzamerhand ontwikkelde, eischt kennis en begrip van zaken, het algemeen belang, maar vooral dat der opkomende arbeidende klasse, betreffende.
Naar groote matiging en beperking moest hierbij worden gestreefd. Want zeer veelzijdig is de stof, die te bewerken was.
Dankbaar voor het groote werk, waaraan ik mij heb kunnen wijden - dankbaar voor hetgeen ik in dien arbeid leerde en mocht presteeren, was mij het schrij-
ven van dit boek een groot genot. De persoonlijke omstandigheden, waaronder dat moest plaats vinden, waren in zekeren zin zoo ongunstig mogelijk. Ik heb voor dit werk geen letter zelf op papier kunnen zetten. Sedert de laatste 60 pagina's van het eerste deel, nadat een beroerte met verlamming aan de rechterzijde mij daartoe noodzaakte, heb ik tot dikteeren mijn toevlucht moeten nemen. Het tweede deel eischte raadpleging van allerlei gegevens, die in bibliotheken en elders moesten worden verzameld. Aan hen, die daarbij of op andere wijze bij het samenstellen van dit boek mij van dienst zijn geweest, mijn hartelijken dank.
Maar het zou mij onmogelijk zijn geweest, onder de zoo ongunstige omstandigheden mijn werk te verrichten, indien niet jonge krachten, mij, den invaliede, hadden geholpen. Ik heb hierbij voornamelijk te noemen mijn eersten sekretaris, H.B. Wiardi Beckman, die mij èn wegens zijn bekwaamheid èn wegens zijn hoogstaande en aangename persoonlijkheid den arbeid aan dit boek zeer heeft verlicht en tot een voortdurend genoegen heeft gemaakt. Ook mijn tweeden sekretaris, H.W. Sandberg, ben ik wegens zijn ijverige en belangstellende medewerking grooten dank schuldig.
De stof, in dit deel behandeld, eischt van den lezer meer dan die van het eerste deel. De ontvangst, dat eerste deel vooral in de kringen van Partij en Vakbeweging ten deel gevallen, geeft mij het recht ook voor dit boek de noodige belangstelling te verwachten.
Zoo werd en wordt het schrijven van dit boek in tijden van ziekte en invaliditeit voor mij het middel, om van mijn leven te maken, wat er nog van te maken is en den band met de socialistische arbeidersbeweging te onderhouden en te versterken.
Scheveningen, Sept. 1928
TROELSTRA

TROELSTRA MET H.B WIARDI BECKMAN, OP HET TERRAS VAN HET
TROELSTRA-OORD