de laatste kiesrechtmeeting - het werk der bevredigingskommissie - historische beschouwingen - cort van der linden en de pacifikatie - de beteekenis van het konservatisme - de resultaten van het algemeen kiesrecht - het incident nierstrasz - eerste symptomen van fascisme - de pacifikatie en de groninger motie - de savornin lohman als politieke figuur - het algemeen kiesrecht afgekondigd
De kiesrechtbetooging van 17 September 1916, bezocht door 40000 betoogers, bracht mij weer temidden van de socialistische massa. In de nabijheid van het meetingterrein zagen mijn vrouw en ik een tijd lang de scharen aanrukken, allen opgetogen en geestdriftig; verschillende groepen arriveerden in autobussen, vaak van zeer zonderling maaksel. Toen begaven wij ons naar den ingang, waar wij de besturen en de komiteeleden ontmoetten; de hartelijke stemming van allen deed warm aan. Nadat Vliegen de meeting had geopend en tal van zangkoren onze liederen hadden gezongen, sprak ik van een tribune, dicht bij den ingang. De aanblik der menigte was overweldigend. Na afloop der meeting gingen wij in gezelschap van Vliegen en zijn vrouw naar zijn woning, om op het balkon de stoet te zien passeeren, die zoo lang was, dat reeds een gedeelte op de Noordermarkt was ontbonden, toen nog scharen bezig waren het meetingterrein te verlaten. De heer de Savornin Lohman vroeg mij later, of mijn kiesrechtstrijders voor mij hadden gedefileerd, en werkelijk, dien indruk maakten zij, terwijl zij wuivend en juichend ons passeerden. Zulk een machtig-aangrijpende betooging had ik nog nimmer bijgewoond. Zij vormde een waardigen inzet voor de behandeling der Grondwetsherziening in de Kamer.
Bij deze Grondwetsherziening werd het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd en kwam de bevrediging
op het gebied van het onderwijs tot stand. De regeering stelde voor, het kiesrecht te verleenen aan de mannelijke Nederlanders ‘die de door de wet te stellen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaar mag zijn, hebben bereikt en aan vrouwelijke ingezetenen, die aan gelijke voorwaarden voldoen, voor zoover de wet haar daartoe uit hoofde van niet aan het bezit van maatschappelijke welstand ontleende rechten bevoegd verklaart.’ De beteekenis van deze laatste zinsnede, waarin de regeering later ‘voor zoover’ veranderde in ‘indien en voor zoover’, was, dat hiermee de beletselen tegen vrouwenkiesrecht uit de Grondwet werden gelicht en het niet denkbeeldige gevaar van ‘dameskiesrecht’ werd gekeerd. (Vgl. ‘Branding’ blz. 13). De regeering deed verder voorstellen omtrent de invoering van stemplicht, de opneming van evenredige vertegenwoordiging in de Grondwet en verleening van passief kiesrecht aan de vrouwen. Het kiesrecht voor de provinciale staten en de gemeenteraden zou op gelijke wijze worden geregeld.
De grondslag voor de onderwijsbevrediging was gelegd in de zoogenaamde pacifikatiekommissie, reeds in 1913 door de regeering benoemd onder voorzitterschap van dr. Bos, waarin Ter Laan en ik voor onze Partij zitting hadden. Van mijn werk in deze kommissie meen ik een beknopte samenvatting te moeten geven. Bij de algemeene beschouwingen had ik in de eerste plaats gekonstateerd, dat een gunstig resultaat van den arbeid der kommissie van groot belang zou zijn, zoowel voor het peil van het volksonderwijs als voor de Nederlandsche politiek, daar aan de reeds zoo lang voortwoekerende schoolstrijd de grond zou worden ontnomen. Dit politiek moment, waarmee de kommissie rekening moest houden, kon, mijns inziens, een oplossing slechts bevorderen, daar het de partijen moest leiden tot ingetogenheid bij het stellen van eischen. Ik had mij voorstander verklaard van een alge-
meen handhaven der openbare school, omdat deze steeds onder publieke kontrole staat en er dus voortdurend verbeteringen kunnen worden aangebracht. Anderzijds achtte ik het noodzakelijk, de finantieele gelijkstelling van het bizonder onderwijs uitdrukkelijk in de Grondwet op te nemen, en beriep mij, wat de te vorderen waarborgen betreft, op onze Groninger motie. Behoudens op enkele punten namen Ter Laan en ik in de kommissie een zelfde standpunt in.
De heer Tydeman kwam in de kommissie op tegen de voorgestelde regeling, waarbij Katholieke kloosterbroeders en -zusters, voor zoover zij aan kloosterscholen onderwijs gaven, ook hun salaris van overheidswege zouden ontvangen, daar deze hun salaris aan hun orde zouden afstaan en daardoor een officieele ‘subsidie aan die kongregaties’ zou worden gegeven. Tegen zijn opvatting kwam ik in verzet. Ik zeide: ‘De vraag is alleen, of er onderwijs wordt gegeven door bevoegde personen; wat deze personen doen met het door hen verdiende geld, behoeft voor de staat geen punt van overweging uit te maken. Ik zie geen beginsel, waarom men hier anders tegenover zou staan dan tegenover andere onderwijzers, die ook niet hun geheele salaris wenschen te verteren.’
Met nadruk betoogde ik, dat ook van het bizonder onderwijs de eerbiediging van anderer overtuiging moest worden geëischt. ‘Niemand (mag) in zijn godsdienstige overtuiging worden gekrenkt in dien zin, dat men den kinderen geen verachting en haat jegens andersdenkenden mag leeren.’ Ik noemde die opvatting ‘zoo vanzelfsprekend, dat zij niet in de Grondwet of wet behoeft te worden gedekreteerd. Maar nu de staat ook van de bizondere scholen alle kosten gaat betalen, moet hij ook in dit opzicht nog nauwer toezien.’ Bovendien eischte ik, dat niet alleen de godsdienstige, maar ook de politieke overtuiging van andersdenkenden zou worden ontzien. Reeds in de Grondwetskommissie
van 1910 had ik voorgesteld, in de Grondwet vast te leggen, eerbiediging van ieders ‘zedelijke en maatschappelijke overtuiging.’
Nog tijdens de werkzaamheden der kommissie overviel mij mijn ziekte, die mij dwong naar het buitenland te gaan. Op mijn verzoek, mij als lid der kommissie ontslag te verleenen, antwoordde dr. Bos, dat, aangezien ik de algemeene beschouwingen der kommissie volledig had bijgewoond en dus slechts de uitwerking van de toen vastgestelde beginselen was overgebleven, het beter werd gevonden, dat ik lid der kommissie bleef en het eindrapport mede onderteekende.
In dat rapport gaf de kommissie een koncept-lezing voor een gewijzigd artikel 192, het onderwijsartikel in de Grondwet, benevens een wetsontwerp ter uitwerking van de daar vastgelegde beginselen. Het voorgestelde Grondwetsartikel werd in het regeeringsvoorstel ongewijzigd overgenomen; het bevatte o.a. de volgende passages: ‘Overal in het Rijk wordt van overheidswege de gelegenheid gegeven tot het ontvangen van voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs.... De eischen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten deele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zoover het bizonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.... Het bizonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd.’
In mijn eerste rede bij de algemeene beschouwingen wees ik op het politiek verband der beide te behandelen onderwerpen, het algemeen kiesrecht en de onderwijs-pacifikatie, dat een gelijktijdige behandeling motiveerde. ‘Het is toch in werkelijkheid er om te doen,’ zeide ik, ‘in onze Grondwet op te nemen de resultaten van
twee processen van politieke ontwikkeling in ons land: vooreerst de finantieele gelijkstelling van het openbaar en het bizonder onderwijs en ten andere de volledige invoering van het algemeen kiesrecht. Die beide processen zijn te beschouwen als een reaktie op het optreden der liberale bourgeoisie sinds 1848. In dit opzicht bestaat er tusschen beide een zeker historisch verband. De liberale bougeoisie duldde het bizonder onderwijs, maar erkende en verzorgde het niet. Op het toppunt van haar macht gekomen, sprak zij het bekende woord, dat dan de minderheden maar moeten worden onderdrukt.... Diezelfde bourgeoisie had met een zeer beperkt en aan een hooge census gebonden kiesrecht alle macht des staats voor zich geüsurpeerd.... Het is wel eigenaardig, dat de strijd voor de verwezenlijking dezer denkbeelden, de strijd eenerzijds tegen het ontkennen van het recht van het vrije onderwijs, tegen het ontkennen van het algemeen staatsbelang, dat er in een goed bizonder onderwijs is gelegen, en anderzijds tegen het ontkennen van het recht van elk burger om aandeel te nemen aan het bestuur van de staat, aanleiding heeft gegeven tot het groot worden in ons land van twee politieke partijen. Het ontkennen van het recht der godsdienstige en door godsdienstige beweegredenen geleide partijen, heeft haar niet kleiner en zwakker gemaakt, maar integendeel ten gevolge gehad een politieke worsteling, die ze groot heeft gemaakt, groot in de politiek, maar ook doen wortelen dieper en dieper in de ziel van een gedeelte van ons volk. En de onwil om in ons land tijdig in te voeren het algemeen kiesrecht, heeft een beweging in het leven geroepen in een klasse, wier behoefte aan politieke uitleving eischte, dat het algemeen kiesrecht zou worden ingevoerd en heeft ten gevolge gehad het ontstaan en steeds verder groeien van een groote sociaal-demokratische partij in ons land.’
Ik wees er op, dat als de meeste partijen bij het steunen van deze dubbele Grondwetsherziening een jaren-
lang verdedigd standpunt moesten loslaten en de moeilijke taak hadden, die verandering aan hun kiezers duidelijk te maken, onze Partij door het steunen der voorstellen slechts voortging op een oude weg; reeds in 1902, immers, hadden wij in onze Groninger schoolmotie de onderwijspacifikatie voorbereid. Ik voegde hieraan toe een woord ‘van dankbare en eerbiedige hulde’ aan minister Cort van der Linden, den man, die de beide onderwerpen had durven aanpakken. Het algemeen kiesrecht was hem door den uitslag van de verkiezingen van 1913 voorgeschreven, doch tot pacifikatie op onderwijsgebied, zoo zeide ik, ‘heeft hij zelfstandig leiding en initiatief genomen, een initiatief, dat menig gewezen hoofd van rechtsche ministeries dezen bewindsman moge benijden,’
Het is en wordt dikwijls voorgesteld, alsof de heer Cort van der Linden, om de rechtsche partijen het algemeen kiesrecht te doen aanvaarden, haar met gelijkstelling van het onderwijs heeft willen paaien. Niets is minder juist. Het denkbeeld, dat politieke berekening hem heeft gedreven tot gelijktijdige behandeling der beide onderwerpen, is volkomen uitgesloten, daar het verleden van den heer Cort van der Linden het aan de orde stellen van beide kwesties volkomen motiveerde. Niet alleen had hij reeds in zijn in 1886 verschenen werk ‘Richting en beleid der liberale partij’ geschreven: ‘Zoolang het stemrecht niet wordt begeerd, is er geen reden het te geven; zoodra het door medeburgers wordt verlangd, is er geen recht het te onthouden.’ Maar ook had hij het eenzijdig en afwijzend standpunt der liberalen tegenover de bizondere school reeds lang geleden bestreden. Zoo lezen wij in zijn inaugurale rede bij de aanvaarding van zijn Groningsch professoraat het volgende: ‘Maar niet hij is waarlijk vrijzinnig, die gewetensvrijheid eischt, maar het gemoedsbezwaar van zijnen broeder richt, die het dwingt om in te gaan in mijne kerk verafschuwt, maar het dwingt om in te gaan in
mijne school erkent.’ Bovendien kon hij zich in de Kamer beroepen op Thorbecke, die in een brochure van 1829 het goed recht van het bizonder onderwijs, ja, de verplichting tot steun daarvan door de staat, aldus had gekenschetst: ‘In geen ander (onderwerp) heeft dus de regeering meer reden, zich zelve te wantrouwen, de vrije pogingen en praktische proefnemingen van partikulieren te eeren, ja, derzelver onderstand en medewerking aan zich te verbinden.’ Het was zijn reeds lang te voren uitgesproken overtuiging, die Cort van der Linden moest drijven tot de samenkoppeling dezer onderwerpen, die in zooverre overeenkwamen, dat zij ons land verlosten van een dubbel onrecht, door de liberale partij in haar bloeitijd gepleegd, en waardoor de politiek van het Nederlandsche volk vrijwel in een impasse was geraakt.
Een uitvoerige beschouwing wijdde ik aan de geschiedenis der kiesrechtbeweging en de groote rol, daarin door de arbeidersbeweging gespeeld. De heer de Meester meende daartegenover het vaderschap van de beweging voor algemeen kiesrecht te moeten opeischen voor de liberalen, door te verwijzen naar het komitee voor algemeen kiesrecht, dat reeds in 1879 door Pekelharing en zijn geestverwanten was gesticht. In mijn repliek haalde ik de geschiedenis toen nog wat verder op, aan de hand van een artikel van Pekelharing, en herinnerde eraan, dat de door den heer de Meester genoemde beweging voor algemeen stemrecht weer was voortgekomen uit het komitee ‘ter bespreking van de sociale kwestie’, dat reeds in 1870 was gesticht. Het ontstaan van dat komitee zelf stond in direkt verband met het eerste optreden van een zelfstandige arbeidersbeweging in ons land, waar in die jaren ook de eerste Internationale haar sektie had. Dit komitee stelde in zijn tweede vergadering van 1871 het algemeen kiesrecht aan de orde; en Pekelharing geeft duidelijk
aan, dat deze bespreking in verband stond met een vergadering van arbeiders, eenige dagen te voren te Amsterdam onder voorzitterschap van den ouden Gerhard, lid der eerste Internationale, gehouden, aan de ‘Vertegenwoordiging van de arbeiders in de staat’ gewijd, waar ook het algemeen kiesrecht was behandeld. Die vergadering had aangetoond, dat toen reeds hier te lande onder de arbeiders een beweging voor het algemeen kiesrecht in opkomst was. Daarnaast ontstond een demokratische beweging onder de burgerij, de ‘Kathedersocialisten’, Het één was de aanvulling van het ander, maar voorop stond de beweging in de klasse, die de zaak aanging.
De heer Loeff beweerde, dat de vrucht van het algemeen kiesrecht nu eerst rijp was en kon worden geplukt en dat het aan de tegenstand van de Katholieken en andere konservatieven te danken was, dat zij niet vóór de tijd van haar rijpheid was geplukt. Volgens die redeneering zou aan hen, die het meest hadden gedaan om het planten van die vrucht tegen te gaan en het rijp worden te belemmeren, de eigenlijke verdienste voor de tot stand koming van het algemeen kiesrecht toekomen. In mijn repliek liet ik niet na, op die dwaze bewering krachtig te antwoorden.
Intusschen geeft de opmerking van den heer Loeff mij aanleiding om een enkel woord te zeggen over de beteekenis van het konservatisme in de politieke geschiedenis. Als men vecht voor het tot stand komen eener hervorming, is men geneigd in hen, die zich daartegen uit konservatisme verzetten, slechts vijanden en dwarsdrijvers te zien. Zoo eenvoudig echter is de zaak niet. De vooruitstrevende en de behoudende elementen in de maatschappij, de voorstanders van het nieuwe en die van het oude, staan zeker in bedoeling tegenover elkaar en het ligt dus voor de hand, dat zij elkaar met de uiterste inspanning bestrijden, maar zij vormen toch een geheel van krachten voor de maatschappelijke
ontwikkeling, waarbij de eene kracht even noodzakelijk is als de andere. Wij werken als sociaal-demokraten voor een nieuw voortbrengingssysteem, waarin de arbeidersklasse van thans de leiding zal hebben en wij stuiten bij die strijd op onvermoeide en felle tegenstand bij de aanhangers van het tegenwoordig produktiestelsel. Van algemeen historisch standpunt bezien, echter, heeft ook de tegenstand zijn belang voor het door ons nagestreefde doel en vindt daarin zijn rechtvaardiging. Die tegenstand dwingt de arbeiders, zich rekenschap te geven van hun ideeën, van de plichten, die op hen rusten bij het bekleeden van funkties, zoowel in het politiek als in het ekonomisch leven en van de bekwaamheden, die vereischt worden om die plichten te vervullen. Rusland toont ons de gevolgen van het gebrek aan deskundige leiding bij een plotselinge overwinning der arbeiders, die zich niet voldoende in de strijd met een konservatieve macht hebben kunnen scholen. Het bestaan van een konservatieve macht kan in bepaalde gevallen en voor bepaalde zaken een stimulans zijn voor het verwerven van die bekwaamheden en politieke eigenschappen, zonder welke het beoogde doel moet mislukken.
Of het algemeen kiesrecht in 1917 reeds als een rijpe vrucht was te beschouwen, kan zelfs worden betwijfeld. De groote vraag is, of het volk rijp was en deze vraag is voor verschillende beantwoording vatbaar. Reeds vroeger wees ik er op, dat het de groote sociale krachten zijn, die het politieke leven beheerschen. Het ongeluk van de tegenwoordige politiek ligt voor een groot stuk daar in, dat die krachten meer dan ooit zijn versnipperd en in het moderne partijwezen niet tot hun recht komen. Ook binnen de arbeidersbeweging, die zich op de grondslag van de klassenstrijd stelt, is de sociale eenheid verbroken. Kommunisme, ultra-reformisme, anti-marxisme, afgewisseld door allerhand religieuze stroomingen, zijn getreden op de plaats, voor
den oorlog door de sociaal-demokratie ingenomen, in één krachtige eenheid van willen en werken. Zoo is de voorhoede van de politieke arbeidersbeweging gebroken. Deze splitsingen, gevoegd bij de verdeeldheid tengevolge van het bestaan eener kerkelijke arbeidersbeweging, staan een vruchtbaar gebruik van het algemeen kiesrecht in de weg.
Op blz. 253 en 254 van ‘Wording’ sprak ik over het verschil tusschen de verouderde, liberale, zuiver intellektualistische opvatting van het kiesrecht, en die van Cort van der Linden, geformuleerd in het woord: ‘De sociale beweging beheerscht de politiek.’ Van dat woord schreef ik: ‘Uit het doode liberale intellektualisme werd de strijd voor het algemeen kiesrecht overgebracht op het levende gebied der sociale bewegingen.’ Ik wil mij hier over de toen gemaakte tegenstelling nader uitspreken. Die sociale bewegingen toch, waarvan de strijd voor het algemeen kiesrecht de zuivere uitdrukking was, zijn zonder een zekere mate van intellektueele inspanning en ontwikkeling op den duur voor de arbeiders niet voldoende gebleken. Zoolang de socialistische arbeidersmassa achter haar leiders staat en dus het intellekt van deze haar denken bezielt, gaat alles goed, maar zoodra dat niet meer het geval is, wordt de zaak anders. Dan kan de leiding gemakkelijk onder den indruk van burgerlijke stroomingen geraken, hetwelk op zijn beurt er weer toe meewerkt, een gedeelte der volgelingen ten prooi te doen vallen aan denkbeelden en bevliegingen, die langzamerhand in een nieuwe leer zijn overgegaan en die scherpe tegenstelling hebben teweeg gebracht, die zich nu tusschen kommunisten en sociaal-demokraten openbaart. Wat eenmaal slechts oppositie in de beweging was, wordt nu een zoodanige mate van felle vijandschap, dat wederzijdsche verkettering alle samenwerking onmogelijk maakt. Aan de eene zijde een overdrijving, die men ‘Kamer-politiek’ zou kunnen noemen, aan de
andere een, die gevoeglijk met de naam van ‘straatpolitiek’ kan worden bestempeld. Het ééne, allen verbindende doel der arbeidersbeweging, haar élan, haar onweerstaanbaarheid, die in vroegere tijden onze glorie waren, zijn gebroken.
Het moet worden toegegeven, met erkenning van de diensten, die het algemeen kiesrecht in het bizonder aan de arbeidersklasse heeft bewezen, dat toch de werking daarvan in de verschillende landen niet in voldoende mate is ten goede gekomen aan de maatschappelijke ontwikkeling. Dat ligt echter niet zoozeer aan het algemeen kiesrecht, als wel aan de inherente gebreken en leemten van het parlementaire stelsel. Het parlementaire stelsel berust op de fiktie, dat de gekozen volksvertegenwoordiging voldoende bekwame elementen bevat, om de groote ekonomische en andere vraagstukken, waarover het parlement heeft te beslissen, deskundig te behandelen. In het hoofdstuk over het politiek systeem der sociaal-demokratie kom ik op deze punten terug. Dit politiek systeem werd op merkwaardige wijze door den heer Rutgers ter sprake gebracht. Hij konstateerde, dat de rechterzijde bij deze gelegenheid de nederlaag leed ten opzichte van het organisch kiesrecht, waarvoor zij immer had gestreden. Troost vond hij echter in de verwachting, dat eenmaal het denkbeeld, door mij te Stuttgart uitgesproken in mijn beschouwing over een nieuw politiek systeem der sociaal-demokratie, tot uitvoering zou komen. (Zie ‘Branding’ blz. 24-26).
Inzake het vrouwenkiesrecht nam de regeering het standpunt in, dat invoering daarvan thans op de tegenstand van de rechterzijde zou moeten afstuiten en dat de herziening zich daarom tot het wegnemen van de beletselen uit de Grondwet moest bepalen. Het vrouwenkiesrecht is, zooals men zich herinnert, steeds mijn zwakke punt geweest en ik begrijp zeer goed, dat ik

KIESRECHTMEETING 1916 (‘HET LEVEN’)

TROELSTRA BIJ DE AFKONDIGING VAN HET ALGEMEEN KIESRECHT OP DE PUI
VAN HET HAAGSCHE STADHUIS
mij daardoor geenszins tot een persona grata bij onze vrouwen heb gemaakt. Ik moet deze impopulariteit met berusting dragen en ik moet toegeven, dat mijn houding bij deze Grondwetsherziening, al heb ik het noodige voor direkte invoering van vrouwenkiesrecht gedaan, niet zoo enthusiast en vurig is geweest, als onze vrouwen wel hadden gewild. Zoo rust op mij onherroepelijk de blaam van zwakheid, die mij ten opzichte van dit vraagstuk heeft gekenmerkt.
Ik gaf de regeering toe, dat haar argument, aan de houding tegenover het vrouwenkiesrecht van de konservatieve elementen in beide Kamers ontleend, moeilijk kon worden ontkend en verving daarom het oorspronkelijk door van Leeuwen en mij ingediende amendement, waarbij de direkte invoering van het vrouwenkiesrecht in de Grondwet zou zijn voorgeschreven, door een motie, waarvan de behandeling tot later werd uitgesteld.
Van den beginne af hebben de radikalen, later de vrijzinnig-demokraten, de zaak van het vrouwenkiesrecht tegen onze Partij en tegen mij in het bizonder uitgespeeld. Die houding is tot het eind toe volgehouden, getuige de indiening van het wetsontwerp-Marchant in 1918, waarmede zij aan de eenige vrouw in de Kamer de gelegenheid, om hier voor de rechten van haar sexe op te komen, ontnamen. In 1916 was het de vrijzinnigdemokraat Koster, die zich met den aanval op mijn standpunt in dezen belastte. Wie de redevoering naleest, waarin ik zijn aanval beantwoordde, zal daarin een zekere irritatie opmerken. Men had mij op een zwak punt getroffen en ik bleek nog niet voldoende geharnast tegen het door mij als klein gevoelde spel, dat men tegen mij speelde. Ook mijzelf werd hierdoor duidelijk, dat ik nog niet volkomen hersteld was.
Ik betoogde in mijn rede, dat opening van de mogelijkheid van vrouwenkiesrecht reeds een belangrijke stap vooruit was en trachtte met die bemoedigende
woorden ook aan onze vrouwen, de leidsters der socialistische vrouwenbeweging, een hart onder de riem te steken. Wij hadden omstreeks deze tijd met die leidsters een bijeenkomst in het gebouw van de Kamer en bij die gelegenheid maakten zij op mij een indruk, alsof een verpletterende nederlaag haar had getroffen. De bijeenkomst kreeg daardoor het karakter van een begrafenisplechtigheid en het gelukte niet, de strakke uitdrukking van verslagenheid van haar gelaatstrekken te doen verdwijnen. Mijn toen geüite geruststellende voorspelling, dat door de drang der omstandigheden invoering van vrouwenkiesrecht spoedig onvermijdelijk zou zijn, is binnen een paar jaar uitgekomen.
De artikelsgewijze beraadslagingen liepen o.a. over de stemplicht; over een amendement van van Leeuwen en mij, om de in de Grondwet vastgestelde minimumleeftijd voor het verkrijgen van het kiesrecht van 23 tot 21 jaar te verlagen; en over een amendement van mij, om in de Grondwet het beginsel van enkelvoudig kiesrecht vast te leggen, daar de door de regeering voorgestelde tekst de mogelijkheid van meervoudig kiesrecht openliet. Het amendement van van Leeuwen en mij werd verworpen. Het laatste amendement werd aangenomen, zoodat de Grondwet nadrukkelijk zegt: ‘Ieder kiezer brengt slecht één stem uit’. De heer Huart zegt in zijn boek over de Grondwetsherzieningen van 1919 en 1922 aangaande deze nieuwe zin in artikel 80: ‘Verre van overbodig te zijn behoort, wanneer ik mij niet bedrieg, de aan het eerste lid toegevoegde zinsnede tot de integreerende bestanddeelen van de grondwettelijke kiesrechtregeling.’
De fraktie was over de stemplicht verdeeld. Ik behoorde tot de leden, die zich verzetten tegen deze maatregel van reaktionairen aard, die de bedoeling had om de politiek onverschilligen en -onbenulligen naar de stembus te drijven. Terwijl Mendels een poging deed,
de stemplicht geheel uit het Grondwetsartikel te doen vervallen, achtte ik mij verplicht, aan een door Schaper ingediend amendement, de vrucht van een kompromis in de fraktie, mijn stem te geven. Het amendement bedoelde, de stemplicht in de Grondwet fakultatief te stellen.
Dat de beraadslagingen over een zoo eenvoudig onderwerp, als de door de regeering voorgestelde verhooging van de vergoeding der Kamerleden, zulke tooneelen van woede en verontwaardiging in de Kamer zouden teweeg brengen, als waartoe de rede van den vrij-liberalen heer Nierstrasz aanleiding gaf, had ik niet kunnen denken. Deze heer, één der voormannen in de scheepvaartwereld, had aan de debatten over de Grondwetsherziening nog geen deel genomen. Hij had zich in de Kamer alleen onderscheiden als de behartiger van de speciale belangen der handelsondernemers, wier onvermoeide verdediger hij was, o.a. bij zijn strijd tegen de stuwadoorswet en bij zijn optreden naar aanleiding van de torpedeering der Tubantia. Het bleek, dat hij het voorstel tot verhooging van de vergoeding der Kamerleden een geschikte gelegenheid achtte, om zijn reaktionaire en volksvijandige lusten bot te vieren. De regeering stelde niet alleen voor, de vergoeding van f 2000.- tot f 3000.- te verhoogen, maar wilde ook een presentiegeld invoeren. Ik wil wel zeggen, dat dit laatste, door een amendement Rutgers ten slotte uit het voorstel gelicht, mij minder bekoorde, maar ik had geen termen gevonden, er tegen op te komen.
Bij de behandeling van dit artikel uitte de heer Nierstrasz zijn verbeten woede en venijnigen afkeer van de ‘beroepspolitici’, van al diegenen, die zich aan het parlementaire werk geheel wijdden, en daarin de uitleving hunner beste gevoelens vonden. Eerst wierp hij een smet op die Kamerleden, die lid waren van de kommissies, ingesteld om de ondernemers op de vingers te zien; - kommissies, die zeker noodig waren in dezen oologs-
tijd en waartoe hij nota bene zelf behoorde. Daarna fulmineerde hij tegen de behandeling in oorlogstijd van zaken als het algemeen kiesrecht en de onderwijsbevrediging, en stelde tegenover hen, die zich met hart en ziel aan de politieke belangen van het volk gaven, diegenen, welke als hij slechts een klein gedeelte van hun tijd aan de behartiging der parlementaire zaken besteedden.
Onder deze rede was het zeer onrustig in de Kamer. Ieder gevoelde uit de bitse en venijnige toon, waarop deze insinuaties werden voorgelezen, dat deze man bezig was de Kamer en haar arbeid naar beneden te halen en te spekuleeren op de onpolitieke massa, die het belang der onderwerpen, waarmee wij bezig waren, niet inzag. De rede kulmineerde in de volgende woorden: ‘En nu komt de minister en laat met een hautain gebaar, zonder eenige toelichting en à fortiori zonder eenige argumentatie, enkele rijksdaalders vallen in de hand van den afgevaardigde, die naar mijn meening liever zijn kiezers zand in de oogen strooit dan zijn plicht naar de ruimste opvatting vervult; of van den afgevaardigde, die zich vastklampt aan zijn mandaat als middel van bestaan. Wordt dit voorstel aangenomen, dan zal daarmede in de Grondwet worden vastgelegd een gedachte, een opvatting, die ik niet aarzel als verderfelijk te merken.... Maar wat klaag ik? Chaque peuple a le gouvernement qu'il mérite. Elke Kamer ondervindt van de regeering de behandeling, die haar toekomt.’
In den aanvang van de rede van den heer Nierstrasz, die aan de rechterzijde zijn plaats had en door vele leden, die hem interrumpeerden, was omringd, had ik mij aan de linkerzijde teruggetrokken. Ik had een zeker voorgevoel, dat het mij met het oog op mijn gezondheidstoestand minder zou passen, mij door dezen kapitalistischen demagoog te laten opwinden. Intusschen kwam één mijner vrienden, die steeds op de bres stond
als er emotie te maken of te verwachten viel, mij met aandrang aansporen, mij in de strijd te begeven en eenmaal aan dat verzoek voldaan hebbend en mij onder de toehoorders van Nierstrasz scharend, werd ik meer en meer door woede, ja door razernij, aangegrepen. Dat deze politiek-bekrompen, echt-materialistische bevorderaar van de belangen der reeders en andere groot-kapitalisten hier aldus optrad en zelfs beweerde, in de Kamer zijn ‘idealen’ te hebben verloren, was mij onverdragelijk. En tusschen de verontwaardigde interrupties der anderen plaatste ik de mijne: ‘Jij bent een gewone scharrelaar! Jij komt hier op voor je kapitalistische belangen!’; enz. Ik had alle beheersching over mijzelf verloren. ‘Onder de verontwaardiging’ schreef de overzichtschrijver van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, ‘mengde zich allengs bezorgdheid voor den heer Troelstra, dien wij nog nooit zoo driftig gezien hebben, die doodsbleek telkens opnieuw opstoof en tenslotte slechts met moeite door mr. van Veen en anderen gekalmeerd en bedwongen werd, toen hij uit de bank, waar hij was neergezegen, en een ijlings aangeboden glas water had leeggedronken, opnieuw in de richting van den spreker wilde vliegen.... Geheel de oude is de afgevaardigde voor Leeuwarden blijkbaar nog niet.’
Toen de heer Nierstrasz zijn rede beeindigd had, bleef de opwinding voortduren. Minister Cort van der Linden trad op den spreker toe en deed hem ernstige verwijten en de oude heer de Savornin Lohman beet hem toe: ‘dat is een door en door gemeene redevoering, die u daar gehouden hebt.’ Tevergeefs trachtte de voorzitter de orde te herstellen. Ik was nog allerminst gekalmeerd en riep Nierstrasz toe: ‘Durf jij hier van idealen spreken? Jij.... Jij.... Er uit!.... Er uit!....’ In de Telegraaf beschreef de heer Hans de situatie aldus: ‘Boven alles uit stond en schreeuwde de heer Troelstra. Hij was op een bank gaan staan, angstig-bleek, trillend
over zijn gansche lijf.... Wat durft gij over idealen spreken? Wat durft gij ons te beleedigen?.... Ieder oogenblik vreesden wij een ongeluk als gevolg van de opwinding, waarin hij verkeerde. Ook anderen maakten zich angstig en de heer Duys beet den heer Nierstrasz toe: Pas op, als er wat met Troelstra gebeurt, zullen wij het je inpeperen.’ Het was dr. Scheurer, die mij tenslotte uit de zaal leidde en weer tot mijzelven bracht. Ik heb van het incident geen nadeelige gevolgen ondervonden en slechts de volgende dagen de Kamerzittingen niet kunnen bijwonen.
In de volgende zitting sprak de heer Nierstrasz enkele woorden, die met wat goede wil als een verontschuldiging konden worden opgevat Onmiddellijk daarna nam echter minister Cort van der Linden het woord, om hem nog eens op strenge toon op het ongepaste van zijn optreden te wijzen. Mijn opwinding was, behalve uit mijn gezondheidstoestand, te verklaren uit het feit, dat mij door het optreden van Nierstrasz plotseling werd onthuld, wat ons te wachten stond. De tegenstanders van het algemeen kiesrecht en de arbeidersbeweging zouden trachten hun tegenstand, die in de Kamer op normale wijze geen sukces meer had, naar een ander terrein over te brengen. De arbeiders stonden op het punt, het algemeen kiesrecht te veroveren; hun invloed in het parlement was niet meer te keeren. Thans ging het er om, dat parlement zelf onpopulair te maken, het zoo mogelijk aan de verachting des volks prijs te geven. Hier kwam het fascisme om de hoek kijken, nog voordat het vorm had aangenomen en wij zouden ons hebben voor te bereiden op een periode van strijd tegen de anti-politieke elementen, die in alle lagen van het volk aanwezig waren, doch zich nu onder leiding van de bedreigde groot-kapitalisten konden organiseeren. Heeren als Nierstrasz en kornuiten kunnen zich redden buiten het kiesrecht.
Hun geld, hun ekonomische macht zijn voldoende om in verbinding met hun invloed op de anti-politieke elementen in het volk, de regeering te beheerschen. Daarom was voor mij het geval-Nierstrasz meer dan een incident; het was een symptoom, een oorlogsverklaring.
De heer Nierstrasz heeft enkele maanden later een brochure uitgegeven, waarin hij zijn optreden toelicht en als een moedige daad voorstelt. Deze brochure bracht de bevestiging van mijn verwachting, dat wij hier niet met een eenvoudig incident, maar met het begin van een groote aktie te doen hadden. Hij beweerde, dat zijn woorden weergaven ‘hetgeen sinds eenige tijd en in voortdurend sterker mate omgaat in de ziel van het Nederlandsche volk’, en sprak van een ‘grooter wordende verwijdering tusschen volk en volksvertegenwoordiging’. Van de tijdelijke ontstemming, door den oorlogstoestand veroorzaakt, maakte hij misbruik om tegen het parlement te hitsen. In den heer Elout van het Handelsblad vond hij een medestander, die schreef, dat Nierstrasz veel instemming had gevonden en dat die instemming niets te maken zou hebben met ekonomische tegenstellingen, maar te vinden was ‘onder armen en rijken; onder groote en kleine lui.’
Bij de algemeene beschouwingen over de staatsbegrooting voor 1917, in December, kwam ik op de zaak terug. Ik erkende, dat de rede van Nierstrasz in verschillende kringen was ingeslagen en zocht de oorzaak daarvan vooral in de omstandigheid, ‘dat er in ons volk tegenwoordig een politieke malaise bestaat, die uitstekend is te verklaren en die wel voor het grootste deel samenhangt met de neutraliteitspolitiek, waartoe onze regeering is gedwongen.... De neutraliteitspolitiek dwingt de regeering, de Kamer, de pers, het geheele publiek, veel initiatief het zwijgen op te leggen.... De stemming, die in ons volk heerscht, wordt van sommige zijden sterk geprikkeld, om niet te zeg-
gen geëxploiteerd, door aanvallen op parlement en regeering, wegens de ingetogenheid, die wij ons moeten opleggen en wegens de onmogelijkheid, waarin wij ons bevinden, door daden uiting te geven aan zooveel, dat niet alleen door de leden der Kamer maar zeker ook door de leden der regeering als mensch dikwijls zeer pijnlijk wordt gevoeld’. Ik wees vervolgens op alles, wat ons volk op ekonomisch gebied te verduren had; en besprak tenslotte het politiek-ekonomisch element, dat in de anti-parlementaire stemming werkte: ‘De hoek, waaruit de stem kwam tegen het parlement, die stem, die weerklank heeft gevonden, er is gezegd: dat was de vrij-liberale hoek; ik zeg: neen, mijnheer de Voorzitter, dat was niet de vrij-liberale hoek, dat was niet een politieke partij, die hier gesproken heeft; dat is geweest een groot-kapitalistische hoek. Wij beleven op het oogenblik de wording van een antagonisme tusschen de vermeerderde politieke macht van de arbeidersklasse en de sterk zich vermeerderende ekonomische macht van betrekkelijk kleine groepen in ons volk. Het groot-scheepvaartkapitaal, het Finanzkapital, het koloniale grootkapitaal, dat heb ik vertegenwoordigd gezien in dien aanval op de Kamer.’
De onderwijspacifikatie vond in de Kamer vooral bestrijding van liberale zijde. Bij de openbare onderwijzers sloeg de liberale oppositie, in wier naam vooral de heeren Tydeman, Otto en Eerdmans in het krijt traden, meer in, dan door mij wenschelijk werd geacht, en ik vond het daarom noodig, met kracht tegen deze heeren op te treden.
In het P.B. had ik er op aangedrongen, de Partij op een buitengewoon kongres gelegenheid te geven, haar standpunt in zake het onderwijsartikel te bepalen. Ik wilde gaarne voor de geheele Partij de konklusies der pacifikatiekommissie verdedigen. Om praktische redenen evenwel besloot het P.B., slechts een partijraads-
vergadering over deze zaak bijeen te roepen. Bij mijn inleiding van de besprekingen zeide ik o.a.: ‘Bergen dus deze wetsvoorstellen in zich de vervulling van menigen eisch, door onze Groninger motie gesteld, de laatste zinsnede van deze motie verklaart zich alleen onder “geheele” voldoening aan alle daarin belichaamde eischen voor de gelijkstelling. “Alles of niets”! Onze gebruikelijke taktiek is dat niet. Wij zijn gewoon het mindere te aanvaarden in afwachting van het meerdere, dat volgen moet. En wanneer wij nu overwegen, dat het Grondwetsartikel de vrije weg effent naar alle verbeteringen, welke wij beoogen en zien, wat in de wetsvoorstellen der kommissie daarvan terecht komt, dan dienen wij ons wel twee maal te bedenken, vóór wij ons tot een afwijzende houding zouden laten verlokken door de oppositie van konservatief-liberalen, die zich als de “frontmakers” bij uitnemendheid voor de openbare school opwerpen.... Hoofdzaak is en blijft, goed in te zien, dat de waarborgen, welke onze Groninger motie voor de gelijkstelling eischt, dan eerst aan de orde komen, als de gewone wetgever zijn taak zal aanvangen.’
Het viel niet te ontkennen, dat de laatste woorden van de Groninger motie, die de ‘geheele’ voldoening van alle daarin gestelde voorwaarden eischte, een uitlegging toeliet, waarmede ons optreden bij de Grondwetsherziening in strijd was. De tegenstanders tegen de gelijkstelling binnen de Partij maakten en maken van die woorden dan ook dankbaar gebruik. De bedoeling van die laatste alinea was echter deze: wij willen een definitieve oplossing van de schoolkwestie, geen gedeeltelijke. Voor zoo'n gedeeltelijke oplossing, waarbij de rechterzijde beetje bij beetje telkens wat meer subsidie zou binnenhalen, zonder daar tegenover eenige waarborg te geven, scheen onder het ministerie-Kuyper, dat in 1902 aan het bewind was, gevaar te bestaan.
In de resolutie, aan het slot der besprekingen vastge-
steld, aanvaardde de partijraad het regeeringsvoorstel voor artikel 192 ‘in zijn algemeene strekking’, doch verklaarde het een leemte in het regeeringsvoorstel, ‘dat de waarborg van materieele gelijkwaardigheid’ daarin niet uitdrukkelijk was opgenomen. Op het Paaschkongres van 1917, waar de oppositie alle gelegenheid kreeg, haar standpunt toe te lichten, zou duidelijk blijken, dat de Partij in groote meerderheid de noodzaak en positieve voordeelen der pacifikatie begreep.
In aansluiting aan de resolutie van de partijraad wees ik in mijn rede bij de algemeene beschouwingen op het ontbreken in het door de regeering voorgestelde artikel van het ‘beginsel van gelijke deugdelijkheid’ van het bizonder en openbaar onderwijs. ‘In het artikel wordt de finantieele gelijkstelling uitgesproken en ook de vrijheid van richting, maar wat daartegenover staat en een stilzwijgende konditie is geweest, het beginsel der gelijke deugdelijkheid, behoorde in een kompromis-artikel ook te zijn opgenomen.’ Zooals men weet, is bij de eindredaktie van artikel 192 in de hier-aangewezen leemte voorzien. Gerhard behandelde de historische ontwikkeling van de onderwijskwestie in ons land in een zeer doorwerkte rede, die algemeen waardeering vond. Ter Laan sprak over de beteekenis van de bevrediging voor het peil van het onderwijs. Daarbij besprak hij de mogelijkheid, dat door de schending van de geest van de openbare school, de arbeidersbeweging, speciaal in het Zuiden, gedwongen zou kunnen worden, niet om socialistische sektescholen te stichten, maar wel om neutrale bizondere scholen op te richten. In mijn repliek sprak ik in gelijke geest over deze kwestie, die inmiddels in Zuid-Limburg reeds van praktische beteekenis is geworden.
Over het algemeen trachtten de sprekers der verschillende partijen bij de algemeene beschouwingen de geesten voor te bereiden voor het aanvaarden van de pacifikatie-idee en voor een loyale uitwerking daarvan
bij de onderwijswet, die artikel 192 zou uitvoeren. Een dergelijke voorbereiding was wel noodig, daar bij de jarenlange strijd over het onderwijs vele bittere woorden waren gevallen en onjuiste voorstellingen waren gekweekt, die, werden zij niet bij deze gelegenheid weersproken, het doen aanvaarden der pacifikatie door de massa van ons volk onmogelijk zouden maken.
Belangrijk waren de redevoeringen van den heer de Savornin Lohman. Hem viel, als vice-voorzitter der pacifikatie-kommissie, de taak ten deel, haar rapport te verdedigen, nu haar even bekwame als sympathieke voorzitter, dr. Bos, die inmiddels overleden was, bij deze behandeling van haar arbeid werd gemist. De heer Lohman heeft zich bij de pacifikatie van zijn beste zijde doen kennen. Al zijn groote scherpzinnigheid, ervaring en staatsmanswijsheid wendde hij aan, om de pacifikatie te doen gelukken. Hij toonde zich hier een man van hoog inzicht, breede blik en onkreukbare goede trouw. Meer dan ooit heb ik in deze jaren, zoowel in de bevredigingskommissie als bij de Kamerdebatten, bewondering voor hem gevoeld. Hij was een geboren reaktionair, maar van hoog kaliber. Hij was een geboren aristokraat, maar als kalvinist bezat hij toch zekere demokratische neigingen. In de persoon van Lohman heeft onze Nederlandsche politiek een groot verlies geleden.
Dat in onze beweging het vraagstuk der onderwijspacifikatie nog steeds voortspookt, is, vooral nu de kritiek op de finantieele gevolgen ook door ons wordt gedeeld, te begrijpen. Dat daarbij weer wordt getornd aan de Groninger schoolmotie en het oude shibboleth van de ‘verplichte neutrale staatsschool’ weer voor den dag is gehaald, pleit niet voor de originaliteit van de leiders dezer aktie. Deze poging om met een versleten leuze het socialisme weer ‘revolutionair’ te maken, acht ik volkomen misplaatst. Niet terug naar de
liberale schoolpolitiek, waar wij ons eens bovenuit hebben gewerkt, maar vooruit op de weg naar de zoo noodige verbeteringen in het tegenwoordig stelsel, dat moet de leuze zijn.
De kritiek op de finantieele gevolgen der bevrediging heeft geleid tot een rapport van de hand van den heer Laban, verschenen in Februari 1922, dat grooten indruk maakte door de daar gegeven hooge onderwijsuitgaven in ons land, vergeleken met andere landen.
De bezuinigingspolitiek van de ministers de Geer en Colijn spaarde het onderwijs niet en voerde bezuinigingen in, die de bevrediging onaangetast lieten, doch het peil van het volksonderwijs ernstig dreigden te verlagen, (opschorting der zevenjarige leerverplichting; invoering van het instituut der ‘assistenten’, enz.). Daarnaast bleef het verzet tegen de finantieele lasten, door de pacifikatie zelve opgelegd, toenemen en de regeering was tenslotte gedwongen de staatskommissie-Rutgers in te stellen, die tot taak had, een weg te zoeken, waarlangs met behoud van het beginsel der pacifikatie bezuiniging kan worden aangebracht. Een uitweg heeft deze kommissie echter niet gewezen. Inmiddels zijn de maatregelen, die het peil van het onderwijs aantastten, weer opgeheven.
Ook in de Partij openbaart zich verzet tegen de praktijk der bevrediging. Niet alleen maakt men zich ongerust over de kosten, maar niet minder over het feit, dat de openbare school steeds meer terrein verliest aan de bizondere. Bij het in werking treden van de Lager-Onderwijs-wet de Visser, waarin het beginsel der gelijkstelling was uitgewerkt, 1 Januari 1921, bedroeg het aantal leerlingen der openbare scholen 560.907; dat der bizondere scholen 479.270; 31 December 1928 waren die getallen geworden: openbare scholen 472.432 en bizondere scholen 683.448.
Reeds in Mei 1921 benoemde het P.B. een kleine onderwijskommissie. Deze stelde een onderwijsparagraaf
voor het verkiezingsprogram van 1922 op, waarin met behoud der gelijkstelling maatregelen tegen de versnippering der scholen werden gevraagd. Het programmanifest, dat tijdens de Vlootwetkrisis in het najaar van 1923 door Partij en N.V.V. werd uitgevaardigd, bevatte de volgende passage: ‘dat opheffing van de geldverspillende versnippering op het gebied van het onderwijs millioenen kan besparen zonder de kultureele waarde aan te tasten, zonder het zevende leerjaar op te heffen en zonder nieuwen onderwijsstrijd te ontketenen.’ In het voorjaar van 1924 stelde het P.B. een nieuwe kommissie in, die tot de konklusie kwam, dat de S.D.A.P. ‘zich in deze tijd niet kan en mag onttrekken aan medewerking bij pogingen tot het scheppen van een betere toestand der finantien. Voor wat de onderwijsbezuiniging betreft, kan deze medewerking zich echter slechts bepalen tot het verhinderen van onnoodige of verkeerd gerichte uitgaven, zonder dat het peil der volksontwikkeling daardoor daalt.’ Tegelijkertijd was een grootere onderwijskommissie benoemd, die de onderwijsvraagstukken in het algemeen kreeg te behandelen. Deze kommissie bracht Januari 1925 haar rapport uit. Ik maakte van deze kommissie deel uit en heb het rapport mede onderteekend, doch om gezondheidsredenen heb ik geen der vergaderingen kunnen bijwonen. De kommissie erkende de bezwaren, die de uitvoering van de wet-de Visser met zich bracht, en gaf middelen ter verbetering aan, doch zij zag daarin geen reden ‘om ten aanzien van de finantieele gelijkstelling aan te dringen op een wijziging van het standpunt der Partij.’ Uit de telkenjare ingediende kongresvoorstellen blijkt, dat er in de S.D.A.P. nog veel onzekerheid op dit punt bestaat.
Bovendien kwam op het kongres van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers, in December 1929, een rapport in behandeling, over de wenschelijkheid van het opgeven van het pacifikatiestandpunt ten gunste
van de verplichte neutrale staatsschool. De meerderheid der rapporteerende kommissie verklaarde zich voor het laatste, echter met de toevoeging, dat deze eisch eerst rijp moest worden gemaakt voor verwezenlijking en met een voorstel, bevattende punten van wijziging der pacifikatieregeling, die het beginsel der bevrediging onaangetast laten. Een even inkonsekwent standpunt dus, als indertijd vóór de Groninger beslissing door mevrouw Roland Holst, Gorter en hun aanhangers werd ingenomen. (Zie ‘Groei’, blz. 255). Op dit kongres werd de pacifikatie in een nuchtere, zakelijke speech door Thijssen verdedigd. Terecht zeide hij: ‘Sedert de pacifikatie is de koalitie uiteengevallen en zij wordt niet meer gelijmd, tenzij men haar helpt aan een frissche, vroolijke schoolstrijd.’ Op het volgend kongres bleek de meerderheid achter hem te staan.
Intusschen moet worden toegejuicht, dat in onze kringen de fouten van de tegenwoordige regeling worden gevoeld, en ik spreek de hoop uit, dat die fouten zullen worden overwonnen door een krachtige aktie, niet slechts van de onderwijzers, maar van de geheele socialistische arbeidersbeweging. Onderwerpen van politieke strijd zijn niet in te ruime mate voorhanden. Deze zaak moet worden aangepakt op verstandige en krachtige wijze, liggend in de richting van ons program.
Nadat de Tweede Kamer de voorstellen tot Grondwetsherziening had aangenomen - alleen bij het onderwijsartikel was er één tegenstemmer -, kwamen zij bij de Eerste Kamer in behandeling. Het voorloopig verslag, door dit lichaam over de voorstellen uitgebracht, deed bij al wat konservatief voelde de hoop herleven, dat het mogelijk zou zijn, de invoering van het algemeen kiesrecht tegen te houden. Op het Paaschkongres, dat in 1917 weder werd gehouden, toonde onze Partij zich vastbesloten, voor dat verzet onder geen voorwaarde uit de weg te gaan. In een krachtige resolutie verklaar-
de de Partij ‘een dergelijken aanslag niet zonder het sterkst mogelijke verweer te zullen dulden.’ De rede, waarin ik deze resolutie toelichtte, verwekte bij het kongres een groot enthusiasme, dat een ernstige waarschuwing aan onze tegenstanders inhield. Onder toenemende instemming der partijgenooten zeide ik o.a.: ‘Wij hebben een tijd achter ons, dat wij een beeld waren van beheerschte kracht, niet uit zwakheid en slapheid, maar omdat wij ons eigen werk niet wilden verstoren. Wanneer een mensch lange tijd zijn energie moet intoomen, als volksmassa's hun kracht hebben moeten inhouden als onze tienduizenden deden, in een tijd, die inging tegen ons heiligste willen - en als dan de band losspringt en alles opbruist, dan kan er veel gebeuren. Als het er straks op aan mocht komen, om te strijden voor dit duur-verworven recht, toont dan dezelfde ontembare kracht als de heerlijke Russische arbeidersklasse. Wanneer het noodig is, dat ook de uiterste revolutionaire middelen worden gebruikt, dan zult gij op den eersten roep van het Partijbestuur klaar staan, om alle offers te brengen, die van u worden gevorderd.’
In Mei werden de herzieningsvoorstellen in de Eerste Kamer behandeld en aangenomen. Daarop volgde Kamerontbinding en een nieuwe verkiezing voor de beide Kamers, die reeds 28 Juni opnieuw werden geopend. De omstandigheid, dat in de korte wetgevende periode, waarin de Grondwetsherziening zou worden afgewerkt en de voorbereidingen voor verkiezingen volgens het nieuwe stelsel zouden worden getroffen, geen belangrijke politieke vraagstukken zouden worden aangepakt, had de partijen aanleiding gegeven, vóór de verkiezingen van Juni 1917 te komen tot de afspraak, dat men gezamenlijk de herkiezing der aftredende leden zou bevorderen; het ‘laten zitten wat zit’. In een vijftigtal distrikten werden tegenkandidaten gesteld, hetzij van de zijde der Wijnkoopgroep, hetzij door de tegen-
standers van de Grondwetsherziening, doch sukces hadden deze nergens.
In November hadden de herzieningsvoorstellen voor de tweede maal de beide Kamers doorloopen, en op 12 December had in het geheele land de openbare afkondiging plaats. In Den Haag woonde ik op de Groenmarkt de afkondiging der nieuwe Grondwet door den burgemeester, den heer van Karnebeek, bij. Ik stond bij de stoep van het Stadhuis en hield mij gereed, om, toen de proklamatie was afgeloopen, de plaats van den burgemeester in te nemen en voor de daar verzamelde menigte met een enkel woord de beteekenis van de hier bekrachtigde verovering van het algemeen kiesrecht toe te lichten. Ik wenschte het volk geluk met de verovering van dit nieuwe wapen, dat het zou hebben te hanteeren in de strijd tegen de machten van het behoud, met dit werktuig, dat het zou hebben te gebruiken, om de nieuwe maatschappij mede te bouwen. De groote beteekenis van het oogenblik deed mij deze woorden met ontroering uitspreken en eenzelfde ontroering maakte zich meester van de luisterenden. Onder hen bevonden zich verschillende socialistische Kamerleden, die echter geen van allen van te voren van mijn plan, hier op te treden, op de hoogte waren geweest.
Dien avond sprak ik in een feestvergadering te Rotterdam. ‘Het groote werk, dat wij met het algemeen kiesrecht hebben te doen’, zeide ik, ‘is het organiseeren van de staat. Wij moeten de hand slaan aan het kapitalisme.’ Ik wees op de schrikbarende macht, die de enkele beheerschers van het ekonomisch leven in handen kregen, en betoogde, dat strijd tegen die macht voor de arbeidersbeweging het eerst noodige was.