terug  begin  verderprepost
[p. 65]

III. Een neutraal land in de knel

minister rambonnet geeft toe - steun aan belgische kameraden - open brief aan vandervelde - colleaux gered - tegen de dreigende hongersnood - hongeroproer te amsterdam - debat met dresselhuys - onze neutraliteit in het gedrang - maart 1916 en april 1918 - naar den ontwapeningseisch - een marine-avontuur - de verkiezingen van 1918

 

De natuurlijke taak der socialistische beweging, de behartiging van de belangen der arbeidersklasse en van allen, die de druk der tijden ondervinden, is nooit zoo zwaar geweest, als in de mobilisatiejaren. Na mijn herstel van 1916 kon ik mijn deel van deze belangrijke taak weer op mij nemen. In het najaar van 1916 deed de Bond van Minder Marinepersoneel een beroep op Partij en vakbeweging. Het bleek, dat de positie van de bond door de tegenwerking en vervolging der marine-autoriteiten onhoudbaar was geworden. Reeds voor de mobilisatie had minister Rambonnet de bond en zijn blad aan boord van de oorlogsschepen verboden. Het onvermijdelijk gevolg was, dat de verbindingen tusschen de organisatie en haar leden verbroken waren, en dat de anarchistische elementen onder het personeel vrij spel kregen. Verschillende relletjes hadden plaats, die vooral op de vloot in Indië een ernstig karakter aannamen. De bond voelde zich in zijn bestaan bedreigd en zag zich allen invloed op het marinepersoneel ontglippen.

In deze omstandigheden zegden Partij en N.V.V. toe, al het mogelijke te zullen doen, om den minister tot een andere houding te brengen. De algemeene vergadering van het N.V.V. nam in Oktober 1916 een resolutie ter ondersteuning van de Bond van Marine-personeel aan en in December van dat jaar bracht ik de zaak in de Kamer bij de behandeling van nieuwe marine-kredieten. Minister Rambonnet toonde zich weinig toeschietelijk. Hij stelde zich op het standpunt

[p. 66]

van het enghartig gezagsfanatisme van den beroepsmilitair en toonde zich niet genegen, mede te werken om uit de impasse te komen, waarin hij door zijn optreden niet alleen de marinebond, maar ook zichzelf had gebracht. In mijn repliek zeide ik, dat onze fraktie ditmaal nog niet de konsekwentie uit de afwijzende houding van den minister zou trekken; wij gaven hem bedenktijd tot de behandeling van zijn begrooting, die binnen enkele maanden aan de orde moest komen.

In de tusschentijd had ik over de zaak een bespreking met minister Cort van der Linden. Deze bleek het feitelijk met ons eens te zijn en hij heeft blijkbaar met zijn kollega van Marine in die geest gesproken. Toen in Februari 1917 de begrooting aan de orde kwam, was de houding van minister Rambonnet veranderd. Spoedig nam hij inderdaad de door mij gevraagde maatregelen, zoodat na verloop van eenige tijd de Bond voor Minder Marine-personeel zijn vrijheid van optreden geheel herkregen heeft.

Niet alleen voor organisaties, ook voor partikulieren moesten wij in de mobilisatiejaren telkens in de bres staan. Ik ontving brieven van menschen, die mijn bemiddeling vroegen voor het verkrijgen van verlof voor zichzelf of voor hun zoon; kleine zakenlui, onderwijzers, een dokter, die zijn praktijk zag verloopen, enz. Het talrijkst waren de aanvragen van boeren. Reeds in 1915 had Albarda over het verleenen van landbouwverlof geïnterpelleerd. Ik deelde bij die gelegenheid mee, wat ik bij een bezoek aan Friesland zelf had waargenomen, hoe in Stiens, Dronrijp en andere plaatsen oude menschen in de regen en de gure wind op het land lagen aardappelen te poten. Ook bereikten mij veel klachten van militairen, over de behandeling in de hospitalen, over opgelegde straffen, over te drukke dienst of heibeltjes in de kazerne. Voorts herinner ik mij, een brief te hebben ontvangen inzake een doofstomme, die reeds vijf weken in dienst was gehouden, zonder te

[p. 67]

worden afgekeurd. De klachten over uitkeeringen aan de gezinnen van gemobiliseerden vormden een belangrijk chapiter. Daarnaast werd mijn bemiddeling ingeroepen bij het departement van Buitenlandsche Zaken voor het verkrijgen van passen en voor het inwinnen van inlichtingen naar de gezondheidstoestand en de verblijfplaats van krijgsgevangenen.

Al dergelijke zaken vergden zeer veel tijd en moeite, daar ieder geval eerst grondig moest worden onderzocht, voordat ik stappen bij het departement kon doen.

Veel had ik ook te doen met zaken van Belgische geinterneerden. Daaronder bevonden zich verschillende partijgenooten, die zich van meetings in België of op andere wijze mijn naam herinnerden en zich in hun nood tot mij wendden. Meestal volgde na een ontroerend verhaal van hun ontsnapping aan de slachting en hun interneering, het verzoek, aan hun ouders in België te doen weten, dat zij nog in leven waren.

 

De geïnterneerde Belgische socialisten hadden zich vereenigd in de ‘Bond van Belgische arbeiders in Nederland’, die sedert Oktober 1916 in het Nederlandsch en in het Fransch een eigen weekblad uitgaf, ‘De Belgische Socialist’. Daarnaast verschenen in ons land Belgische kouranten voor de geïnterneerden en uitgewekenen, o.a. ‘Het Belgisch Dagblad’, die zich uitputten in het meest overdreven chauvinisme en bij Huysmans, die tot 1917 als sekretaris van het I.S.B in Den Haag gevestigd was, en in de ‘Belgische Socialist’ steeds nieuwe staaltjes van landverraad meenden te ontdekken. Het gestook van deze groep had in Maart 1918 het gevolg, dat de Nederlandsche opperbevelhebber, op dringend verzoek van de Belgische regeering, althans van haar gezant in Den Haag, het verspreiden en lezen van de ‘Belgische Socialist’ in de interneeringskampen verbood.

[p. 68]

Onze Belgische kameraden, wier aktie door deze maatregel was lamgelegd, wendden zich tot onze Partij en Kamerfraktie. Ik drong, zoowel bij Cort van der Linden, als bij den Minister van Oorlog, op intrekking van het verbod aan. Tegelijkertijd wendde de redaktie zich telegrafisch tot Vandervelde, die, hoewel lid van de Belgische regeering, antwoordde van de maatregel niets af te weten. In antwoord op een protest van van Kol antwoordde de Minister van Oorlog in de Eerste Kamer, dat hij zelf geen voorstander van het verbod was en dat het als een tijdelijke maatregel moest worden opgevat. Intusschen was Het Volk den Belgischen kameraden te hulp gekomen, door eens per week een door hen geredigeerd bijvoegsel op te nemen, doch de opperbevelhebber verbood weldra ook dit bijvoegsel. Ik trof voorbereidingen om over deze zaak een interpellatie te houden, toen ik op 23 Mei van het ministerie van Oorlog bericht ontving, dat het verbod was opgeheven. De redaktie van de ‘Belgische Socialist’ had moeten beloven, voortaan geen ‘scherp-revolutionaire’ artikelen meer te zullen opnemen en het blad ‘in behoorlijke toon’ te zullen redigeeren.

Ook voor onze in België achtergebleven kameraden hebben wij verschillende malen moeten optreden.

In het najaar van 1916 ging de Duitsche regeering, op aandrang vooral van Stinnes, over tot het wegvoeren van Belgische arbeiders uit hun land, om hen tot arbeid in Duitsche fabrieken te dwingen. Deze maatregel wekte in ons land groote verontwaardiging, vooral, omdat de Nederlandsche regeering, toen er in Oktober 1914 sprake was van de terugkeer der Belgische vluchtelingen naar hun land, van de Duitsche overheid de verzekering had ontvangen, dat de persoonlijke vrijheid der terugkeerenden volkomen was gewaarborgd. Nog voordat onze regeering haar protestnota inzake de deportaties naar Berlijn verzond, had ik met minister Loudon over deze zaak een onderhoud. Ge-

[p. 69]

lukkig mag worden vastgesteld, dat de beide richtingen onzer Duitsche partij zich toen goed gehouden hebben. De Belgische partij riep de hulp in van het I.S.B., dat bij deze gelegenheid bewees nog belangrijk werk te kunnen doen. Scheidemann en Ebert waren bereid voor een bespreking der zaak naar Den Haag te komen; reeds voordien hadden zoowel Haase als Legien tegen de deportaties geprotesteerd. In de volgende maanden hebben onze Duitsche partijgenooten met sukces deze aktie voortgezet.

Nu deze zaak goed liep, wilde ik de gelegenheid aangrijpen, om van de geallieerde socialisten, die nog steeds weigerden samen met de Duitschers een vergadering van het I.S.B. te houden, medewerking tot het begin van herstel der Internationale te verkrijgen. Het I.S.B. antwoordde Vandervelde op zijn verzoek tot ingrijpen in een door mij opgestelden Open Brief. Het Bureau protesteerde ‘tegen de met het Volkenrecht en de menschelijkheid spottende behandeling’ der Belgische arbeiders en herinnerde aan het krachtig optreden hiertegen van de Duitsche sociaal-demokraten. Op de konferentie met Scheidemann en Ebert, zoo vervolgde de brief, waren ook andere gevallen van geweldpleging ter sprake gekomen: slechte behandeling van krijgsgevangenen enz. Ons voorstel was nu, de afdeelingen der Internationale daartegen meer duurzaam te doen samenwerken en met dat doel in Den Haag een komitee te stichten onder leiding van het I.S. B. Dit komitee zou in geen enkel opzicht ‘het politiek karakter dragen, dat onafscheidelijk verbonden is aan een samenkomen van het I.S.B., waartoe de Fransche en Engelsche partijen hun medewerking niet hebben willen verleenen.’ Het plan, waarmee de Duitschers zich vereenigd hadden, is door weigering der geallieerde socialisten mislukt.

Veel voldoening had ik van het verloop der ‘zaak-Colleaux’. Colleaux was een algemeen-geacht Belgisch

[p. 70]

partijgenoot, senator voor Luik. 28 Februari berichtte de Brusselsche socialist Max Hallet mij, door tusschenkomst van het Nederlandsch gezantschap, dat Colleaux door een Duitsche krijgsraad wegens spionnage ter dood veroordeeld was. Onmiddellijk telegrafeerde ik aan Scheidemann en ontving nog dezelfde dag ten antwoord, dat hij zich tot de regeering had gewend en goede hoop had op een gunstig verloop. Tegelijkertijd schreef ik aan dr. Rosen, den Duitschen gezant in Den Haag, met het verzoek, te bewerken, dat uitvoering van het doodvonnis zou worden uitgesteld.

De beslissing van de Duitsche overheid bleef lang uit, wat in de kringen der Belgische partijgenooten groote ongerustheid verwekte en mij tot nieuwe stappen bij Scheidemann bracht. Intusschen was op hem ook van de zijde der Skandinavische socialisten de noodige aandrang geoefend. In April ontving dr. Rosen berichten, die hem de zaak somber deden inzien. Colleaux zou zich aan spionnage hebben bezondigd, terwijl hij tegelijkertijd als vertrouwensman der Duitsche overheid optrad en deze ‘verzwarende omstandigheid’ zou hem het leven moeten kosten. Gelukkig echter bleek in het voorjaar van 1918 de invloed van onze partijgenooten in Berlijn reeds groot genoeg om het ergste te voorkomen. Begin Mei eindelijk bereikte ons de tijding, dat Colleaux begenadigd was. Zoowel Scheidemann als ik hebben later ontroerende bewijzen van zijn dankbaarheid ontvangen. Van groot belang was, dat ook in dit geval de Internationale had bewezen ondanks de oorlogsomstandigheden een levende werkelijkheid te zijn.

Toen in Oktober 1918 Scheidemann en Bauer in de Duitsche regeering traden, werd de mogelijkheid geschapen, met hun steun verdere Belgische belangen te behartigen. Wederom was het door tusschenkomst van den Nederlandschen gezant, dat mij de wenschen en klachten van Max Hallet en andere Belgische partij-

[p. 71]

genooten bereikten. Sedert het begin van den oorlog werden de Brusselsche burgemeester, Max, en enkele andere leden van het gemeentebestuur in Duitschland gevangen gehouden. Een poging, hun de vrijheid te hergeven, gelukte; de heer Max kreeg bewegingsvrijheid binnen een Duitsche stad; de anderen mochten naar Brussel terugkeeren. Van groot belang was ons optreden tegen het voornemen der Duitsche legerautoriteiten om, door het wegvoeren der arbeiders en het stopzetten van alle werkzaamheden aan de mijnen in Noord-Frankrijk en in de Borinage, deze mijnen te vernielen, waardoor de bevolking dier streken met jarenlange werkloosheid werd bedreigd. Tegelijkertijd bereikten mij uit Antwerpen klachten over het opnieuw wegvoeren van arbeiders in strijd met de beloften van najaar 1914. Hier volgt het telegram, dat ik daarover aan Scheidemann zond: ‘Dank voor tusschenkomst in zaak Max en anderen. Hollandsche gezant te Brussel protesteert bij von der Lancken, (den Duitschen gouverneur in België), daar 23 Oktober 85 mannen uit Borgerhout, Berchem en Antwerpen tot werken gedwongen in strijd met belofte 1914 aan Hollandsche regeering. Belgische Werkliedenpartij protesteert 26 Oktober tegen wegvoering arbeiders van 17 tot 50 jaar benevens paarden en werktuigen in de Borinage. Groot ongeluk bedreigt arbeidersklasse daar. Doe een beroep op uw arbeidershart. - Troelstra.’

 

De bestrijding van de ellende en hongersnood, die de niet-bezittende lagen van ons volk bedreigden, nam in 1916 en 1917 een steeds grooter deel van de energie der socialistische arbeidersbeweging in beslag. In de Kamer spoorde onze fraktie onder leiding van Sannes en Schaper de regeering bij elke gelegenheid tot krachtiger ingrijpen en uitbreiding van haar bemoeiingen aan. Met het N.V.V. werd voortdurend overleg gepleegd en in samenwerking hielden wij verschillende betoogin-

[p. 72]

gen. In November 1916 werd de ‘Centrale kommissie uit de arbeidersbeweging voor de levensmiddelenvoorziening’ gesticht, samengesteld uit één vertegenwoordiger van de Partij, één van het N.V.V. en één van de Arbeiderskoöperaties. Als sekretaris trad Fimmen op. Op den duur kwamen in alle belangrijke steden plaatselijke kommissies voor hetzelfde doel tot stand, die in nauw kontakt met de centrale kommissie werkten. Het is mij niet mogelijk, hier alle manifesten, akties en demonstraties te vermelden, die in die jaren van de arbeidersbeweging zijn uitgegaan. In het algemeen mag worden gezegd, dat in zeer veel gevallen de stoot tot de beste maatregelen der regeering inzake distributie e.d. door de socialistische arbeidersbeweging is gegeven. In talrijke gemeenten, bovendien, deden onze menschen op dit gebied belangrijk werk; ik wil niet nalaten hier met nadruk het heilzame en bij uitstek bekwame optreden ten deze van Wibaut in Amsterdam te noemen.

Groote moeilijkheden werden veroorzaakt door de uitvoerpolitiek der regeering. Zoo kon het gebeuren, dat eind-Juni 1917 de oude aardappelen opgebruikt waren en de nieuwe naar Duitschland werden uitgevoerd, wat in de groote steden nijpend aardappelgebrek deed ontstaan. Dat was de oorzaak van de relletjes, die toen te Amsterdam plaats hadden en zich ook tegen het gedeeltelijk socialistische gemeentebestuur richtten. De zeer ernstige gebeurtenissen, die verschillende dagen aanhielden, leverden een merkwaardig voorbeeld van het verloop van dergelijke bewegingen. Was het eerst het begrijpelijk, en desnoods aanvaardbaar optreden van hongerige huismoeders, die het vergeefsverbeide voedsel weghaalden uit de aardappelschuit, die toevallig binnen haar bereik lag, al spoedig ontaardde het in georganiseerde plundertochten, bedreven door elementen, die onder alle omstandigheden tot dergelijke daden bereid zijn. Plundertochten, waarvan

[p. 73]

allerhand winkels het slachtoffer werden en die weldra het grootste nadeel bezorgden aan de arbeiders zelf. Hiertegen moest de politie, versterkt met militairen, met geweld optreden.

Wibaut schreef enkele weken later in Het Volk een artikel, waarin hij dat geweld onvermijdelijk noemde, doch sterk de nadruk legde op het betreurenswaardige van het feit, dat een demokratisch gemeentebestuur zoo tegen de bevolking moest optreden. Hij sprak in zijn artikel dringend de wensch uit, dat de politiedeskundigen een niet-gewelddadig middel zouden uitdenken, om plunderen te beteugelen. Door de gevoelsargumenten, die hij in dezen zoo zwaar liet wegen, kan men zich, naar mijn meening, niet laten leiden. Indien wij sociaal-demokraten een belangrijke machtspositie hebben veroverd, is dat in het belang van de geheele arbeidersklasse, en daarom moet die machtspositie worden verdedigd met alle middelen, zoo noodig gewelddadige, als de destruktieve elementen, die nu eenmaal in elke samenleving aanwezig zijn, haar bedreigen. De proletarische aktie heeft steeds twee uitersten te vermijden: aan den éénen kant het loslaten van alle instinkten, waarbij de menschen alle banden verbreken, gedreven door begrijpelijke, maar niet duurzame en niet opbouwende drijfveeren; en aan den anderen kant het zoo sterk binden van alle hartstochten, het zoo nauw inpassen daarvan in de organisatie, dat alle leven verloren gaat.

In de motie-van den Tempel, in die dagen in de Kamer voorgesteld, eischte onze fraktie verlaging van verschillende maximumprijzen en uitbreiding van het stelsel der maximumprijzen tot kleeding, schoeisel e.d. De Kamer nam deze motie met 34 tegen 22 stemmen aan, doch de minister liet haar onuitgevoerd. Zijn houding in dezen maakte de kloof tusschen hem en de socialistische arbeidersbeweging onoverbrugbaar.

De toenemende nood en alom stijgende ontevreden-

[p. 74]

heid van Januari 1918 dwongen de arbeidersbeweging, haar aktie te verscherpen. 22 Januari sprak ik in Den Haag over de levensmiddelenpolitiek; de stemming van de menschen was mat en het gelukte mij eerst niet, mijn hoorders te boeien; totdat, aan het einde van mijn rede, de aansporing kwam, de straat op te gaan, om zoo aan ons optreden in het parlement kracht bij te zetten. Plotseling was het kontakt met de vergadering verkregen en onder groot enthusiasme werd besloten tot een ‘zwijgende demonstratie’ op de dag van het eerstvolgende levensmiddelendebat in de Kamer. De berichten over de stemming der Amsterdamsche arbeiders luidden zeer ernstig. In een bijeenkomst van het P.B. met de besturen van N.V.V. en Arbeiderskoöperaties drong ik aan op een demonstratieve algemeene staking; de meerderheid der aanwezigen, met name de N.V.V.-bestuurders, achtten dit plan echter onuitvoerbaar. Dat groote demonstraties spoedig noodzakelijk waren, werd algemeen toegegeven en de vergadering drong er bij onze Amsterdamsche wethouders op aan, te zorgen, dat het demonstratieverbod, dat in Amsterdam was uitgevaardigd, zou worden opgeheven. In de volgende Partijbestuursvergadering konden zij meedeelen, dat hun eisch was ingewilligd.

Aan de demonstraties, die op Maandag 4 Maart - dus op een weekdag - in een tiental steden met sukces plaats vonden, ging een episode vooraf, die voor de geschiedenis van de Nederlandsche arbeidersbeweging van genoeg belang is, om er even bij stil te staan. Ik bedoel de poging om voor de levensmiddelenaktie samenwerking tusschen het N.V.V. en het syndikalistische N.A.S. te verkrijgen. Op voorstel van het N.V.V. werden ook de Katholieke, de Christelijke en de Neutrale vakbeweging uitgenoodigd, aan deze besprekingen deel te nemen, doch voor de Partij was vooral de vraag, of samenwerking met het N.A.S. tot stand zou komen, van belang. Op 10 Februari had over

[p. 75]

deze kwestie in het P.B. een belangrijke bespreking plaats. Verschillende sprekers gaven uiting aan hun bezorgdheid over de houding van het N.V.V. Ik deelde deze bezorgdheid, vooral op grond van de zoo vaak gebleken onbetrouwbaarheid der syndikalistische elementen, doch ik meende, dat wij de verantwoordelijkheid voor een afwijzend advies aan het N.V.V. niet op ons konden nemen. Syndikalistische demonstraties waren toch onvermijdelijk en op deze wijze konden wij daarop tenminste zijdelings invloed uitoefenen. ‘Dat Oudegeest medegaat, moet ons toch ook wel wat zeggen,’ betoogde ik. Ik kreeg steun van die P.B. leden, die hoopten, dat dit het taktische moment zou zijn om de nog steeds talrijke syndikalistische arbeiders binnen de invloedssfeer van onze Partij te trekken. Onze konklusie was, dat de Partij zich niet tegen samenwerking van N.V.V, en N.A.S. zou verzetten, mits de Partij zeggenschap in de leiding behield en de S.D.P. en de anarchisten zeker zouden worden uitgeschakeld. De samenwerking kwam tenslotte niet tot stand, daar zoowel het N.A.S. als de Christelijke organisaties door tegendruk van de met hen verwante politieke partijen werden teruggehouden en de betoogingen van 4 Maart gingen alleen van de moderne arbeidersbeweging uit.

Dat de levensmiddelenvoorziening groote gebreken vertoonde, werd van alle zijden gevoeld. Onze tegenstanders trachtten de schuld daarvan te geven aan het ‘socialistisch element’, dat volgens hen de distributiemaatregelen in zich borgen. Het viel ons niet moeilijk, aan te toonen, dat de zwakheid van het stelsel juist een gevolg was van de halfslachtigheid der maatregelen; dat juist het kapitalistische element van winstbejag en het de vrije hand laten aan de belanghebbenden, de groote hinderpalen waren, die de zoo goed mogelijke verzorging van de geheele bevolking in de weg stonden.

Bij het groote levensmiddelendebat, dat in Maart 1918

[p. 76]

in de Kamer plaats had, bleek, dat eigenlijk iedereen over minister Posthuma slecht te spreken was. Daar was in de eerste plaats de technische kritiek op de regeeringsmaatregelen, zich vooral uitend in de groote rede van den heer van Beresteyn, die van de zaak veel werk had gemaakt. Ik kreeg den stelligen indruk, dat het zijn bedoeling was, den minister te wippen en ik vroeg hem: ‘Nu moet u mij eens één ding zeggen: wilt u minister worden?’ Zijn antwoord luidde: ‘Ja’. Dan kwam er kritiek van konservatief-liberale zijde, waar betoogd werd, dat de levensmiddelenvoorziening moest leiden tot de materieele ondergang van het land - de regeering vroeg voor dit doel weer een nieuw krediet van 130 millioen - en dat het stelsel der maximum- prijzen de moreele inzinking der arbeidersklasse zou veroorzaken. De heer ter Spill, de meest uitgesproken verdediger van deze theorieën, bepleitte dan ook inkrimping van de regeeringsbemoeiïng op alle gebied. Van de zijde van onze fraktie, ten slotte, werden als steeds gekritiseerd de weifelende, te voorzichtige pogingen van de regeering om het verbruikersbelang te dienen, met het zooveel mogelijk ontzien van spekuleerende tusschenhandelaars en andere oorlogswinstmakers; wij gaven een eigen program, gericht op meer direkt ingrijpen in de leiding der bedrijven, konsekwente voorziening in de bestaande behoeften en het beletten van oorlogswinst van partikulieren.

Onzerzijds namen ditmaal aan het debat deel Schaper, Sannes, van den Tempel, Gerhard en Duys. Aan het einde van de tweede week der debatten kwam ik aan het woord. Ik had mij niet bezig te houden met de details van één of ander speciaal onderdeel. Ik stelde allereerst vast, dat het verschil van standpunt tegenover de levensmiddelenvoorziening voortvloeide uit het verschil van ekonomisch inzicht in het algemeen. Terwijl de minister, zich baseerend op het winstbejag als eenige prikkel voor de voortbrenging, trachtte

[p. 77]

te werken met premies en lokprijzen, wilden wij de staat laten ingrijpen en voorschrijven. Ook nu, in den vierden oorlogswinter, bleken de plannen van de regeering nog niet berekend op een langere duur van den oorlog. In ieder geval mag het een groot geluk genoemd worden, dat dit de laatste oorlogswinter is geweest; met de halfslachtige levensmiddelenvoorziening der toenmalige regeering, had de toestand een volgende winter buitengewoon ernstig kunnen worden. Ik wees op den omvang en den ernst der demonstraties, die onze beweging op 4 Maart had georganiseerd, en liet een bizonder protest hooren tegen het schandaal, dat aan de stoomvaartmaatschappijen, wier schepen in Amerika werden opgehouden, tijden achtereen door de regeering wekelijks f 700.000 werd uitgekeerd, terwijl er telkens werd beweerd, dat er voor de voorziening in de noodzakelijkste volksnooden geen geld was. Slechts de onzekerheid over de vraag, wie de opvolger zou worden, indien nu Posthuma ten val werd gebracht, deed vele leden den minister steunen. In een verklaring aan het eind der gehouden debatten deelde ik mede, dat onze fraktie zich niet door die overweging wilde laten leiden en haar stem zou geven aan een motie van den heer Otto, waarin het beleid van den minister nadrukkelijkwerd afgekeurd. Deze motie werd met groote meerderheid verworpen, evenals de door onze fraktie voorgestelde motie, die het program der socialistische arbeidersbeweging voor de voorziening in den ekonomischen nood bevatte.

De 30ste Maart 1918 kwam geheel onverwachts het bericht, dat het broodrantsoen tot 200 gram zou worden verminderd. Deze daad van een regeering, die juist door haar ekonomische maatregelen het vertrouwen van het volk geheel had verloren, leidde tot ernstige onlusten in de groote steden, waarbij wederom dooden te betreuren waren. Ik herinner mij, hoe in Den Haag de toestand zeer gespannen was en de winkeletalages

[p. 78]

met voorgespijkerde planken tegen plundering moesten worden beschermd. Het Partijbestuur besloot, zich eenerzijds tegen de relletjes te keeren, die de toestand slechts konden verergeren en grootendeels onderleiding van aanhangers der Wijnkoopgroep stonden, doch anderzijds de regeering in verzuim te stellen, die naliet tegelijk met de vermindering van het broodrantsoen aanvullingsvoedsel tegen redelijke prijs beschikbaar te stellen. In de Kamer vroeg Sannes een interpellatie aan, waarbij tegenover het halve optreden van den minister nogmaals het positieve program der moderne arbeidersbeweging werd gesteld.

Ik had op advies van mijn dokter enkele weken rust willen nemen, doch keerde naar Den Haag terug, om aan de debatten deel te nemen. Het was nu tijd, ons van de regeering volkomen los te maken en ik hield een zeer scherpe rede. In aansluiting aan onzen eisch, dat de minister zou aftreden, zeide ik: ‘Dan is onze Partij bereid, haar besten man op het gebied van de levensmiddelenvoorziening af te staan, om de taak van den heer Posthuma over te nemen.’ Dat ik hiermee doelde op Wibaut, was duidelijk. De interpellatie leidde niet tot een direkt resultaat, daar onze beide moties werden verworpen.

De samenwerking tusschen Partij en N.V.V. in de centrale kommissie voor de levensmiddelenvoorziening verliep niet zonder strubbelingen, waarbij ook persoonlijke kwesties een rol speelden. Tot een konflikt kwam het naar aanleiding van een verzoek van den minister, hem een adviseur uit de arbeidersbeweging toe te voegen. Het N.V.V. bestuur besloot op dit verzoek in te gaan; in een gekombineerde vergadering van dat bestuur met het P.B. protesteerde ik tegen dat besluit, waardoor de eenheid van optreden der moderne arbeidersbeweging werd bedreigd. Onze beweging zou nu door dat adviseurschap gebonden worden, terwijl wij ons juist geheel van Posthuma en van de regeering

[p. 79]

hadden losgemaakt en de Kamerfraktie had besloten, dat haar leden uit de regeeringskommissies zouden treden. In ieder geval was het niet mogelijk, op deze wijze aan de regeering onze medewerking te verleenen, nadat zij bij de levensmiddelendebatten in Maart ons program had afgewezen. Met algemeene stemmen besloot het P.B., het verzoek van Posthuma te weigeren. Het N.V.V. ging toen zijn eigen weg en wees Fimmen als regeeringsadviseur aan. Dat Fimmen tegelijkertijd sekretaris van de centrale kommissie bleef, leidde tot groote moeilijkheden, die eerst in een gemeenschappelijke besturenvergadering van 3 Oktober tot oplossing werden gebracht. De maatregelen van den inmiddels opgetreden nieuwen minister, den heer van IJsselsteyn, gaven Fimmen een goede aanleiding, zich als adviseur terug te trekken.

Bij de algemeene beschouwingen over de begrooting voor 1918, de laatste voor de verkiezingen, begon ik meteenhulde aan het extra-parlementaire kabinet Cort van der Linden voor het goede, dat in de afgeloopen jaren tot stand was gekomen; ‘want, ik vraag mij af’, zeide ik, ‘of er, wanneer hier een regeering gezeten had, voortgekomen uit de partijen der linkerzijde, ter zake van de punten waarvoor wij gestreden hebben, het kiesrecht en het onderwijs, wel zulke gunstige resultaten zouden zijn bereikt, als nu door deze regeering bereikt zijn.’ Toch hadden de partijen der meerderheid vaak in een onpleizierige positie verkeerd door het besef, dat zij niet in staat waren, voor dit kabinet zoo noodig een ander in de plaats te stellen en wij sociaaldemokraten zouden het daarom niet betreuren, als, zooals te verwachten was, de a.s. verkiezingen aan het leven van het ministerie-Cort een einde zouden maken.

Verder had ik bij deze gelegenheid een debat te voeren met den nieuwen leider der vrij-liberalen, den heer Dresselhuys. Reeds in Maart van dat jaar had ik naar aanleiding van de verdediging van Indië, over het im-

[p. 80]

perialisme gesproken en daarbij den heer Dresselhuys tegenover mij gevonden. Er was toen van vrij-liberale zijde voorafgegaan een groote agitatie voor uitbreiding van onze militaire macht in Indië. Ik betoogde toen, dat die agitatie een voedingsbodem vond in ‘die groep van ons volk, die van Indië groote inkomsten trekt, die daar groote ondernemingen en kostbare installatiën heeft, die nog niet klaar zijn, wier zucht naar meer winst, naar grootere ondernemingen nog niet bevredigd is en die weet, dat in dien Indischen grond nog zulke groote schatten zijn verborgen, die bij exploitatie haar grooten ondernemingen nog meer winst kunnen bezorgen.’ Ik toonde de juistheid van deze woorden aan met citaten uit de redevoeringen en brochures, die in de loop der agitatie waren verschenen, en toen er uit de Kamerprotesten kwamen, ging ik aldus voort: ‘Niemand onder hen, die deze nieuwe aktie op touw hebben gezet, zal uit zich zelf hebben gezegd: dat doen wij nu om verschillenden Nederlandschen kapitalisten nieuwe winsten te verschaffen. Verder is het ook juist, dat niet iedereen zich de gronden van zijn motieven altijd precies bewust is. De mensch heeft nu eenmaal de gewoonte, zijn motieven, ook zijn ekonomische en materieele motieven, voor zichzelf te goeder trouw te idealiseeren en te ideologiseeren.... Ik voor mij ben niet gewend, met schablonen te werken, ik vind dat verkeerd, maar ik wil het nog eens herhalen: ik kan in deze agitatie niet anders zien dan een imperialistische beweging, d.w.z. een beweging van een kleine groep in het volk, die in Indië voornamelijk ziet een middel, om het kapitaal.... te vermeerderen en die daarvoor wil gebruiken de politieke en militaire macht van de staat.’

Ik stelde ten slotte ons verzet tegen de Indische bewapening in het algemeene kader van onze anti-militaristische politiek: ‘Wij sociaal-demokraten hebben hier altijd een kampagne gevoerd tegen het militaristisch maken van ons volk en wij achten dit historisch oogen-

[p. 81]

blik, nu deze oorlog zulk een diepe ontroering heeft teweeggebracht in de geheele menschheid.... het groote psychologische en historische moment, om die strijd met grooter kracht voort te zetten.... De toekomstige politiek van ons land en van andere landen, daar ben ik zeker van, zal worden gekenmerkt door de vraag, of wij de strijd tegen het imperialisme zullen voeren, ja dan neen, en wie die strijd niet aandurft, wie daarvoor teruggaat, heeft het recht verloren, om zich een vriend van de vrede te noemen.’

Ik mag zeggen, dat de algemeene beschouwingen over de begrooting van 1918 werden beheerscht door de redevoeringen van den heer Dresselhuys en mij, voor een belangrijk deel aan dezelfde vragen gewijd, waarover bij de verdediging van Indië was gesproken. De vrij-liberale spreker voorspelde, dat in de toekomst de politieke scheidingslijn zou loopen tusschen vrijheid en staats-socialisme, waarbij dan natuurlijk de vrijheid aan zijn kant was. Ik stelde daar tegenover de tegenstelling tusschen demokratie en imperialisme. Aan de hand van het boek van onzen Oostenrijkschen partijgenoot Karl Renner, ‘Krieg, Marxismus und Internationale’, betoogde ik, dat wij in die strijd ter verdediging van de demokratie ons tijdelijk zouden moeten verbinden met die niet-proletarische groepen, die evenals de arbeidersklasse, slachtoffer van het grootkapitaal dreigden te worden. Dat ook in Nederland het grootkapitalisme zich versterkte, toonde ik aan met belangrijke cijfers, die mij verschaft waren door mijn bekwamen vriend D. Keesing, redakteur van het Handelsblad.

Verschillende bladen trachtten mijn rede als een afzwering van de klassenstrijd voor te stellen en in de Kamer hield de heer Dresselhuys op schampere toon een rede over mijn bekeering en mijn gelukkige terugkeer van marxistische dwaalwegen. Het kostte niet veel moeite, in mijn, vrij scherpe, repliek aan te toonen,

[p. 82]

dat ik evenmin als Renner de klassenstrijd had afgezworen en dat de belangrijkste elementen van mijn zoogenaamde ‘bekeering’ reeds voorkwamen in het Leidsche beginselprogram en in de brochure, die ik ter toelichting van dat program had geschreven.

Ik sprak ditmaal ook uitvoerig over ons standpunt ten opzichte van de bewapening. Ik zeide: er is gevraagd, of ontwapening mogelijk zal zijn; ‘ik acht die vraag onjuist gesteld in het stadium, waarin wij tegenwoordig verkeeren. Ik wensch de vraag om te keeren en te vragen: is überhaupt bewapening mogelijk in de toekomst? Waar wilt gij de finantiën vandaan halen, al die rijken, die zuchten onder een dubbele en meer dan dubbele schuldenlast?’ In de toekomst zal het ‘voor een klein land als het onze, met zijn beperkte finantieele middelen niet alleen, maar ook met zijn gebrek aan grondstoffen, onmogelijk zijn, de konkurrentie vol te houden.’ En verder: ‘Het militarisme wordt verdedigd als middel om de onafhankelijkheid der kleine staten te waarborgen.’ Dat mag vroeger zijn opgegaan, doch ‘er komt een grens in de ontwikkeling der techniek van het militarisme, waarboven het voor kleine staten praktisch onmogelijk wordt, dat middel ter handhaving van hun onafhankelijkheid met sukces te gebruiken.’ Het militarisme kan voor ons zelfs een gevaar worden en de strekking krijgen, ‘de kleine natiën meer en meer te brengen onder de macht van de reusachtig bewapende groote mogendheden.’ De Volkenbond, zoo besloot ik dit deel van mijn rede, beschouw ik niet als een utopie, ‘maar als den meest reëelen, meest aktueelen eisch der politiek van alle landen.’

Niet ten onrechte toonden de voorstanders van sterke bewapening ter rechterzijde ongerustheid over dit deel van mijn rede. Ik hield mij natuurlijk aan het besluit van ons Arnhemsch kongres, dat een nieuw standpunt onzer Partij tegenover de bewapening eerst na den oorlog kon worden vastgesteld, maar dat de eisch van

[p. 83]

nationale ontwapening de eenige konklusie kon zijn van mijn betoog, was niet tegen te spreken.

 

Bij deze laatste begrootingsdebatten kreeg ook de neutraliteitspolitiek van het ministerie-Cort van der Linden een beurt. Op dit punt stelde ik mij achter het kabinet en kwam op tegen de kampagne van de Telegraaf en konsorten, die onze neutraliteit voorstelden als iets verachtelijks, ‘als een streven om te zorgen voor oorlogswinst en onze materieele belangen, als een gebrek aan moed om deel te nemen aan de strijd.’ Ik zeide: ‘Voor mij, als sociaal-demokraat, als internationaal mensch, is neutraliteit vooral het eenige middel geweest, om buiten de wederzijdsche menschenmoord te blijven. Dat is voor mij het groote moreele element van de neutraliteit geweest. Ik meen, dat geen enkel volk er grootsch op behoeft te zijn, dat het in deze menschenslachting een aktieve rol heeft vervuld.’ In het algemeen kan worden gezegd, dat onze positie om twee redenen buitengewoon zwak was: in de eerste plaats, omdat wij in militair opzicht als klein landje machteloos waren tegenover de groote, oorlogvoerende statengroepen; en in de tweede plaats, omdat wij voor den aanvoer van levensmiddelen, steenkool en grondstoffen afhankelijk waren van de welwillendheid der oorlogvoerenden.

Tegen de talrijke schendingen der neutraliteit, waaraan Nederland in de oorlogsjaren heeft blootgestaan, heeft de regeering nooit anders gedaan dan protesteeren met een beroep op het internationaal recht Zij kon niet anders handelen en het zal steeds een groote verdienste van het kabinet-Cort van der Linden blijven, dat het ons land buiten den oorlog heeft weten te houden. Naarmate de oorlog langer duurde, namen de strijdende partijen tot ingrijpender maatregelen hun toevlucht: de geallieerden verscherpten de blokkade, de Duitschers de duikbootenoorlog. Nederland zat er tus-

[p. 84]

schen, ontving van beide kanten de steeds harder slagen en geraakte in de vier oorlogsjaren in steeds benauwder positie.

Als er uit vliegtuigen bommen werden geworpen op Nederlandsche grensplaatsen, als een schip uit één van onze havens op een mijn stootte en te gronde ging, als schepen naar een Engelsche haven werden opgebracht of door een Duitsche duikboot werden getorpedeerd, ging een golf van machtelooze verontwaardiging door ons land. Toen, na de Duitsche afkondiging van de onbeperkte duikbootenoorlog in Februari 1917, ook Amerika aan Duitschland den oorlog verklaarde, werd de situatie voor onze scheepvaart zeer benard. Maatregelen, waartegen Amerika in de tijden van eigen neutraliteit had geprotesteerd, werden door dat land tegen de schepen der neutralen toegepast.

Konden wij de regeering in het algemeen bij haar neutraliteitspolitiek steunen, op enkele onderdeelen van die politiek liet de sociaal-demokratische fraktie haar kritiek niet achterwege. Tevergeefs heb ik er in de Kamer telkens weer op aangedrongen, dat de regeering haar invloed tot beëindiging van den oorlog zou aanwenden. Bovendien was ik er, zooals ik reeds eerder vermeldde, van overtuigd, dat wij hadden te zorgen bij de vredesonderhandelingen, waar ook de belangen van ons land in het geding zouden komen, niet te worden uitgeschakeld. 25 Januari 1917 voegde ik aan mijn aandrang toe: ‘De vraag, welk resultaat op een bepaald oogenblik daarmede wordt bereikt, kan daarbij, naar het mij voorkomt, niet beslissend zijn. De wereldgeschiedenis bestaat voor een groot gedeelte uit mislukte pogingen en ieder, die iets groots wil bereiken, moet in staat zijn, veel mislukkingen voor zijn rekening te nemen.’ De regeering heeftin deze richting niets willen doen; haar standpunt was, dat het voor ons land te gevaarlijk kon zijn, door het aanbieden van bemiddeling of op andere wijze de vrede te bevorderen.

[p. 85]

31 Maart 1916 meldden de bladen onverwachts, dat de militaire verloven niet meer zouden worden verleend; dit kon voor het publiek niet anders beteekenen, dan dat oorlogsgevaar aanwezig was. De regeering trachtte de ongerustheid te sussen, doch bepaalde zich tot zoo vage algemeenheden, dat allerlei tegenstrijdige geruchten over de oorzaak van deze ‘alerte’ moesten blijven loopen. In een geheime zitting der Kamer kregen wij wat meer te hooren, maar het publiek wist eigenlijk niets. Deze onnoodige en van wantrouwen getuigende geslotenheid tegenover het volk moet de regeering als een politieke fout worden aangerekend. Welke vermoedens er in die dagen werden geopperd, behoeft niet te worden vermeld, nu de heer Bosboom, destijds Minister van Oorlog, in 1923 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant de juiste toedracht der zaak heeft meegedeeld.

Van Duitsche zijde was onze regeering gewaarschuwd, dat de geallieerden een landing aan de Scheldemond voorbereidden en dat, indien wij niet voor voldoende versterking der bedreigde positie zorgden, de Duitschers gedwongen zouden zijn, Zeeland binnen te trekken. Er was geen reden, aan te nemen, dat de geallieerden een dergelijken aanval voorbereidden, doch het direkte gevaar kwam van Duitsche zijde en, om aan onze verzekering te Berlijn, dat wij onze neutraliteit aan de Scheldemond zouden handhaven, door een daad kracht bij te zetten, besloot onze regeering, de militaire verloven stop te zetten. Dat wij, ook na deze maatregel, niet in staat zouden zijn geweest, om de Scheldemond met sukces tegen de overmacht te verdedigen, verklaart oud-minister Bosboom nadrukkelijk! Dat een zooveel ongerustheid verwekkende maatregel als het inhouden der verloven in dit geval noodzakelijk is geweest, kan moeilijk worden beweerd; hij trok ook in de pers der oorlogvoerende landen de aandacht en werd pas 1 Juni opgeheven.

[p. 86]

In het laatste oorlogsjaar is onze positie werkelijk enkele malen zeer kritiek geweest. Daar waren in de eerste plaats de moeilijkheden over de doorvoer van zand en grind uit Duitschland door ons Limburg naar het bezette België. De geallieerden maakten daartegen bezwaar, daar zij aannamen, dat dit materiaal door de Duitschers voor militaire doeleinden werd gebruikt. Onze regeering besloot toen, jaarlijks slechts het vervoer over Nederlandsch grondgebied toe te staan van een zoo groote hoeveelheid, als noodig kon worden geacht voor het onderhoud van de gewone wegen in België; voorts moest de Duitsche overheid goed vinden, dat het gebruik van het doorgevoerde materiaal door Nederlandsche ambtenaren werd gekontroleerd. De geallieerden, hiermee nog niet tevreden, hielden, sedert Oktober 1917, bij wijze van strafmaatregel, eenige tijd de Nederlandsche handelstelegrammen op. De Duitschers legden zich voorloopig bij de beperkingen neer.

In dezelfde winter werden onze handelsschepen, door de weigering bunkerkolen te verstrekken, in de Amerikaansche havens vastgehouden. De levensmiddelenvoorziening dreigde nu volkomen vast te loopen. Al spoedig bleek, dat het de bedoeling van Amerika en zijn bondgenooten was, onze schepen te gebruiken ter vervanging van de scheepsruimte, die zij tengevolge van de duikbootenoorlog hadden verloren. De laatste groote aanval van Ludendorff werd voorbereid; alles stond op het spel; de strijdenden deinsden voor geen enkele vorm van rechtsverkrachting terug, om hun doel te bereiken. Het was onder deze omstandigheden begrijpelijk, dat onze Minister van Buitenlandsche Zaken, de heer Loudon, geneigd was, zooveel mogelijk toe te geven. Hij is, naar mijn overtuiging, daarbij echter verder gegaan, dan onze neutraliteit gedoogde.

Eerst hadden onderhandelingen plaats over een overeenkomst, die inhield, dat wij een beperkte hoeveelheid

[p. 87]

scheepsruimte voor onze levensmiddelenvoorziening zouden behouden, terwijl de rest van onze handelsvloot aan de geallieerden zou worden verhuurd. Wat over deze onderhandelingen bekend werd, wekte reeds ongerustheid en verontwaardiging in de Duitsche pers. In Maart 1918 traden de geallieerden plotseling scherper op en eischten den afstand van vrijwel al onze schepen. Inwilliging van dezen eisch moest van Duitsche zijde stopzetting van den aanvoer van steenkolen en grondstoffen, zoo niet erger, ten gevolge hebben. Toen uit een regeeringsmededeeling in de Kamer bleek, dat minister Loudon geneigd was, ook tegenover dezen eisch een tegemoetkomende houding aan te nemen, was het oogenblik gekomen, om de regeering in het openbaar te waarschuwen. 19 Maart 1918 voerde ik in de Kamer het woord. Ik wees op de algemeene teleurstelling in het land, nu de regeering wederom moest bukken voor geweld, doch gaf toe ‘dat bukken voor dwang het lot is van de kleine, zwakke neutrale natien in deze wereldoorlog, dat het een fantasie of illusie zou zijn te meenen, dat men in deze tijd geheel zichzelf zou kunnen zijn.’ Doch nu bleef het niet bij een zich bukken voor de overmacht; het pijnlijkst was, dat ‘de regeering zich door de geoefende dwang er toe heeft laten leiden, om een positieve medewerking te verleenen aan de eischen, die ons gesteld zijn.’ Het moest de schijn hebben dat de regeering, ‘zij het ook zijdelings, een keuze zou hebben gedaan tusschen de twee oorlogvoerende partijen.’

In zeer voorzichtige termen dus vroeg ik de regeering, of zij bezig was ons land in de armen van de geallieerden te drijven. Verder kon ik in het openbaar niet gaan. Bij de repliek gaf ik zelfs toe, dat de regeeringsargumenten bewezen, dat zij voor zichzelf de overtuiging had, niet onneutraal te handelen. Of haar opvatting juist kon worden genoemd, liet ik in het midden. Zonder het afsluiten van de overeenkomst af te wach-

[p. 88]

ten, namen de geallieerden kort daarna onze schepen in beslag. In ekonomisch opzicht was het voor ons land een ramp, maar het gebeurde tenminste zonder onze medewerking en dus buiten onze verantwoordelijkheid.

 

Intusschen bleef de reaktie van Duitsche zijde niet uit en leidde in April 1918 tot het gevaarlijkste oogenblik, dat ons land in de oorlogsjaren heeft gekend Het kontakt, dat ik in deze jaren met het Duitsche gezantschap had onderhouden, kwam nu goed te pas. Van het begin van 1915 tot einde 1916 was von Kühlmann, de latere Staatssekretaris van Buitenlandsche Zaken, hier Duitsch gezant geweest; met hem had ik verschillende besprekingen gevoerd. Zijn opvolger, dr. Rosen, deed pogingen, deze band nog nauwer aan te halen. Ik heb met dezen beminnelijken man, die herhaaldelijk trachtte vat op mij te krijgen, voortdurend op mijn hoede moeten blijven. Uitnoodigingen, bij hem te komen lunchen of dineeren, heb ik altijd afgeslagen. Eens verzocht hij mij, een op zichzelf onschuldige brochure voor hem te vertalen, natuurlijk met de bedoeling, mij daarvoor een som geld in handen te stoppen. Een andere maal zeide hij, dat het voor hem van groot belang zou zijn te weten, wat in een geheime zitting de Kamer was meegedeeld. Ik antwoordde koeltjes: ‘Ik zal het eens voor u aan den minister vragen.’

Hetwas mij echterniet mogelijk, elke toenadering bruut af te wijzen, daar Rosen zoowel met Loudon als met Treub telkens wrijving had. Hij bracht mij steeds op de hoogte, als er moeilijkheden met Duitschland rezen, die in de meeste gevallen met wat meer takt van de zijde onzer regeering vermeden hadden kunnen worden. Dat het Rosen er werkelijk om te doen was, een breuk tusschen Nederland en Duitschland te voorkomen, heeft hij bij de hier te bespreken krisis van April 1918 bewezen.

[p. 89]

Reeds een paar weken was de toon der Duitsche pers jegens ons land van een ongewone scherpte geweest. 23 April gaf de fraktie mij opdracht, over de spanning met Duitschland een interpellatie aan te vragen. Deze werd overbodig, toen de regeering zich bereid verklaarde, over de toestand mededeelingen te doen in een geheime zitting van de Kamer. Den 26sten April had deze zitting plaats.

Mijn herinnering, aangevuld met hetgeen later bekend is geworden, stelt mij in staat, de gebeurtenissen van die dagen te rekonstrueeren. De Duitsche annexionisten, die, overmoedig geworden door de schijnbare sukcessen van het Duitsche offensief in het Westen, ook Nederland wilden aanpakken, hadden hun aanhangers in het Duitsche gezantschap in Den Haag. In overleg met de Duitsche generale staf bewerkten zij, dat Duitsche troepen aan onze grens werden gekoncentreerd; zelfs schijnen zij zich, buiten dr. Rosen om, met onze regeering in verbinding te hebben gesteld. Nu onze regeering zich in Maart bereid had verklaard, den geallieerden tegemoet te komen, meenden zij van hun kant met ons land te kunnen spelen.

Dr. Rosen kreeg opdracht, onze regeering een ultimatum te overhandigen, dat vergaande eischen inhield betreffende transport van Duitsch oorlogsmateriaal, niet alleen door ons Limburg, maar ook over de Rijn. Dit stuk moet al een door de Berlijnsche regeering gematigd afgietsel zijn geweest van het oorspronkelijk nog dreigender ultimatum-ontwerp van de Duitsche generale staf. Rosen overhandigde het ultimatum niet, doch trachtte Loudon van den ernst der toestand te overtuigen. Toen hem dat niet gelukte - Loudon zou in het Duitsche optreden niet anders gezien hebben dan ‘bluf’ - wendde hij zich direkt tot Cort van der Linden en stelde ook den heer Lohman en mij van de situatie op de hoogte. Zoo kwam het, dat tegenover de enkele stem, die in de geheime vergadering opging voor

[p. 90]

een hooghartig afwijzen der Duitsche eischen, de heer Lohman en ik er krachtig op aandrongen om, nadat onze houding tegenover de geallieerden in Maart zoo buitengewoon tegemoetkomend was geweest, nu ook, voor zoover dat eenigszins mogelijk was, de Duitsche eischen in te willigen. Onze opvatting vond krachtige steun bij minister Cort van der Linden en het resultaat is geweest, dat in de door ons aangewezen geest is gehandeld.

Inmiddels had dr. Rosen tijd gewonnen en met sukces in Berlijn op matiging der eischen aangedrongen, zoodat het mogelijk was, tot een bevredigende oplossing te komen. Inzake de doorvoer van zand en grind door Limburg, onbelemmerden uitvoer van dezelfde artikelen uit ons land en vereenvoudiging van het uitklaren van, Rijnschepen, voor Duitschland bestemd, kwamen wij den Duitschers een stuk tegemoet. Een groot gevaar was geweken. De geallieerden, die van den aanvang af door hun gezanten tot toegevendheid hadden laten aansporen, vielen ons ditmaal over onze koncessies aan Duitschland niet lastig.

In mijn eerste verkiezingsrede, einde Mei te Amsterdam gehouden, heb ik over mijn houding in deze zaak het volgende gezegd: ‘Ik heb het gewaagd pro-Duitsch te schijnen, terwille onzer neutraliteitspolitiek. Er is geschreven over wat de heer de Savornin Lohman en ik in de jongste krisisdagen hebben gedaan. Wij hebben niets gedaan dan den heer Cort van der Linden te steunen bij zijn pogingen, om de regeering op de goede weg te houden. Als later bekend zal zijn geworden, wat wij ten deze hebben gedaan, zullen wij geen reden hebben, ons te schamen.’

Mijn houding in deze dagen werd mede beïnvloed door de overtuiging, dat ons leger niet tot tegenstand van eenige beteekenis in staat zou zijn. Ik had namelijk vernomen, dat de opperbevelhebber in de ministerraad verklaringen had afgelegd, die hierop neer kwamen, dat,

[p. 91]

door het ontbreken van het benoodigde oorlogsmateriaal, ons leger in enkele dagen onder de voet zou worden geloopen. Volkomen nutteloos en zinneloos, dus, zouden duizenden jonge levens worden opgeofferd. Het was in verband met deze inlichtingen, dat ik op 27 April in het Partij bestuur voorstelde, zoo spoedig mogelijk een vergadering van de Partijraad bijeen te roepen, om de Partij te raadplegen over de vraag, welke onze houding moest zijn, als de omstandigheden de regeering voor de keus zouden stellen: òf schending onzer neutraliteit met de wapenen te keeren; òf toe te geven om een aanval op ons land te ontgaan. Mijn voorstel, door Sannes, van der Goes en Matthijsen ondersteund, werd aangenomen en reeds op 30 April had de vergadering van de Partijraad plaats.

De daar gevoerde besprekingen zijn van zooveel belang voor het begrijpen van het huidig ontwapeningsstandpunt onzer Partij, dat het noodzakelijk is, er hier aan de hand van de uitmuntende notulen bij stil te staan. In mijn inleiding schetste ik het gevaar van de toestand, voor zoover dat zonder gebruik van de gegevens uit het komitee-generaal mogelijk was. Wij hadden den eisch gesteld, dat de Kamer zou worden gehoord, voordat de regeering een beslissing zou nemen; daarom wilde de fraktie nu overleggen met de Partij. Ik gaf nu duidelijker dan in de Kamer mogelijk was geweest, als mijn meening te kennen, dat de regeering in de schepenkwestie tegenover de geallieerden verder gegaan was, dan onze neutraliteit toehet. ‘De toestemming tot het gebruik van Nederlandsche schepen kan geen ander gevolg hebben dan hulp in den oorlog van de eene partij.’ Daartegenover had onze regeering op verschillende manieren in Duitschland ontstemming gewekt. Ik wees op de chikanes van de Nederlandsche douane, waarover dr. Rosen zich tegenover mij verschillende malen zeer fel had geuit; het begon op ‘pesten’ te gelijken en de toestand was pas verbeterd,

[p. 92]

nu van Duitsche zijde werkelijk gevaar dreigde. Was het de bedoeling van de Duitsche regeering, per se met ons in konflikt te komen om zoo in ons land de vrije hand te krijgen voor haar plannen (het bezetten onzer havens enz.), dan zou de toestand natuurlijk hopeloos zijn, en geen toegeven baten. Daarop stelde ik de vraag aan de orde: moeten wij, als onze neutraliteit geschonden wordt, b.v. in Limburg, Duitschland den oorlog verklaren, ja, dan neen? Volgens de besluiten van de internationale konferentie van 1907, immers, was een neutrale staat wel gerechtigd, doch niet verplicht, bij schending der neutraliteit naar de wapens te grijpen. Daarbij moest rekening worden gehouden met de toestand van ons leger; volgens de legerleiding was er voor 3½ à 4 dagen munitie; volgens ter Laan slechts voor twee dagen. Zijn wij verantwoord, onze jongens zonder eenig nut aan dood en verderf bloot te stellen? Ik legde de vraag aan de vergadering voor, doch op mijn rede, die ongeveer een uur had geduurd, kon feitelijk slechts één konklusie volgen: niet vechten.

Verschillende sprekers verdedigden een tegenovergesteld standpunt, waarbij het echter duidelijk was, dat niet in de laatste plaats hun anti-Duitsche gezindheid de doorslag gaf. Voor hen was het niet de kwestie, of wij in den oorlog zouden worden betrokken, maar of wij wel aan de goede kant, dat wil zeggen aan de zijde der ‘demokratische’ geallieerden, zouden vechten. De meerderheid van de vergadering steunde het door mij ingenomen standpunt. Rekening houdend met de moderne oorlogstechniek, die aan een klein land niet te vervullen eischen stelt, geleerd door de ervaringen van vier jaar wereldoorlog, zoo werd betoogd, was de S.D.A.P. niet slechts gerechtigd, doch verplicht, het in 1914 ingenomen standpunt te herzien. Enkelen gingen verder dan ik was gegaan, daar ik meende, dat wij ons tot het eind van den oorlog aan de Arnhemsche resolutie van 1915 moesten houden. Velen waren van meening, dat

[p. 93]

de regeering, als zij tot vechten besloot, niet op het leger zou kunnen rekenen. In mijn slotwoord herhaalde ik, dat mijn voornaamste argument geheel zakelijk was: wij kunnen ons niet verdedigen. Het was de plicht van socialisten, om noch pro-Duitsch, noch pro-Entente te zijn, maar een zuiver sociaal-demokratisch standpunt in te nemen. Ik betreurde het, dat het door de gebleken verdeeldheid niet mogelijk was, tot een konklusie te komen. Het doet goed, hier te kunnen vaststellen, dat enkele jaren later de Partij eensgezind de konsekwentie van de ondervindingen van de wereldoorlog heeft aanvaard, en den eisch van nationale ontwapening in haar program heeft opgenomen.

Ook in het openbaar heb ik mijn opvatting ten deze uiteengezet, zij het in voorzichtiger termen, dan ik in de besloten Partijraadsvergadering had kunnen gebruiken. Zoo lees ik in het verslag van mijn op 26 juni te Amsterdam gehouden rede over de internationale politiek het volgende: ‘Wat nu, indien er een overval komt? Als onze paar honderd duizend man een inbreuk op onze neutraliteit moeten keeren?.... Zonder weerstandsvermogen zijn wij zeer zeker niet, maar onze jonge mannen automatisch, zonder rekening te houden met hun militair vermogen, ter slachtbank te voeren, mag niet en daaraan medewerken wil ik niet. Wij mogen niet maar automatisch aan een touwtje trekken, tot alles in de pan is gehakt. Wij moeten verstandelijke politieke en ook menschelijke overwegingen laten gelden.... Wij willen bij de vervulling van onze plicht als neutralen rekening houden met het vermogen onzer weermacht.’

 

Ernstig gevaar heeft ons volk in de zomer van 1918 bedreigd ten gevolge van het onbesuisde konvooiplan, door den Minister van Marine, den heer Rambonnet, in samenwerking met zekere hofkringen opgezet. De minister deed dit voorstel ‘gesteund door de Kroon’, zegt

[p. 94]

de heer Groeninx van Zoelen; en hij kan het weten. Een goede aanleiding vormden de inbeslagname onzer schepen en de verbreking van de verbindingen met Indië. Een oorlogsschip en een tot oorlogsschip gepromoveerd passagiersschip zouden het overbrengen van regeeringspersonen en goederen naar Indië beveiligen; aan de oorlogvoerenden werd inzage van de scheepspapieren verstrekt om te toonen, dat geen kontrabande aanwezig was. In een kommuniqué van het ministerie van Marine werd dreigend aangekondigd, dat de kommandant van het konvooi geen onderzoek van de schepen zou dulden. De Engelsche regeering, die zich in deze zaak over het algemeen tegemoetkomend toonde, maakte zoowel tegen deze zinsnede, als tegen enkele der mee te voeren personen en goederen bezwaren. Pas toen aan bijna alle Engelsche eischen voldaan was en volkomen overeenstemming was bereikt, kon het konvooi op 5 Juli zijn tocht beginnen. De Engelsche regeering liet weten, dat het de eerste en de laatste maal was, dat iets dergelijks werd toegestaan. Deze tragi-komedie, door de verdedigers der nationale eer bij uitnemendheid op touw gezet, had juist voor het door deze kringen nagestreefde doel beter achterwege kunnen blijven. Terecht schreef Het Volk: ‘Voor de prijs van ruim drie millioen gulden heeft de Nederlandsche regeering zich een openlijke tentoonstelling van haar onmacht ter zee en van de waardeloosheid harer oorlogsvloot gekocht.’

Het toegeven aan de Engelsche eischen was noodzakelijk ter voorkoming van oorlog met de geallieerden. Het was echter niet naar de zin van den heer Rambonnet, die, nog voordat de zaak was afgewikkeld, zijn ontslag nam. Hoe de koningin tegenover het geval stond, toonde zij door Rambonnet twee dagen na zijn aftreden tot haar adjudant in buitengewone dienst te benoemen. Het bestaan van een dergelijke stemming aan het hof achtte ik een groot gevaar en ik ben daarom

[p. 95]

zoo vrij geweest, de zaak in een onderhoud met de koningin aan te snijden en haar te waarschuwen voor de militaristische invloeden in haar omgeving. In dit gesprek vond ik bevestiging van mijn opvatting, dat één van de drijvers de heer Groeninx van Zoelen was geweest.

In Oktober 1918 interpelleerde ik den nieuwen Minister van Buitenlandsche Zaken, van Karnebeek. Ik wil hier aanhalen, wat ik bij die gelegenheid naar aanleiding van de juist aangevangen demokratische koers in Duitschland zeide over mijn Duitsche sympathieën: ‘Nu dat volk bezig is, zich te ontdoen van de heerschappij eener kaste en van een politiek systeem, dat dit volk onwaardig was, zal die sympathie in breede kringen groeien. Een revolutionair élan, als wij in het Fransche volk en in de intellektueelen en arbeiders in Rusland hebben leeren bewonderen, is tot heden van het Duitsche volk niet uitgegaan. Als echter de politieke wedergeboorte van dat volk zijn beslag heeft gekregen en het pantser van het militarisme, dat nergens zoo zwaar drukt als daar, dat volk van de schouders zal zijn gevallen door de invoering van de internationale ontwapening, dan is voor de schepping eener socialistische organisatie van de staten van Europa mijn hoop op de wetenschappelijke zin, den overdroten ijver en het gebleken organisatievermogen van het Duitsche volk voor een niet gering gedeelte gebouwd.’

 

Op het verkiezingskongres van Februari 1918 hield ik een rede over onze algemeene politiek, Schaper sprak over arbeidswetgeving en sociale verzekering en Wibaut lichtte onze finantieele en ekonomische eischen toe. In alle landen, zeide ik, wordt de tegenstelling tusschen de arbeidersmassa en de machthebbers van het oogenblik steeds scherper. ‘Men kan de regeering niet verantwoordelijk stellen voor de belemmering van invoer van noodzakelijke levensmiddelen,

[p. 96]

maar wel voor het feit, dat zij in deze tijd van groote schaarschte niet voor gelijke verdeeling der voorraden zorgt, niet tot dat doel kapitalisme en oorlogswinst energiek aantast. Vandaar een gevoel van verbittering, dat zich richt tegen elke staatsorde.... Tegenover de nood der massa ziet men een openlijk aansturen op hyper-kapitalistische politiek.’ Na de verovering van het algemeen kiesrecht, vervolgde ik, is nu de strijd voor de verwezenlijking van het socialisme zelf aan de orde. Ook het groot-kapitalisme heeft zich in de oorlogsjaren versterkt. ‘Tegen die imperialistische elementen, tegen het groot-kapitaal is zoowel onze strijd voor vrede als onze strijd tegen de ellende der arbeiders gericht.’

In het op dit kongres vastgestelde verkiezingsprogram, dat grootendeels door mij was opgesteld, riep de Partij de arbeiders op tot strijd voor internationale ontwapening en verplichte arbitrage van geschillen tusschen de staten; bestrijding van de grootkapitalistische beinvloeding van de staat en van het kapitalistisch monopolie; voltooiïng van de sociale verzekering en arbeidswetgeving; staatspensioen; algemeen vrouwenkiesrecht; organisatie van het bedrijf onder leiding van de staat.

Ik ben bij deze verkiezingen, tegen mijn zin, als lijstaanvoerder opgetreden in twee kieskringen, in Amsterdam en in Friesland. In Friesland hield ik in alle deelen van de provincie vergaderingen. In de woning van mevrouw Besuyen-Lindeboom was het verkiezingsbureau ingericht. Te Leeuwarden hield ik wat men noemt een ‘zware’ rede. Het publiek onzer vergaderingen was in die plaats door jarenlange socialistische scholing op een peil gekomen, dat het den spreker mogelijk maakte, ook de moeilijkste politieke problemen van den dag tot de grond toe te behandelen. In Amsterdam sprak ik slechts twee maal. Daar had de Telegraaf een felle kampagne tegen mij gevoerd, die onze Partij bij deze

[p. 97]

verkiezingen veel kwaad heeft gedaan. Telkens trachtte het blad, dat een verblinde en voor onze neutraliteit gevaarlijke Ententepolitiek voerde, mijn pro-Duitschheid te bewijzen. Alle perken te buiten gingen de artikelen van een uitgeweken Belg, Auguste Monet, die eerst Huysmans had trachten te bekladden en, na diens vertrek uit Nederland, speciaal mij onder handen nam. In samenwerking met groote kranten in Londen en Parijs werd mijn werk voor herstel der Internationale verdacht gemaakt; ik zou handelen in overleg met de Duitsche regeering; zelfs werd er gekoquetteerd met een gerucht, dat ik met Duitsch geld zou werken. De trouwe en bekwame verdediging mijner houding in Het Volk kon natuurlijk niet beletten, dat van deze laster heel wat bleef hangen. Bovendien wakkerde de Telegraaf de anti-politieke stemming aan, waarover ik reeds naar aanleiding van het ‘incident-Nierstrasz’ heb gesproken. Mijn eerste Amsterdamsche rede werd herhaaldelijk onderbroken door kabaal van Wijnkoopmannen en syndikalisten, die met een eigen partij, de Socialistische Partij, aan de verkiezingen deel namen. Ik sprak langer dan mijn bedoeling was geweest, en daar de zaal met het oog op de brandstoffennood op een bepaald uur moest worden ontruimd, bleef er voor debat slechts weinig tijd over. De revolutionaire elementen waren over deze gang van zaken zoo verontwaardigd, dat de vergadering in plaats van met debat, met een formeele veldslag eindigde.

De Amsterdamsche partijgenooten noodigden mij uit, tegenover de Telegraafkampagne mijn internationaal optreden voor de kiezers te verdedigen, zoodat een tweede vergadering plaats had, geheel aan de internationale politiek gewijd. Ik zorgde er nu voor, ruim tijd voor een debat over te laten; ditmaal verliep de vergadering zonder ernstige incidenten.

[p. 98]

De uitslag van de verkiezingen was voor onze Partij bevredigend; wij veroverden 22 zetels. In Amsterdam echter was het resultaat slecht en moest van een nederlaag worden gesproken. Rotterdam had zich schitterend gehouden; daar kreeg de S.D.A.P. 44% der uitgebrachte stemmen. Behalve twee S.D.P.-ers zouden de syndikalist Kolthek en de Christen-socialist Kruyt enkele jaren in de Kamer zitten. De drie groote partijen der rechterzijde bezetten samen 50 zetels; de vrijzinnige groepen waren los van elkaar opgetrokken met het resultaat, dat er niet veel van over was gebleven.

In Amsterdam sprak ik over de verkiezingsuitslag en noemde daar als oorzaken van onze nederlaag in Amsterdam: de perskwestie, n.l. de groote invloed van de Telegraaf, waartegen Het Volk nog niet was opgewassen; de wethouderskwestie: van veel gevolgenvan den ekonomischen nood gaven de politiek-ongeschoolden gemakkelijk de schuld aan de socialistische wethouders; en niet in de laatste plaats mijn persoon: de Telegraaf-kampagne had op een anderen lijstaanvoerder minder vat gehad. Het was, ondanks de teleurstelling, een goede vergadering.

Nadat de verkiezingsuitslag in het P.B. besproken was, schreef ik in Het Volk een artikel ‘Het Nieuwe Tijdperk’, dat aldus begon: ‘Het liberalisme vernietigd--- de christelijke partijen met onderlinge verschuiving gelijk gebleven --- het socialisme gegroeid tot groote oppositiepartij --- zietdaar in enkele woorden het parlementair resultaat der eerste verkiezingen onder het algemeen kiesrecht met evenredige vertegenwoordiging.’ En verder: ‘Voor ons zijn de vijf verloopen jaren de oogsttijd voor het algemeen kiesrecht geweest, thans gaan wij ploegen, eggen en zaaien voor de socialisatie der maatschappij.’

Het ministerie Cort van der Linden had na afloop der verkiezingen zijn ontslag aangeboden. In mijn advies aan de koningin sprak ik de meening uit, dat een par-

[p. 99]

lementair ministerie, steunend op de rechterzijde, het best op de verkiezingsuitslag paste. Voor onze Partij bestond er geen reden, op deelneming aan de regeering aan te dringen. Na een geknutsel, dat twee heele maanden duurde, is een kabinet uit de rechterzijde tot stand gekomen.

Dat deze gang van zaken voor velen onzer een teleurstelling beteekende, kan niet worden ontkend. Ik had met de mogelijkheid, dat wij tot deelname aan de regeering zouden worden geroepen, enstig rekening gehouden; men herinnert zich, op welke gronden ik in mijn rapport over de portefeuillekwestie dit standpunt had ontwikkeld, (vgl. blz. 32). In Maart 1917 had ik het in een rede te Leeuwarden heel sterk gezegd: ‘Men kan zonder de sociaal-demokratie niet meer regeeren; men zal met haar regeeren. De machtige vuist van het proletariaat heeft gegrepen in de teugels van het staatsbestuur.’ Internationaal is mijn kijk over het algemeen bevestigd; in ons land echter waren de politieke verhoudingen minder ver ontwikkeld, dan ik in de laatste oorlogsjaren heb gedacht.

Bij de algemeene beschouwingen in het najaar van 1917 had ik in de Kamer de zaak ter sprake gebracht. Op de vraag van Nolens, of wij, sociaal-demokraten, ‘ministrabel’ waren, antwoordde ik, dat het voor ons niet mogelijk was, alle samenregeeren met burgerlijke partijen te blijven weigeren; doch in de toekomst zou voor de sociaal-demokratie de vraag niet, als in 1913, luiden: wilt gij met alle groepen der linkerzijde samen een regeering vormen, doch aldus: wilt gij met de andere demokratische groepen de regeering aanvaarden? Intusschen beloofde de wijze, waarop mijn denkbeeld aan de rechterzijde ontvangen werd, weinig goeds; slechts van vrijzinnig-demokratische zijde kreeg ik steun. Dit was voor mij geen reden om tot een andere taktiek over te gaan, maar wel om de verwachtingen voor 1918 te matigen.

[p. 100]

Deze nieuwe taktiek, die door mij in de Kamer vrijwel op eigen verantwoordelijkheid was ingeluid, werd door het Februarikongres van 1918 bevestigd. In het verkiezingsprogram sprak de Partij uit, dat ‘de mogelijkheid van deelneming aan een burgerlijke regeering niet uitgesloten’ was. Zekerheid zou moeten bestaan, dat de aktueele hoofdpunten van ons verkiezingsprogram in het regeeringsprogram zouden worden overgenomen en dat de S.D.A.P. ‘niet inhaar vrijheid van uiting en beweging als socialistische arbeiderspartij mag worden belemmerd.’ Het verkiezingsprogram werd tenslotte met algemeene stemmen aangenomen, doch daaraan was een interessant debat voorafgegaan. Dat het peil dezer debatten hoog was, was in de eerste plaats te danken aan Mendels, die in een helder, theoretisch goed gefundeerd betoog, de door mij toegelichte passage inzake de regeeringsdeelname bestreed. In mijn antwoord betoogde ik, dat de sociaal-demokratie in een overgangstijdperk verkeerde. Nog niet sterk genoeg om alleen de regeering te aanvaarden, was zij toch te sterk om de alleenzeggenschap over de staatsmacht aan de groot-kapitalistische groepen te laten. ‘Ik vraag u: waar zitten de andere arbeiders? Bij de burgerlijke partijen en in de christelijke vakvereenigingen. Zij staan niet naast de socialistische arbeiders. Maar zijn zij politiek weg te denken? Neen, zij kunnen elk in eigen partij een grooten invloed uitoefenen.... Als wij, ook met de regeermacht, het grootkapitaal willen bestrijden, dan richten wij ons daarmede, over de hoofden der burgerlijke leiders, tot de achter hen staande arbeiders om hen naar ons toe te trekken.’ Dat wij niet op ministerzetels belust waren, stelde ik nadrukkelijk vast. ‘Wij beleven een tijd, waarin het kapitalisme bankroet heeft geslagen. Wie in de regeering treedt, komt in een failliete boedel.’ ‘Wij zullen ons echter,’ voegde, ik daaraan toe, ‘niet laten gebruiken, om voor de bourgeoisie het regeerkasteel te beschermen, als

[p. 101]

het voor de werkelijke bevrijding van het proletariaat door de massa wordt bestormd.’

In een artikel over de portefeuillekwestie in het ‘Weekblad voor stad en land’ schreef ik, dat de oppositie tegen alle regeeringsdeelname was ‘een zich krampachtig vastklemmen aan de stellingen en sentimenten uit het jeugdtijdperk der beweging, toen deze het parlement vóór alles tot propagandatribune gebruikte en, bij gemis aan direkten invloed op de staat, deze veel meer als bolwerk der kapitalistische klasse dan als instrument tot bevordering der arbeidersbelangen beschouwde.’ Deze oppositie is in onze rijen nog niet dood, maar, ondanks de somtijds droevige ervaringen, in het buitenland met socialistische ministers opgedaan, blijf ik van meening, dat zij ongelijk heeft. De mentaliteit der Nederlandsche arbeidersbeweging staat er borg voor, dat, als het in Nederland tot deelname aan de regeering komt, de fouten, die hier en daar in het buitenland zijn gemaakt, zullen worden vermeden. Wat het aansturen op samenwerking met de Katholieken betreft, heeft het resultaat, of liever het uitblijven van resultaat, mij de laatste jaren doen twijfelen aan de juistheid van de in 1918 mede onder mijn invloed aanvaarde taktiek. Onze partij zal ernstig hebben te overwegen, of en in welke richting deze taktiek moet worden herzien. Het staat echter vast, dat terugkeer tot het overwonnen, bekrompen-dogmatische standpunt, dat per se samenregeeren met niet-socialistische partijen uitsluit, voor een partij als de S.D.A.P., die zich op de bodem der werkelijkheid plaatst, onmogelijk is.

prepostterug  begin  verder