terug  begin  verderprepost
[p. 102]

IV. Stockholm.

reaktie tegen de ‘godsvrede’ - de konferentie van den haag - onze aktie op het doode punt - revolutie in rusland - naar stockholm! - huysmans, de internationale socialist - branting en de entente - vandervelde op reis - vliegen en de omkeer in de fransche partij - victor adler in stockholm - het standpunt der duitsche meerderheid - haase is niet tevreden - stockholm werkt door - overeenstemming met de russen - steeds weer uitstel - het vredesprogram - de mislukking en haar konsekwenties - verijdelde reis naar engeland - laatste pogingen in zwitserland.

 

De oppositie tegen de godsvredepolitiek der leiding was na December 1914, het eerste onafhankelijke optreden van Liebknecht, in de Duitsche partij geleidelijk toegenomen. Tegen de fraktieverklaring, waarin Liebknechts optreden veroordeeld werd, had zich in de fraktie een belangrijke minderheid verzet. In Maart 1915 hield Haase, bij de debatten over nieuwe oorlogskredieten, tegen de zin van de rechterzijde der fraktie een rede, waarin hij op een spoedige vrede aandrong en betoogde, dat het op de weg van Duitschland lag, den eersten stap daartoe te doen. Sedert December 1914 was de minderheid, die tegen de kredieten wilde stemmen, verdubbeld.

In Juni 1915 publiceerden Kautsky, Bernstein en Haase tezamen een manifest, ‘Das Gebot der Stunde’, waarin de algemeen-toenemende vredeswil met vreugde werd begroet en de toegevende houding der meerderheid tegenover alle regeeringsdaden ernstig werd gekritiseerd. De leiding der Duitsche partij veroordeelde deze stap als disciplinebreuk; aan de buitenlandsche partijgenooten en vele andere buitenstaanders toonde zij, hoe sterk het verzet tegen de oorlogspolitiek der Duitsche partij juist bij de beste harer leiders was.

In Augustus van dat jaar gaven de meerderheid van het Duitsche partijbestuur en de Rijksdagfraktie een

[p. 103]

verklaring over het doel van den oorlog in het licht, waarin zij elke verminking van het Duitsche grondgebied afwezen; het manifest vervolgde: ‘Dit geldt ook voor den eisch van wederaanhechting van Elzas-Lotharingen aan Frankrijk, in welke vorm hij ook moge worden gesteld.’ Niet minder bedenkelijk waren de eischen, die het manifest voor de vrijheid van ekonomische ontwikkeling van het Duitsche rijk stelde, die, waren zij bij de vrede ingewilligd, het overwicht van Duitschland blijvend zouden hebben vastgelegd. Terwille van de Duitsche ekonomische expansie naar het Zuid-Oosten wees het manifest ‘elke verzwakking en verbrokkeling van Oostenrijk-Hongarije en Turkije’ af. Wel veroordeelde het manifest tenslotte alle annexaties en bevatte het den eisch, dat België hersteld moest worden, maar dit niet in zoo krachtige en duidelijke termen als Haase en andere leden der minderheid hadden voorgesteld.

In December was de minderheid, die tegen de kredieten wilde stemmen, tot 43 leden aangegroeid. Onder leiding van Haase scheidde zich een twintigtal openlijk van de fraktie af, liet een eigen verklaring voorlezen en bracht zijn stem tegen uit. Hiermede was de splitsing in de Duitsche arbeidersbeweging een feit geworden. Voor zoover de censuur het toeliet, werden de twistpunten in de pers enin partijvergadering en besproken, en de polemieken en debatten namen steeds feller vormen aan.

Naast de door Haase geleide minderheid teekende zich al spoedig een nog radikaler groep af, de mannen van Spartakus. De arrestatie van hun leider, Liebknecht, op den eersten Mei 1916, veroorzaakte de eerste belangrijke stakings- en verzetbeweging onder de Berlijnsche arbeiders die door den ekonomischen nood steeds meer vatbaar werden voor radikale propaganda. Buiten het parlement, in de partijorganisatie, bleef de uiterlijke eenheid bestaan, totdat in het voorjaar van 1917

[p. 104]

de ‘Onafhankelijken’ tot de stichting van een eigen organisatie overgingen, waarin ookde Spartakus-groep werd opgenomen.

In de Fransche partij viel een dergelijke ontwikkeling waar te nemen; doch daar stak de minderheid pas in het voorjaar van 1915 het hoofd op en daar is het in de oorlogsjaren niet tot een splitsing gekomen. Het vezet der Fransche minderheid richtte zich eveneens tegen het klakkeloos volgen der regeering, terwijl de richtingen voorts tegenover elkaar stonden inzake de houding der partij tegenover het I.S.B. De meerderheid bleef weigeren aan een zitting van het Internationaal Bureau tezamen met partijgenooten der centrale landen deel te nemen; later stelde zij voorwaarden op, waaraan de Duitsche partij moest voldoen, voordat haar vertegenwoordigers de Franschen mochten ontmoeten. De minderheid, onder leiding van Longuet, ijverde voor onvoorwaardelijke deelname aan een zitting van het voltallige Bureau, en eischte van de regeering nauwkeurige omschrijving van de oorlogsdoeleinden. Terwijl de meerderheid wilde doorvechten, ‘totdat het Duitsche militarisme zal zijn verslagen’, keerde de minderheid zich tegen militaristen en annexionisten in het eigen land. Het toetreden van de socialistische ministers tot een nieuw kabinet werd in Oktober 1915 door de Fransche fraktie slechts met geringe meerderheid goedgekeurd, en in de partijraadsvergaderingen van April en Augustus 1916 behaalde de minderheid ruim één derde van de stemmen. Veel sterker dan in Duitschland kwam hier ook in de vakbeweging, die sedert den aanvang van den oorlog nauw met de partij samenwerkte, de radikale richting tot uiting.

In Engeland was het de Independant Labour Party, die de rol van internationaal-gezinde minderheid vervulde. In haar rijen rees tegen het aanvaarden van ministerportefeuilles door de Arbeiderspartij verzet. Ook sprak zij zich uit voor deelname aan een vol-

[p. 105]

tallige zitting van het I.S.B. Een in Mei 1915 door haar uitgevaardigd manifest riep de regeeringen der oorlogvoerende staten toe: noemt allen uw vredesvoor waarden. Evenals de neutrale socialisten, zag de I.L.P. daarin den eenig mogelijken grondslag voor het aanknoopen van vredesonderhandelingen. Op de kongressen der Arbeiderspartij bleef zij echter in de minderheid.

Zoo was de gesteldheid der partijen, die wij steeds weer door bemiddeling van het I.S.B. tot elkaar trachtten te brengen. Begrijpelijker wijze waren er in alle landen elementen, wien het moeizaam werken van het I.S.B.niet vlug genoeg ging. In September 1915 kwamen vertegenwoordigers van deze strooming bijeen in een internationale konferentie te Zimmerwald. Het initiatief was uitgegaan van de Italiaansche partij, de eenige partij, die officieel vertegenwoordigd was; verder waren er afgevaardigden van minderheden. De konferentie, waar o.a. Lenin aanwezig was, werd voor Holland alleen bijgewoond door mevrouw Roland Holst. Uitdrukkelijk werd uitgesproken, dat het niet de bedoeling was, een nieuwe Internationale te stichten, maar men wilde ‘het proletariaat oproepen tot een gemeenschappelijke aktie voor de vrede, een middelpunt voor die aktie stichten en trachten het proletariaat weer tot zijn historische taak terug te brengen.’ Deze konferentie, die haar voortzetting had in die van Kienthal van April 1916, vond ook aanhang binnen onze Partij, zoodat het Partijbestuur in November 1915 besloot er openlijk stelling tegen te nemen.

Onze Partij hield in Januari 1916 een buitengewoon kongres, dat vooral van belang was door de pittige en goed gedokumenteerde rede, waarin de sekretaris van het I.S.B., Huysmans, er de gestie van het Bureau voor en na het uitbreken van den oorlog verdedigde. Hij gaf verslag van de pogingen van het Bureau, om kontakt te krijgen met de partijen der oorlogvoerende

[p. 106]

landen en besprak de beteekenis van de officieele verklaringen der Duitsche, Fransche en Engelsche partijen over de oorlogsdoeleinden.

In het voorjaar van 1916 maakten Wibaut en Huysmans voor het I.S.B. een reis naar Parijs en Londen. Met uitzondering van de kleine groepen, die op het standpunt van Zimmerwald stonden, hadden de minderheden in beide landen het optreden van het I.S.B. volkomen goedgekeurd. De resultaten van zijn reis samenvattend, stelde Huysmans o.a. het volgende vast: ‘De Franschen en Engelschen erkennen het Bureau in Den Haag als het centrum der beweging;.... De meerderheid is van oordeel, dat de tijd van een Bureauzitting nog niet gekomen is; er bestaan nochtans belangrijke minderheden, die zulk een vergadering wenschen.’

Wibaut bracht mij van zijn bevindingen in Parijs op de hoogte in een brief, waaruit ik hier enkele passages weergeef, die handelen over de opvatting der Fransche partijgenooten: ‘Ik heb uitvoerig gepraat, eenerzijds met Sembat, Albert Thomas, Bracke, Renaudel, Guesde, Lebas, Dubreuilh, (de leiders der met de regeering samenwerkende meerderheid), anderzijds met Longuet, Mistral, Pressemanne en een aantal van hun geestverwanten op dit bizondere punt, (de minderheid).... De argumenten van de Franschen ertegen (n.l. tegen een volledige bijeenkomst van het I.S.B.) zijn te verdeelen in twee kategorieën: 1ste, het is ons onmogelijk om de meerderheids-Duitschers te ontmoeten, zoolang zij zich niet van hun regeering hebben losgemaakt...; 2de, een deelneming onzerzijds aan een bijeenkomst van het Bureau, dus met die Duitschers, zou door de Fransche natie en ook door een groot deel van de Fransche Partij worden beschouwd als in flagrante strijd met het landsbelang. Het lijkt ons onmogelijk - de verstandigsten, zooals Sembat, Thomas, Renaudel, verklaren dat uitdrukkelijk, deze handeling door de massa te doen verstaan. Het gevolg zou zijn, dat de

[p. 107]

partij al haar invloed verloor bij de vredesonderhandelingen.... De groep Longuet-Mistral zegt: zoo spreken de leiders; er is een groote massa in de partij, die er geheel anders over denkt, die betere gevolgen voor de grondslagen van de vrede verwacht van reeds thans internationaal optreden.’

Het I.S.B. besloot nu een nieuwe konferentie van de socialisten der neutrale landen in de zomer van 1916 te Den Haag bijeen te roepen. Toen deze konferentie den 31sten Juli geopend werd, was ik weer voldoende in staat om mijn aktie tot herstel der Internationale, die door mijn ziekte ontijdig afgebroken was, te hervatten en de openingsrede te houden.

Ik noemde het de plicht van de socialistische partijen om in elk stadium van den oorlog, onafhankelijk de vraag te onderzoeken, of voortzetting in de gegeven omstandigheden nog in het belang van het volk was. En ik vervolgde: ‘Ik ben stellig van meening, dat zulk een onderzoek op dit oogenblik er toe moet leiden, dat de socialistische partijen der verschillende landen hun vrijheid tegenover de eigen regeeringen en burgerlijke partijen zullen hernemen en zich met elkaar over het verkrijgen van een duurzame, d.i. op de grondslagen van het internationaal socialistisch vredesprogram gesteunde vrede, zullen verstaan.’ Ik herhaalde vervolgens mijn stelling, dat de Internationale moest zorgen niet door de vrede te worden overrompeld, zooals zij door den oorlog overrompeld was. Daarvoor zou het, zoo betoogde ik, noodig zijn, dat de socialistische partijen in de oorlogvoerende landen de godsvrede verbraken. ‘Alle regeeringen hebben in dezen oorlogstijd de noodzakelijkheid leeren kennen, door de socialistische arbeiders beweging te worden gesteund. Het oogenblik is aangebroken, waarop de verdere verleening van deze steun moet worden afhankelijk gemaakt van de in williging van belangrijke eischen, zoowel ten opzichte van de vredespolitiek der regeering als van de

[p. 108]

politieke positie der arbeidersklasse.... Een vrede, gelijk door de Internationale verlangd, zal niet zonder strijd tegen de heerschende machten te bereiken zijn.’ Ontwikkeling van de demokratie noemde ik een eersten eisch: ‘Naast de uitbreiding van de autonomie der gemeenten zullen verschillende organen van het maatschappelijk leven, in de strijd der arbeidersklasse gevormd, zooals vakvereenigingen, koöperatieve en andere dergelijke lichamen, belangrijke organen kunnen zijn ter uitvoering van de nieuwe staatsfunkties.’ Herstel van België als een zelfstandige staat noemde ik een vanzelfsprekenden eisch, terwijl ik de moeilijkheid van de Elzas-Lotharingsche kwestie erkende.

Onmiddellijk nadat ik mijn rede geëindigd had, vroeg Branting het woord, om een speech te houden, die feitelijk tegen verschillende passages van mijn rede was gericht. Hij wilde een scherper veroordeeling van Zimmerwald; van te stellig-gestelde ontwapenings eischen bleek hij niet veel te willen weten; hij eischte van de Duitsche socialisten, dat zij zich openlijk bereid zouden verklaren over Elzas-Lotharingen te onderhandelen, wat de meerderheid tot nu toe geweigerd had; hij verdedigde de bezwaren van de Fransche partijgenooten tegen een vergadering samen met de Duitschers; en hij betoogde vooral, dat volgens hem het oogenblik voor vredesonderhandelingen niet geschikt was, daar de oorlogssukcessen van Duitschland niet voldoende door overwinningen der geallieerde legers waren geneutraliseerd.

In de kommissievergaderingen, die daarna plaats hadden tot het opstellen der resoluties, bleken de tegenstellingen niet zoo groot, als in de openingszitting had geschenen. In de loop van de konferentie zette ik mij naast Branting aan een tafeltje, legde mijn hand op de zijne, en zeide: ‘Jij staat dichter bij de geallieerden, terwijl ik meer naar de centralen georienteerd ben; juist omdat wij verschillend georienteerd zijn, kunnen

[p. 109]

wij samen veel voor de vrede doen. Laten wij dat nooit vergeten.’ Met welke woorden Branting zijn hartelijke instemming betuigde.

De door de kommissie voorgestelde resolutie betoogde allereerst, dat strijd tegen het kapitalisme, dat schuldig was aan den oorlog, noodiger was dan ooit. ‘Daartoe is in de nog niet parlementair geregeerde landen onmisbaar de strijd tegen het absolutisme en voor de grondwettelijke erkenning van de volkssouvereiniteit.’ De resolutie sprak zich uit voor herstel van België en Servië en voor de zelfstandigheid van Polen en gaf uiting aan de verwachting, ‘dat ook de Duitsche sociaal-demokratie bereid zal zijn over het vraagstuk van Elzas-Lotharingen met de Fransche partij in overleg te treden.’ Zij betuigde instemming met de door het I.S.B. gevoerde aktie en protesteerde ‘tegen elke poging om het vertrouwen van het proletariaat in zijn partijen en organisaties’ te ondermijnen. Herinnerend aan het program van Kopenhagen riep de konferentie de socialistische partijen op, ‘om op de bodem van dit program tot overeenstemming te komen, opdat niet het historische oogenblik om voor zijn verwezenlijking te werken ongebruikt voorbijgaat en de vrede door de imperialistische groepen vastgesteld wordt.’ Tenslotte sprak de konferentie zich uit voor de bijeenroeping van een volledige Bureauvergadering.

In mijn toelichting van deze resolutie, uitgesproken in de openbare zitting der konferentie, besprak ik nog eens het tekort van de Duitsche partij. Ik zeide: ‘De politieke machteloosheid der Duitsche partij drukt zwaarder op de Internationale dan ooit, maar van buiten af kan het Duitsche absolutisme niet worden vernietigd; dat is de historische plicht van het Duitsche volk zelf. Meerderheid noch minderheid heeft tot nog toe in dezen het verlossende woord gesproken. Het is niet genoeg, voor sociale hervormingen te strijden en radikaal-marxistische resoluties aan te nemen; ook het

[p. 110]

politiek systeem moet veranderd. Zoolang het moderne Duitschland een Russisch regeerings stelsel heeft, drukt dat op de heele Internationale.’

De resolutie werd met algemeene stemmen aangenomen, evenals de ekonomische resolutie, die door een rapport van Wibaut over ‘De ekonomische oorlog na den militairen oorlog’ was voorbereid.

Het oordeel over de konferentie in de partijpers der oorlogvoerende landen, was niet onverdeeld gunstig. Zeer tevreden toonde zich de Weensche ‘Arbeiterzeitung’, die met nadruk mijn opmerking onderschreef, dat voor alle socialistische partijen de tijd gekomen was, om haar vrijheid tegenover de regeeringen te hernemen. Een dergelijk oordeel heerschte bij de Duitsche minderheid en in haar orgaan de ‘Leipziger Volkszeitung’. Wel had ik volgens dit blad een duidelijke geneigdheid voor de geallieerden aan den dag gelegd. Groote verontwaardiging hadden speciaal mijn woorden over het tekort der Duitsche socialisten gewekt in het kamp der meerderheid. De Franschen waren over mijn openingsrede zoo mogelijk nog slechter te spreken. Zoo schreef de latere kommunist Cachin in de ‘Humanité’: ‘Dat zij, (de neutrale socialisten), geen woord van opzettelijke afkeuring voor het Duitsche militarisme hebben kunnen vinden, dat zij geen werkelijk krachtige uitspraak lieten hooren voor de vrijheid der volken om over hun eigen lot te beslissen: welk een leemte, en voor ons, welk een teleurstelling.’

De zeer primitieve omgeving, waarin de besprekingen plaats hadden, was teekenend voor de précaire omstandigheden, waarin de Internationale door den oorlog was gebracht; in een zaaltje van een dansmeester werden de vergaderingen gehouden. Slechts de gemoedelijke figuur van van Kol, die in een viktoria door de stad reed, om de buitenlandsche vrienden af te halen, gaf aan de bijeenkomst eenige fleur. Vergelijkt men echter deze konferentie in haar opzet, verloop en resulta-

[p. 111]

ten met die van Kopenhagen, in Januari 1915 gehouden, dan kan een groote vooruitgang worden gekonstateerd. Op breeder basis staande, leidde de Haagsche konferentie tot veel krachtiger uitspraken, en aan de beraadslagingen, die in tegenstelling met de vorige maal wel in het openbaar werden gehouden, wijdde de geheele internationale pers haar aandacht.

Het volgende halfjaar bracht, ondanks Duitsche overwinningen in het Oosten, geen verandering in de positie der oorlogvoerende partijen. De Duitsche regeering neigde steeds meer tot het uiterste middel van den onbeperkten duikbootenoorlog, doch liet daaraan voorafgaan een vredelievend gebaar, om de oppositie in het eigen land te ontwapenen. Zoo althans beschouwden de onafhankelijke socialisten de uitnoodiging tot vredesonderhandelingen, door de Duitsche regeering op 12 December 1916 gepubliceerd, en ik geloof, dat zij juist oordeelden. Door den aanmatigenden toon van het Duitsche stuk en vooral door het ontbreken van konkrete voorstellen, waarop Haase herhaaldelijk had aangedrongen, was de stap van te voren tot mislukking gedoemd. Enkele dagen later noodigde de Amerikaansche president, Wilson, in een nota de oorlogvoerende partijen uit, hun vredesvoorwaarden bekend te maken. Het antwoord der geallieerde regeeringen toonde duidelijk, dat ook zij de vrede niet wenschten. Er bleef den volkeren geen ander uitzicht dan onbegrensde voortzetting van den oorlog.

Voor de Hollandsche delegatie in het I.S.B. werd de toestand onhoudbaar. Moest de Internationale ook na Wilsons stap blijven zwijgen, tengevolge van de onmogelijkheid om met de Belgische leden van het Bureau tot overeenstemming te komen? Ik bracht de zaak in het P.B. en algemeen bleek men van oordeel, dat er iets moest gebeuren, desnoods op onorganisatorische wijze, buiten den voorzitter Vandervelde en de andere Belgische leden van het Bureau om.

[p. 112]

In Engeland en in Frankrijk won de vredesidee terrein. Van belang was, dat op het Fransche partijkongres van December 1916, de weigering om aan een zitting van het I.S.B. deel te nemen, zoolang de Duitsche partijgenooten niet aan bepaalde voorwaarden hadden voldaan, slechts met een zeer geringe meerderheid was bevestigd; 1537 stemmen tegen 1407. Wij konden ons er niet bij neerleggen, dat die kleine meerderheid de Internationale tot werkloosheid en daarmee misschien tot ondergang zou doemen.

In een brief aan Vandervelde van 8 Januari 1917 deden wij het voorstel, dat vertegenwoordigers der Engelsche, Fransche en Belgische partijen naar Den Haag zouden komen om over de mogelijkheid en inrichting van een algemeene vergadering van het I.S.B. te overleggen; ‘vijanden’ zouden zij dus in Den Haag niet ontmoeten. Wij schreven: ‘In bijna alle landen verwacht men van de Internationale een woord en een daad; en wij vreezen zeer, dat als eens de Internationale haar beleid zal moeten verantwoorden, het verwijt van onvergeeflijke werkloosheid haar zal treffen, indien nu dit woord niet wordt gesproken en die daad niet wordt verricht.’ Het Fransche partijbestuur wees het voorstel met 13 tegen 11 stemmen af; onder de voorstemmers bevonden zich Longuet, Mistral en Paul Louis; onder de tegenstemmers: Albert Thomas, Bracke, Dubreuilh, Renaudel, Sembat en Guesde, die één van de onverzoenlijksten was.

Zoo was deze laatste poging om langs organisatorische weg de Internationale in aktie te brengen mislukt. Tegelijkertijd bewees echter de stemming in het Fransche P.B., dat, zooals ik in Het Volk schreef, ‘het niet lang meer duren zal, of de Fransche Partij is haar hypernationalistisch tijdperk te boven en weer tot het normale denken en voelen van een afdeeling der Internationale teruggekeerd.’ In een uitvoerig antwoord aan de Fransche partij schreven wij: ‘Wij verhelen niet, dat

[p. t.o. 112]



illustratie
NEUTRALEN-KONFERENTIE DEN HAAG, 1916

[p. t.o. 113]



illustratie
HET HUIS VAN I. KEESING, TE LAREN, WAAR TOT DE KONFERENTIE VAN STOCKHOLM BESLOTEN IS

[p. 113]

wij ons in een zeer lastige positie bevinden.... Van de 28 aangesloten partijen, vragen er 25 de bijeenroeping van de Internationale, (tegenstanders waren de Franschen, Engelschen en Belgen).’ Over de vraag, welke houding door het I.S.B. tegenover dien toenemenden aandrang moest worden aangenomen - schreven wij - hadden wij met u willen spreken.

Branting schreef ons, dat naar zijn meening het I.S.B. met verdere stappen moest wachten, totdat in de Ententepartijen de vredeswil zich sterker zou hebben ontwikkeld. De stoot tot die ontwikkeling kwam van buiten: het was de revolutie in Rusland van Maart 1917, die in de arbeidersklasse aller landen zoo sterke beroering bracht, dat de leiding der socialistische partijen zich niet langer tegen een internationale aktie kon verzetten. De Deensche vrienden bezwoeren ons, niet langer te aarzelen. Van ons, aan wie de leiding der Internationale was toevertrouwd, werd nu de daad verwacht; nu of nooit.

De Russische revolutie riep in de volkeren het sluimerende verzet tegen den oorlog wakker; het zelfbewustzijn der arbeidersklasse werd in hooge mate versterkt. Uit de landen van bondgenoot en vijand zonden arbeidersvergaderingen gelijkgestemde begroetingstelegrammen. De werkstakingen in de oorlogsindustrieën, in de volgende maanden uitgebroken, moeten uit de Russische revolutie worden verklaard.

Eind Maart reeds richtte de arbeiders- en soldatenraad van Petrograd een vredesoproep tot alle volkeren, onder de leuzen: geen annexaties; geen oorlogsschattingen; zelfbeschikkingsrecht voor alle volkeren. Vooral bij de socialisten der centrale rijken, ook bij de Duitsche meerderheid, vond deze oproep weerklank. Op 2 April kon ik in een groote vergadering in de Haagsche Dierentuin in het openbaar uiting geven aan de gevoelens van bewondering en enthusiasme, die de Russische revolutie bij mij had wakker geroepen. Ik

[p. 114]

sprak daar met van Kol en Huysmans; in de vergadering heerschten een leven en vuur, zooals wij in jaren niet hadden meegemaakt. Duidelijk gaf ik te kennen, dat nu de beurt was aan het Duitsche en Oostenrijksche absolutisme. Tot hen, die moedeloos geworden waren, zeide ik: ‘Tracht naast het vreeselijke ook het grootsche van deze tijd te zien. De Russische revolutie is grootsch en schoon, om wat zij bracht en brengen zal.’

Ik was na het Paaschkongres, dat op 10 April eindigde, zeer vermoeid en nam daarom de uitnoodiging van Is. Keesing aan, in zijn huisje te Laren rust te komen nemen. Het was daar, dat op 15 April de leden der Hollandsche delegatie, Albarda, van Kol, Wibaut en ik, met Huysmans bijeenkwamen en besloten tot de konferentie van Stockholm. De Zweedsche hoofdstad was in de gegeven omstandigheden de aangewezen plaats voor een vredespoging. Over Stockholm reisden allen, die met het nieuwe Rusland kontakt zochten; daar namen de centrale socialisten voeling met hun Russische partijgenooten; daarheen moest de zetel van het I.S.B. worden overgebracht. Ik vond bij allen enthusiaste instemming met mijn plan. Tot dien tijd hadden wij het moeten dragen, dat wij tot machteloosheid gedwongen waren door de tegenstand der geallieerde socialisten. Als wij er nu in slaagden, de Russen voor onze vredesaktie te interesseeren, zou het onmogelijk zijn, die tegenstand vol te houden. Zonder de andere Belgische leden van het I.S.B. te raadplegen, besloten wij, het Bureau naar Stockholm te verplaatsen en daar met de Skandinavische partijen een komitee te vormen ter organisatie van een algemeene socialistische vredeskonferentie. Alle aangesloten partijen werden uitgenoodigd tegen 15 Mei afgevaardigden naar Stockholm te zenden. De Belgische leden van het I.S.B. waren hiermee feitelijk uitgeschakeld en voor een fait accompli gesteld. Dit was slechts mogelijk door mijn goede verstandhouding en nauwe samenwerking met

[p. 115]

den sekretaris van het I.S.B., Camille Huysmans, die zijn volledige medewerking verleende. De onafhankelijke en moedige houding, door dezen Belgischen socialist in de oorlogsjaren aangenomen, kan niet genoeg worden gewaardeerd. Zonder ooit zijn vaderland ontrouw te worden, vervuld met felle verontwaardiging over het optreden der Duitschers tegenover België, is hij niettemin zijn plicht als sekretaris der Internationale met trouw en onovertroffen bekwaamheid blijven vervullen. Door de tegenwerking der Duitsche overheid gedwongen naar Den Haag te verhuizen, heeft hij hier gedurende den oorlog met zijn gezin in zeer zorgelijke omstandigheden geleefd. Belasterd door de nationalistische pers, omgeven door spionnen, gewantrouwd door zijn Belgische partijgenooten, moest hij zich van allen verlaten gevoelen. Doch rustig en zeker is hij zijn weg gegaan, zonder zich ooit te bekommeren over de gevaren, die niet alleen zijn positie, maar ook zijn persoon hebben bedreigd. Hiernaast moet worden genoemd zijn groote politieke bekwaamheid; Huysmans is een ras-politikus. Ik heb met Huysmans vaak stevig gevochten, doch ik stel voorop, dat deze veelzijdigontwikkelde en geestige man één van de belangrijkste figuren is geweest, waarmee ik in de internationale arbeidersbeweging heb samengewerkt.

Tegenover de onjuiste voorstellingen, die reeds dadelijk omtrent oorsprong en bedoeling der konferentie in de pers opdoken, omschreef ik nog voor mijn vertrek in een interview in Het Volk het juiste karakter der zaak. Ik zeide o.a.: ‘Wij zien allerlei pogingen van socialistische partijen uit verschillende oorlogvoerende landen om met de Russische arbeiders in kontakt te komen. Het I.S.B. mag dit niet aanzien als een dood ding; het moet er bij zijn.’ Ik verklaarde, dat wij tot de konferentie niet alleen de partijleidingen, maar ook de minderheden in de socialistische partijen opriepen, die juist het meest internationale element vertegen-

[p. 116]

woordigden. ‘Een eventueele afzonderlijke vrede zou door ons slechts kunnen worden toegejuicht, voor zoover hij het door de omstandigheden geboden middel zou zijn om te komen tot een algemeene vrede.’ In Den Haag bracht ik een bezoek aan dr. Rosen, den Duitschen gezant. Ik verzocht hem, er bij zijn regeering op aan te dringen, ook den onafhankelijken socialisten passen voor de konferentie te verleenen. Tevergeefs trachtte hij mij te beïnvloeden door te eischen, dat over Elzas-Lotharingen niet zou worden gesproken. Overigens was hij zeer bereidwillig. Na den oorlog met mijn vrouw in Detmold vertoevend, heb ik hem nog eens ontmoet en toen bleek mij, dat hij tegenover zijn regeering als de ‘geestelijke vader’ der Stockholmsche konferentie had geposeerd. Den 19den April vertrok ik naar Berlijn. Ik had daar gelegenheid, niet alleen met de leiders der beide Duitsche richtingen, maar ook met Oostenrijksche en Hongaarsche socialisten, de opzet der konferentie te bespreken. Bovendien had ik een uitvoerig onderhoud met den Staatssekretaris voor Buitenlandsche Zaken, den heer Zimmermann. Het bleek mij, dat de toestand voor de centrale rijken na de oorlogsverklaring van Amerika reeds zóó donker was, dat zij elke vredespoging, ook een socialistische, moesten steunen. Met veel moeite verkreeg ik van Zimmermann de toezegging, dat ook aan de onafhankelijke socialisten passen zouden worden verstrekt. Hij zwichtte voor mijn argument, dat de konferentie anders als Duitsche regeeringsmanoeuvre zou worden beschouwd en zeker zou mislukken. Men heeft dit bezoek onvoorzichtig genoemd, daar de Ententepers het tegen mij heeft uitgespeeld. Doch ik beschouw het nog steeds als een goede zet; hadden de Onafhankelijken geen passen gekregen, dan had die pers nog veel meer vat op ons gehad.

Met Albarda en van Kol, die eveneens over Duitschland reisden, kwam ik in de laatste dagen van April

[p. 117]

in Stockholm aan. Mijn vrouw reisde met mij mede, daar mijn gezondheidstoestand voortdurende zorg vereischte. Uit het groote aantal buitenlandsche journalisten, dat ons opwachtte en bestormde en de tallooze telegrammen met sukceswenschen, die ons dagelijks uit alle deelen van de wereld bereikten, bleek, hoe de gespannen aandacht van alle volken op Stockholm was gericht. Huysmans was na een avontuurlijke tocht eveneens gearriveerd; hij had de reis over zee moeten maken en zich, om tijdig aanwezig te zijn, als lid der bemanning op een vrachtschip laten aanmonsteren. Een maand later kwam op dezelfde wijze zijn sekretaris, Karl Mayer, die met zijn groote bekwaamheid de konferentie belangrijke diensten zou bewijzen. Al spoedig vormde zich tusschen ons beiden een verhouding van persoonlijke genegenheid.

De 1 Mei-betooging in Stockholm vormde een goeden inzet voor de konferentie. In de geheele stad lag het werk stil en een indrukwekkende stoet trok door de straten achter doeken, waarop één woord stond: vrede! De 9de Mei kwam het ‘Hollandsch-Skandinavisch komitee’ tot stand, dat de organisatie van de algemeene konferentie op zich nam. Het sekretariaat werd opgedragen aan Huysmans, wien de Zweed Engberg werd toegevoegd. Op mijn voorstel benoemde het komitee Branting tot voorzitter. In de praktijk presideerden Branting en ik om de beurt; hij, als er een delegatie uit een Ententeland gehoord werd; ik, als de partijgenooten uit de centrale rijken aanwezig waren.

De samenwerking tusschen Branting en mij is gedurende de vijf en een halve maand, dat de konferentie duurde, niet altijd even hartelijk geweest. Hij toonde wel heel duidelijk zijn sympathieën voor de Entente; tegenover de Duitsche meerderheid was zijn houding minder korrekt dan die van Huysmans. Met de gezanten van Engeland en Rusland hield hij nauw kontakt, at bij hen en overlegde met hen. Na inzage van de

[p. 118]

stukken en brieven te hebben genomen, weet ik nu zeer goed, dat hij op de wijze, die hem de beste scheen, alles heeft gedaan, wat hij kon, om de konferentie te doen slagen. Doch ik had toen wel eens het gevoel, dat hij gezamenlijk met de geallieerde gezanten ons werk remde. Ik moest mij zorgvuldig van alle aanraking met het Duitsche gezantschap onthouden, wat met de houding van Branting een eigenaardige tegenstelling vormde. Branting was niet in de eerste plaats een politikus; doch hij was ongetwijfeld een krachtige persoonlijkheid, die onder zijn volk groot gezag had en de socialistische beweging van zijn land tot groote macht en ingrijpenden invloed op vele gebieden heeft gebracht. Gelukkig zijn wij later weer de goede vrienden geworden, die wij vroeger waren geweest.

Het werk, dat de omstandigheden op mijn schouders hadden gelegd, was voor mij geheel nieuw. Spoedig had ik mij in het Zweedsch ingewerkt, zoodat ik niet alleen de kranten van het land kon lezen, maar mij ook in die taal kon uitdrukken. En in het meer diplomatieke optreden, dat van mij werd gevraagd, voelde ik mij weldra thuis.

Wij troffen in Stockholm onzen Belgischen partijgenoot de Brouckère aan. Spoedig verscheen Vandervelde met zijn sekretaris, Hendrik de Man; zij waren op weg naar Rusland, met het doel, de Russische revolutionairen te kalmeeren en hen weer aan de Entente te binden; een eigenaardige taak voor socialisten, die zich slechts door de verblinding der oorlogsjaren laat verklaren. Zij bleken in hooge mate door nationalisme te zijn aangetast, waarbij echter niet moet worden vergeten, dat Vandervelde als minister van een oorlogvoerend land in een lastige positie verkeerde. In plaats van de val der tsarenheerschappij met onverdeelde vreugde te begroeten, waren zij geneigd, de Russische revolutie als een verraad aan de zaak der Entente te beschouwen.

[p. 119]

Hoe dit zij, een vijandige houding der Ententesocialisten zou de konferentie bij voorbaat tot mislukking doemen en wij moesten met de Belgen tot overeenstemming komen, wat in de loop van een paar bijeenkomsten gelukte. Zij bleven bij hun weigering, met de Duitsche meerderheid samen te komen, zoolang deze de oorlogspolitiek harer regeering steunde. Het is niet onze overtuiging, zeide de Brouckère, dat een Entente overwinning een socialistische overwinning is, maar wel, dat een Duitsche overwinning een overwinning der ergste reaktie zou beteekenen. Vandervelde wilde wachten, totdat de positie der geallieerden op het slagveld gunstiger zou zijn. Toch erkenden zij, dat wij in Stockholm veel goed zouden kunnen doen. Zij hoopten, dat wij erin zouden slagen, de Duitsche meerderheid van haar regeering los te maken. Zij zagen in, dat door ons streven naar een algemeene vrede het gevaar van een afzonderlijke vrede tusschen Rusland en de Centralen werd verminderd.

Ik stelde daar met een enkel woord een verklaring van de houding der Duitsche meerderheid tegenover en betoogde, dat een Ententeoverwinning evengoed een versterking van het militarisme zou beteekenen. De konklusie, waartoe wij kwamen, was de volgende: het Hollandsch-Skandinavisch komitee houdt aanvankelijk afzonderlijke konferenties, waartoe alle aangesloten partijen om de beurt worden uitgenoodigd; de partijen, die delegaties naar Stockholm zenden, verbinden zich daarmee niet, ook aan een algemeene konferentie deel te nemen; het komitee van zijn kant laat het plan van een algemeene konferente niet los en beschouwt deze afzonderlijke konferenties als nuttigen voorbereidenden arbeid.

Op de eerste uitnoodiging voor een algemeene konferentie had het bestuur der Engelsche Arbeiderspartij een voorloopig afwijzend antwoord gezonden. Instemming vonden wij bij de Independant Labour Party en

[p. 120]

het is van belang hier, naast de opvattingen der Belgen, die van MacDonald weer te geven, aan de hand van een brief, door hem op 26 April aan Vandervelde geschreven. Volgens hem moesten de Russische socialisten, zoo mogelijk in samenwerking met andere partijen, na de noodige voorbesprekingen een vredesprogram publiceeren, waarop alle werkelijke demokraten zich zouden kunnen vereenigen. Naast konkrete punten, als het herstel van België, een onafhankelijk Polen e.d., zou dit program ook de politieke voorwaarden voor een blijvende vrede moeten bevatten: demokratiseering van de regeeringen aller volken, ontwapening, een schema voor een Volkenbond. ‘Het zal echter’, vervolgde MacDonald, ‘voor hen noodzakelijk zijn, hun bondgenooten zeer duidelijk te doen begrijpen, dat de Russische demokratie niet kan zijn een instrument in de handen hunner regeeringen, maar dat zij zich aan het hoofd plaatst van een internationale demokratische beweging, die dezen oorlog dienstbaar zal maken aan de verwezenlijking van haar eigen idealen en aan de vestiging van haar eigen macht.’

Op hun terugreis uit Rusland deden de Fransche partijgenooten Cachin en Moutet Stockholm aan. Zij weigerden ons op ons bureau te bezoeken; doch in hun hotel hadden wij met hen een belangrijke bespreking. Van de vredeswil der Russische partijgenooten bleken zij sterk onder den indruk te zijn. Tegelijkertijd bleek ons, dat de minderheid van Longuet overwoog, op eigen gelegenheid een delegatie naar Stockholm te zenden. Zoover behoefde het niet te komen, daar er spoedig een belangrijke verandering in de houding van de Fransche partijleiding plaats greep. Deze was vooral te danken aan het bekwame optreden van Vliegen, die begin Mei naar Parijs reisde en in een zitting van het Fransche partijbestuur opzet en doel van Stockholm toelichtte. Hij betoogde, dat socialisten niet konden wachten op een vrede, door de uitkomsten van het slagveld gedik-

[p. *1]



illustratie
CAMILLE HUYSMANS - SCHILDERIJ VAN OPSOMER

[p. *2]



illustratie
VICTOR ADLER TE STOCKHOLM

[p. *3]



illustratie
HOLLANDSCH-SKANDINAVISCH KOMITEE, STOCKHOLM 1917 - Van l. naar r. Stauning, Albarda, Söderberg, Vidnes, Van Kol, Branting, Engberg, Troelstra, Huysmans, Lindquist, Lian, Nilssen, Madsen, Möller

[p. *4]



illustratie
STOCKHOLM, 1917 - NINA BANG, HUYSMANS, VAN KOL, TROELSTRA

[p. 121]

teerd; wij moesten niet achter de diplomaten aanloopen, maar hen voorgaan. Hij wees op de tegenstrijdigheid van de eischen der Fransche partij, die eenerzijds van de Internationale een veroordeeling van de Duitsche meerderheid eischte en anderzijds weigerde een kongres mogelijk te maken, waar een dergelijke zaak besproken zou moeten worden. ‘Als gij van de Internationale iets eischt, komt het bepleiten.’ Met kracht protesteerde hij ertegen, de konferentie te doen mislukken om de formeele bezwaren over de wijze van samenroeping, die vooral door Renaudel weer waren geuit. Vliegen besloot: ‘Voor hen, die uw houding steeds begrepen en verdedigd hebben, wordt dit van dag tot dag moeilijker, omdat uw houding, die eerst begrijpelijk was, dit niet meer zou zijn.’ De meerderheid van het Fransche P.B. had een resolutie voorgesteld, waarin deelneming aan Stockholm werd afgewezen. In een brief aan ons komitee gaf Vliegen aldus verslag van zijn zending: ‘Mijn kritiek op het ontwerp-resolutie werd door de minderheid met groote instemming begroet en ik geloof zeker, dat hij op de meerderheid zooveel indruk heeft gemaakt, dat zij haar beslist standpunt niet zal handhaven.... Ik heb zelden zoo sterk het gevoel gehad, dat zij er niets van terug hadden.’

Inderdaad, het resultaat van Vliegens reis bleek van geweldige beteekenis. Op de partijraadsvergadering van 27 Mei, waar ook de Russische indrukken van Cachin en Moutet zich deden gelden, besloten de Fransche partijgenooten met algemeene stemmen, aan een internationale konferentie deel te nemen; het eerste gevolg was, dat de Engelsche Arbeiderspartij kort daarna een dergelijk besluit nam; ook hier oefenden de verklaringen van de uit Rusland teruggekeerde delegatie onder leiding van Will Thorne, met wien wij in Stockholm hadden gesproken, hun invloed. Voor het Stockholmsch komitee beteekenden deze besluiten de mogelijkheid, ons werk voort te zetten, terwijl zij zelve

[p. 122]

reeds een belangrijk gevolg van onze aktie uitmaakten. Erkend moet worden, dat de Fransche resolutie niet op alle punten even duidelijk was. Dit was een gevolg van het feit, dat wij nog steeds niet met de Russen tot klaarheid hadden kunnen komen. De 9de Mei hadden de Russen eveneens een oproep gepubliceerd vooreen internationale socialistische konferentie, te houden in een neutraal land. Was het de bedoeling, met ons samen te werken? Ons streven moest er in de eerste plaats op gericht zijn, tot een vereeniging van ons initiatief met het Russische te komen.

Intusschen hadden wij op 19 Mei de reeks afzonderlijke konferenties met een bijeenkomst met de Bosniërs geopend. Bovendien verzochten wij de delegaties, hun inzichten in een memorandum neer te leggen. Om de verschillende antwoorden en memoranda op dezelfde basis te doen opbouwen en onderling vergelijkbaar materiaal te doen opleveren, had ik op mij genomen, een schema op te stellen, het ‘program voor de diskussies in de voorbereidende konferenties.’ In de eerste plaats werden de grondslagen der te bepleiten vredesvoorwaarden behandeld, de kwesties van het zelfbeschikkingsrecht der volkeren, van de annexaties, van de oorlogsschatting enz., en hun toepassing op de speciale gevallen. Vervolgens de beginselen, waarop de internationale rechtsorde na de vrede moest worden opgebouwd, om nieuwe oorlogen te voorkomen; dan de aktie van de Internationale, om die eischen te doen inwilligen en tenslotte de vraag van een zoo spoedig mogelijk te beleggen algemeene socialistische konferentie.

De hooge kosten, die de konferentie vorderde, werden voorloopig door de Zweedsche partij betaald. Wij voelden, dat deze omstandigheid ons op den duur in een zekere afhankelijkheid ten opzichte van de Zweden zou moeten brengen. Om middelen te zoeken ter bestrijding van het Hollandsch aandeel in de konferentiekosten,

[p. 123]

was Albarda reeds 12 Mei tijdelijk naar Holland teruggekeerd. Het was Wibaut, die zich bereid verklaarde, persoonlijk alle lasten op zich te nemen. Zooals zoo vaak in de geschiedenis onzer beweging, hielp hij ons ook ditmaal uit de moeilijkheden op kiesche wijze, zonder dat eigenlijk iemand het wist of er zich door gebonden gevoelde.

Ik nam nu van Albarda de taak over, de lezers van Het Volk van de ontwikkeling der konferentie op de hoogte te houden, en deed dat in mijn ‘Brieven uit Stockholm’, die tot een serie van achttien artikelen zijn gegroeid. In den eersten brief kon ik konstateeren, dat in Stockholm ‘de zoo vaak dood verklaarde en tot dat oogenblik in haar aktie werkelijk lamgeslagen Internationale met één slag weer vooraan op het plan der wereldgebeurtenissen’ was geplaatst.

 

In afwachting van de noodzakelijke overeenstemming met de Russen, ontvingen wij de delegaties van de groote partijen der centrale rijken. Eind Mei de Oostenrijkers, Hongaren en Tsechen; begin Juni de Duitsche meerderheid en eind-Juni de Duitsche Onafhankelijken. Hadden alle sekties der Internationale een dergelijk duidelijk standpunt durven innemen als onze vrienden uit de Oostenrijksch-Hongaarsche landen, dan was er van Stockholm iets groots te maken geweest. De Hongaren hadden met Paschen een geheim kongres gehouden, waar de Russische revolutie als een door de centrale socialisten te volgen voorbeeld was begroet. Ook met de Tsechen was overeenstemming te bereiken, al had hun partij zich in de eerste plaats bezig te houden met haar nationaal probleem en te kampen met een uitgesproken separatistische vleugel, die de socialistische partij verscheurde. De Oostenrijkers verwachtten niet, dat wij voor de nationaliteitenkwestie een definitieve oplossing zouden kunnen geven; die zou in de betrokken landen zelf gevon-

[p. 124]

den moeten worden. Stockholm zou nuttig werk doen, door de grondslagen voor de toekomstige internationale rechtsorde uit te werken en vooral, door de ‘Schrei nach Frieden’ te geven, die in de volkeren zelf nog werd onderdrukt. Speciale aandacht werd besteed aan Servië en aan de Balkankwestie. De Oostenrijkers spraken zich uit voor hulp bij het ekonomisch herstel van Servië en verwachtten, dat de Duitschers ten opzichte van België hetzelfde zouden doen. Victor Adler erkende, dat het het verstandigst zou zijn, de vorming van een groot Zuid-Slavisch rijk te bevorderen, waarin ook Bosnië zou worden opgenomen; voor afstand van dit gebied echter zou de groote meerderheid van het volk voorloopig niet te vinden zijn. Een dergelijk standpunt namen zij tegenover dat deel van Polen in, dat bij Oostenrijk-Hongarije was ingelijfd. Tot de bestrijding van het imperialisme in hun eigen land waren deze partijgenooten bereid. Adler sprak: Ik gevoel mij hier niet als vertegenwoordiger eener nationale partij. Hier moeten geen naties vertegenwoordigd zijn, maar proletariaten; alleen dan.... maar dan ook zeker.... vinden wij elkaar. Van groot belang was, dat de Oostenrijkers zich van te voren verbonden, de besluiten, die door de internationale konferentie zouden worden genomen, als bindend te zullen beschouwen en te zullen uitvoeren; dit voorbeeld werd helaas slechts door enkele delegaties gevolgd.

Het gelukte ons Victor Adler te bewegen, na het vertrek der delegatie in Stockholm te blijven om aan het werk van het komitee deel te nemen. Zijn lichaamskrachten waren uitgeput; hij was volkomen op. Doch zijn geest - een van de grootste, edelste geesten, die de socialistische Internationale hebben geleid - was nog frisch en levend. Met zijn onuitputtelijke geestkracht en humor stond hij ons bij de vaak zware besprekingen ter zijde. Mijn vrouw en ik vonden in hem een ouden en warmen vriend. Persoonlijk heb ik van

[p. 125]

geen der internationale socialistische figuren zooveel geleerd en zooveel gehouden, als van Victor Adler; een levend mensch, een scherpe kop, een onovertroffen partijleider. Anders dan in de meeste andere landen is in Oostenrijk de socialistische partij sterk en eendrachtig uit de verwarring en inwendige twisten van den oorlog te voorschijn gekomen, om in de revolutie de leiding te nemen. In Stockholm was Adler nog geheel onder den indruk van de daad en de daarop gevolgde veroordeeling van zijn zoon Friedrich, Deze was in de oorlogsjaren de leider van de internationalistische linkervleugel der partij; reeds vroeger herinner ik mij, op een Oostenrijksch partijkongres een debat tusschen vader en zoon te hebben bijgewoond, waarbij de tegenstelling tusschen ‘Genosse Adler’ en ‘Genosse Adler’ bijna komisch aandeed. Na 1914 was in Oostenrijk het parlement naar huis gestuurd, de pers onder censuur gesteld, elke demokratische vrijheid door het militair regiem vernietigd. Als eenig overgebleven middel, om aan de steeds groeiende verbittering en wanhoop der massa uiting te geven, had Friedrich toen in Oktober 1916 zijn doodelijk schot op den minister-president gelost; de Oostenrijksche overheid had het niet gewaagd, hem ter dood te veroordeelen. Evenmin als ik kon Victor Adler deze daad goedkeuren, doch in de loop onzer gesprekken te Stockholm bleek mij, hoe sterk zijn gedachten voortdurend met Friedrich bezig waren, hoeveel hij van zijn moedigen zoon hield.

In deze jaren heeft Victor Adler verschillende malen een gunstigen en temperenden invloed weten uit te oefenen op het nationalisme van de Duitsche partijmeerderheid. Uit Stockholm teruggekeerd heeft hij in het in Mei heropend Oostenrijksch parlement een moedige vredesrede gehouden, waarin hij o.a. zeide: De socialisten lijden onder de materieele moeilijkheid, om met elkaar tot overeenstemming te komen en bo-

[p. 126]

vendien onder de voor oorlogsdoeleinden opgezweepte hartstochten der massa's. Hij eischte, dat eindelijk de regeerders der centrale rijken klaar en duidelijk hun in de Ententelanden moet weten, ‘dat niet, zooals zij gelooven en men hen wijsmaakt, in de centrale rijken slaven leven, maar dat ook daar vrije menschen zijn, die de demokratie willen en die de vrijheid en de vrede zullen veroveren’. Noodig is ‘niet alleen voor den enkeling, maar ook voor de partijen, ook voor de volkeren, een beetje zelfverloochening en heel veel moed heel veel geloof, dat de oude tijd voorbij is, dat de nieuwe tijd komen moet, die met de vrede aanvangt en naar de vrijheid voert.’

Had de Duitsche meerderheid een zelfde standpunt kunnen innemen, had zij, als Adler, durven verklaren: indien de algemeene konferentie daartoe besluit, zullen wij voortaan tegen de oorlogskredieten stemmen, dan had Stockholm meer direkt resultaat opgeleverd. De noodzaak, het Duitsche volk tegen het Russische tsarisme te verdedigen, het belangrijkste argument voor de ‘godsvredepolitiek’ in Duitschland, was met de Russische revolutie vervallen. Scheidemann en de zijnen hadden zich in het openbaar te veel vastgelegd; ook zij hadden het parool ‘durchhalten’ uitgegeven. In de Rijksdag hadden zij steeds weer plechtig verklaard, dat over Elzas-Lotharingen niet gesproken kon worden.

Het was vooral op dit punt, dat ik zoowel in de besprekingen van het komitee met de delegatie der Duitsche meerderheid, als in partikuliere gesprekken met Ebert en Scheidemann, koncessies van hen trachtte los te krijgen. Doch zij wilden van een volksstemming in die streken, de door ons gewenschte oplossing, niet weten; verder dan het verleenen van autonomie aan die provincies binnen het Duitsche rijk wilden zij niet gaan. Tegenover het argument van Branting: - als gij

[p. 127]

zoo zeker van het Duitsche karakter der twee provincies zijt, wat kunt gij dan tegen een volksstemming hebben? - konden zij weinig inbrengen. Een argument, overigens, dat evenzeer de Fransche tegenstanders van een volksstemming moest treffen. Ik vroeg hen: neemt gij het op u, terwille van Elzas-Lotharingen den oorlog te doen voortduren? Houdt gij per se aan uw formeele recht vast? Wilt gij niet het bevrijdende woord spreken, door de volksstemming te akcepteeren? In hun antwoord toonden Molkenbuhr en Scheidemann meer verontwaardiging dan begrip voor mijn argumenten. Zwaarder dan de ‘nationale eer’ woog voor hen het ekonomisch argument; in Februari 1916 had de mijnwerkersleider Hue in de Pruisische Landdag verklaard: het verlies van Elzas-Lotharingen ‘zou een doodelijke slag beteekenen voor millioenen arbeiders in de mijnen en in de ijzer- en staalindustrie.’ In hun memorandum aan het Stockholmsch komitee betoogden zij: dat aanhechting van Elzas-Lotharingen aan Frankrijk in strijd zou zijn met het beginsel: ‘Geen annexaties.’ Zij herinnerden er aan, dat de Fransche partijgenooten, die nu in meerderheid Elzas-Lotharingen opeischten - de minderheid was voor een volksstemming - zich vóór den oorlog algemeen hadden akkoord verklaard met de autonomie der twee provincies binnen het Duitsche rijk. Slechts voor een enkele, plaatselijke grenswijziging, waarmee Frankrijk zijn prestige zou kunnen redden, zouden zij te vinden zijn. De Duitsche Onafhankelijken daarentegen verklaarden zich voorstanders van een volksstemming in dit gebied.

In de eerste bijeenkomst met de Duitsche meerderheid was de atmosfeer vrij gespannen. De Duitschers hadden zich degelijk voorbereid, meer echter om hun oorlogspolitiek tegen de buitenlandsche kritiek te verdedigen, dan voor het eigenlijke vredeswerk. Daartegenover konden verschillende leden van het komitee hun vijandige gezindheid nauwelijks verbergen. Branting

[p. 128]

had zelfs tot onze groote verontwaardiging aanvankelijk geweigerd, bij de ontvangst der Duitschers tegenwoordig te zijn.

Scheidemann gaf een algemeene verdediging van de houding der meerderheid, waar hij, zooals hij met genoegen in zijn Memoiren herdenkt, ‘allerlei kleine Bosheiten hineinflocht’. Vervolgens sprak van Kol over België en over de duikbootenoorlog op een dergelijke toon, dat het niet veel scheelde, of hij had de Duitschers weggejaagd, Ebert toonde zich zeer onaangenaam getroffen. Ik trachtte de vrede te herstellen door te betoogen, dat ieder in deze bijeenkomsten gelegenheid moest hebben, om eerlijk te zeggen, wat hem op het hart lag. Ik verklaarde vervolgens de houding der Duitsche meerderheid zeer wel te kunnen begrijpen, doch voegde er aan toe: gij hebt tegen de schending der Belgische neutraliteit slechts op verstandelijke gronden geprotesteerd; gij schijnt niet te begrijpen, van hoe groote beteekenis een uiting van oprechte verontwaardiging van uw zijde had kunnen zijn. In de tweede zitting hield David, in antwoord op de woorden van van Kol, een rede over de vraag van de schuld aan den oorlog, die van zijn standpunt meesterlijk moest worden genoemd en op allen indruk maakte.

In de derde zitting werd het schema voor de diskussies aan de orde gesteld; men vond het van een ‘kaum loyale’ anti-Duitsche eenzijdigheid. Wij gaven Scheidemann zijn zin, door aan het schema de vraag toe te voegen: wat hebt gij reeds voor de vrede gedaan? Hij had een tweetal brochures samengesteld met de Duitsche ‘vredesgezinde’ Rijksdagredevoeringen en partijbesluiten en wilde de Ententesocialisten op deze wijze hun gebrek aan aktiviteit doen toonen. Vervolgens stelden de Duitschers een memorandum op, dat wij in de volgende bijeenkomsten behandelden.

Het duidelijkst herinner ik mij de vergadering, waarin de Belgische kwestie behandeld werd. Ik heb Huys-

[p. t.o. 128]



illustratie
TEEKENING VAN J. BRAAKENSIEK. JUNI 1918, NAAR AANLEIDING VAN TROELSTRA'S MISLUKTE REIS NAAR ENGELAND Onderschrift: ‘Te zwaar beladen voor een vredesduif’.

[p. 129]

mans die dag bewonderd; zijn toelichting tot den eisch, dat Duitschland in het herstel van België zou bijdragen, was beheerscht en overtuigend; hij had de eerste jaren van den oorlog één en ander persoonlijk beleefd! David verdedigde het Duitsche standpunt: als wij in principe vaststellen, dat er geen oorlogsschuld wordt betaald, dan ook niet voor België. Volgens David waren de verwoestingen het gevolg van den oorlogstoestand in het algemeen en zou het ook aan een onpartijdige kommissie niet mogelijk zijn, vast te stellen, welke partij in de speciale gevallen de schuldige was. ‘Het is absoluut uitgesloten, dat Duitschland een eenzijdige schadeloosstelling kan aanvaarden.’ Zij wilden niet verder gaan, dan in hun memorandum opnemen, dat voor staten, die niet zelf in staat waren de schade te herstellen, internationale steun moest worden georganiseerd. Ook in deze kwestie zouden de Onafhankelijken de door ons voorgestelde oplossing ondersteunen.

Ik moest den vrienden van de Duitsche meerderheid toegeven, dat Duitschland zelf voor demokratiseering zijner staatsinstellingen had te zorgen en zich op dat gebied niets door de Ententeregeeringen behoefde te laten voorschrijven, maar ik drong er sterk op aan, dat zij er dan ook voor zouden zorgen en zich niet met schijnkoncessies zouden laten paaien. In een Stockholmbrief stelde ik tegenover de uitingen van van der Goes, redakteur-buitenland van Het Volk, die de Duitsche meerderheid imperialistisch had genoemd, mijn meening, ‘dat die meerderheid, wat hare opvattingen omtrent de oorzaken van den oorlog betreft, niet genoeg kritisch staat tegenover de officieele Duitsche lezing en de beteekenis van het militarisme als zelfstandige faktor van oorlogsdrang, met name in Duitschland, onderschat; maar dat haar eigen bedoelingen met den oorlog en haar eigen streven naar de vrede niet door imperialistische gezindheid worden beheerscht....

[p. 130]

In geheel Duitschland betitelt men een vrede zonder annexaties enz. als een “Scheidemann-Vrede”. In onze kringen wordt Scheidemann nog steeds gedoodverfd als de imperialist.’ Ik bestreed deze opvatting; in de eerste plaats, omdat zij onbillijk was: de houding der Ententesocialisten was niet wezenlijk anders; en in de tweede plaats, omdat wij de Duitsche meerderheid niet moesten afstooten, maar haar hadden voort te drijven naar een meer radikale, onafhankelijk-socialistische vredespolitiek.

Wij leefden te Stockholm in een door spionnage verpeste omgeving. Bij zijn aankomst bezocht Scheidemann den Duitschen gezant; het was half twee in de middag en de gezant wist hem mede te deelen, wat er om twaalf uur in ons komitee besloten was. Op ons verzoek, aan die spionnage een einde te maken, zeide Scheidemann niet te kunnen ingaan, omdat dezelfde personen tegelijkertijd voor de Entente-gezanten spionneerden. Wij hadden op ons bureau een juffrouw aangesteld, die met een merkwaardigen ijver werkte, zoodat zij er zelfs flauw bij viel. Op zekere dag trad een der Russische afgevaardigden binnen, die blijkbaar meer van haar wist; zij verdween met groote haast, om niet terug te keeren. In Juli tijdelijk naar Holland terugreizend, om aan de stemming over de grondwetsherziening deel te nemen, werd ik in de trein begeleid door een spion, een kerel met een onvergetelijk boeventronie. In Berlijn was aan het station geen rijtuig te krijgen; een twijfelachtig individu was zoo vriendelijk, er één voor ons op te zoeken, met het resultaat, dat in het hotel de spion weer naast ons opdook. Het was deze atmosfeer van gemeenheid en bedrog, die meer dan iets anders ons zenuwgestel op de proef stelde.

Scheidemann vertelt in zijn Memoiren, dat de Duitsche delegatie bij haar terugkeer in Berlijn verslag uitbracht aan de regeering; deze, zoowel als de keizer persoonlijk,

[p. 131]

waren over hun optreden te Stockholm zeer tevreden! 22 Juni kwamen de Duitsche Onafhankelijken. Merkwaardig was, dat deze delegatie der radikalere vleugel uitsluitend oudere figuren bevatte: naast mannen als Kautsky en Bernstein was Haase de jongste. Hugo Haase is mij als mensch steeds zeer sympathiek geweest; als politikus streed hij voor inzichten, die meer met de mijne overeenstemden, dan die der Duitsche meerderheid. Doch ook hij miste de staatsmansgaven en de ruime politieke kijk, die noodig waren geweest, om de Duitsche sociaal-demokratie te verjongen.

In de eerste bijeenkomst met de Onafhankelijken toonde Haase zich veel optimistischer over de waarde en de kansen der konferentie, dan uit zijn later gepubliceerde korrespondentie uit die dagen zou kunnen worden afgeleid. Hij trok direkt scherp tegen de Duitsche meerderheid van leer; de oprechtheid van haar bekeering tot de vredesprincipes van den Petersburgschen arbeiders- en soldatenraad trok hij in twijfel. Verder oefende hij uitvoerig kritiek op het gepubliceerde memorandum der meerderheid. De tweede vergadering werd met een speech van mij geopend. Ik sprak mijn teleurstelling uit over Haase's rede, waaruit wij den indruk moesten krijgen, dat hij de Duitsche partijstrijd op internationale bodem wilde overbrengen. De algemeene konferentie had wat anders te doen, dan de Duitsche meerderheid tot ‘Prügelknabe’ te maken. Er moest een minimumprogram worden gevonden, dat voor allen aanvaardbaar was, en daarvoor had ieder iets van zijn eigen ‘gelijk’ op te geven. Haase's scherpte werd niet gerechtvaardigd door de zakelijke grondslag van het meeningsverschil. De eenheid van het Duitsche proletariaat moest hersteld worden, en de twee Duitsche frakties mochten niet van de algemeene konferentie terugkeeren als twee honden, die slechts hun staarten hadden overgelaten. De politieke taak der Onafhankelijken omvatte grooter eischen dan het ver-

[p. 132]

ketteren van de meerderheid; zij hadden die meerderheid te drijven en te sterken in de strijd tegen de imperialistische regeering. Bovendien herhaalde ik in dit gezelschap mijn beschouwingen over het politiek tekort der Duitsche partij, (blz. 13). De fout was in de jaren vóór den oorlog gemaakt, en daaraan waren de tegenwoordige Onafhankelijken mede schuldig. Gij hebt, zeide ik, sedert 1890 een voor de Internationale schadelijke politiek gevoerd. Gij hebt uw groote macht ongebruikt gelaten en uw revolutionaire kracht gezocht in resoluties. Het kettergericht van Dresden en uw overwinning te Amsterdam in 1904 (zie: ‘Groei’ blz. 305) hebben zich gewroken in de débacle van uw partij in 1914. Meer dan ooit mogen wij u nu vragen: wat doet gij voor de demokratiseering van de Duitsche staat? Uit deze uitvoerige weergave mijner rede - aan de hand van de notulen - ziet men, dat ik meer deed dan ‘meinem revisionistischen Herzen Luft machen’, zooals Haase het met eenige bitterheid in een brief aan zijn vrouw heeft genoemd. Het scheen voor deze Onafhankelijken even moeilijk om mijn bedoeling te begrijpen, als het voor Wolffgang Heine en zijn geestverwanten was geweest.

Uit de woorden van Bernstein, die de kwestie breeder zag, bleek, dat onder de Onafhankelijken ernstige meeningsverschillen bestonden. Geheel anders dan bij de delegatie der meerderheid, die eerst in eigen boezem haar standpunt vaststelde en dan haar spreker aanwees. Ik gaf Bernstein toe, dat het noodig zou zijn, op de algemeene konferentie de schuldvraag aan de orde te stellen; niet, om daarover als een soort van internationaal gerechtshof een uitspraak te doen, maar om door een openhartige diskussie de atmosfeer te zuiveren. Kautsky betoogde terecht, dat de konferentie slechts waarde zou hebben, als alle partijen bereid waren voor de uitvoering van het op te stellen program de strijd tegen de eigen regeeringen aan te binden. Hun stand-

[p. 133]

punt ten opzichte van kritieke punten, als het herstel van België en Elzas-Lotharingen, heb ik reeds vermeld. In het algemeen maakte het memorandum, dat zij na afloop der besprekingen opstelden, op de Ententesocialisten een gunstigen indruk; hier was de toon gevonden, die herstel der internationale aktie mogelijk maakte.

Na het vertrek der Onafhankelijken kwam de konferentie in een periode van afwachten. Wij hadden deze eerste maanden heel hard gewerkt; nu lag het hoogtepunt achter ons. Wij hebben ons werk voortgezet en de delegaties van kleine landen en allerhand nationale minderheden in afzonderlijke konferenties ontvangen. Ik heb mij, door de omstandigheden gedwongen, in deze maanden geheel in het nationaliteitenprobleem verdiept. De plaats ontbreekt mij, er hier uitvoerig over te spreken, doch in het boek, dat onder de titel ‘Stockholm’ na afloop der konferentie door het I.S.B. is uitgegeven, vindt men een schat van materiaal over deze kwestie verzameld. Verschillende dezer delegaties, die van de Duitsche regeering passen hadden gekregen, ontleenden haar beteekenis minder aan haar positie in het eigen volk, dan aan het feit, dat Berlijn haar als werktuig voor de Duitsche politiek wilde gebruiken. De invloed van Stockholm heeft zich ongetwijfeld doen gelden bij het tot stand komen van de vredesresolutie, die op 19 Juli door de meerderheid van de Duitsche Rijksdag werd aangenomen. Deze, zich uitsprekend voor ‘een vrede door overleg en van blijvende verzoening der volken’ wees niet alleen veroveringen, maar ook alle pogingen tot ekonomische overheersching af. Met de meerderheidssocialisten stemden vóór de resolutie het Katholieke Centrum en de ‘vrijzinnigen’. Ondanks enkele dubbelzinnige passages, die in de ter zelfder tijd gehouden rede van den nieuwen Rijkskanselier Michaëlis voorkwamen, maakte deze stap in het buitenland indruk. Daar Scheide-

[p. 134]

mann en de zijnen, ingelijfd bij het nieuwe regeeringsblok, nu gebonden waren, ook verder voor de oorlogskredieten te stemmen, werd het resultaat der Rijksdagszitting door het Stockholmsch komitee met gemengde gevoelens begroet. In een interview, in de Vossische Zeitung opgenomen, verklaarde ik het te betreuren, dat de socialistische meerderheid, terwille van het kompromis, voorloopig van een scherpe aktie voor het belangrijkste punt, de demokratiseering van Duitschland, had afgezien. Bij de vrede van Brest-Litowsk met Rusland is gebleken, dat de regeering deze resolutie ongestraft kon negeeren. Het afwijzend standpunt der Onafhankelijken is door de feiten bevestigd. In het begin van den oorlog had een dergelijke politiek van beteekenis kunnen zijn; nu kwam zij te laat en vormde zij meer een rem dan een steun bij ons werk tot herstel der Internationale en voor een vrede door overleg. Evenmin als de partijgenooten in de Ententelanden bleek de Duitsche meerderheid in staat, zich definitief uit de nationalistische stemming los te maken. Pas in September 1918, onder de druk der dreigende militaire nederlaag, heeft haar politiek een krachtige zwenking naar links gemaakt.

Op de konferentie van Den Haag van 1916 was het N.V.V. vertegenwoordigd geweest; ook in Stockholm stelden wij op deelname van de vakbeweging prijs; het N.V.V. verklaarde zich bereid, een viertal leden in de Nederlandsche delegatie naar de steeds uitgestelde algemeene konferentie te benoemen. Evenmin als de politieke Internationale was het I.V.V. er in geslaagd, de vijanden in den oorlog op één bijeenkomst te vereenigen. Namens de Duitschers, die het internationaal sekretariaat in handen hadden, hield Oudegeest in Amsterdam als ‘korrespondentieadres’ de zaken zooveel mogelijk gaande. Legien hoopte zijn lang-gekoesterd plan, een internationale vakkonferentie te beleggen, in aansluiting aan ons Stockholmsch initiatief te

[p. 135]

kunnen verwezenlijken en tegen 8 Juni werd die konferentie te Stockholm samengeroepen. Tengevolge van de korte voorbereiding waren slechts een beperkt aantal neutrale en centrale landen vertegenwoordigd. De bijeenkomst kreeg daardoor het karakter van een voorloopige bespreking, waar tot de belangrijke internationale vakkonferentie van Bern, van Oktober 1917, werd besloten.

Vonden wij hier voorloopig weinig steun, ook de als konkurreerende onderneming bedoelde vredeskonferentie van de Zimmerwalders (zie blz. 105) kon niet op resultaten bogen. Zij voerden besprekingen met de Russen, die eerst tusschen hen en ons schenen te aarzelen; en met de Duitsche Onafhankelijken en enkele andere delegaties. Doch meer dan in het oneindige diskussieeren over de vraag, of zij al dan niet aan onze konferentie zouden deel nemen, deden zij niet. Dank zij ons initiatief was hun beteekenis sedert de konferentie in Kienthal, toen hun aktie door de instemming van de Independant Labour Party een zeker relief had gekregen, belangrijk verminderd.

In Rusland had de arbeiders- en soldatenraad in Mei minister Miljoekof, die zich als voortzetter van de imperialistische tsaristische politiek had ontpopt, tot aftreden gedwongen en een koalitieregeering gevormd uit socialistische en burgerlijke elementen. Het Russische volk wilde geen voortzetting van den oorlog en bij de steeds duidelijker sabotage der vredespogingen door de Ententeregeeringen, moest in Rusland de invloed van de meest radikale vleugel, de Bolsjewiki, groeien. Voorloopig echter, hadden deze in den arbeiders- en soldatenraad weinig aanhang; het is van belang, hier vast te stellen, dat aanvankelijk in de ‘sovjet’, die niet van bolsjewistischen oorsprong is, de sociaal-demokraten en sociaal-revolutionairen (een partij, steunend op het platteland) de toon aangaven. De konferentie van Stockholm, uit de Russische revolutie ge-

[p. 136]

boren, moest in sterke mate de terugslag ondervinden van de verdere gebeurtenissen in Rusland.

Door partikuliere inlichtingen kregen wij meer en meer de zekerheid, dat de sovjet van Petrograd niet anders bedoelde dan de door haar samengeroepen konferentie met de onze te vereenigen; maar officieel vernamen wij weinig; de komst van de Russische delegatie werd telkens uitgesteld. In een manifest van 15 Mei wees de sovjet nog een afzonderlijke vrede met Duitschland af, doch riep de arbeiders in de Ententelanden op, een aktie voor een onmiddellijken algemeenen vrede te openen. ‘Gij moet op die wijze ons revolutionaire leger, dat streeft naar vrede tusschen de volkeren, de zekerheid geven, dat haar bloedige offers niet zullen worden gebruikt tot iets kwaads.’ Den 1sten Juni volgde een nieuwe oproep aan de politieke partijen en vakbeweging aller landen, waarin de sovjet als eerste taak van een internationale konferentie stelde: ‘het volledig breken met de politiek van de “godsvrede” met de regeeringen en de kapitalistische klassen, omdat deze politiek de strijd voor de vrede onmogelijk maakt.’ De bedoeling der Russische kameraden was dus in volkomen overeenstemming met het streven van ons Stockholmsch komitee.

Intusschen wekte deze ontwikkeling ongerustheid bij die Ententesocialisten, die in de eerste plaats Rusland als strijdvaardig oorlogsbondgenoot wilden behouden. Zoo ontstond de brief van Vandervelde, Albert Thomas en de Brouckère aan de sovjet, die in ernstig verminkte vorm door de Entente-pers werd verspreid. Zij noemden de konvokatie van de internationale konferentie voorbarig, zoolang de vredesformule van de sovjet niet was uitgewerkt in deze zin, ‘dat zij noch de bevrijding van gebieden volgens de wil der bewoners, (Elzas!), noch het herstel van de door de overweldiging gewelddadig bezette gebieden uitsluit.’ Slechts als de Duitsche socialisten geheel met de keizerlijke politiek zou-

[p. 137]

den breken ‘zouden wij de mogelijkheid eener gemeenschappelijke aktie onder de oogen kunnen zien.’ Voor hun eigen partijen bleven zij tegenover het Duitsche imperialisme medewerking aan de ‘godsvrede’ als hun plicht beschouwen.

Het antwoord van de sovjet, in verzoenende toon gesteld, bevatte niettemin deze juiste passage: ‘De arbeidende klasse in alle landen zal niet gemakkelijk een snelle en duurzame overeenstemming kunnen bereiken, als zij zich niet uitsluitend laat leiden door haar eigen belangen, en afwijst het streven der imperialisten, dat vaak zijn werkelijk aangezicht onder een verleidelijk masker verbergt.’ Voorloopig was het onmogelijk, de Ententesocialisten te genezen van de fiktie, dat in den oorlog de ‘demokratische’ geallieerden vrijheid en recht tegenover het Duitsche imperialisme verdedigden. Na 1918 is maar al te duidelijk gebleken, dat ook het optreden der Entente geheel door imperialistische motieven werd beheerscht; dat er nog steeds socialisten zijn, ook in ons land, die dit trachten te ontkennen, moet als bewijs van ongeneeslijke vooringenomenheid en verblinding worden beschouwd.

Toen ik na een kort verblijf in Holland te Stockholm terugkeerde, was eindelijk de Russische delegatie aanwezig. Op 9, 10 en 11 Juli hadden de beslissende bijeenkomsten plaats, waaraan ook Vliegen deelnam; misverstanden, door onjuiste en half juiste persberichten gerezen - ik zou mij b.v. misprijzend over de Russische revolutie en de sovjet hebben uitgelaten - waren spoedig opgehelderd. Zonder moeite werd overeenstemming over samenstelling en program der algemeene konferentie bereikt. Tscheidze zou voorzitter zijn, met Branting en mij als ondervoorzitters. Ons komitee maakte plaats voor een Russisch-Hollandsch-Skandinavisch komitee, waarin de Russen Erlich, Goldenberg, Rosanof, Roussanoff en Smirnoff werden opgenomen. Van den oprechten vredeswil der Russen

[p. 138]

verwachtte ik de redding van de konferentie. Voor den aanvang der besprekingen had ik Erlich uitgenoodigd tot een onderhoud, waarin ik mij verplicht gevoelde, hem voor de nauwe verbinding van Branting met de geallieerde gezanten te waarschuwen; het gevolg daarvan was, zeide ik, dat Branting aarzelde tot konklusies te komen. ‘Van de Russen’, vervolgde ik, ‘heeft onze konferentie alles te verwachten. Van u moet de kracht uitgaan, die ons werk tot een goed einde brengt.’

Ook onder de niet-bolsjewiki had Zimmerwald aanhang en het nieuwe komitee besloot, tot de algemeene konferentie allen uit te noodigen, dus ook de Zimmerwalders. Hun linkervleugel onder de leiding van Lenin, de kern van de latere kommunistische Internationale, weigerde aan die uitnoodiging te voldoen.

Op zijn terugreis uit Rusland verklaarde Vandervelde in een interview voor een Zweedsch blad, dat hij over de gevechtswaarde van het Russische leger zeer optimistisch was. De verbroedering tusschen de vijanden aan het front behoorde weer tot het verleden; de Russen hadden ingezien, dat een offensief de beste manier was, om met de Duitschers tot vrede te komen en de Duitschers zouden weldra bemerken, dat het Russische leger zich hersteld had. Inderdaad ging de koalitie-regeering Kerensky onder druk der Entente in Juli over tot het offensief in Gallicië, dat, gezien de uitputting van het Russische leger, op een débacle moest uitloopen. Deze daad, door het volk als verraad beschouwd na de herhaalde vredelievende regeeringsverklaringen, beteekende de vermoording van de demokratische revolutie; èn de diktatuur, èn de afzonderlijke vrede met Duitschland, waartegen de Entente en haar afgezanten zich juist hadden willen vrijwaren, waren nu op den duur niet tegen te houden.

Het nieuwe komitee stuurde een oproep voor een algemeene konferentie de wereld in, voorloopig voor 15 Augustus; de agenda bevatte: de Wereldoorlog en de

[p. 139]

Internationale; (zonder dat punt op de agenda zouden de Ententesocialisten moeilijk tot deelname te overreden zijn); het vredesprogram der Internationale; en de wegen en middelen om op de grondslag van dat program den oorlog spoedig te doen eindigen. In een aanvullende verklaring deelde de Russische delegatie mede, er niet in geslaagd te zijn, ook het komitee van de Zimmerwald-groep tot medewerking aan de konferentie te bewegen.

Zoo was met de Russen overeenstemming verkregen en in afwachting van de komst der delegaties hadden wij een tijd rust, die ik gebruikte om met mijn vrouw in één van de prachtige badplaatsen ten Noorden van Stockholm enkele weken vakantie te nemen. In onze buurt logeerde Branting en met hem overlegde ik in deze vredige omgeving, welk standpunt ons komitee tegenover de ter konferentie te verwachten moeilijkheden had in te nemen. Ik ontveinsde mij niet, dat verschillende delegaties zich meer als vertegenwoordigers van een oorlogvoerende partij, dan als socialisten zouden voelen, maar ik vertrouwde op twee krachten om de konferentie te doen slagen: op de werking van het milieu, dat het den vroegeren kameraden mogelijk zou maken, elkaar terug te vinden; en vooral op de druk van de massa's in de landen zelf, nu het onder de oppervlakte voortlevend besef van de internationale gemeenschap van het proletariaat zich elke dag weer luider deed hooren. Nog was de hoop van alle volkeren op Stockholm gericht; geen delegatie zou de verantwoordelijkheid aandurven, op kleinzielig nationalisme de konferentie te doen mislukken. Al spoedig bereikten ons van de Ententepartijen verzoeken, de konferentie uit te stellen. Nog uit mijn vakantieverblijf schreef ik hierover aan Huysmans: ‘Als wij nog tijdig vóór den vierden oorlogswinter onze stem daartegen zullen laten hooren, moet het nu. Dat de Ententesocialisten weinig voor onze konferentie voelen, is tot

[p. 140]

heden duidelijk gebleken. Moet zij op hun onwil afstuiten, het zij zoo. Maar dan moeten zij het maar ronduit zeggen, dat zij niet willen. Een uitstel-taktiek, waarbij wij als domme jongens achter een zeepbel aanloopen, is al het ergste, wat men ons kan aandoen.’ Eenzelfde stemming maakte zich van onze Russische vrienden meester, die, nu zij eens in Stockholm waren, zich meer en meer verbitterd gevoelden over het gebrek aan medewerking bij hun partij genooten in het Westen. Enkele leden der Russische delegatie begaven zich toen naar Engeland, Frankrijk en Italië, om van de socialisten in die landen krachtiger optreden te verkrijgen. Zij werden hoffelijk ontvangen, doch ook zij bereikten niet het gewenschte resultaat.

De toon van de Entente-pers ten opzichte van Stockholm was, op enkele uitzonderingen na, zeer vijandig; Stockholm was ‘een muizenval, door de Duitsche regeering gezet.’ De officieele persagentschappen publiceerden onze geregelde kommuniqués onvolledig en verdraaid; van het memorandum van de Duitsche meerderheid werden de belangrijkste passages met omgekeerde strekking weergegeven. Zoo werd de publieke opinie rijp gemaakt voor de groote slag, die de geallieerde regeeringen onze konferentie wilden toebrengen: op de reeds vermelde bereidverklaring der Fransche en Engelsche partijen, delegaties naar Stockholm te zenden, antwoordden de regeeringen met de weigering om passen te verstrekken. De Engelsche regeering, die een ruimer inzicht had, was voor de pressie uit Rome en Parijs gezwicht. De passenweigering werd ook door den bondgenoot, de Russische regeering-Kerensky, die Stockholm loyaal steunde, als een onvriendschappelijke daad beschouwd. Zij werkte de verwijdering tusschen Rusland en de Entente in de hand. Van socialistische zijde is in die dagen over het algemeen de schuld van het mislukken der algemeene konferentie aan de passenweigering gegeven. Toch heb ik

[p. 141]

het ook toen reeds in het openbaar gezegd: door een deel der Ententesocialisten is dit voorwendsel dankbaar aanvaard, om van de konferentie af te komen. Hadden onze partijen in de Ententelanden er alles op gezet, om Stockholm te doen slagen, dan hadden zij de regeeringen, die bij de oorlogvoering de steun der arbeidersbeweging niet konden missen, kunnen dwingen, de passen toe te staan.

Het is niet noodig, de verschillende episodes van de uitsteltragedie uitvoerig te beschrijven. Onder de partijgenooten, die op hun reis van en naar Rusland ons bezochten, was ook Henderson. Hij bleek zich voldoende te hebben losgemaakt van het nationalisme, om de gegrondheid van den Russischen aandrang naar vredesdaden en de noodzaak van een eendrachtig optreden der Internationale te begrijpen. Met de Russische afgezanten reisde hij naar Parijs, doch moest er zich bij neerleggen, dat daar in een bijeenkomst met het Fransche P.B. besloten werd, op uitstel der konferentie tot September aan te dringen en haar door een intergeallieerde socialistenkonferentie te Londen te doen voorafgaan. Namens de Russen protesteerde Tscheidze onder verwijzing naar de toenemende onrust in Rusland tegen deze voorvergadering van één groep, waarvan Stockholm weinig goeds te verwachten had. Tegelijkertijd kwamen uit de Fransche Kamerfraktie en de Engelsche vakbeweging openlijke protesten tegen Stockholm los. Nog minder dan de Duitsche meerderheid bleken de Franschen en Engelschen bereid, zich van te voren tot uitvoering van de besluiten der algemeene konferentie te verbinden. Hiermede, schreef ik in Het Volk, vervalt ‘de kans, dat de konferentie, b.v. door zich vóór de strijd aller partijen vóór de direkte invoering van een zuiver demokratisch parlementair systeem in alle landen uit te spreken, op de invoering daarvan in Duitschland, Pruisen, België, Engeland enz. (de eerste twee waren het belangrijkst!)

[p. 142]

anderen dan slechts moreelen en propagandistischen invloed zal oefenen.’ Ik konstateerde met spijt, dat Henderson Stockholm vooral had aanbevolen, als een geschikt middel in de strijd tegen de centrale rijken; een redeneering, die door Albert Thomas in Frankrijk werd herhaald. Dit optreden toont, schreef ik, ‘hoe zonderling het socialisme in het gedrang komt, als het tijdelijk zijn tenten heeft moeten opslaan in de ziel van een minister voor de ammunitie van een land, dat in oorlog is.’

Ik betoogde, dat de Ententeregeeringen passen weigerden, omdat zij begrepen, dat door een geslaagd Stockholm de Internationale zich ‘aan den aanvang van het nieuwe tijdperk in de wereldgeschiedenis een positie in de harten der menschen en in de politieke machtsverhoudingen zal veroveren, die haar voor de verdere groote strijd, die haar wacht, een zedelijk en politiek overwicht over de burgerlijke machten zal geven, waarvan niet alleen menschelijkheid en beschaving, maar met name het proletariaat voor zijn eigen bestaan en streven de heerlijkste vruchten plukken zal.’ Helaas schenen de regeeringen in de Ententelanden dit duidelijker te beseffen dan een deel der socialisten.

De intergeallieerde socialistische konferentie kwam eind Augustus te Londen bijeen; aan de vooravond schreef ik in Het Volk: ‘Als deze konferentie stevig stelling neemt tegen de passenweigering van de Vierbond, is handhaving daarvan onmogelijk; als zij het aan kracht van wil en overtuiging laat mankeeren, zal dit de regeeringen aanmoedigen, op de weg van dwang en geweld verder te gaan.’ In een brief aan de konferentie sprak ons komitee dezelfde gedachte uit: ‘Ons komitee heeft den indruk, dat de weigering der passen niet alleen is gericht tegen het idee van Stockholm, maar tegen het georganiseerde proletariaat in het algemeen’. Met groote meerderheid sprak deze konfe-

[p. 143]

rentie zich wederom vóór een algemeene konferentie uit, doch over het daar te verdedigen vredesprogram bestond zooveel verschil van meening, dat zij zonder tot overeenstemming te zijn gekomen, uiteenging. Eén en ander was een gevolg van het feit, dat bij de innerlijke worsteling in de betrokken partijen tusschen oorlogsidee en vredesidee, de krachten elkaar ongeveer in evenwicht hielden.

Als het belangrijkste resultaat van Stockholm moet ongetwijfeld de verandering worden beschouwd, die ons optreden in de politieke situatie in de verschillende landen heeft opgeroepen. Ik zeide niet te veel, toen ik reeds half Augustus in een Stockholm-brief betoogde: ‘Zoo groeien de feiten boven hun opzet uit en zitten Frankrijk en Engeland wegens de Stockholmsche konferentie reeds midden in de dreigende verbreking van de godsvrede, zonder dat die door welke partijen dan ook gewild of gepredikt is. Stockholm heeft de geesten ontketend, die te midden van de oorlogsrazernij en de onderlinge vijandschap der arbeiders in de oorlogvoerende landen, de harten opheffen naar vrede en herstel der Internationale.... Het proces der inwendige genezing is aan de gang; al zou 't nog mogelijk zijn, door misbruik van macht en geweld de konferentie geheel of gedeeltelijk te weren - Stockholm werkt reeds en geen macht ter wereld is meer in staat, die werking tegen te houden.’

De arbeiders hadden zich terwille van de ‘nationale verdediging’ beknotting van hun politieke en vakvereenigingsrechten moeten laten welgevallen. Toen ook in de Ententelanden in 1917 groote ‘wilde’ stakingen uitbraken in de oorlogsindustrie, speelde daar, naast de eischen voor meer vrijheid en betere ekonomische verzorging, de vredesvraag een rol. In Frankrijk was door het ministerschap van Albert Thomas de arbeidersbeweging nog steeds aan de regeeringspolitiek gebonden gebleven; deze positie werd nu onhoudbaar.

[p. 144]

Begin September 1917 kwam voor het eerst sedert 1914 een kabinet zonder socialisten aan het bewind. De periode van censuur en hatelijke onderdrukking begon, die onder de niets ontziende diktatuur van Clemenceau haar hoogtepunt zou bereiken. De socialistische arbeidersbeweging echter, was onder de drang van Stockholm weer zich zelf geworden: op het kongres van Bordeaux, in Oktober, behaalde de vroegere minderheid onder Longuet de beslissende overwinning. Het is duidelijk, dat deze ontwikkeling op haar beurt het standpunt der socialisten in de centrale rijken moest beïnvloeden.

In Engeland vielen in andere verhoudingen dergelijke verschijnselen waar te nemen, al bleef de meerderheid der vakvereenigingen, en daarmee de meerderheid der Arbeiderspartij, tot het einde de godsvrede getrouw. Doch de minderheid om MacDonald won snel aan invloed en van onschatbare beteekenis was de stap van Henderson, die uit de passenweigering door de meerderheid van het kabinet de juiste konklusie trok, door uit de regeering te treden en het geheele gewicht van zijn gezag vóór Stockholm in de weegschaal te werpen. Achteraf beschouwd kan worden gezegd, dat Henderson door deze daad zijn positie in de Engelsche arbeidersbeweging nog juist op tijd heeft gered. Na den oorlog hebben de Engelsche arbeiders aan de vredelievende minderheid der oorlogsjaren hun dankbaarheid voor haar moedige en werkelijk socialistische houding getoond. Niet alleen aan leiders van de regeeringsgezinde vleugel, als Roberts, maar ook aan MacDonald was een pas toegestaan voor een reis naar Rusland, die hem op zijn doorreis in Stockholm althans in officieus kontakt met ons komitee zou hebben gebracht. Deze reis echter werd onmogelijk gemaakt door Engelsche arbeiders: de nationalistische zeeliedenbond van Havelock Wilson weigerde den ‘defaitist’ MacDonald te vervoeren; meer dan iets anders

[p. 145]

heeft deze uiting van verblinding het vertrouwen der Russische revolutionairen in de vredeswil der Engelsche arbeiders vernietigd en daardoor den afzonderlijken vrede van Rusland met Duitschland voorbereid.

In Augustus was van den Paus het initiatief tot een nieuwe, evenmin sukcesvolle, vredespoging uitgegaan - een uitvoerige nota over de grondslagen van de komende vrede - die, evenals Stockholm, in de Entente-pers onmiddellijk als een Duitsche ‘manoeuvre’ werd begroet In Het Volk schreef ik naar aanleiding van die nota: ‘In hoeverre aan dat initiatief de zucht, aan het socialisme het monopolie van vredesstichter te ontnemen, mede ten grondslag ligt, is moeilijk te beoordeelen.’ Ik betoogde, dat wij dit optreden van den Paus met instemming konden aanvaarden. ‘Wij kunnen hiertegen te minder bezwaar maken, omdat de Paus, met zijn aanvaarding van de leuze der Russische socialisten, onbedoeld een kompliment maakt aan het socialisme.... Een fout zou het zijn, van beide zijden, de burgerlijke en de onze, deze twee vredespogingen tegenover elkaar te stellen.’ In een volgende brief besprak ik het teleurstellend antwoord van Wilson op de pauselijke nota, waarin toch de beginselen waren neergelegd, door hem zelf vóór Amerika's intrede in den oorlog geproklameerd. Tegen zijn nieuwe stelling: de ware vrede kan slechts gebracht worden door een overwinning der Entente - protesteerde ik in de volgende woorden, die na 1918 maar al te juist gebleken zijn: ‘Een overwinning van het Entente-militarisme over het Duitsche zal eenvoudig de balans der overmacht van het militarisme naar den anderen kant doen overslaan. Een vrede op deze grondslag zal een vrede zijn, die een groot volk neerdrukt in een revanchestemming, elke duurzame vredestoestand in Europa uitsluit en in alle landen het gevaar voor nieuwe konflikten en dus de zucht naar steeds hooger opvoering van militair geweld levendig houdt.’

[p. 146]

De veranderingen in den oorlogstoestand waren voor de kansen onzer konferentie niet gunstig. Op de mislukking van het laatste Russische offensief volgden verdere Duitsche veroveringen, die de imperialistische strooming in Duitschland nieuw voedsel gaven; het Duitsche antwoord op de pauselijke nota muntte, ook inzake België, door vaagheid uit. De socialistische meerderheid keurde wel op haar kongres van Würzburg het door haar delegatie te Stockholm ingenomen standpunt goed, maar kon zich aan die stemming niet geheel onttrekken. Het was onder invloed der Oostenrijkers, dat eind Augustus de centrale socialisten een nota aan ons komitee richtten, bedoeld als aansporing en bewijs van instemming met onze aktie.

De Russische delegatie, die de Entente-partijen had bezocht, keerde de 10de September te Stockholm terug; haar berichten luidden niet ongunstig: overal had zij de onmiskenbare bewijzen van de toenemende vredeswil der arbeiders ontvangen; in enkele Italiaansche industriesteden was haar komst zelfs met een demonstratieve algemeene staking begroet. Duidelijk was echter, dat voorloopig de algemeene konferentie niet zou kunnen plaats vinden. Wat stond ons nu te doen? De resultaten van de uitvoerige beraadslagingen van ons komitee werden in een manifest aan de aangesloten partijen samengevat. Het komitee verklaarde zijn werk te zullen voortzetten en het plan van een algemeene konferentie niet op te geven; het wees op het nauwe verband tusschen het lot van onze konferentie en de Russische revolutie, die op dat tijdstip ernstig bedreigd scheen; het manifest kondigde aan, dat het komitee de verzamelde gegevens zou publiceeren en een daarop steunend konkreet ontwerpvredesprogram zou opstellen.

Zoo besteedden wij onze laatste weken in Stockholm aan het opstellen van het vredesprogram. In Het Volk noemde ik het ‘een arbeid, waarvan zij, die er aan deel-

[p. 147]

nemen, voorloopig weinig vreugde zullen beleven, daar hij bestaat in het ontwerpen der grondslagen voor een kompromis op allerlei punten, waaromtrent blijkens de memoranda derverschillende partijen, deze soms tegenovergestelde standpunten innemen.’ Doch er waren ernstiger moeilijkheden. Uit besprekingen met Branting was mij reeds gebleken, dat hij ervoor terugdeinsde, tot konkrete konklusies te komen. Toch was het opstellen van een samenvattend rapport het eenige middel, om het door ons gedurende een half jaar verrichte werk voor de arbeiders te brengen. Ik had een ontwerp voor een memorandum uitgewerkt en las het in ons komitee voor. Toen kwam Branting uit zijn schuilhoek; hij zei, er geen bezwaar tegen te hebben, dat ik het stuk voor eigen verantwoordelijkheid uitgaf, doch het kon volgens hem niet van het komitee uitgaan. Ik had het gevoel, dat ik een slag op mijn kop kreeg. Zelden in mijn leven ben ik zoo razend geweest. Daarvoor hadden wij dus zes maanden gewerkt! Dat zou het resultaat zijn van Stockholm, waar millioenen arbeiders hun hoop op hadden gevestigd! En waarom? Omdat het voor enkele leden van het komitee met het oog op hun positie in de binnenlandsche politiek veiliger was, zich niet te veel vast te leggen? Na felle diskussies heb ik het komitee voor mijn standpunt gewonnen en Branting heeft er zich bij neer moeten leggen. In de volgende zittingen zijn wij erin geslaagd, over alle opgeworpen kwesties tot overeenstemming te komen; mijn memorandum kreeg het karakter van een toelichting op het korte vredesprogram, dat door Huysmans aan het slot der besprekingen werd geformuleerd. Half Oktober zonden wij de twee stukken de wereld in, onderteekend door de neutrale leden van het komitee. Om alle schijn van partijdigheid te vermijden, zetten de Russen en Huysmans, hoewel zij een belangrijk aandeel in de opstelling hadden genomen, hun naam er niet onder.

[p. 148]

In aansluiting aan het besluit der Stockholmsche voorvergadering kwam begin Oktober te Bern een internationale vakvereenigingskonferentie bijeen. Ook daar ontbraken de Entente-landen, de Engelschen en Belgen, omdat zij weigerden samen met de Duitschers te vergaderen; de Franschen, die van harte bereid waren te komen, omdat hun passen geweigerd waren. Op deze konferentie, waar als belangrijkste punt de aan de vredeskonferentie te stellen eischen op sociaal gebied op de agenda stond, is het bekende ‘Berner Program’ van sociale wetgeving opgesteld, dat in de volgende jaren een groote rol zou spelen. Na krachtigen aandrang van mij zijn deze eischen van Bern in ons Stockholmsch vredesprogram opgenomen.

De plaats ontbreekt mij om het program en mijn memorandum hier weer te geven. De algemeene beginselen en hun toepassing op de belangrijkste konkrete punten zijn trouwens in de voorafgaande bladzijden voldoende besproken. Men kan deze stukken, evenals het uitvoerig en helder samenvattend rapport, dat door Karl Mayer op grond van alle te Stockholm ingediende memoranda der partijen is samengesteld, vinden i