kentering mijner opvattingen - ik spreek mij in het openbaar uit - de organisatie der gemobiliseerde socialisten - de harskamprelletjes in de kamer - aftreden van generaal snijders - ingrijpen van de koningin - de leiding der beweging beraadslaagt - hoe wilhelm ontvangen werd - de burgemeester van rotterdam neemt het initiatief - de tegenspraak van den heer zimmerman en wat zij waard is - overleg met de rotterdamsche aanvoerders - de leiding wijst mijn standpunt af - voor de rotterdamsche arbeiders - dinsdagmiddag in de kamer - de burgerlijke politici en de arbeiderseischen - mijn krachten begeven mij - schaper voor mij in de bres - de reaktie - de koningin in de partijpolitiek - naar het rotterdamsch kongres geroepen - ik handhaaf mijn standpunt - de stemming in het land - de politieke gevolgen - de eenheidsmotie
In dit hoofdstuk zal ik bespreken de zoo bewogen Novemberdagen van 1918. De menschheid, eindelijk verlost van den oorlogsdruk, kon weer vrij ademen, kon weer hopen op een betere toekomst. En voor den socialist kon dat niet beteekenen het streven naar een herstel van de voor-oorlogsche wereld; wij zagen het kapitalisme wankelen en één onvergetelijk oogenblik scheen het, dat het uur van verwezenlijking was aangebroken van de idealen, waarvoor wij ons leven lang hadden gestreden.
Het is noodzakelijk, zich te verplaatsen in de algemeenheerschende spanning, ja overspanning, van die dagen, waardoor aller uitingen en daden in sterke mate werden beheerscht. Voor mij kwam daarbij, dat mijn zenuwgestel door de niet te dragen zedelijke oorlogsellende en nog kort te voren door de teleurstelling van Stockholm ernstig was geschokt, zoodat ik mij juist had voorgenomen, weer voor geruime tijd volkomen rust te nemen. Het valt niet te ontkennen, dat ik als het ware een rem miste en al is, zooals men zien zal, deze faktor niet de voornaamste, hij kan bij de beoor-
deeling van mijn optreden niet worden verwaarloosd. De zoogenaamde ‘revolutie van Troelstra’ omvat geen daden of voorbereiding tot daden, maar bepaalt zich eigenlijk tot een ‘Kundgebung’: mijn redevoeringen in Rotterdam van Maandag 11 en die in de Kamer van Dinsdag 12 November.
Over de vraag, wat de algemeen-politieke gevolgen van mijn optreden zijn geweest, zal ik aan het eind van dit hoofdstuk spreken. Voor mij persoonlijk behooren die dagen tot de donkerste van mijn leven. Wat ik toen heb moeten ondervinden, ook van de kant van verschillenden mijner vrienden, was meer dan ik dragen kon; doch ik kan gelukkig zeggen, dat daarover in mijn gemoed geen wrok bestaat.
De Novemberdagen liggen nu ver genoeg achter ons, om er zonder opwinding en zonder verblindende eenzijdigheid over te kunnen spreken. Natuurlijk is mijn standpunt subjektief - een objektief oordeel over 1918 is voorloopig nog van niemand te verwachten, niet van mij en niet van de tegenpartij. Tegen de ontelbare en vaak kleingeestige aanvallen, waaraan ik heb blootgestaan, zal ik mij hebben te verdedigen; verder dan dat verweer zal ik niet gaan. Ik voor mij gevoel mij geenszins vrij van schuld en men zal in dit hoofdstuk bemerken, dat ik tegenover mijn eigen houding zeer kritisch sta.
Vóór alles zal ik trachten den overweldigenden stroom van indrukken en gebeurtenissen dier dagen zoo nauwkeurig mogelijk weer te geven. Belangrijker dan de vraag wie er ‘gelijk’ had, belangrijker ook dan het vastnagelen van ‘vergissingen’ van dezen of genen, is een onderzoek naar en weergave van de feiten. Algeheele opening van zaken, voor zoover mogelijk aan de hand van beschikbare gegevens en nadere mondelinge onderzoekingen, moet voor een boek als het mijne voorop staan. Wat zich in onze beweging ‘achter de schermen’ heeft afgespeeld, zal ik hier meedeelen,
in het vertrouwen, dat men van de zijde der toenmalige regeering dat voorbeeld binnenkort zal volgen. De politieke verhoudingen in ons land zijn gelukkig niet van dien aard, dat ik behoef te vreezen, dat de hier te publiceeren gegevens, nu, na twaalf en een half jaar, nog tegen onze beweging zullen worden uitgespeeld.
Dat ik door mijn optreden mijn eigen politieke figuur ten zeerste heb geschaad, heb ik onmiddellijk begrepen. De invloedrijke positie in ons parlement, die ik tot 1918 had ingenomen, was voorgoed gebroken. Uit dit hoofdstuk zal men zien, dat ik voor het gebeurde geenszins alleen verantwoordelijk ben, maar ik heb zooveel mogelijk gezwegen, ter wille van de eenheid der beweging.
In één opzicht is in de Novemberstormen mijn positie ongeschokt gebleven. Ik geloof te mogen zeggen, dat de socialistische arbeiders mij na 1918 zeker in niet mindere mate hun vertrouwen hebben geschonken dan voordien. Dit vertrouwen was mij in de betrekkelijke eenzaamheid, waarin ik mij geplaatst zag, voldoende troost en het heeft mij tenslotte de kracht gegeven, om, nadat door het aannemen der ‘eenheidsmotie’ de eenheid der Partij ook naar buiten was hersteld, mijn werk in het parlement weer op mij te nemen.
De politiek der socialistische partijen in de oorlogsjaren en speciaal de teleurstellende ervaringen, in Stockholm opgedaan, hebben mijn opvattingen in sterke mate beïnvloed. De deprimeerende indruk, die de mislukking der Stockholmsche konferentie bij mij had achtergelaten, heeft voor een groot deel mijn optreden in de Novemberdagen bepaald. Mijn vertrouwen in de parlementair-demokratische methoden was geschokt. Ik ben nooit bizonder parlementair aangelegd geweest; in de Kamer heb ik hard gewerkt, maar ik heb er nooit de eenige en alleen-verlossende macht in gezien. In de oorlogsjaren bleek maar al te duidelijk, hoe het
parlementarisme kan leiden tot de zucht, om tot elke prijs met de burgerlijke partijen samen te werken en tot een verdoezeling onzer internationale eischen achter de nationale of nationalistische eischen van het oogenblik. Deze ervaringen deden mij de vraag stellen, wat er van de sociaal-demokratie zou worden onder den invloed van deze strooming. Groot was reeds de teleurstelling, door het uitbreken van den oorlog zelf gewekt en over de volgzaamheid, door de Duitsche en Fransche leiders ten opzichte der regeeringspolitiek betoond. Zoo moesten de sociaal-demokratische organisaties komen te staan tegenover de revolutionaire strooming, die ik alom onder de arbeiders zag opkomen. Deze overwegingen hebben mijn waardeering voor het parlementarisme ernstig geschokt en mijn optreden in November 1918 stond onder den invloed van de min of meer anti-parlementaire gezindheid, die tijdens en na Stockholm bij mij was gewekt. Meer en meer ging ik mij bezig houden met de vraag, welke onze houding moest zijn, als de oorlog tot een revolutionaire situatie zou leiden.
Ik heb dit vraagstuk niet slechts in de binnenkamer overwogen, doch mij in het laatste oorlogsjaar herhaaldelijk in het openbaar daarover uitgelaten. Mijn standpunt ten deze was de uitwerking van de gedachte, die men reeds aan het slot van mijn brochure ‘De Wereldoorlog en de Sociaal-demokratie’ kan vinden, waar ik, in den aanvang van 1915, voorspeld had, dat de wereldoorlog, indien hij jaren zou duren, het kapitalistisch stelsel de genadeslag zou toebrengen en in dat geval zou ‘de komst der socialistische arbeidersklasse tot de macht.... de eenige oplossing zijn’. Mijn laatste woord was ook toen geweest een aansporing tot het proletariaat, ‘om, als de tijden rijp zijn, bereid en gereed te zijn tot de daad.’ In Het Volk van 22 Oktober 1917 verwees ik in mijn laatste Stockholm-brief naar deze passage en vervolgde: ‘Welnu, er zijn tee-
kenen, die er op wijzen, dat als niet de vrede weldra komt, de revolutie komen zal.... Het revolutionair élan ontspringt in zulke tijden uit de toestand en de feiten zelve: wat deze de massa niet schenken, is zelfbeheersching en beleid, ervaring en praktische bekwaamheid, om den opgekomen vloed in bedding van vruchtbare blijvende aktie te leiden en aldus voor verloopen te behoeden. Zal evenwel de sociaal-demokratie deze taak, zoo zij zich aan haar opdringt, kunnen vervullen, dan moet zij haar oogenblik weten te kiezen, om weer zichzelve te zijn.’ Men vindt hier reeds de gedachte uitgesproken, die mij in November zou leiden: als er een revolutionaire situatie ontstaat, moet onze Partij gereed zijn, om de leiding te nemen. In December van hetzelfde jaar wees ik in de Kamer op de revolutie-teekenen, die zich in Europa voordeden: ‘Van de ontwikkeling, die wij hebben gezien en nog zien in Rusland, behoeft men zeker niet aan te nemen, dat die beslist tot Rusland beperkt zal blijven.’
In mijn rede op het verkiezingskongres van Februari 1918, stond ik bij de revolutionaire verschijnselen uitvoerig stil: de toenemende vredeswil in de massa, de steeds ellendiger wordende ekonomische toestand en de stakingsbeweging, die vooral in de centrale landen, maar ook in de Ententelanden het hoofd opstak. ‘Van de Russische revolutie gaat de revolutionaire geest over Europa heen.’ Tegen de toenemende vertwijfeling en de anarchistische, ongeorganiseerde verzetpogingen, betoogde ik, tracht nu de heerschende klasse de sociaal-demokratische organisaties uit te spelen. ‘Het gevaar hiervan is, dat de regeeringen van ons wel gaarne zouden maken den politieagent der regeerende partijen, de waakhond der bezittende klasse.... Het gevaar is, dat de sociaal-demokratie zou ophouden de revolutionaire macht te zijn. Ik behoef wel niet te zeggen, dat door ons nimmer zoo'n rol van waakhond zal worden aanvaard.’ En verder: ‘Als wij anarchistische bewe-
gingen tegengaan, doen wij het niet om het kapitalisme te handhaven, maar om onze revolutionaire macht in stand te houden. Is er thans een revolutionaire geest in Nederland, dan is het onze taak niet om die tegen te gaan, maar om er gebruik van te maken, voor zoover dat met onze doeleinden overeenkomt.’ Dat ‘scherp omgrensd doel’ had ik reeds eerder genoemd: ‘de verovering van de staatsmacht door het proletariaat.’ Het slot van die rede luidde: ‘Wij gevoelen de kracht, om aan het hoofd der arbeidersklasse verder te marcheeren en als er aanleiding komt om in versnelde pas te marcheeren, zullen wij daarvoor niet terugdeinzen, maar het toejuichen en met snelle tred optrekken naar de toekomst, naar het socialisme.’
Veertien dagen later zeide ik te Amsterdam in een rede over de levensmiddelenvoorziening: ‘Wij leven in een revolutionaire tijd. En een revolutie kan niet de arbeidende klasse achteruitbrengen. Zij heeft deze dan ook niet te vreezen, wel de bourgeoisie.’
Ook in mijn verkiezingsredevoeringen in de voorzomer van 1918 heb ik de mogelijkheid van een revolutionaire situatie steeds open gehouden. Dat ik mij tevens verzette tegen ieder forceeren in revolutionaire richting, zooals dat van de zijde der syndikalisten en kommunisten geschiedde, is daarmee natuurlijk niet in strijd en paste geheel in mijn boven ontwikkelde gedachtengang. Zoo zeide ik in mijn Amsterdamsche verkiezingsrede van 21 Mei eerst, op dat oogenblik de voorwaarden voor een revolutie in ons land niet te zien; doch ik vervolgde: ‘Toch is in Europa veel stof voor een revolutie opgehoopt.... Onze taak zal het zijn, de revolutionaire geest te richten tegen de kapitalistische klasse..... Als er werkelijk revolutie komt, dan hoop ik er bij te zijn. Maar als er een geslaagde revolutie wil komen, dan moet de S.D.A.P. er de draagster van zijn.’
Men wist dus, ook vóór November 1918, wat men aan mij had. Evenals men reeds lang wist, dat onze Partij
revolutionair is. Zoo had ik - één voorbeeld uit vele - in mijn brochure, waarin ik het Leidsch beginselprogram toelichtte, de mogelijkheid van revolutionaire episodes in de klassenstrijd opengelaten. Ik schreef daar: ‘Maar waar het (n.l. het geweld) voor een gegeven doel noodig, en op grond van rustige overweging, nuttig mocht blijken, is er geen dogma of beginsel, dat ons het gebruik ook van dit middel zou verbieden.’ Dat dit niet een afwijkende meening van mij persoonlijk was, bewijst o.a. de volgende waarschuwing, die Schaper op 15 Oktober 1918 in de Kamer liet hooren: ‘Vergist u niet in ons, wij zullen niet meedoen aan roekelooze avonturen, maar als er ooit een storm van werkelijke revolutie uit het overig Europa ook over Holland waait, maakt u dan geen illusies over de kant, waar wij zullen staan.’
In September 1918 leidden de onzekerheid van den internationalen toestand en de ernstige moeilijkheden, die in het binnenland ten opzichte van de levensmiddelen-voorziening dreigden, onze fraktie tot het voorstel, de eerste Troonrede van de regeering-Ruys met een Adres van Antwoord te beantwoorden. De hoofdpunten van het regeeringsbeleid moesten onmiddellijk in de Kamer worden besproken. De terugtocht van de Duitsche legers aan het Westelijk front deed de strijd weer onze Zuidgrens naderen; door te ruimen uitvoer dreigde de levensmiddelenvoorziening vast te loopen. Over drie punten zou het Adresdebat dus moeten loopen: de neutraliteitspolitiek der nieuwe regeering; haar militaire politiek; en de levensmiddelenvoorziening. In mijn toelichting van het voorstel wees ik op de toenemende nood: de rantsoenen waren onvoldoende en alles wat buiten de distributie viel, was voor de massa van het volk onbereikbaar duur. Ik herinnerde aan de relletjes, die in deze maand o.a. te Amsterdam hadden plaats gehad, ‘die als een voortdurend rommelend on-
weer zich in de groote steden van ons land vertoonen.’ De meerderheid der Kamer bleek van een Adres van Antwoord niet gediend te zijn. In mijn repliek verzette ik mij krachtig tegen uitstel van de bespreking dezer vragen tot de gewone begrootingsdebatten. ‘Wij moeten niet doen, alsof wij hier ergens op een berg zitten, ver verheven boven de golven, die in het volk woelen en alsof wij hier rustig de tijd hebben om, als de langzaam-loopende parlementaire machine op een zeker punt, volgens haar aloude manier van werken, zal zijn gekomen, te spreken over die dingen.’ Ons voorstel werd verworpen en onmiddellijk daarop vroegen wij onze interpellaties aan: Schaper over de levensmiddelenvoorziening en ik over het buitenlandsch en het militair beleid der regeering; mijn interpellatie is in twee deelen behandeld.
Intusschen had de socialistische beweging in de verschillende hoofdplaatsen van het land kadervergaderingen gehouden, om zich op de hoogte te stellen van de wenschen en klachten ten aanzien der levensmiddelenvoorziening. Daar was gebleken, dat alom groote ontevredenheid, ja, dreigende spanning heerschte. Herhaaldelijk overlegde het P.B. in deze Oktobermaand met het bestuur van het N.V.V., wat wij doen moesten, om de leiding van de opkomende volksbeweging te behouden en deze beweging in vruchtbare banen te leiden. In de samenkomst van 8 Oktober bleek, dat men ‘groote beroering in het land’ verwachtte; het was noodzakelijk om, zooals Oudegeest het uitdrukte, ‘stoom uit te laten’. Het plan van een demonstratief kongres kwam reeds ter sprake, evenals het organiseeren van demonstraties; dat dergelijke demonstraties tot ernstige botsingen zouden kunnen leiden, ontveinsden wij ons niet, maar zij waren wellicht het eenige middel ‘om uitingen van razernij en wanhoop te voorkomen.’ Besloten werd, nog vóór de behandeling der interpellatie-Schaper een adres te publiceeren.
Men ziet, hoe gespannen naar ons oordeel reeds vóór November 1918 de toestand in ons land was.
Het adres, dat op 12 Oktober werd gepubliceerd, was scherper van toon dan de vroegere stukken van gelijken aard. Ook bij de behandeling der interpellatie, die op 15 Oktober aanving, werd herhaaldelijk op het dreigende van de toestand gewezen. Door vergaande toezeggingen wist de regeering verschillende afgevaardigden te bewegen, tegen de door Schaper ingediende motie te stemmen en zoo werd deze, waarin o.a. verhooging van het broodrantsoen werd gevraagd, met 55 tegen 28 stemmen verworpen. Hetzelfde lot onderging een tweede motie, die de militaire voorraden ter beschikking wilde doen stellen voor leniging van de nood der bevolking. De gebeurtenissen van de volgende tien dagen zouden de regeering nopen, de nu afgewezen eischen uit te voeren.
Tegen een onmiddellijke behandeling van mijn interpellatie over het militair beleid verzette de regeering zich in verband met de toestand aan de Zuidelijke grens, die tot intrekking der verloven had geleid. Ik stelde daarop een komitee-generaal voor, doch de meerderheid der Kamer wees een geheime zitting af, waarop ik voorstelde, mijn interpellatie ondanks de regeeringsbezwaren de volgende dag aan de orde te stellen. Ook dit werd verworpen en zoo kwam het, dat deze militaire interpellatie eerst veertien dagen later in behandeling kwam, doch nu onder totaal veranderde omstandigheden, die er een veel grooter politiek belang aan verleenden, dan oorspronkelijk was bedoeld.
Op 25 en 26 Oktober leidden de toenemende spanning en de lang-onderdrukte ontevredenheid tot de militaire relletjes in Harskamp, waarbij de houten barakken in brand gestoken werden en zelfs enkele dooden te betreuren waren, In andere garnizoensplaatsen kwamen in de volgende dagen eveneens ongeregeld-
heden voor, gelukkig van minder ernstigen aard. Als bewijs van een toenemende geest van verzet, als symptomen van de stemming, die zich van een gedeelte van ons volk meester maakte, kan aan deze relletjes moeilijk een te groot belang worden toegekend.
Het mag nog wel eens nadrukkelijk worden vastgesteld, dat een dergelijk ongeorganiseerd gewelddadig optreden door onze beweging steeds, ook in die dagen, is afgekeurd en tegengegaan. Het Volk sprak van een ‘betreurenswaardig oproer’. Hetzelfde standpunt werd ingenomen door de socialistische Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen. Zijn orgaan betoogde, ‘dat dergelijk optreden als in Harskamp alleen kan bewerken, dat eenige huisvaders worden doodgeschoten of in de gevangenis raken,’ en het kon tot zijn voldoening konstateeren, dat ‘onze menschen’ aan de relletjes niet hadden deelgenomen. In hetzelfde artikel wees het orgaan de eigenlijke schuldigen aan: de autoriteiten, die de hatelijke bepalingen en drukkende misstanden hadden laten bestaan, waartegen de Bond, in nauwe samenwerking met de socialistische Kamerfraktie, zich steeds had verzet; een verzet, dat nog slechts op enkele, zij het niet onbelangrijke, punten resultaten had opgeleverd.
Het is hier de plaats, uitvoeriger te spreken over deze merkwaardige militaire organisatie, die ook in de volgende weken een rol zou spelen. Uit ouderwetschkrijgstuchtelijk oogpunt een onding, was deze bond uit de nood der tijden geboren en op den duur niet te onderdrukken geweest. De onder de wapenen geroepen partijgenooten hadden zich aaneengesloten in sociaal-demokratische mobilisatieklubs, die in Augustus 1916 in een landelijk verbond werden vereenigd. In het begin hadden de propagandisten met vervolgingen en straffen te kampen, terwijl ook niet direkt de juiste leiders voor een dergelijke beweging werden gevonden. Dit veranderde na de wisseling in de leiding,
die in het najaar van 1917 tot stand kwam. Van de mannen, die tegen de zware taak opgewassen bleken, de onder het krijgstuchtregiem levende militairen te organiseeren, om eenerzijds de belangen van de gemobiliseerden en hun gezinnen te behartigen en anderzijds het socialistisch woord onder de soldaten te brengen, mogen hier Butselaar en Jerohm Hartog met eere worden genoemd.
Naast de socialistische mobilisatieklubs hadden zich de vereeniging van landstormplichtigen en de bond van landweermannen gevormd, oorspronkelijk op neutraal standpunt. Tegen de verkiezingen van 1918 gelukte het Matthijsen, in samenwerking met de hoofdbesturen de fusie der drie militaire bonden tot stand te brengen. Het ‘neutrale’ standpunt werd daarbij losgelaten. In een motie sprak de fusievergadering van Mei 1918 uit, dat de nu gestichte ‘Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen’ bij de verkiezingen de S.D.A.P. zou steunen. Eind Oktober telde de Bond 7000 leden. De leiders der vroegere mobilisatieklubs bleven doorslaanden invloed op de leiding van de nieuwe organisatie behouden.
Hun juist inzicht toonden zij, door kort voor de Harskamp-relletjes, op de hoogte van de gevaarlijke spanning in verschillende garnizoenen, een manifest te doen verspreiden, waarin het inhouden der militaire verloven, - de voornaamste oorzaak der ontevredenheid - werd verklaard. Het hoofdbestuur van de bond zou op zoo spoedig mogelijk herstel der verloven aandringen en andere maatregelen ter verlichting van de druk eischen; doch in de eerste plaats drong het manifest op kalmte aan. Het ligt voor de hand, dat het voor mij in de komende dagen van spanning van groot belang was, door middel van deze partijgenooten van de geest in het leger op de hoogte te blijven.
Na het gebeurde was het onmogelijk, nog langer een
Kamerdebat over de militaire politiek der regeering te vermijden. Mijn uitgestelde interpellatie werd, tegelijk met die van K. ter Laan over de Harskamp-relletjes en die van twee andere leden over militaire onderwerpen, op 5 November in behandeling genomen. De onlusten in ons land en in niet mindere mate de revolutionaire tijdingen uit het buitenland - in Oostenrijk-Hongarije was de revolutie uitgebroken, in Duitschland rommelde het reeds - gaven aan deze debatten groote beteekenis. Ter Laan hield een krachtige rede, waarin hij één voor één de vele misstanden besprak, die, ondanks de talrijke waarschuwingen, door de legerleiding niet waren opgeheven.
Ik begon mijn rede met een verzoek om nadere uitlegging van de zinsnede in de Troonrede, waarin de regeering haar voornemen uitsprak, de onafhankelijkheid ‘tot het uiterste’ te verdedigen. Ik zeide: ‘ik meen, dat het hier eens duidelijk gezegd moet worden - wij weten dat allemaal wel -: ons militair prestatievermogen kan niet groot zijn.’ En wat was er, vroeg ik, van de in de Troonrede toegezegde verlichting van de mobilisatielasten terecht gekomen? Daarop volgde de voor mij belangrijkste vraag: ‘wanneer hier komt een inval van buitenlandsche troepen, wanneer wij op die wijze meegesleept worden in de strijd, hoe denkt gij u dan de positie van de Kamer ten opzichte van de regeering en de positie van de regeering tegenover den opperbevelhebber? Staat het vast, dat wij dan niet worden meegesleept in een avontuur volgens militaire opvattingen?’ Het parlement, betoogde ik, behoort in een dergelijk geval tijdig te worden gehoord, opdat ‘wij in dezen niet door het militaire vuur van Nederlandsche Ludendorffs op een andere baan worden gebracht dan waarop wij in het belang van ons volk ons willen begeven.’
Vervolgens sprak ik over de militaire relletjes. Ik wijdde waardeerende woorden aan de aktie van de Bond
van Dienstplichtigen, die ik aanduidde als ‘sociaal-demokratische regimenten in het leger, die staan met het geweer bij de voet’, en ik spoorde de regeering aan, om, ook in haar eigen belang, in den vervolge aan de waarschuwingen en vertoogen van die bond meer gehoor te schenken.
De legerleiding had op het oproer geantwoord met maatregelen, die de strekking hadden ‘om nog verder de grond door te woelen en geschikt te maken voor de zaden van anarchie en oproer.’ Het juiste voornemen van den Minister van Oorlog, om, mede in verband met de ingetreden internationale ontspanning, de verloven weer toe te staan, stuitte, zooals later uit mededeelingen van den betrokkene zelf bleek, op het verzet van den opperbevelhebber, generaal Snijders, af. Toen de generaal enkele dagen later ten deze voor de drang van de regeering moest wijken, verkreeg hij, dat het geheele regiment, waarvan een gedeelte aan de relletjes schuldig was, van deze gunst verstoken zou blijven. Nadat bladen van verschillende richting tegen deze even onrechtvaardige als taktlooze maatregel hadden geprotesteerd, werd de opperbevelhebber, wederom door den minister, genoopt om de straf niet te doen gelden voor de personen, die aan de relletjes part noch deel hadden gehad. Tevens kondigde de generaal zijn voornemen aan, het onkrijgstuchtelijk regiment naar de zwaarder dienst aan de Zuidelijke grens te verplaatsen.
Ik had dus wel reden om, mijn speech vervolgend, naar aanleiding van deze maatregelen te zeggen: ‘Menschen, die zulke domme dingen doen, die zoo roekeloos spelen met ons leger, moesten onmiddellijk worden afgezet. Ik ken den opperbevelhebber niet, ik heb nooit persoonlijk kwaad van den man gehoord, maar ik zeg: deze man moest onmiddellijk worden afgezet. Want het systeem, dat tot deze toestand geleid heeft, is gegroeid onder hem, en de wijze, waarop hij na de on-
lusten optreedt, geeft aan, dat het in hem ook nu nog is verpersoonlijkt. En wanneer de regeering dezen man niet afzet, dan moet de regeering zelf worden afgezet. Dat is kort en klaar mijn meening over deze zaak. Het is hier geen gekheid. Denkt aan de tijden, waarin wij leven, denkt aan de strooming, die overal in Europa zich baan breekt, ook in ons eigen land; denkt eraan, dat er in ons land een kracht is, die vooruit wil naar de nieuwe tijd.... Bedenkt daarbij ook, dat een regeering, die haar leger ten prooi ziet vallen aan muiterij, getoond heeft haar funktie niet meer te kunnen behouden en dat de feiten uitwijzen, dat uw steun u gaat ontvallen.... Staat gij wel stevig? Voelt gij niet langzamerhand door de gebeurtenissen van de laatste tijd, dat gij staat op een vulkaan?.... Vergeet niet, wanneer het eenmaal zoover is, dat gij u niet meer staande kunt houden, dan zullen er andere krachten komen, die uw plaats innemen. Dan is de tijd van het burgerlijk regeeringsstelsel voorbij; dan zal de arbeidersklasse, de nieuwopgekomen macht, u verzoeken van die plaats te gaan, en de plaats, die haar toekomt, aan haar over te laten.... Zij, (n.l. de georganiseerde sociaal-demokratie) zal ook revolutionair kunnen zijn, in de zin zooals wij dat altijd hebben verstaan: verandering van systeem; dat een klasse, die zich niet meer kan staande houden, vervangen wordt door een klasse, die is opgekomen en kans ziet, zich wel staande te houden.... Uw vrienden zijn wij niet, wij zijn uw tegenstanders, wij zijn, als gij wilt, uw meest verbitterde vijanden.’
Ik heb hetnoodig gevonden, de belangrijkste zinsneden uit deze rede hier letterlijk weer te geven. Men vindt hierin mijn standpunt, dat ik ook in de volgende week, in mijn berucht-geworden redevoeringen, niet heb verlaten. Toen immers was ik - terecht of ten onrechte, wij zullen dat nog bespreken - tot de overtuiging gekomen, dat de regeering, dat de kapitalistische klasse ‘zich niet meer staande konden houden.’ In ieder geval:
uit deze redevoering wist men wel heel duidelijk, wat men aan mij had; door verschillende sprekers - het bleek o.a. uit de redevoeringen van de heeren van der Voort van Zijp en van de Laar - was de revolutionaire ondertoon in deze rede dan ook zeer wel verstaan. Ook de Volk-redaktie stelde de volgende dag vast, ‘dat de S.D.A.P., bij allen afkeer van avonturen en romantiek, bij alle weloverwogen nuchterheid, een revolutionaire partij is en blijven zal.’
Namens de regeering sprak eerst minister Ruys, die, blijkbaar in antwoord op mijn eisch inzake den opperbevelhebber, zijn rede beëindigde met de woorden: ‘Dat al die maatregelen om de geest te verbeteren en de behandeling en verzorging op hooger peil te brengen, moeten worden genomen, ongeacht de gevolgen voor de verantwoordelijke personen.’ Het begin van de rede van den Minister van Oorlog, den heer Alting van Geusau, dat hij nog dezelfde middag uitsprak, was gehouden in den ouden militairen toon: alle bezwaren en grieven werden hooghartig afgewezen. Hoe geheel anders was zijn houding in de vergadering van de volgende dag! Men moet aannemen, dat gesprekken met zijn kollega's, misschien bovendien het lezen van het Duitsche telegram, dat de oprichting van een arbeidersen soldatenraad te Kiel meldde, een gunstigen invloed op hem hadden uitgeoefend. Nu gaf hij een deel van de schuld van de ‘minder goede geest onder de troepen’ aan ‘de ouderwetsche begrippen omtrent de verhouding van meerderen tot minderen’, en hij betoogde, ‘dat een meer moderne richting zich in dit opzicht behoort baan te breken’ onder de officieren. Het harde optreden van generaal Snijders ‘heeft een verdere strekking dan door mij was bedoeld’. En verder: ‘Niemand kan er meer dan ik van overtuigd zijn, dat de oudere geest in het leger moet verdwijnen en dat de nieuwere begrippen hun intrede moeten doen. Ik meen, Mijnheer de Voorzitter, dat ik bij die hervormingsar-
beid bezwaarlijk zal kunnen steunen op den tegenwoordigen opperbevelhebber, die, naar mijn oordeel, trots al zijn voortreffelijke eigenschappen als mensch en als militair, er niet in is geslaagd, de geest van de nieuwere tijd te vatten. Ik heb den opperbevelhebber met het vorenstaande in kennis gesteld en de generaal dient nog heden zijn verzoek om ontslag in.’ Tenslotte deelde de minister mede, dat een deel van de militaire voorraden door hem ter beschikking van de burgerbevolking was gesteld.
Het Handelsblad heeft deze rede ‘het keerpunt van ons legerbeleid’ genoemd. Inderdaad: wel zijn verschillende van de toen beloofde en soms tijdelijk ingevoerde hervormingen in de loop der jaren weer in het vergeetboek geraakt; maar andere - ik noem het nieuwe reglement op de krijgstucht - zijn gebleven. Door de meerderheid der liberale en rechtsche pers werden dit ontslag en de tenslotte gewichtiger verandering van systeem, die het aankondigde, met instemming begroet.
Het direkte verband tusschen mijn eisch en het aftreden van generaal Snijders, valt niet te ontkennen. Professor Colenbrander verweet de regeering ‘het naar huis zenden van den opperbevelhebber der land- en zeemacht, niet op eigen initiatief, maar op aandrang van Troelstra’ en de heer Snijders heeft dat ook zelf zoo gevoeld, toen hij schreef: ‘De regeering heeft niet weten te verhinderen, dat zulks, (n.l. zijn ontslag) - wel is waar niet in naam, doch feitelijk - geschiedde onverhoeds, op bevel van een volksmenner, die reeds met het revolutiebesluit in zijn zak liep.’ Uit deze en dergelijke uitlatingen in het verbitterde artikel van den generaal, dat in Juni 1924 in het Haagsch Maandblad verschenen is, moet men afleiden, dat hij mijn woorden als een persoonlijken aanval heeft ondergaan. Ten onrechte; niemand kan uit het boven door mij aangehaalde iets anders lezen, dan dat ik het aftreden van
den heer Snijders eischte, omdat ik zijn systeem verderfelijk achtte. Hoe onjuist de zinsnede over het ‘revolutiebesluit’ is, zal uit de volgende bladzijden blijken.
De Minister van Oorlog was in zijn speech zoover aan onze eischen tegemoet gekomen, dat ik in mijn repliek mij niet anders dan tevreden kon toonen. Nu de regeering haar beloften vergezeld doet gaan van een daad, n.l. het ontslag van den opperbevelhebber, zal, zeide ik, ‘niet alleen in deze Kamer, maar ook in het leger het bewijs zijn geleverd, dat het de regeering ernst is.’ Tenslotte handhaafde ik onzen in een motie neergelegden eisch van gedeeltelijke demobilisatie.
Aan het einde van deze dag vroeg ik voor de derde maal het woord voor een kwestie, die voor geheel ons staatkundig leven van zoo groot belang is, dat zij hier uitvoerig moet worden besproken. Ik konstateerde in de eerste plaats, dat het ontslag van den opperbevelhebber, dat de vorige dag was gevraagd, nog niet was verleend en sprak de verwachting uit, dat de koninklijke onderteekening van het ontslag spoedig zou volgen - het heeft nog twee dagen geduurd, vóórdat dit inderdaad het geval was en naar de oorzaak van dit uitstel is het niet moeilijk raden. Op 4 November had de minister een kommissie geïnstalleerd, samengesteld uit hooge militairen en enkele burgers, ‘tot onderzoek naar de ontevredenheid in het leger’. Over de samenstelling dier kommissie had hij nogal wat kritiek moeten hooren, omdat hij tot voorzitter had benoemd zijn voorganger, oud-minister de Jonge, die, naar men moest aannemen, het gevoerde beleid steeds had goedgekeurd. Nu was mij echter het gerucht ter oore gekomen, dat er in het voorjaar van 1918 reeds een diepgaand konflikt tusschen hem en den opperbevelhebber zou zijn ontstaan; dat hij, na overleg met de verdere regeering, den opperbevelhebber had willen ontslaan, doch dat dit op de weigering van de konin-
gin om het ontslag te teekenen zou zijn afgestuit. Ik besloot mijn verzoek om duidelijke inlichtingen hieromtrent met deze woorden: ‘Ik acht de zaak van zóó groot belang, èn om de handhaving van ons parlementair stelsel, èn om bekend te zijn met de verschillende stroomingen, ook op militair gebied, welke hier in hooge kringen bestaan en met de hoek. waarin die verschillende stroomingen haar oorsprong nemen, dat ik mij.... veroorloof aan de regeering te vragen, omtrent deze zaak opheldering te geven.’
In het zeer korte antwoord van minister Ruys op deze vraag is geen ontkenning van het gerucht te vinden; het luidde: ‘Bij de formatie van het ministerie is mij gebleken, dat er verschil tusschen den afgetreden Minister van Oorlog, jhr. de Jonge, en den opperbevelhebber was ontstaan, welk verschil door het vorig ministerie met het oog op de naderende verkiezingen niet tot oplossing is gebracht.’ Dat niet de naderende verkiezingen - het konflikt speelde zich af in April 1918 in verband met de gespannen verhouding tot Duitschland, (zie blz. 88 vlgd.) - doch het persoonlijk ingrijpen van de koningin het ontslag van generaal Snijders had verhinderd, werd toen reeds algemeen in parlementaire kringen als juist aangenomen. Het is later o.a. bevestigd door iemand uit de naaste omgeving van de koningin, den heer Groeninx van Zoelen, in zijn brochure ‘Een bijdrage.’ Zoowel in de Kamer als in de pers heeft men mij het aan de orde stellen van dit koninklijk ingrijpen heftig verweten met een beroep op de grondwettelijke onschendbaarheid van de koningin. Formeel is dat standpunt wel juist, evenzeer als de opmerking van den heer de Geer, in de loop dezer debatten gemaakt: ‘Wanneer een Minister van Oorlog een opperbevelhebber tot ontslag voordraagt en de Kroon ontraadt dit of weigert haar medewerking, dan is de minister, die zich hierbij neerlegt, en hij alleen, verantwoordelijk.’
Van grooter politiek belang dan deze formeele kant van de zaak achtte ik de vraag: bestaat in Nederland de zuiver parlementaire regeeringsvorm of hebben wij ook te rekenen met een coterie in de omgeving van de koningin, die achter de schermen haar onkontroleerbaren invloed uitoefent? Ik achtte mij verplicht, deze vraag in het openbaar aan de orde te stellen. Tezamen met de reeds vroeger besproken koninklijke begunstiging van den heer Rambonnet en zijn gevaarlijke plannen, (zie blz. 93), moet deze zaak bij een beschouwing van de plaats van de Kroon in een parlementair geregeerd land als het onze in het oog gehouden worden. Het was door een toevallige samenloop van omstandigheden, niet, zooals verondersteld is, door opzet van mijn zijde, dat deze kwestie naar aanleiding van de benoeming van den heer de Jonge tot voorzitter van de militaire kommissie van onderzoek, in openbare bespreking kwam aan de vooravond van de revolutionaire spanning.
Bij de bespreking der binnenlandsche gebeurtenissen mag geen oogenblik de indruk worden vergeten, die de gebeurtenissen bij onze Oostelijke buren op ons volk moesten maken. Dat de centrale rijken den oorlog zouden verliezen, werd na hun mislukte voorjaarsoffensief van 1918 steeds duidelijker; nederlaag op nederlaag volgde. Eind September werd Bulgarije tot een afzonderlijke wapenstilstand gedwongen; eind Oktober volgde Turkije. Terzelfder tijd begon in de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, die half September nog een vergeefsche vredespoging had gedaan, de revolutie en op 4 November sloot zij een afzonderlijke wapenstilstand; keizer Karel deed afstand. In Duitschland waren reeds begin Oktober twee socialisten in de regeering opgenomen, nadat de door onze partij gestelde voorwaarden, o.a. inhoudende herstel van de vrijheid van drukpers en vergadering, invoering van
demokratische hervormingen in het Rijk en in verschillende staten en uitschakeling uit de Duitsche vredesvoorwaarden van alle annexionistische elementen, waren geakcepteerd. De nieuwe regeering berichtte aan de geallieerden, bereid te zijn tot vredesonderhandelingen op de grondslag van Wilsons veertien punten. Nog tijdens de nota-wisseling hierover breekt ook in Duitschland de revolutie los. De 2de November belooft keizer Wilhelm in een proklamatie een nieuwe demokratische regeeringskoers; de derde komen de matrozen in Kiel in opstand. De meerderheidssocialist Noske, naar Kiel gezonden, om de toestand te redden, kan, wil hij niet in de onmogelijke positie komen, zich tegenover de geheele arbeidersklasse te plaatsen, niet anders doen dan de leiding bij de oprichting van een arbeiders- en soldatenraad nemen. Steeds luider klinkt de eisch, dat de keizer zal aftreden. In de volgende dagen wordt uit alle deelen van het land de oprichting van arbeiders- en soldatenraden gemeld; in München neemt Kurt Eisner de leiding; de Duitsche onderhandelaars vertrekken naar het geallieerde hoofdkwartier aan het Westelijk front; de 7de eischen de meerderheidssocialisten het aftreden van Wilhelm binnen 24 uur; de 9de is ook Berlijn in beweging; keizer Wilhelm doet afstand, terwijl andere Duitsche vorsten zijn voorbeeld niet hebben afgewacht; de 10de treedt Ebert op als rijkskanselier; de Berlijnsche arbeidersen soldatenraden stellen een regeering samen van drie meerderheidssocialisten en drie onafhankelijke socialisten; den 11den November eindelijk komt de wapenstilstand tot stand. De revolutie, uitgegaan van de vloot, wordt door leger en arbeiders overgenomen; het socialistische proletariaat neemt in Duitschland de regeering in handen.
Dat ons een revolutie in Duitschland wachtte, was mij reeds weken duidelijk, en de vraag, wat ons. Nederlandschen socialisten, in dat geval te doen stond, liet
mij niet los. Ook anderen bleken de toestand op deze wijze te zien en herhaaldelijk vroegen burgerlijke Kamerleden mij, of ik de arbeiders ‘nog in mijn hand had.’ Ik begreep, dat wij onze houding zoo degelijk mogelijk moesten voorbereiden. Ik herinner mij, aan Oudegeest, toen wij eens samen in de koffiekamer zaten, de vraag te hebben voorgelegd: ‘Wat moet er hier gebeuren, als in Duitschland de revolutie uitbreekt? Hoe staat de leiding van het N.V.V. daar tegenover?’ Voor zoover ik mij herinner, leidde ons gesprek toen niet tot een bepaalde konklusie.
Vervolgens hadden besprekingen plaats in een tweetal bijeenkomsten van de besturen van Partij, N.V.V. en de Bond van Arbeiderskoöperaties. Over het algemeen kan dit worden gezegd: op een enkele uitzondering na, waren allen het erover eens, dat het dwaasheid zou zijn, onze aktie tegen het koningschap te richten. Dat zou een noodelooze verzwakking van onze kracht beteekenen, die wij voor meer reëele doeleinden hadden te sparen. Anders stond het met de vraag van een eventueel revolutionair optreden onzerzijds; op dat punt was geen eenstemmigheid te bereiken. Aan den eenen kant stond een groep onder leiding van Vliegen en Bonger, naar wier meening de verworven demokratie iedere revolutionaire beweging uitsloot en een tijdperk had geopend van geleidelijke ontwikkeling, waarbinnen zich onze taktiek had te bewegen. Aan den anderen kant vond mijn op vatting, dat de revolutionaire golf van Duitschland naar ons land zou overslaan en dat wij gereed moesten zijn, om ons aan het hoofd der beweging te stellen, aanhang.
De eerste bijeenkomst had plaats op 28 Oktober. Ik zeide o.a.: ‘Beleggen wij een kongres, dan dient daar in de eerste plaats de internationale toestand onder de oogen gezien te worden. Die opent uitzicht op groote veranderingen. Ook onze menschen hebben wij ervan te doordringen, dat groote hervormingen aanstaande
zijn, die zich niet op de gewone wijze zullen voltrekken. Thans is onze taak, perspektieven te openen en de eenheid te versterken. De kongresagenda luide zoo, dat ieder voelt, dat groote dingen op til zijn.’
Oudegeest wenschte een kongres over de te eischen maatregelen in de periode van demobilisatie, ‘wat te kombineeren is met de opvattingen van Troelstra.’ Op voorstel van Sannes werd besloten, de konklusies dezer vergadering niet neer te leggen in een gewoon kommuniqué, maar in een door mij op te stellen manifest.
Zaterdag 2 November kwam het Partijbestuur bijeen. Ik deelde mede, dat mijn koncept-manifest door de loop der internationale gebeurtenissen een geheel ander karakter had gekregen. De toestand, betoogde ik, is zoo verscherpt, ‘dat wij thans een ander geluid moeten doen hooren.... Tegenover de revolutionaire stroomingen in Europa hebben wij tot nu toe een afwachtende houding aangenomen. Het is de vraag, of dit nog lang mogelijk zal zijn.’ Mijn voorstel, op de volgende dag een vergadering bijeen te roepen van de drie hoofdbesturen en de redakties van Volk en Socialistische Gids, waar later het bestuur van de Bond van Dienstplichtigen zou worden uitgenoodigd, werd aangenomen. Mijn koncept-manifest lokte van verschillende zijden kritiek uit; volgens Wibaut en anderen was er van een revolutionaire geest in ons land nog geen sprake. Het standpunt der kritici formuleerde Vliegen aldus: ‘Wij moeten ons aan het hoofd van een beweging plaatsen, die de vervulling van een praktisch te verwezenlijken, verstrekkend program eischt.’ Later zeide hij: ‘Ik voel niets voor een oproep, die een revolutie voorbereidt, en dat niet alleen om de praktische bezwaren, maar ook omdat ik het principieel verkeerd acht. Een revolutie is in een demokratisch geregeerd land een dwaasheid.’ Ik stond echter geenszins alleen en vond o.a. bij Sannes, De Roode en van der Goes steun. In mijn repliek zeide ik, steeds meer tot de over-
tuiging te zijn gekomen, ‘dat het ons onmogelijk is, ons program te verwezenlijken enkel door op de oude wijze verder te worstelen in het parlement.’ Juist voor de door ons geëischte ekonomische hervormingen achtte ik andere middelen noodzakelijk. ‘Een bevredigende oplossing is alleen mogelijk door een revolutie in deze zin, dat de arbeidersklasse zelf de regeering overneemt.... Een krachtige doelbewuste proletarische aktie kan een herhaling van de 4 Augustusnacht in Frankrijk oproepen. Langs parlementaire weg is dit niet te bereiken.... Wij gaan een revolutionaire tijd tegemoet, waarin het parlement steeds verder uit het centrum van het politieke leven geraakt en de drang tot een buiten-parlementair uitleven sterker en sterker wordt.... Moeten we dan de Nederlandsche arbeidersklasse naar het bolsjewisme dringen? Juist mijn afkeer van die methode, welke een overgangsstadium schept, waarin het minst ontwikkelde deel der bevolking de baas speelt, doet mij zoeken naar een eigen revolutionaire methode.’ Ook deze rede vond in het P.B. bestrijding.
Het was wel een zeer belangrijk principieel verschil, dat in de boezem der partijleiding bleek te bestaan. Dat de vergadering op dit punt niet tot een konklusie kwam, ligt voor de hand; bij een stemming zouden de krachten ongeveer gelijk gebleken zijn. Wel werd een praktische konklusie genomen. Wij zouden het N.V.V. voorstellen, het reeds vroeger beraamde kongres te doen handelen over ‘doel en middelen der Nederlandsche arbeidersbeweging in de nieuwe maatschappelijke en politieke verhoudingen.’
In de gekombineerde vergadering van de volgende dag nam de leiding van het N.V.V. een ander standpunt in, dan Vliegen c.s. blijkbaar hadden verwacht. Namens haar werd op de vergadering van 3 November verklaard, dat naar haar meening ‘Troelstra's kijk op de zaak de juiste is!’; dat ook zij verwachtte, ‘dat zich in
de rijen der arbeiders een beweging openbaren zal, als wij thans hier en daar onder de militairen waarnemen. Het is inderdaad noodig, dat wij paraat zijn en dat de Partij gereed is, om op het meest geschikte oogenblik een greep naar de macht te doen.’ Dat men daarna betoogde, dat het oogenblik, om dit in het openbaar uit te spreken, nog niet gekomen was, kon niet afdoen aan den indruk, die het bovenstaande op mij moest maken. Daar werd dus de paraatheid voor ‘de greep naar de macht’ gevraagd van die zijde, die gewoonlijk meer tot remmen van de partijleiding geneigd was.
Ik heb pas veel later vernomen, dat de leiders van het N.V.V. het niet zoo sterk hadden bedoeld; dat zij, de rol van remmers moe, ditmaal het niet doorgaan van een revolutionaire aktie voor rekening van de Partijleiding wilden laten komen; een begrijpelijk standpunt. Niet minder begrijpelijk is echter, dat ik uit de bovenaangehaalde uitingen den indruk moest krijgen, dat ik voor mijn standpunt het N.V.V. achter mij had.
De niet-revolutionaire opvatting kwam ditmaal het sterkst tot uiting in de speech van Bonger; een speech, echter, die in verschillende gedeelten op zoo schoolmeesterachtige toon werd uitgesproken, dat zij de hoorders tot verzet moest prikkelen in plaats van hen te overtuigen. Meer indruk maakte de als altijd knappe rede van Vliegen, die de later grootendeels juist gebleken bewering uitte, dat hij in de Europeesche situatie niets zag, wat op een aanstaande algemeene proletarische revolutie wees. Positief wilde hij de situatie gebruiken, ‘om een aantal onzer lang verdedigde konkrete eischen te verwezenlijken.’
Tenslotte kwam ik aan het woord. Ik wees er op, dat mijn uitgangspunt geen ander was, dan het beginsel, dat wij altijd hadden verkondigd. ‘Andere tijden en omstandigheden echter brengen een andere kant van onze taktiek naar voren.... Het laatste plechtanker van de bourgeoisie is thans onze beweging geworden.
Zoolang zij uit de overtuiging: Troelstra heeft ze nog wel in de hand, volkomen gerust is, hebben wij ook niets van haar te hopen.’ Het te houden kongres zou volgens mij den algemeenen geest van verzet, die in het volk leefde, een bepaald doel moeten geven. Ook nu vond ik bij verschillende sprekers steun. De vergadering besloot het kongres samen te roepen op 23 en 24 November, terwijl ik met de vijf partijgenooten Wibaut, Fimmen, Oudegeest, benevens Sloos en van der Sluis van het koöperatiebestuur, mijn koncept omwerkte tot het manifest, dat op 4 November is gepubliceerd.
Dat de bijeenkomst met het bestuur van de Bond van Dienstplichtigen, de middag van dezelfde dag gehouden, een geheel anderen indruk moest achterlaten, kan niet worden ontkend. Van een werkelijk revolutionaire geest in het leger, in dien zin, dat er wijdere politieke beteekenis aan kon worden gehecht, bleek weinig sprake. Er heerschte slechts ontevredenheid over verschillende bepaalde punten, die met enkele verstandige maatregelen van de zij de van de legerleiding grootendeels zou zijn gesust.
Een vergelijking van mijn koncept, met het manifest, dat in Het Volk van 4 November verscheen, bewijst, dat de kommissie van zes zeer ingrijpende wijzigingen had aangebracht. Na op de revolutionaire situatie in Oost-Europa te hebben gewezen, herinnert het manifest aan de militaire relletjes en konstateert, dat het leger voor de heerschappij der burgerlijke klasse ‘minder en minder betrouwbaar wordt’; ik had gezegd: ‘dientengevolge keerde zich de macht, waarop de heerschappij der burgerlijke klassen tot heden berustte, tegen die heerschappij zelve. Aan het burgerlijke regeerstelsel is hierdoor zijn steun ontnomen. Hiermede echter is ook in ons land de revolutionaire toestand geschapen, die een groot deel van Europa beroert.’ Ook de daaropvolgende zin werd geschrapt: ‘Wij, vertegenwoordigers der moderne arbeidersbeweging van
Nederland, konstateeren dit niet met aarzeling of tegenzin, maar met blijde hoop, met onvermengde geestdrift.’ ‘De duurzame verovering der macht’, door mij als te stellen doel opgenomen, werd vervangen door de ‘duurzame verheffing der arbeiders.’ Aan het slot sprak het manifest wat voorzichtig over ‘onze taak vervullen’, ‘als hier de tijden rijp zijn’, waarbij wij sterk zouden moeten staan, ‘zoowel tegen alle pogingen van terrorisme en anarchie, als tegen het streven der heerschende klasse, om haar stelsel van uitbuiting en onderdrukking te handhaven.’ Ik had de moderne arbeidersbeweging willen oproepen, ‘zich vanaf heden te gevoelen en te gedragen als de bewuste draagster der eenige wezenlijke revolutionaire kracht’; den arbeiders van andere richtingen had ik willen toeroepen: ‘Grijpt met ons het oogenblik, dat u zal vrijmaken; vertrouwt op uzelve en uwe strijdende klasse.’
Zoo was het definitieve manifest geworden tot een kompromis tusschen de twee richtingen, die in de leiding der beweging leefden en elkaar in de vergaderingen ongeveer in evenwicht hadden gehouden. De komende gebeurtenissen gingen wij tegemoet in de gevaarlijke positie, dat niet uitdrukkelijk voor één der beide richtingen was gekozen.
Geen andere gebeurtenis heeft in ons land een zoo grooten indruk gemaakt als de vlucht van den Duitschen keizer over onze grens. De val van dezen machthebber was het symbool van de ineenstorting der oude wereld; het is daarom van belang, de omstandigheden, waaronder hij zich op Nederlandsch gebied in veiligheid heeft gesteld, nader te beschrijven. De resultaten van een speciaal onderzoek, ter plaatse ingesteld, zijn waard, hier te worden weergegeven.
Het was tegen half zes in de nog duistere morgen van Zondag 10 November, dat bij de Nederlandsche grenswacht op ‘'t Wit Huis’ bij Eysden een negental Duit-
sche auto's stilhield. Officieren verlieten de voorste wagen en wendden zich op gebiedende toon tot den kommandant van de Hollandsche wacht, den reservesergeant Pinckaers, met de mededeeling: ‘Wir kommen nach Holland’ en den eisch, onmiddellijk te worden doorgelaten. Zij verzekerden op hooge toon, geen passen noodig te hebben, zij kwamen als onderhandelaars en moesten snel verder naar Maastricht. De sergeant had echter order, geen gewapende personen toe te laten, en het moet tot zijn eer worden gezegd, dat hij zich geen oogenblik door het autoritaire optreden van dit wel zeer ongewone bezoek heeft laten imponeeren. Hij antwoordde kalm, dat dat maar niet zoo zou gaan. Daar het hooge gezelschap klaarblijkelijk vreesde, door de revolutionaire elementen uit het eigen leger achterhaald te worden, probeerden de woordvoerders op alle manieren onmiddellijk toegang te verkrijgen; de bedreiging, dat zij zich met geweld toegang zouden verschaffen, stuitte op de nuchterheid van Pinckaers af, die toch tegenover de zwaargewapende bemanning der negen auto's slechts een viertal infanteristen kon stellen. Vervolgens gooiden zij het over een andere boeg: als Pinckaers hen gauw doorliet, zouden zij wel voorwenden, door het terrein te zijn gekomen en geen wachtpost te hebben gezien. Ook dit ingenieuze voorstel werd door Pinckaers onder verwijzing naar het door slooten doorsneden terrein lachend afgewezen. ‘Wir haben keine Zeit, wir müssen durch’; het was alles tevergeefs. Als zij niet wilden terugkeeren, wat hun waarschijnlijk hun leven zou hebben gekost - uit berichten uit het Roergebied is mij gebleken, dat vrachtauto's met kommunistisch-gezinde ‘soldatenraden’ de keizerlijke auto's dicht op de hielen hebben gezeten - zat er voor de Duitsche generaals niets anders op, dan zich bij de beschikkingen van den sergeant Pinckaers neer te leggen. Pinckaers deelde hun toen mede, dat zij geïnterneerd zouden worden, maar dat hij daarover
eerst in overleg moest treden met zijn kommandant te Maastricht. Daar hij het eenige lid der Hollandsche bezetting was, dat een telefoon wist te gebruiken, vertrok Pinckaers, na van zijn mannen de belofte te hebben verkregen, dat zij ‘voet bij stuk zouden houden’, naar de nabijgelegen Zinkwitfabriek en telefoneerde daar met zijn kommandant. Deze antwoordde, ten spoedigste te zullen komen; doch een uurtje moesten de heeren nog wachten. Langs de automobielen loopend bemerkte Pinckaers toen, dat achterop alle wagens een plak modder was aangebracht; met zijn bajonet de modder afkrabbend zag hij daaronder het keizerlijk wapen tevoorschijn komen. Nu ook herkende hij in den opvallend bescheiden gekleeden generaal in den derden auto den Duitschen keizer.
Hoe het Wilhelm te moede was, bleek uit het gesprek, dat hij weldra aanknoopte met Pinckaers en den douaneambtenaar, die inmiddels op het tooneel verschenen was. Zijn eerste vraag luidde, of het in Holland ‘nogal rustig’ was; door het bevestigend antwoord gerustgesteld, haalde hij herinneringen aan jeugdbezoeken in Holland op. Dat er al niet lang vrede was, lag, volgens zijn verzekering, niet aan hem, maar aan de Entente-regeeringen, die niet hadden gewild. Een nieuwe schrik bezorgde Wilhelm de verkleurde oranje kokarde van een naderenden Hollandschen soldaat, die hij voor rood aanzag!
Het was volkomen dag geworden, toen eindelijk de Hollandsche officieren arriveerden. De Duitscheautoriteiten werden nu zeer hoffelijk en met onderscheiding ontvangen; wapens en auto's moesten zij bij de grenswacht achterlaten en te voet begaf het gezelschap zich naar het station Eysden. Op het perron op en neer wandelend wachtte de keizer op zijn trein, die tegen acht uur uit Visé binnenreed. Inmiddels had het bericht van Wilhelms komst zich snel verspreid; versterking van de bewaking was noodig, om de menigte,
waaronder zich talrijke Belgische vluchtelingen bevonden, op een afstand te houden. De keizer trok zich in zijn trein terug en liet zich niet meer zien; de hoogst onwelwillende uitroepen, waarop de menigte hem hier, evenals op de verschillende stations, die zijn trein de volgende dag op zijn reis naar Amerongen passeerde, onthaalde, zullen wel niet binnen de goedgesloten wagen zijn doorgedrongen. De ontvangst van den kroonprins, die de 12de November langs een andere grenspost Maastricht bereikte, was nog veel vijandiger.
Tot Maandagochtend half tien heeft Wilhelm op het kale stationnetje te Eysden moeten wachten; toen is hij langs een zwaarbewaakte lijn naar Amerongen vervoerd, waar hij voorloopig zijn intrek zou nemen. Aan de Nederlandsche regeering heeft deze voor haar onverwachte gast in de komende maanden ernstige moeilijkheden bezorgd met de Entente. Herhaaldelijk werd in de pers dier landen op uitlevering van den ex-keizer aangedrongen.
Dat zijn komst door de regeering niet werd verwacht, staat wel vast. Ik heb echter altijd geloofd en geloof nog, dat het bezoek van den heer van Heutz, grootofficier van het Militair Huis van de Koningin, aan Wilhelm kort tevoren in Spa gebracht, met zijn komst ten nauwste verband heeft gehouden. Zaterdag was van Heutz naar Holland teruggekeerd langs dezelfde weg, die Wilhelm de volgende dag zou nemen. De Duitsche officieren hielden dien ochtend vol, dat de regeering van hun komst op de hoogte was, terwijl Wilhelm zelf tegenover den douaneambtenaar het bezoek van van Heutz memoreerde. Veel gewicht heeft voor mij een telefoongesprek, dat ik die Zondagmorgen vroeg met een vertegenwoordiger van het Duitsche gezantschap voerde. Deze deelde mij mede, dat de keizer over onze grens was gekomen en stelde de vraag, wat de houding van onze fraktie tegenover een verblijf van Wilhelm in Nederland zou zijn. Ik ant-
woordde, dat wij er geen bezwaar tegen zouden maken, als Wilhelm evenals iedere over de grens gekomen militair werd geïnterneerd. Belangrijker was, dat mij in dit telefoongesprek werd gezegd, dat onze koningin aan Wilhelm gastvrijheid had aangeboden. Dat de regeering deze geruchten moest ontkennen, al was het slechts om haar positie tegenover de geallieerden te kunnen handhaven, ligt voor de hand. Pas den lateren geschiedvorscher zal het mogelijk zijn, dit punt behoorlijk te onderzoeken; hij zal daarbij rekening moeten houden met de mededeeling van Scheidemann op blz. 257 van het tweede deel van zijn Gedenkschriften, dat ook de koning van Engeland bij deze zaak betrokken is geweest.
Na wat ik reeds over mijn opvatting aangaande de komende revolutionaire situatie heb medegedeeld, zal het duidelijk zijn, dat het bericht van de vlucht van den keizer mij sterk moest treffen. Ik was toen reeds onder den indruk van een telefoonboodschap, die ik Zaterdagavond had ontvangen uit Rotterdam. De leiders van onze Rotterdamsche beweging hadden mij met een enkel woord verteld van een onderhoud, dat zij die middag met burgemeester Zimmerman hadden gehad en mij medegedeeld, dat de toestand in de stad hoogst gespannen en de stemming van de Rotterdamsche arbeiders uitgesproken revolutionair was. Zondagmiddag zou een besturenvergadering plaats hebben, waar zeker belangrijke besluiten zouden vallen; vóór dien wilden de leiders met mij overleg plegen. Ik noodigde hen uit, Zondagmorgen bij mij te komen en verzocht hen Sannes, op wiens aanwezigheid ik zeer gesteld was, mede te brengen. Zelf belde ik Albarda op, wiens bezadigd oordeel in deze omstandigheden niet kon worden gemist. Intusschen liet ik enkele Haagsche partijgenooten een onderzoek instellen naar de stemming van de in Den Haag gelegerde solda-
ten, welk onderzoek geen positief resultaat opleverde. Voor een goed begrip van het volgende moet men de positie van onze beweging in Rotterdam kennen. In tegenstelling tot Amsterdam hadden wij in de Maasstad onbetwist de leiding van de arbeiders. Gewelddadige relletjes hebben dan ook in de mobilisatiejaren in Rotterdam niet plaats gehad. Bij de verkiezingen van 1918 hadden wij niet veel minder dan de helft der stemmen behaald. Tegenover de verdeelde burgerlijke partijen vormde onze beweging één gesloten macht, wier leiding steeds voeling had met wat er onder de arbeiders leefde.
Die Zondagmorgen ontving ik op mijn kamer: Brautigam, de Zeeuw, Heijkoop, Sannes en Albarda. Het bleek, dat Brautigam en Heijkoop Zaterdagmiddag 9 November eerst tot een bespreking waren uitgenoodigd door den heer Nijgh, voorzitter van de scheepvaartvereeniging Zuid. Voor dezen werkgever stond het vast, dat de zaken hier een dergelijke loop als in Duitschland zouden nemen en hij stelde een snelle methode van onderhandelen voor, waardoor, naar hij hoopte, de arbeidsvoorwaarden zoodanig zouden kunnen worden verbeterd, dat de voortzetting van het bedrijf gewaarborgd werd. Onze partijgenooten zorgden, zich niet onmiddellijk te binden, doch waren van de blijkbaar in de kringen der groote werkgevers heerschende revolutie-stemming zeer onder den indruk.
Hierop volgde een uitnoodiging aan Heijkoop tot een konferentie met den burgemeester. Wat de bedoeling van den heer Zimmerman was, wil ik hier aantoonen aan de hand van een schriftelijke samenvatting der konferentie, door Heykoop korte tijd later opgesteld en door Brautigam bevestigd. Heijkoop schrijft: ‘Op Zaterdag 9 November werd ik door burgemeester Zimmerman telefonisch uitgenoodigd tot een konferentie. Vragend aan de telefoon, waarover de burgemeester mij wilde spreken, kreeg ik ten antwoord, dat hij een

A.W. HEIJKOOP

DE EX-KEIZER. (BIJ HET KRUISJE), IN DE MORGEN VAN DE NEGENDE
NOVEMBER 1918 OP HET STATION TE EYSDEN. WACHTEND OP ZIJN TREIN
onderhoud met mij wenschte, omdat hij mij beschouwde als één der vooraanstaande leiders der Rotterdamsche sociaal-demokraten en dat hij wilde spreken over den algemeenen toestand in verband met de woelingen in het buitenland. Daarop antwoordde ik, dat ik er dan prijs op stelde niet alleen te komen en vroeg ik verlof mijn p.g. Joh. Brautigam mede te brengen, wat werd goedgevonden.
Brautigam en ik hadden een half uur later een onderhoud met den burgemeester. Deze sprak over de revolutie in Duitschland en gaf te kennen, dat wij dat wellicht met blijde verwachting aanzagen; hij dacht daar anders over - maar hij voorzag, dat de revolutionaire beweging naar Holland zou overslaan; hij wilde niet blind zijn voor de groote gebeurtenissen, die plaats grepen en komende waren en had ons daarom uitgenoodigd. Hij begreep, dat als er moeilijkheden ook in Rotterdam kwamen, hij niet in staat zou zijn, die te keeren. Afgezien hoe het politiekorps over de gang van zaken zou denken, kon hij toch met zijn handjevol politie niets beginnen en soldaten rekruteeren was in de gegeven omstandigheden het laatste, wat hij goed achtte.... Hij sprak daarna uitvoerig over de moeilijke gang van zaken, als er een revolutionaire beweging kwam, en meende ons tal van wenken te moeten geven, voor als het zoover kwam. Wij moesten dan vooral oppassen de stations te bezetten. Wij moesten vooral zorgen, dat er verbinding bleef met het platteland, voor levensmiddelenaanvoer. Wij moesten vooral dan de wilde hartstochten der massa, (honger - geslachtsdrift) in toom houden en wij konden dan en moesten dan vooral voor orde en regelmaat zorg dragen. Na onze vraag, wat de burgemeester (die sterk den indruk gaf te gelooven, dat binnen heel korte tijd in Nederland hetzelfde zou gebeuren als in Duitschland), van ons feitelijk verlangde, vroeg hij ons, om hem met onze namen, invloed, positie en persoon bij te staan in de ko-
mende dagen. Hij had daarvoor niet genoeg aan zijn kollege van wethouders.... maar wenschte onze hulp. Wij moesten dan zorgen, dat de inrichtingen, zonder welke het gewone materieele leven niet kon doorgaan, werden ontzien en beveiligd, met name noemde hij de elektrische centrale, gasfabriek, waterleiding. Wij antwoordden den burgemeester, dat wij niets wenschten te doen, wat de historische loop der gebeurtenissen zou keeren of stuiten, integendeel, dat wij sociaal-demokraten waren, die de wereldverandering, die plaats greep, met vreugde begroetten. Hij zeide, dit volkomen te beseffen en van ons, (als wij hem in een soort komitee, dat hij om zich zou verzamelen:.... (hier zijn blijkbaar enkele woorden uitgevallen), niets te verlangen ofte verwachten, watzouingaan tegen onze overtuiging. Hij verwachtte groote gebeurtenissen; hij wilde dan alleen pogen met ons, dat er geen ellende zou ontstaan en vroeg onze medewerking dus uitsluitend, naar zijn zeggen, voor handhaving der “orde” en voor bescherming van het materieele leven. Wij wezen er op, dat er nu groote maatschappelijke veranderingen konden komen, wat hij toestemde en beaamde. Wij spraken de meening uit, dat de regeering dit ook zou beseffen, welke hoop hij zei te deelen. In aansluiting hierop deelde hij mede, dat hij zich Maandag 11 November naar minister Ruys de Beerenbrouck zou begeven en daar zijn meening zeggen. Hij althans wilde verantwoord zijn - zoodat men later niet zou kunnen zeggen, dat hij de groote dingen niet zag komen. Hij wilde niet met zijn rug naar de brand gaan zitten.’ Tenslotte vermeldt het stuk, dat onze partijgenooten op het verzoek van den heer Zimmerman antwoordden, daarover niet alleen te kunnen beslissen en eerst overleg te moeten plegen met de leiding der Partij. De heer Zimmerman moet in die konferentie ook hebben gezegd: een revolutie blijft niet in Zevenaar voor een vlag staan; tenslotte hebben onze partijgenooten op de vraag van den
burgemeester, wat er met de koningin zou gebeuren, gezegd, dat haar niets zou gebeuren, indien zij zich niet tegenover de komende beweging stelde.
De beteekenis van dit merkwaardige gesprek is, dat door het initiatief van den heer Zimmerman de vraag, wat onze beweging in een gegeven revolutionaire situatie had te doen, akuut was geworden. De leiding moest nu haar positie bepalen. In het eerste deel van het onderhoud kon het schijnen, dat de burgemeesterwilde trachten de S.D.A.P. als bolwerk tegen een revolutionaire beweging van kommunisten en dergelijke te gebruiken. De houding van de socialistische gedelegeerden op deze samenkomst levert het bewijs van hun flink socialistisch besef; hadden zij op dit punt den burgemeester ook maar iets toegegeven, dan had dit voor onze beweging een onontkoombare débacle beteekend. Zij echter antwoordden, dat zij niets zouden doen, om ‘de historische loop der gebeurtenissen te keeren’. Dat de burgemeester na deze woorden het gesprek voortzette, ja, de revolutionaire kijk der socialistische gedelegeerden beaamde, teekent de paniekstemming, waarin hij blijkbaar verkeerde. Terecht stelde de Residentiebode in November 1928 vast, dat uit hetgeen over deze konferentie bekend geworden was, duidelijk bleek, ‘dat Mr. Zimmerman reeds de wapens overgaf.’
De heer Zimmerman heeft, nadat over het bovenbeschreven onderhoud steeds meer bekend was geworden, in November 1928 getracht een andere lezing van het geval te geven. Het zou slechts een onschuldige bespreking geweest zijn, met het doel de medewerking van personen met invloed op groote bevolkingsgroepen in te roepen, ‘teneinde een rustige houding der bevolking te bevorderen, mogelijke opwinding tot bedaren te brengen en gewelddadige botsingen te voorkomen, dit niet in de laatste plaats ter verzekering der voedselvoorziening.’ Een dergelijke bespreking had hij ook met christelijke en katholieke personen gevoerd. Tot
staving van deze lezing voert hij het door hemzelf blijkbaar als zeer sterk beschouwde argument aan, dat er door onze menschen in de volgende Rotterdamsche raadsvergaderingen of in de Kamer nooit over is gesproken. Brautigam en Heijkoop hebben daarop in Het Volk direkt afdoende geantwoord; zij schrijven: ‘Het zal den heer Zimmerman, toen hij dit op schrift stelde, zijn ontgaan, dat in het onderhoud op 9 November 1918 op zijn nadrukkelijk verzoek door ondergeteekenden is toegezegd: aan het verhandelde onder geen enkele omstandigheid openbaarheid te zullen geven en te zullen volstaan met mededeeling van het onderhoud aan hunne kommittenten. Ondergeteekenden hebben aldus gehandeld en den leden hunner besturen verzocht, deze gedragslijn eveneens te volgen.’ Ziehier de verklaring van het feit, dat de bizonderheden van dit onderhoud, die mij en velen anderen leidenden partijgenooten direkt bekend waren, pas zoo langzaam zijn losgekomen. De omstandigheid, dat onze partijgenooten zich aan deze afspraak gehouden hebben, tracht de heer Zimmerman te gebruiken om met een ‘Es ist nicht wahr’ zijn positie te redden!
Heijkoop raadt in dit stuk den oud-burgemeester aan, de notulen van de vergadering van B. en W. van Rotterdam van 11 November nog eens na te slaan. Hij moet daar ongeveer het volgende gezegd hebben: dat hij, Zimmerman, een revolutionaire situatie absoluut zeker achtte, dat hij met het overgaan van de macht aan arbeiders- en soldatenraden ernstig rekening hield, dat hij, als anderen de macht in handen namen, bereid was, om als ‘deskundige’ de technische leiding te behouden. Niet alleen bij de rechtsche wethouders van Rotterdam, ook bij de regeering, die van zijn optreden niets moet hebben geweten en er pas Dinsdag kennis van kreeg, heeft zijn ‘slappe houding’ groote verontwaardiging gewekt. Wel merkwaardig is in dit verband de boven geciteerde uiting van hem, dat hij
naar Den Haag zou gaan, om het de regeering eens te vertellen! In de herinneringsdagen van November 1928 schreef de heer Aalberse, die in 1918 deel uitmaakte van het ministerie, in Het Centrum: ‘Niet slechts de Nieuwe Rotterdamsche Courant, maar ook het hoofd van het gemeentebestuur waren overstuur.... Had de burgemeester van Rotterdam zich er al niet aanstonds bij neergelegd, dat er een Arbeidersraad het gemeentebestuur in handen zou nemen? Dit is de ware beteekenis van het boven door Het Volk gerelateerde onderhoud ten stadhuize met Heykoop en Brautigam.’ Ik moet hier een passage aanhalen uit een hoofdartikel, dat Albarda in antwoord op de verdediging van den heer Zimmerman op 23 November 1928 in Het Volk heeft geschreven: ‘Ik behoor tot degenen, weinig in getal, die de gebeurtenissen van 1918 van nabij hebben medegemaakt. Welnu, ik verklaar, dat de mededeelingen van Volk en Voorwaarts (deze bladen hadden het bewuste onderhoud in het kort in de hier aangegeven geest weergegeven), thans niet voor de eerste maal gedaan, volkomen in overeenstemming zijn met de voorstelling, die op 9 November des avonds bij enkelen onzer bestond, op 10 November 's morgens aan een zestal leden onzer Partij bekend was, op 10 November 's avonds aan een grooter aantal vertrouwensmannen onzer beweging bekend werd. Ik kan hierbij mededeelen, dat ook de regeering al heel spoedig op de hoogte is gekomen met het optreden van den Rotterdamschen burgemeester. Mij zelven is dat, kort na de meest bewogen Novemberdagen, gebleken uit een gesprek, dat ik met den toenmaligen minister-president Jhr. Ruys de Beerenbrouck over de houding van den Rotterdamschen burgemeester heb gevoerd. Ik weet ook, dat de ministerraad zich in de spannendste tijd zeer in het bizonder met een bespreking over de houding van mr. Zimmerman heeft beziggehouden en dat die raad speciale maatregelen heeft genomen, om den
heer Zimmerman een hart onder de riem te steken. Daarvan zou ik meer weten te vertellen, dan ik op dit oogenblik wensch’.
In het verdedigingsstuk van den heer Zimmerman lees ik: ‘Op 9 November 1918 wist niemand in Nederland buiten de enge kern der socialistische partijleiding, iets hoegenaamd van hun revolutie-opzet.’ De heer Zimmerman vergist zich hier geheel. Uit mijn volledige weergave van de besprekingen der partijleiding is gebleken, dat wij ons in theorie hadden bezig gehouden met de vraag, wat ons te doen stond, indien in ons land een revolutionaire situatie ontstond; er waren er onder ons, die het, met den heer Zimmerman, voor onwaarschijnlijk hielden, dat de revolutie in Zevenaar voor een vlag halt zou houden. Maar van eenig plan, van eenig ‘opzet’ was geen sprake.
Mij is gebleken, dat reeds Zondagochtend 10 November de ministerraad bijeen is gekomen, naar aanleiding van berichten over een revolutionaire dreiging, die uit Rotterdam ontvangen waren. Minister Ruys heeft zelfs op 20 November in de Kamer verklaard, dat ‘reeds ongeveer 14 dagen geleden’ de regeering geruchten van ‘revolutionaire plannen’ hadden bereikt. Waar die berichten hun grond vonden, is mij niet duidelijk. De moderne arbeidersbeweging in Rotterdam althans had nog geen ‘plan’, een bijeenkomst van de besturen had nog niet plaats gehad. Alleen de Zeeuw, voorzitter der partij-federatie, was van de stappen van de heeren Nijgh en Zimmerman op de hoogte gebracht. Het telefoongesprek met mij was hun eerste daad. De berichten kunnen niet van den burgemeester afkomstig zijn geweest; deze immers schrijft in zijn verdedigingsartikel: ‘Eerst op 10 November tegen den avond vernam de burgemeester, wat er in een op die dag gehouden vergadering van partijleiders was besproken.’ Was de regeering gewaarschuwd door de Rotterdamsche rechtsche wethouders, die reeds Za-
terdag tot hun verontwaardiging van Zimmermans optreden moeten hebben gehoord? Of was het telefoongesprek afgeluisterd en overgebracht en meende men daaruit reeds revolutiegevaar te moeten afleiden?
Het eerste overleg had plaats in de bijeenkomst-vanzes te mijnen huize op Zondagmorgen 10 November, waarop ik nu terugkom. Na een verhaal van de merkwaardige gebeurtenissen op Zaterdagmiddag, hoorden wij een - misschien wat overdreven - schildering van de revolutionaire stemming in Rotterdam: dat het Rotterdamsche havenproletariaat onder den invloed van de gebeurtenissen in Duitschland in beweging zou komen, was zeker; wij moesten zorg dragen, daarbij de leiding in handen te houden; Zondagavond zou ter bespreking van de te nemen maatregelen een vergadering plaats hebben van het kader der Rotterdamsche beweging en men verzocht mij, daar aanwezig te zijn. Ik wees de Rotterdammers er toen op, dat een dergelijke beweging niet van één plaats kon uitgaan en dat dus de centrale leiding van Partij en vakbeweging tot die bespreking moest worden uitgenoodigd. Algemeen waren de aanwezigen het nu met mij eens en voor zoover mogelijk werden de hoofdbesturen en vertegenwoordigers van de beweging in het land telefonisch opgeroepen voor een 's avonds te houden vergadering.
Dat wij hiervoor van de telefoon gebruik maakten, zonder te bedenken, dat al het gesprokene natuurlijk aan politie en regeering zou worden overgebracht, was een groote onvoorzichtigheid. Ja, wij gingen zoover, dat wij om één van onze vrienden in een andere stad, die niet voor een held doorging, te plagen, een veel revolutionairer en vechtlustiger toon aansloegen, dan met onze opvatting overeenkwam. Toch moet worden vastgesteld, dat wij er die morgen allen van overtuigd waren, dat een revolutie op til was. Zonder daarbij te overwegen - zooals herhaaldelijk door kleinzielige
tegenstanders is verondersteld - of het voor onszelf aangenaam of gewenscht was, waren wij overtuigd, dat de historische loop der gebeurtenissen ons op dit tijdstip een belangrijke taak op de schouders legde en wij waren er ons zeer wel van bewust, dat het voor ieder onzer persoonlijk tot de ernstigste konsekwenties zou kunnen leiden.
Na het vertrek der Rotterdammers berichtte onze Haagsche partijgenoot Hoeyenbos mij, dat hij op verzoek een bijeenkomst had bijgewoond van hooge militairen, waaronder een gewezen militair minister en een generaal, die de Boxeropstand had helpen dempen. Ook in dat officieuze komitee heerschte de revolutiestemming; dat er hier een revolutionaire beweging plaats zou vinden, stond voor de heeren vast en zij riepen de medewerking van Hoeyenbos en van onze beweging in om de voortzetting van de gewone diensten, gas, elektriciteit enz. en de verzorging van de ziekenhuizen te waarborgen. Van het organiseeren van kontrarevolutionair verzet was geen sprake. Ook Hoeyenbos gaf het juiste antwoord, n.l. dat hij zonder overleg met zijn organisatie niets kon toezeggen en hij stelde mij van het gebeurde op de hoogte.
In de loop van de middag bereidde ik de beslissende avondbijeenkomst voor door een program op te stellen, dat, in overeenstemming met de besprekingen van dien ochtend, een uitgesproken revolutionair karakter droeg. Ik heb dit stuk helaas uit handen gegeven en niet terugontvangen, zoodat ik het hier niet kan weergeven.
Daarop vertrokken wij naar Rotterdam. Daar had inmiddels 's middags een plaatselijke besturenvergadering plaats gehad, waar men overtuigd bleek van de noodzakelijkheid, de leiding van de onafwendbare beweging der Rotterdamsche arbeiders te nemen. De noodige voorbereidingen waren daar getroffen, voor
het geval de vergadering van dien avond tot doorzetten van de aktie zou besluiten. Ook in deze vergadering maakte de mededeeling van de houding van den burgemeester geweldigen indruk.
In de avondvergadering waren aanwezig het Partijbestuur, het bestuur van het N.V.V., benevens vertegenwoordigers van de Kamerfraktie, van Het Volk, van de Bond van Nederl. Dienstplichtigen en van de leiding der socialistische arbeidersbeweging in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Dordrecht en Groningen. Ook nu nog kwam geen onzer op het idee, maatregelen tegen spionnage te nemen, waartoe het lokaal alle gelegenheid bood; dat onze besprekingen aan de autoriteiten zijn overgebracht, staat vast. De opmerking, in de vergadering gemaakt, dat haar samenstelling onorganisatorisch zou zijn, dat eerst de besturen van Partij en Vakverbond de zaak rustig hadden moeten kunnen overleggen, kan ik niet zonder een glimlach lezen. Alsof men in een werkelijk revolutionair moment op dergelijke formeele dingen kan wachten! Als de Rotterdammers op hun eigen houtje hun plan, de arbeiders Maandag overdag voor de beslissende demonstratie op te roepen, hadden uitgevoerd; als zij zonder overleg met de centrale instanties een arbeidersen soldatenraad hadden gevormd, dan zou hun ernstig verwijt hebben kunnen treffen; nu niet. Eerst gaf een Rotterdamsch afgevaardigde een schildering van de toestand in zijn stad; er moest snel iets gebeuren, anders zouden anderen het doen. ‘De arbeiders verwachten van ons een daad’. Men heeft deze berichten gekritiseerd onder verwijzing naar het betrekkelijk gewone stadsbeeld, dat verschillende afgevaardigden uit andere plaatsen meenden te hebben waargenomen; mijns inziens bewees dat, bij de geringe geneigdheid van ons volk tot luidruchtigheid, niet veel voor de stemming in de arbeiderswijken. Belangrijker was, dat de berichten uit de andere steden geheel anders luid-
den; noch in Amsterdam, noch in Den Haag of elders kon van een spontane revolutionaire beweging worden gesproken. Het beeld, dat wij 's morgens van de Rotterdammers hadden ontvangen, bleek niet te passen op de toestand in het geheele land. Ook de berichten, ons door Butselaar en K. ter Laan verstrekt over het leger, maanden tot voorzichtigheid. De regeering bleek reeds vergaande maatregelen voor de demobilisatie te hebben genomen. Daarbij zouden de oudere lichtingen, waarop de Bond van Dienstplichtigen doorslaanden invloed had, het eerst aan de beurt komen. Nu reeds waren de meeste wapenen ingenomen; over een macht van militaire beteekenis zou een revolutionaire beweging niet kunnen beschikken. Bovendien merkte ter Laan terecht op, dat het groote verbittering zou wekken, als door onze schuld de demobilisatie zou worden vertraagd.
In deze bijeenkomst verzetten de leiders van het N.V.V. zich sterk tegen de Rotterdamsche plannen. Hun standpunt is door de loop der gebeurtenissen als juist erkend. In de trein hadden zij een ontwerp-program van eischen opgesteld, dat de grondslag zou vormen voor de ‘Novembereischen’, zooals zij zijn gepubliceerd. Al spoedig zag ik in, dat de zaken een andere loop zouden nemen dan wij 's morgens hadden verwacht en ik hield het 's middags door mij opgestelde program dus in mijn zak. Ik was verplicht mijn standpunt uiteen te zetten, maar ik heb daarvoor niet willen vechten; de overheerschende stemming wees te duidelijk in een andere richting. Ik gaf toe, dat een ieder, hoe ook zijn eigen opvatting was, in de eerste plaats de feiten nuchter onder de oogen moest zien en moest bedenken, dat een daad in Rotterdam niet anders kon beteekenen dan het sein-van-aanvang voor het verdere land. Aan den anderen kant wees ik op de groote verantwoordelijkheid, die wij zouden dragen, als wij een geschikt moment niet zouden aangrijpen. Een krachtig
revolutionair optreden zou ook op de rechtsche arbeiders grooten indruk moeten maken.
Allen gevoelden het gewicht van de woorden van Oudegeest, die, met herinnering aan 1903 en de algemeene zenuwachtigheid van die dagen, tegen overijlde besluiten waarschuwde. Ik aanvaard de vergelijking met 1903, maar ik heb er een opmerking aan toe te voegen: er zou ook in 1918, evenals in 1903, een oogenblik hebben kunnen komen, dat onze Partij zich achter de revolutionaire arbeiders had moeten scharen, wat er ook van gekomen ware; wij mochten ons tot geen prijs in een positie tegenover de arbeiders laten dringen. Ankersmit heeft het in zijn bespreking van ‘Groei’ zoo juist gezegd: ‘Evenals zij (n.l. de S.D.A.P.) in November 1918 krachtens haar wezen zelf de draagster moest zijn van de revolutionaire gevoelens, die de arbeiders bezielden, zoo moest zij in 1903 zich in hunne gelederen scharen.’
De vergadering van Zondagavond 10 November kwam tot deze konklusie: gezien de berichten uit het land mogen de Rotterdamsche plannen voor Maandag niet doorgaan. In plaats van het voor deze nacht voorbereide manifest, dat de arbeiders tot demonstreeren op Maandagmiddag zou oproepen, zal in de loop van de volgende dag een manifest worden verspreid, dat, op de grondslag van het ontwerp der N.V.V.-leiding, eischen zal stellen aan de zittende machthebbers; 's avonds zullen er te Rotterdam groote vergaderingen plaats hebben; om aan onze eischen kracht bij te zetten, zal dat voorbeeld binnen enkele dagen over het geheele land worden gevolgd. Revolutionaire daden worden niet per se verworpen; indien er spontaan een revolutionaire situatie intreedt, of indien zij door groepen links van ons zou worden geforceerd, zal onze beweging gereed staan om de leiding te nemen. Het kongres wordt op voorstel van Albarda een week vervroegd en op l6 en l7 November te Rotterdam bijeengeroepen;
daar zal onze verdere taktiek definitief worden vastgesteld.
Dat ik deze vergadering met een bevredigd gevoel verliet, kan ik niet zeggen; in mijn hart was verbittering over de gevallen beslissing. Maar ik was niet anders van plan, dan mij bij dit organisatorisch genomen besluit neer te leggen en ik deelde den Rotterdammers mede, dat ik niet bereid was op één van hun avondvergaderingen van de volgende dag te spreken. De uitnoodiging, aan de definitieve redaktie van het manifest, die 's nachts zou worden vastgesteld, mede te werken, sloeg ik af en zeer vermoeid begafik mij naar mijn hotel.
Toen reeds hing in de stad een bulletin met het besluit der regeering tot gedeeltelijke demobilisatie, een besluit, dat door de ministerraad reeds enkele dagen eerder schijnt te zijn genomen, doch nu snel werd gepubliceerd. De regeering, die klaarblijkelijk op de hoogte was, deed haar tegenzet.
Maandag zocht ik de partijgenooten op, die 's nachts een voorloopige redaktie van het manifest hadden vastgesteld en nu over enkele wijzigingen overlegden. Ik vroeg inzage van het manifest, dat verder ging, dan ik na de besprekingen van den vorigen avond had verwacht en ik kon de opmerking niet weerhouden, dat verschillende van de opgenomen eischen toch een revolutionaire beteekenis hadden; de eischen omvatten: onmiddellijke demobilisatie met behoorlijke vergoedingen voor werklooze gedemobiliseerden; algemeen vrouwenkiesrecht; afschaffing Eerste Kamer (later is hieraan toegevoegd: beslissing over oorlog en vrede door de volksvertegenwoordiging); onverwijlde invoering van den wettelijken achturendag; staatspensioeneering op 60-jarige leeftijd; inwilliging van de eischen van de Bond van Dienstplichtigen; salarisverhooging voor het overheidspersoneel; intrekking stakingswetten 1903; volledige werkloozenzorg onder
beheer der arbeidersorganisaties; levensmiddelenvoorziening als gemeenschapszorg; socialisatie der daarvoor in aanmerking komende bedrijven; uitvoering van het program van Bern (zie blz. 148). ‘Dit zijn sterk-ingrijpende hervormingen, die de bourgeoisie thans goedschiks of kwaadschiks moet inwilligen.’ Later zijn hieraan toegevoegd: kiesrecht voor alle meerderjarigen; maatregelen tegen de woningnood en hulp aan de kleine boeren.
De vergaande strekking dezer eischen en de stemming, die op deze bijeenkomst bleek te heerschen, deden mij eerder bereid zijn, terug te komen op mijn oorspronkelijk besluit en, aan den sterken aandrang der Rotterdamsche vrienden toegevend, mij toch bereid te verklaren, dien avond in het Verkooplokaal als spreker op te treden. Aan het middageten liet ik mij het avondblad van de Nieuwe Rotterdamsche Courant brengen en daar las ik het befaamd geworden hoofdartikel ‘De Arbeiderseischen’, waarin de eischen van ons manifest werden besproken. Bij afschaffing van de Eerste Kamer, ‘nagenoeg nimmer een opbouwende kracht gebleken, maar wel menigmaal een sta-in-de-weg’, zou het blad zich ‘zonder hartzeer’ kunnen neerleggen. De sociale eischen van het program werden voor de burgerlijke lezers zoo aannemelijk mogelijk voorgesteld, ook socialisatie. Dat de oorlog de maatschappelijke grondslagen van voor 1914 had verwoest, had, aldus dit blad, ook zijn voordeden; nu ‘hebben wij ten opzichte van de herbouw zooveel te meer vrijheid’. Als voorbeeld nam het blad de looneischen: ‘Wanneer de produktie hervat wordt op een loonbasis, die in alle landen aanmerkelijk is verhoogd, dan zal voortbrenging en verbruik zich zonder groote schokken daar aanstonds aan kunnen aan passen.... De acht-uren-dag lijkt op die wijs zelfs onmiddellijk verwezenlijkbaar’. Aan het eind van het artikel las ik o.a.: ‘Wat noodig is, is in de eerste plaats, dat ieder voor zich, de oude denk-
beelden, die zich gevestigd hebben, herziet, en tracht de evolutie mede te maken.’ Beteekende dit niet, vroeg ik mij af, dat de bourgeoisie vrijwillig afstand deed? De Rotterdamsche arbeiders hadden op ons hun verwachting gebouwd. Vijf groote zalen liepen dien avond vol; ik begaf mij eerst naar het Verkooplokaal, waar ik met Heykoop en Butselaar zou spreken. Onvergetelijk is mij de aanblik van deze zaal opgetogen en doelbewuste mannen en vrouwen; achter slechts enkele rijen stoelen stond de massa schouder aan schouder en met ongekend vuur klonken onze strijdliederen uit de wachtende menigte op. Onder den indruk van de berichten uit Duitschland, waar Ebert rijkskanselier was geworden en de roode vlag van het keizerlijk paleis wapperde, zongen de arbeiders.... ‘En de Internationale zal morgen heerschen op aard.’
Toen heb ik het woord gekregen en de redevoering gehouden, die deze menschen van mij verwachtten en die recht kwam uit mijn hart, zonder door het nuchtere verstand te zijn gekontroleerd. Ik miste, zooals ik reeds zeide, in die dagen een rem en liet mij - iets wat, ik geef het toe, den politikus niet mag overkomen - door de grootheid van het oogenblik en door de geestdrift van mijn kameraden vóór mij meeslepen. Doch ik ondervond een eenheid met mijn hoorders, als ik nog niet had gekend en ik moet aan dezen avond blijven denken, als aan één van de mooiste oogenblikken van mijn leven. Mijn woorden verdienden ongetwijfeld kritiek van taktischen en organisatorischen aard, maar zij gaven uiting aan het beste, wat er in de harten der socialistische arbeiders leefde.
Het karakter van dit boek brengt mee, dat ik hier met een samenvatting dezer rede moet volstaan. Het begin was nog in overeenstemming met de besluiten, den vorigen avond genomen. Na de beteekenis van de gebeurtenissen in de centrale rijken te hebben samengevat, konkludeerde ik: ‘Het Nederlandsche proleta-
riaat zou zijn taak verzuimen, als het niet zorgt, dat er groote dingen uit voortkomen.’ Sprekende over de militaire relletjes, ging ik reeds verder dan ik in de Kamer vas gegaan, (zie blz. 175), door te zeggen, dat de bourgeoisie nu ‘het steunpunt van het geweld, waarop zij in laatste instantie moet bouwen’ wegviel, had ‘afgedaan als de heerschende klasse.’ Dit beteekende, dat ‘een revolutionaire toestand ingetreden’ was; ‘verzuimt het oogenblik niet, grijpt de macht, die u in de schoot wordt geworpen.’ Toen volgde een uitvoerige passage over het bolsjewisme, die men de tallooze malen, dat deze rede is geciteerd, over het hoofd heeft gezien. De Russische revolutie toonde ons, zeide ik, hoe het niet moest: ‘ik acht het uiteenjagen van de Konstituante een misdaad en een fout; eenkleine groep, niet steunende op de demokratie, die door een schrikbewind zich poogt in stand te houden, - ik zal de laatste zijn om ze te verdedigen.’ Wij wilden geen anarchie en wij zouden de demokratie niet opofferen. Dat zeide ik op het oogenblik, dat ik mij liet gaan, toen al mijn ‘geheime bedoelingen’ naar bovenkwamen! Toch heeft men, speciaal van de rechterzijde, in de kampagne na 1918 tegen onze beweging op touw gezet, steeds weer de goedgeloovige gemeente verteld, dat ik de bolsjewistische diktatuur had trachten te vestigen. In overeenstemming met het vorige was, dat ik wel de syndikalisten onder leiding van Kolthek rijp noemde om met ons samen te werken, maar voor Wijnkoop en van Ravesteyn geen goed woord over had. Tot de bourgeoisie zeide ik: Meent niet, dat onze gematigdheid beteekent, dat wij niet diep willen ingrijpen, ‘maar er is een overgangstijdperk aangebroken, en wij willen, dat het onbloedig zij.’ Van het hoofdartikel der Nieuwe Rotterdamsche Courant zeide ik: ‘De achtergrond van dit alles is de zeer verstandige opvatting, dat de bourgeoisie zich niet enkele veeren, maar haar slagpennen moet laten uittrekken, en daarbij hetzelfde zoetsappige
gezicht moet zetten als bij het schrijven van dit hoofdartikel.’ En daarmede kwam ik tot het slot van mijn rede, waarmee ik ongetwijfeld mijn boekje te buiten ging: ‘Maar het voornaamste, het eigenlijke staat niet in dit program’, het program, n.l., den vorigen avond door de leiding van Partij en Vakverbond opgesteld. ‘De arbeidersklasse in Nederland grijpt thans de politieke macht.... Met een program zijn wij er niet. Wij hebben de vraag te overwegen, welke daad wij zullen doen.’ Het kongres van de komende Zondag zou moeten beslissen, of wij ook in ons land arbeiders- en soldatenraden zouden oprichten. ‘Gij, bourgeoisie, gevoelt, dat de arbeidersklasse is geworden de macht, die niet meer kan vragen, eischen, maar die zichzelf als opperste macht moet konstitueeren. Dit is de eisch der historie, voeg u ernaar.... Wat is onze rechtsgrond? Onze noodzakelijkheid en onze onmisbaarheid.’ Nadat Heykoop mij persoonlijk enkele uit het hart komende woorden van aanhankelijkheid had toegevoegd, begaf ik mij naar de Doelezaal, waar ik, onder gelijk enthusiasme der massa, een korte toespraak hield.
Had ik met deze rede de revolutie geopend? Neen, als ik werkelijk een revolutie-‘plan’ had gekoesterd, had ik dat plan niet hier en de volgende middag in de Kamer in het openbaar aangekondigd. Uit een oogpunt van revolutie-techniek, was het het onhandigste, wat ik doen kon. Ik had, tot spreken geroepen, spontaan mijn gevoelens en denkbeeld en geuit. Mijn fout bestond hierin, dat ik in deze rede optrad tegen de besluiten, die in de vergadering van de verantwoordelijke instanties genomen waren. Aan den anderen kant is het de opinie van bevoegde Rotterdamsche leiders, dat zeer krachtig optreden dien avond noodzakelijk is geweest om de arbeiders van Rotterdam, die in sterke gisting waren, in onze hand te houden.
In mijn rede had ik aangekondigd, dat Butselaar, voorzitter van de Bond van Dienstplichtigen, straks wel

TROELSTRA - ANNO 1923

Mr. G.W. SANNES
zou meedeelen, dat het leger voor de bourgeoisie onbetrouwbaar was. De volgende dag is mij geble